Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:3551

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
11-10-2013
Zaaknummer
AWB-13_1047
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep niet tijdig beslissen

De vraag of eiser het juiste bestuursorgaan in gebreke heeft gesteld dient ontkennend te worden beantwoord. Op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wmo is aan daartoe aangewezen gemeenten een zorgtaak opgedragen om beleid te realiseren ter zake van vormen van maatschappelijke opvang als bedoeld in de Wmo. Verweerder behoort niet tot de daartoe aangewezen gemeenten en heeft derhalve geen zorgtaak voor activiteiten op het gebied van maatschappelijke opvang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Team bestuursrecht

zaaknummer: ARN AWB 13/1047

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen, verweerder

(gemachtigde: drs. A.M.J. Borgart).

Procesverloop

Bij brief van 20 februari 2013, ter griffie ontvangen op 21 februari 2013, heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser is vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en verblijft zonder geldige verblijfstitel in Nederland. In oktober 2012 heeft eiser van de stichting Vluchteling Onder Dak een kamer in Renkum aangeboden gekregen. Voorts ontvangt eiser van deze stichting leefgeld.

2.

Bij brief van 24 augustus 2012 heeft eiser bij de Afdeling Sociale Zaken van de gemeente Wageningen een aanvraag ingediend om -in zijn eigen bewoordingen- “(financiële) ondersteuning door de gemeente Wageningen zodat hij weer een dak boven zijn hoofd kan krijgen en in andere essentiële levensbehoeften kan voorzien”. Bij brief van 24 oktober 2012 stelt eiser verweerder in gebreke ter zake het beslissen op zijn aanvraag van 24 augustus 2012. Bij brief van 5 november 2012 bericht verweerder eiser dat zijn aanvraag is doorgezonden aan de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Ede, omdat hij sinds 9 september 2010 niet langer staat ingeschreven in de gemeente Wageningen en hij thans woonachtig is in Bennekom. Bij brief van 1 februari 2013 stuurt eiser verweerder een aanmaning om te beslissen op zijn aanvraag van 24 augustus 2012. Verweerder bericht eiser bij brief van 18 februari 2013 dat hij ook eisers brief van 1 februari 2013 heeft doorgezonden aan de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Ede.

3.

Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in verbinding met artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan beroep worden ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Awb staat tegen het niet tijdig nemen van een besluit beroep open bij de bestuursrechter.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

4.

Het onderhavige geding spitst zich toe op de vraag of verweerder -zoals eiser stelt- bevoegd is te beslissen op eisers aanvraag en daaruit volgend of eiser het juiste bestuursorgaan heeft aangesproken omtrent het niet tijdig nemen van een besluit.

5.

Eiser stelt zich op het standpunt dat het onderdak en het leefgeld dat hij via de Stichting Vluchteling Onder Dak ontvangt formeel gezien afkomstig is van verweerder. Eiser baseert dit op artikel 20 van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Eiser wenst (de basis van) deze verstrekkingen geformaliseerd te zien in de vorm van een besluit van verweerder.

6.

Verweerder betwist uitdrukkelijk bevoegd te zijn om te beslissen op de aanvraag van eiser van 24 augustus 2012 en legt hieraan ten grondslag dat eiser niet meer woonachtig is in de gemeente Wageningen. Verweerder is van mening eisers aanvraag terecht op grond van artikel 2:3, eerste lid, van de Awb te hebben doorgezonden aan de gemeente Ede. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de stichting Vluchteling Onder Dak een onafhankelijke stichting is en geen onderdeel van verweerder, zodat verweerder de verstrekkingen van deze stichting niet kan formaliseren zoals door eiser gewenst.

7.

Vooreerst stelt de rechtbank vast dat gelet op eisers betoog waarin hij uitdrukkelijk aanknoopt bij artikel 20 van de Wmo, de onderhavige beoordeling uitsluitend betreft eisers verzoek om maatschappelijke opvang in het kader van de Wmo.

8.

In navolging van de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 13 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8950 en van 10 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:922 -naar welke eerstgenoemde uitspraak de rechtbank verwijst voor het van toepassing zijnde wettelijke kader- oordeelt de rechtbank dat op grond van het bepaalde bij en krachtens artikel 20, eerste lid, van de Wmo aan daartoe aangewezen gemeenten een zorgtaak is opgedragen om beleid te realiseren ter zake van vormen van maatschappelijke opvang als bedoeld in artikel 1, eerste lid , onder c, van de Wmo.

Uit artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b juncto artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid blijkt dat de gemeente Wageningen niet tot de daartoe aangewezen gemeenten behoort. Dit is tussen partijen overigens ook niet in geschil.

9.

