Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:3554

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
01-10-2013
Zaaknummer
05-740045-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een inwoner van Hattem is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke werkstraf. Aan het voorwaardelijk strafdeel heeft de rechtbank de bijzondere voorwaarde verbonden dat verdachte een behandeling moet ondergaan. Ook dient de verdachte een schadevergoeding aan het slachtoffer te betalen.

De verdachte heeft 's-ochtends vroeg een vrouw op straat onverhoeds vastgepakt en gedwongen mee te lopen naar een bossage omdat hij haar daar wilde kussen. Anders dan de advocaat heeft aangevoerd is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een begin van uitvoering van ontuchtige handelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: 05-740045-13

Uitspraak d.d.: 1 oktober 2013

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1993],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman: mr. A.C. Cornelisse advocaat te Apeldoorn.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

17 september 2013.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 februari 2013 te Hattem, in ieder geval in Nederland,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] (geboortedatum [geboortedatum]) te dwingen tot het plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen, die [slachtoffer] (stevig) bij haar lichaam en/of haar armen heeft vastgepakt en/of die [slachtoffer] richting van enkele struiken heeft geduwd/geleid (terwijl die [slachtoffer] zich trachtte los te trekken) en/of die [slachtoffer] daarbij heeft geboden stil te zijn en door te lopen en/of voorbij is gegaan aan (verbale en/of non-verbale) signalen van protest/verzet van die [slachtoffer],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 246 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 28 februari 2013 te Hattem, in ieder geval in Nederland, [slachtoffer], door geweld en/of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of enige andere feitelijkheid, gericht tegen die [slachtoffer], wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, immers heeft verdachte die [slachtoffer] onverhoeds vastgepakt bij haar arm en/of middel en haar geboden stil te zijn en/of met hem mee te lopen;

art 284 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Op 28 februari 2013 is er bij de politie een melding binnengekomen van een vrouw die tijdens het uitlaten van haar hond, ’s-ochtends tussen 06.00 uur en 06.15 uur, was vastgepakt en meegesleurd door een man. Zij was gaan slaan en haar hond was begonnen te blaffen. De man schrok en zij wist op dat moment te ontkomen. De politie heeft vervolgens een buurtonderzoek ingesteld en een signalement van de dader verstrekt. Een medewerkster van een bedrijf in de buurt herkende op het interne camerabeveiligingssysteem dat een uitzendkracht van het bedrijf voldeed aan het door de politie opgegeven signalement. Enige tijd later is verdachte aangehouden.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake was van een begin van uitvoering van het plegen van ontuchtige handelingen.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat hetgeen verdachte heeft bekend te hebben gepleegd niet kan leiden tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. Er is geen sprake geweest van een begin van uitvoering, gericht op het plegen van een ontuchtige handeling.

Het subsidiair ten laste gelegde kan wel bewezen worden verklaard, aldus de raadsman.

Beoordeling door de rechtbank

Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij heeft gepoogd iemand te dwingen tot of het dulden van ontuchtige handelingen. Subsidiair is ten laste gelegd het iemand door geweld of feitelijkheden dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden.

[slachtoffer] heeft aangifte gedaan. Zij heeft, zakelijk weergegeven, verklaard2 dat zij op 28 februari 2013 te Hattem door een man stevig bij haar bovenarm werd vastgepakt. De man begon haar te duwen en te trekken in de richting van de bosjes. Hij zei op gebiedende toon dat zij mee moest lopen en stil moest zijn. De man heeft haar ook bij de armen, buik, rug en nek aangeraakt. Haar hond begon tegen de man op te springen. Op dat moment heeft zij de man van zich afgeduwd en is zij hard weggerend.

De verdachte heeft ter terechtzitting, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij op 28 februari 2013 te Hattem [slachtoffer] ter hoogte van haar schouders bij haar armen heeft gepakt Hij heeft haar geduwd in de richting van de bosjes. Hij heeft dat gedaan omdat hij de vrouw wilde kussen. Hij wilde ook proberen de vrouw te kussen, maar dat is niet gelukt. De vrouw heeft zich verzet en haar hond begon te blaffen. Hij werd daar bang van. De vrouw ging er toen vandoor.

De verdachte heeft tegenover de politie, zakelijk weergegeven, verklaard3 dat de vrouw mee moest om ergens anders te gaan zitten te kussen.

Overwegingen ten aanzien van de bewezenverklaring.

