Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:3357

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
01-10-2013
Zaaknummer
AWB-12_4196
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het plaatsen van tijdelijke units voor methadonverstrekking. Geen strijd met het bestemmingsplan. Tijdelijk karakter voldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Team bestuursrecht

zaaknummers: SBR 12/4196 en 12/4310 ARN

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaken tussen

1.

CCV Holland B.V., te Arnhem, eiseres 1

(gemachtigde: mr. J.J. Molenaar),

2.

Siem Gitsels B.V., te Arnhem, eiseres 2

(gemachtigde: mr. J.T.F. van Berkel)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder

(gemachtigden: mw. M.C.J. Kasteel, M.M.M. Kapteijns en M.J. Noordanus).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Iriszorg, gemachtigde: mr. P.C.M. Heinen.

Procesverloop

Bij besluiten van 9 januari 2012 en 17 februari 2012 heeft verweerder aan Stichting Iriszorg een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van tijdelijke units voor methadonverstrekking, alsmede voor het gewijzigd realiseren van een tijdelijke uitweg en het tijdelijk plaatsen van een hekwerk voor een periode van twee jaar op het perceel aan de Westervoortsedijk ter hoogte van de nieuwe kade, kadastraal bekend gemeente Arnhem, sectie D 05428.

Bij besluit van 13 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de verleende vergunning herroepen voor zover deze zag op de oorspronkelijk op 9 januari 2012 vergunde uitweg-activiteit en de vergunning voor het overige (met inbegrip van de vergunning voor het gewijzigd realiseren van een tijdelijke uitweg) in stand gelaten.

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2013. Eiseres 1 is niet verschenen. Namens eiseres 2 is G.P. Gitsels verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens de derde-partij is mw. A.H. Gelderloos verschenen.

Overwegingen

1.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.23, eerste lid, van de Wabo kan in een omgevingsvergunning worden bepaald dat zij geheel of gedeeltelijk geldt voor een daarin aangegeven termijn.

Ingevolge artikel 2.23, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo kunnen bij algemene maatregel van bestuur categorieën gevallen worden aangewezen, waarin in de omgevingsvergunning wordt bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij aangegeven termijn. Bij de maatregel kan worden bepaald dat de omgevingsvergunning voor ten hoogste een daarbij aangegeven termijn kan gelden.

Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor), wordt in een omgevingsvergunning voor het bouwen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet, van een bouwwerk, bestemd om in een tijdelijke behoefte te voorzien bepaald dat zij slechts geldt voor een daarin aangegeven termijn.

Ingevolge artikel 5.16, tweede lid, van het Bor is in de categorie gevallen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, de termijn ten hoogste vijf jaar.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, voor zover hier van belang, geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning is vereist om een uitweg te maken, een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteit bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Ingevolge artikel 2.1.5.3 van de Algemene plaatselijke verordening (Hierna: de Apv) van de gemeente Arnhem is het verboden zonder vergunning een uitweg te maken. Een vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

  1. de bruikbaarheid van de weg;

  2. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

  3. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

  4. e bescherming van de groenvoorziening.

Ingevolge het vierde lid van artikel 2.1.5.3 moet een vergunning worden geweigerd indien als gevolg van de aanleg van de uitweg voor wat betreft het gebruik van de weg voor wat betreft het gebruik van de aan de uitweg grenzende gronden strijdigheid met het geldende bestemmingsplan optreedt.

2.

Eiseressen betogen dat het plaatsen van de tijdelijke units voor methadonverstrekking in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Bedrijventerrein Westervoortsedijk” rust op het perceel de bestemming 'bedrijfsdoeleinden III'. Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor 'bedrijfsdoeleinden III', voor zover hier van belang, bestemd voor bedrijven of gedeelten van bedrijven die zijn genoemd in de categorieën 1 tot en met 3 van de bij deze voorschriften behorende bedrijvenlijst. Volgens deze bedrijvenlijst behoren hiertoe binnen de categorie 'Gezondheids- en welzijnszorg' de subcategorieën 'Ziekenhuizen' en 'Verpleeghuizen'.

Ingevolge artikel 1.1 van de planvoorschriften wordt onder 'bedrijf' verstaan: een onderneming of gedeelte van een onderneming, welke een organisatorische zelfstandige eenheid vormt en als zodanig is gericht op de productie of afzet van goederen of de verlening van diensten, hieronder begrepen ondernemingen of gedeelten van ondernemingen welke door of vanwege de overheid worden geleid.