In rechtsoverweging 5.4 van de uitspraak van 13 juni 2012 heeft de CRvB (onder verwijzing naar zijn uitspraak van 15 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010: BM3583) geoordeeld dat de bevoegdheid om de – door de rechtbank hiervoor in rechtsoverweging 8 vermelde – zorgtaak uit te oefenen door middel van het nemen van besluiten over de toegang tot maatschappelijke opvang bij het college van burgemeester en wethouders van een aangewezen gemeente berust.

10.

De CRvB heeft in voornoemde uitspraken van 13 juni 2012 en 10 juli 2013 -waartoe wordt verwezen naar rechtsoverweging 5.5.1 respectievelijk 4.5- geoordeeld dat artikel 20, eerste en vierde lid, van de Wmo, mede in het licht van de op artikel 20, eerste lid, van de Wmo gebaseerde nadere regelgeving, zo dient te worden uitgelegd dat de aan het college van burgemeester en wethouders van de aangewezen gemeenten toekomende bevoegdheid om te beslissen op een aanvraag om maatschappelijke opvang als bedoeld in de Wmo een exclusieve bevoegdheid is in die zin dat deze bevoegdheid niet toekomt aan het college van burgemeester en wethouders van een niet aangewezen gemeente. Hiervoor heeft de CRvB in zijn voornoemde uitspraak van 13 juni 2012 steun gevonden in artikel 20, eerste lid en vierde lid, van de Wmo, waarin de centrumgemeenten een zorgtaak is toebedeeld waarvoor zij een specifieke uitkering ontvangen. In de Memorie van Toelichting bij de Wmo (Kamerstukken II 2004/05, 30 131, nr. 3) staat met betrekking tot artikel 20, vierde lid, van de Wmo te lezen dat inzicht in gemeentelijk beleid op rijksniveau nodig is om te kunnen beoordelen of het met de uitkeringen beoogde doel - het voeren van een samenhangend en integraal beleid op de terreinen maatschappelijke opvang (inclusief vrouwenopvang) en verslavingsbeleid - ook daadwerkelijk wordt bereikt. Daartoe is volgens de regering van belang dat alleen centrumgemeenten beleid realiseren ten aanzien van vormen van maatschappelijke opvang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wmo. Op die manier kan worden beoordeeld of sprake is van een evenwichtig patroon van voorzieningen gericht op alle doelgroepen van het beleid.

11.

Uit de nota naar aanleiding van het verslag van 11 oktober 2005 (Kamerstukken II 2005/06, 30 131, nr. 29) heeft de CRvB afgeleid dat de wetgever bewust heeft gekozen voor concentratie van de voorziening van maatschappelijke opvang bij de centrumgemeenten om handhaving van de crisisopvangfunctie te kunnen waarborgen. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 5.5.2 respectievelijk 4.6 van voornoemde uitspraken van de CRvB van 13 juni 2012 en 10 juli 2013.

12.

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van hetgeen de CRvB in de hiervoor vermelde jurisprudentie op bovenstaande punten heeft overwogen.

De uispraak van de voorzieningenrechter van de CRvB van 19 december 2012, ECLI: NL:CRVB:2012:BY7619, waarop eiser zich heeft beroepen, leidt niet tot een ander oordeel. In die betreffende casus ging het om een centrumgemeente, Leeuwarden, ten aanzien waarvan op grond van het Regionaal kompas Leeuwarden/Fryslan 2012-2016, moest worden vastgesteld dat deze zijn maatschappelijke opvangtaak heeft “gedeconcentreerd” door daarbij andere gemeenten, daaronder begrepen de gemeente Heerenveen, te betrekken. Van een soortgelijke situatie is in de onderhavige zaak niet gebleken. Bovendien dient bij de uitspraak waarop eiser een beroep doet in aanmerking te worden genomen dat het een uitspraak inzake een verzoek om voorlopige voorziening betreft, welke procedure zich

-zoals in de betreffende uitspraak ook expliciet is aangegeven- niet leent voor beantwoording van complexe vragen. Aangezien het college er tot dan toe van uit was gegaan dat het zelf bevoegd was, is de voorzieningenrechter daarvan ook uitgegaan. In de onderhavige zaak wordt de bevoegdheid om te beslissen op eisers aanvraag door verweerder uitdrukkelijk betwist.

13.

Nu uit het voorgaande volgt dat de gemeente Wageningen geen zorgtaak heeft voor activiteiten op het gebied van de maatschappelijke opvang als bedoeld in de Wmo, is verweerder niet bevoegd om op de aanvraag van 24 augustus 2012 om maatschappelijke opvang als bedoeld in de Wmo te beslissen.

14.

Nu eiser derhalve het niet bevoegde bestuursorgaan in gebreke heeft gesteld is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.

15.

Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. B. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.