De vraag is hoe verdachtes handelingen gekwalificeerd dienen te worden, waarbij moet worden bezien of die handelingen passen binnen hetgeen, primair of subsidiair, aan verdachte ten laste is gelegd. In dat verband overweegt de rechtbank dat blijkens de jurisprudentie ook handelingen, die niet per definitie seksueel van aard zijn maar die samenhangen met de lichamelijke intregriteit, als ontuchtig kunnen worden aangemerkt. Het oordeel van de rechtbank dat in deze zaak sprake is van ontuchtige handelingen vindt zijn grondslag in verdachtes verklaring dat hij het slachtoffer wilde kussen en in de door verdachte toegepaste dwang om het slachtoffer daartoe in de richting van de bosjes te duwen/trekken. De rechtbank acht derhalve het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 28 februari 2013 te Hattem, ter uitvoering van het voornemen om door geweld en een andere feitelijkheid [slachtoffer] (geboortedatum [geboortedatum]) te dwingen tot het plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen, die [slachtoffer] (stevig) bij haar lichaam en haar armen heeft vastgepakt en die [slachtoffer] in de richting van enkele struiken heeft geduwd/geleid, terwijl die [slachtoffer] zich trachtte los te trekken, en die [slachtoffer] daarbij heeft geboden stil te zijn en door te lopen en voorbij is gegaan aan (verbale en/of non-verbale) signalen van protest/verzet van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Primair:

Poging tot feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Over verdachte is een rapport van psychologisch onderzoek opgemaakt, gedateerd 24 mei 2013, door drs. [psycholoog 1], GZ psycholoog, en drs. [psycholoog 2], klinisch psycholoog. De conclusie van dit rapport is dat verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Met de conclusie van deze rapportage kan de rechtbank zich verenigen. Zij neemt deze conclusie over.

Verdachte is strafbaar, nu overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Toepassing minderjarigen strafrecht

In voornoemde rapportage is voorts vermeld dat er argumenten zijn die aanleiding geven het minderjarigenstrafrecht toe te passen. Betrokkene is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in termen van zwakbegaafdheid en in termen van een persoonlijkheidsstoornis NAO met afhankelijke, antisociale en narcistische trekken. Er is sprake van een substantiële achterstand in emotionele en sociale ontwikkeling. De verdachte functioneert op een niveau van een vijftien-zestienjarige.

De reclassering heeft gerapporteerd dat zij het advies van de rapporteurs ondersteunt.

Hoewel de verdachte ten tijde van het begaan van het hierboven tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit de leeftijd van achttien jaren reeds had bereikt, vindt de rechtbank - mede gelet op de inhoud van de over verdachte opgemaakte rapportage en het verhandelde ter terechtzitting - grond recht te doen overeenkomstig de bepalingen voor minderjarigen.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte - met toepassing van het minderjarigenstrafrecht - wordt veroordeeld tot een taakstraf, te weten een werkstraf van 40 uur, subsidiair 20 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft daaraan de bijzondere voorwaarden verbonden dat verdachte zich zal melden bij de reclassering en dat verdachte zich verplicht zal laten behandelen bij (forensische) verstandelijke gehandicaptenzorg Trajectum of een soortgelijke instelling. De officier van justitie vindt de geadviseerde voorwaarde dat verdachte zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen een te ver gaande inbreuk op de vrijheid van verdachte in de verdere toekomst.

De raadsman heeft aangevoerd dat hij de eis redelijk vindt.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Hij heeft haar op straat onverhoeds vastgepakt en haar gedwongen mee te lopen naar een bossage. Het is algemeen bekend dat een dergelijke gebeurtenis voor een slachtoffer ingrijpend is en dat dit langdurig een gevoel van angst en onveiligheid op straat kan veroorzaken.

De rechtbank vindt de eis van de officier van justitie redelijk en zal deze overnemen.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 300,-- gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde. Ook wordt de wettelijke rente gevorderd met ingang van de schadedatum. Tevens is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij te hoog is. Hij heeft verzocht dit bedrag op € 150,-- te stellen.

De rechtbank zal, gelet op de toewijzing bij vergelijkbare zaken een schadevergoeding immateriële schadevergoeding toekennen, die zij naar redelijkheid en billijkheid vaststelt op € 200,00. De benadeelde zal voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen met ingang van 28 februari 2013.

Gezien de hoogte van het te betalen bedrag en de bereidheid van verdachte om een schadevergoeding te betalen, ziet de rechtbank geen reden om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 77c, 77g, 77h, 77n,77x, 77y, 77z, 77gg en 246 van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Poging tot feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

 verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 40 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen.

 bepaalt, dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel zich voor de navolgende voorwaarden niet heeft nageleefd;

 stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1.

zich vóór het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2.

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich op uitnodiging dient te melden bij de reclassering. Hierna moet veroordeelde zich

gedurende door de reclassering bepaalde perioden blijven melden, zo frequent en zolang

als de reclassering dit nodig acht;

- zich zal laten behandelen bij (forensische) verstandelijke gehandicaptenzorg Trajectum

of een soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling aan de

reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in

het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden

gegeven;

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van die straf uren in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van 2 uur per dag.

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 200,-- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2013, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 heft op het – geschorste – bevel voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Prisse, voorzitter, E.G. de Jong en Welbergen, rechters, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van

1 oktober 2013.

Mr. Welbergen is buiten staat mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0610 2013027350-17, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Noordwest Veluwe, team recherche Noordwest Veluwe, gesloten en ondertekend op 4 april 2013

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 18-20

3 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 42