Op pagina 34 van de plantoelichting is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“(…). De bedrijfstypen zijn gekoppeld aan een bepaalde afstand die naar aanleiding van de te verwachten hinder is opgesteld.

Deze afstanden verwijzen naar de in bijlage I bij de voorschriften opgenomen bedrijvenlijst. Deze is gebaseerd op de categorale bedrijfsindeling uit de herziene uitgave van de publicatie Bedrijven en milieuzonering (vereniging van Nederlandse Gemeenten 1999).

Het betreft een selectie uit de volledige opsomming van bedrijven, die is gebaseerd op de SBI (Standaardbedrijfsindeling) van het Centraal Bureau voor de Statistiek. (…).”

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de onderhavige methadonpost is aan te merken als een poliklinisch onderdeel van de als ziekenhuis aan te merken klinische voorziening van Stichting Iriszorg aan de Groningensingel in Arnhem, welke voorziening inmiddels naar Zevenaar is verplaatst. Volgens verweerder valt de methadonpost daarom onder de hiervoor genoemde op grond van het geldende bestemmingsplan ter plaatse toegelaten subcategorie 'Ziekenhuizen'. De rechtbank ziet in wat eiseressen in beroep hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op dat standpunt heeft mogen stellen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit de hiervoor aangehaalde passage uit de plantoelichting is af te leiden dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan is uitgegaan van de selectie van de SBI-codes uit de genoemde VNG-publicatie uit 1999 en dat verweerder latere versies van de lijsten met SBI-codes daarom buiten beoordeling heeft mogen laten. Verweerder heeft bij de uitleg van de subcategorie 'Ziekenhuizen' aansluiting mogen zoeken bij wat daaronder in het algemeen spraakgebruik wordt verstaan. Volgens Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal is een ziekenhuis een instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken en het gebouw daarvan. Een polikliniek is een inrichting waar niet-bedlegerige patiënten onderzocht en behandeld worden. Voorts neemt de rechtbank daarbij in aanmerking dat de verslavingsartsen van de Stichting Iriszorg op de locatie van de methadonpost spreekuur houden en daar medische handelingen verrichten die ook op een polikliniek van een ziekenhuis plaatsvinden. Ten slotte neemt de rechtbank daarbij in aanmerking dat het project niet voorziet in het realiseren van een nieuwe methadonpost, maar in de verplaatsing van de huidige, ten tijde van de ontwikkeling van het geldende bestemmingsplan al bestaande, inmiddels gesloopte, methadonpost over een afstand van ongeveer 200 meter binnen hetzelfde plangebied.

De rechtbank ziet voorts geen grond voor het oordeel dat een ziekenhuis, dan wel een methadonpost als poliklinisch onderdeel daarvan, niet is aan te merken als een bedrijf in de zin van artikel 1.1 van de planvoorschriften. Daarbij geldt dat ter zitting onweersproken is gesteld dat de methadonpost weliswaar onderdeel is van de klinische voorziening, maar organisatorisch een zelfstandige eenheid vormt.

De rechtbank ziet ten slotte geen grond om de tijdelijke units in strijd met de bij het bestemmingsplan behorende bebouwingsvoorschriften te achten. Uit de plankaart moet worden afgeleid dat de maximale bouwhoogte op de in geding zijnde locatie 20 meter bedraagt en dat het bebouwingspercentage 75 % bedraagt. Uit de bij de vergunning behorende bouwtekeningen moet worden afgeleid dat de hoogte van de tijdelijke units maximaal 3,4 meter bedraagt en dat het bebouwingspercentage niet wordt overschreden. Van overschrijding van de op de plankaart aangegeven bouwgrens is evenmin sprake.

De betogen van eiseressen dat het plaatsen van de tijdelijke units voor methadonverstrekking in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan slagen derhalve niet.

3.

Eiseres 1 betoogt dat er thans geen enkele zekerheid bestaat dat de methadonpost na ommekomst van de in de omgevingsvergunning aangegeven termijn van twee jaar kan verhuizen naar een andere locatie.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwegen (onder meer in de uitspraak van 27 december 2012 met zaaknummer 201205292/1/A1), is voor de toepassing van artikel 45, eerste lid, aanhef, onder b en slotzin, van de Woningwet slechts vereist dat tijdelijk behoefte bestaat aan het bouwwerk waarvoor vergunning is aangevraagd. Of tijdelijk behoefte bestaat aan het bouwwerk, moet worden beoordeeld aan de hand van concrete gegevens. De rechtbank vindt geen aanleiding om thans voor de toepassing van artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bor een andere maatstaf aan te leggen.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat een tijdelijke behoefte bestaat aan de te verplaatsen methadonpost. Dat de tijdelijke units voorzien in een behoefte die ook na het verstrijken van de termijn van twee jaar nog bestaat, is geen grond om de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren, nu in die behoefte kan worden voorzien door realisering van de definitieve methadonpost op een nieuwe locatie aan de Oude Veerweg. Daarnaast wil verweerder de locatie van de tijdelijke methadonpost tijdig beschikbaar maken voor het aldaar realiseren van een nieuwe woonwijk (centrum-oost). Verweerder heeft toegelicht dat het de bedoeling is om de Opiatenkliniek van de derde-partij op de nieuwe locatie aan de Oude Veerweg in januari 2014 in gebruik te nemen, alsmede dat het terrein aan de Westervoortsedijk waarop de tijdelijke methadonpost wordt gerealiseerd, thans wordt gesaneerd en dat het bestemmingsplan voor de nieuwe woonwijk in voorbereiding is.

De onderbouwing van een eventueel noodzakelijke verlenging van de in de omgevingsvergunning aangegeven termijn dient alsdan in het kader van het met het oog daarop te nemen besluit te worden beoordeeld.

Het betoog van eiseres 1 slaagt niet.

4.

Voor zover eiseressen betogen dat er alternatieve locaties zijn voor tijdelijke methadonverstrekking in de gemeente Arnhem, waaraan aanzienlijk minder bezwaren kleven dan aan de in geding zijn de locatie en dat er toezeggingen zijn gedaan omtrent de vaststelling van een omgevingsplan, dienen deze betogen, gelet op het in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo voor omgevingsvergunningen voor bouwen neergelegde toetsingskader, nu het plaatsen van de tijdelijke units voor methadonverstrekking niet in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, hier buiten beoordeling te blijven.

5.

Eiseressen betogen ten slotte dat de gewijzigde vergunning voor het maken van een uitweg bij het bestreden besluit ten onrechte in stand is gelaten.

Verweerder heeft het bestreden besluit mede gebaseerd op een ambtelijk advies van een verkeerskundige van de gemeente. In het betreffende ter zitting overgelegde advies is het volgende vermeld:

“Er is geen bezwaar tegen de uitweg die op de Westervoortsedijk uitkomt. Een uitweg aan de achterzijde (Jacob van Deventerstraat) is moeilijk vindbaar. Er zijn nabij de methadonpost ook aan de zuidzijde van de Westervoortsedijk enkele bestaande uitwegen. De afstand naar 'drukke' kruisingen is ruimschoots; de verwachting is dat de extra uitweg niet leidt tot verstoring van de verkeersafwikkeling en/of verkeersonveilige situaties. Mede omdat de gebruikers van de parkeerplaatsen vooral in personele sfeer liggen en deze hoofdzakelijk buiten spitstijden aankomen en vertrekken.

Verder is ook expliciet naar de situatie gekeken waarin de Westervoortsedijk is gereconstrueerd. Dit is feitelijk al gestart (voorbereidend werk, sanering strook waar eind 2012 nieuwe kabels en leidingen komen) en zal in 2013 zichtbaar worden, waarbij een parallelweg langs de Westervoortsedijk komt te liggen. Dat betekent dat in 2013 de uitweg van de tijdelijke methadonpost niet meer rechtstreeks op de Westervoortsedijk uitkomt, maar op een parallelweg daarvan. Een parallelweg is bij uitstek de plek waar percelen ontsloten kunnen worden.”

De rechtbank acht met het bestreden besluit en het genoemde ambtelijk advies waarop het besluit mede is gebaseerd, voldoende onderbouwd dat de in artikel 2.1.5.3 van de Apv neergelegde gronden voor weigering van de vergunning om een uitweg te maken zich hier niet voordoen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de gewijzigde vergunning dan ook in redelijkheid bij het bestreden besluit in stand kunnen laten.

Het betoog van eiseressen slaagt niet.

6.

De rechtbank ziet in wat eiseressen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd, dan wel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

7.

De beroepen zijn ongegrond. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.Beslissing

De rechtbank

- verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Jue, voorzitter, en mr. S.A. van Hoof en mr. H.J.M. Besselink, leden, in aanwezigheid van mr. P.M. Saedt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.