Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:3196

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
20-09-2013
Zaaknummer
C-06-131856 - HA ZA 12-294
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg van een overeenkomst (Haviltex). Bevel openlegging administratie (artikel 3:15j BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/06/131856 / HA ZA 12-294

Vonnis van 11 september 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam A BV] ,

gevestigd te[plaats], [gemeente],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. Th.R.M. Welling te Doetinchem,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam B Motion BV] ,

gevestigd te [plaats], [gemeente],

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam B-C BV] ,

gevestigd te [plaats], [gemeente],

gedaagde in conventie,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam C Contructie BV] ,

gevestigd te [plaats], [gemeente],

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

advocaat mr. T.L.G.M. Heebing te Zevenaar.

Partijen zullen hierna [naam A BV] en[gedaagden] genoemd worden; gedaagden in conventie zullen daarnaast respectievelijk [naam B Motion BV], [naam B-C BV] en [naam C Contructie BV] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 19 december 2012

  • -

    de akte vermeerdering/wijziging van eis van [naam A BV]

  • -

    de antwoordakte van[gedaagden]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[naam A BV] heeft zich vanaf enig moment bezig gehouden met de basale ontwikkeling van machines voor olie-exploratie in onder andere woestijn- en moerasgebieden. Vanaf de jaren ’90 van de vorige eeuw had zij in dat kader contact met bedrijven van de Schlumberger Groep. Toen [naam A BV] de opdrachten van de Schlumberger Groep niet meer (alleen) aankon, heeft zij [naam B Motion BV] ingeschakeld voor de engineering en [naam C Contructie BV] voor de constructie van de betreffende machines.

2.2.

Tussen [naam A BV], [naam B Motion BV] en [naam C Contructie BV] is op 5 december 2006 een overeenkomst tot stand gekomen (hierna: de 1e samenwerkingsovereenkomst) die schriftelijk is vastgelegd in een “convenant” (productie 1 bij dagvaarding) waarin onder meer het volgende staat:

“[…]

Afspraken tussen betrokken partijen hebben betrekking op ‘Geco Support Services Limited’, verder te noemen Western Geco alsmede de sonic bedrijven van de Schlumberger groep.

[naam A BV] ([naam A BV]) heeft als taak het onderhouden van contacten met Western Geco en alle montage werkzaamheden die bij cliënt in het veld plaatsvinden. Alsmede cliënt te exclusieve recht voor het leveren van reserve onderdelen en onderhoudsprodukten.

Eureka heeft als taak nieuwe ontwerpen en eventuele machines te produceren waarbij [naam A BV] in kennis gesteld wordt van de activiteiten die plaats vinden. Ook Eureka onderhoud contacten met Western Geco inzake nieuwe machines. [naam A BV] heeft hierbij het recht om provisie te ontvangen conform de onderstaande tabel waarin alle partijen zij zich vinden. Deze provisie is te verrekenen na het afsluiten van het project en/of volledige betaling. […] De staalproducten zullen tenzij anders overeengekomen met [naam C Contructie BV] tegen een marktconforme prijs bij [naam C Contructie BV] Constructie BV ondergebracht worden.

Provisie voor verkochte nieuwe machines / installaties voor [naam A BV]

Verkoopprijs per PO* van 0 tot 10 duizend euro voor de provisie van 10% excl. BTW

Verkoopprijs per PO* van 10 tot 250 duizend euro voor de provisie van 8% excl. BTW

Verkoopprijs per PO* van 25 tot 1 miljoen euro voor de provisie van 6% excl. BTW

Verkoopprijs per PO* >1 miljoen euro voor de provisie van 3% excl. BTW

*PO, is een inkooporder van de klant en is één opdrachtnummer.

[...]

Voor de provisie van elke WESB (Swamp buggy) is € 20.000,00 na ontvangst van de volledige betaling te ontvangen. […]”.

2.3.

[naam A BV] heeft [naam B Motion BV] een factuur d.d. 14 januari 2009 gezonden ten bedrage van € 20.000,-- exclusief BTW (€ 23.800,-- inclusief BTW) ter zake van “provisie WESB nr. 10” (productie 3 bij dagvaarding).

2.4.

In een e-mail d.d. 28 april 2009 van de directeur van [naam B Motion BV], de heer

[naam 2] (hierna: [naam 2]) aan de directeur van [naam C Contructie BV], de heer [naam 1] (hierna: [naam 1]), met cc aan de heer [naam 3] van [naam A BV] (productie 2 bij dagvaarding) staat onder meer het volgende:

“[…]

Gisteren heb ik met [naam 3] het volgende voorstel uit gewerkt. Dit heeft betrekking op het convenant en betalingen omtrent WesternGeco.

Verrekening van [naam A BV] en [naam B Motion BV] BV(incl. BTW):

[…]

---------------

€ 27.021,19 vordering op [naam B Motion BV] BV van [naam A BV]

Te ontvangen van Eureka na afronding projecten incl. BTW:

[…]

----------------

€ 90.020,81 Som van projectprovisies

Te betalen aan [naam E] incl. BTW:

[…]

---------------

€ 117.042,00 Aan [naam E] te betalen

Na betaling van de € 90.020,81 provisie van [naam A BV] door [naam B Motion BV] BV aan [naam C Contructie BV] Constructie BV en betalen van de € 27.021,19 vordering van [naam B Motion BV] BV van [naam A BV] aan [naam C Contructie BV] Constructie BV, zal [naam B Motion BV] BV nog een extra betaling van € 8.000,00 aan [naam A BV] overmaken.

Met verrekening van deze bedragen zijn de provisies tot 28 april 2009 verrekend. Voorts zal [naam A BV] afstand tekenen van de MAN-8x8 die nu bij [naam E] staat.

Aanpassing convenant (overeenstemmend met [naam A BV] en [naam B Motion BV] BV):

1. Het hele convenant komt te vervallen met uitzondering van de provisie regeling voor [naam A BV].

2. De provisieregeling heeft betrekking op alle opdrachten die Eureka en of [naam C Contructie BV] ,incl. alle bedrijven die hieronder vallen en eventueel nog opgericht worden, van WG en of de Schlumberger groep ontvangt.

[…]

Dit bovenstaande voorstel heeft de instemming van [naam 3] en ondergetekende. […]”.

2.5.

In een op 19 juni 2009 zijdens [naam A BV] en [naam B Motion BV] ondertekende “Cessie-overeenkomst” (productie 4 bij dagvaarding, hierna: de cessieovereenkomst) is onder meer het volgende bepaald:

“[…]

In aanmerking nemende:

[naam A BV] heeft op of omstreeks november 2008 een koopovereenkomst gesloten met [naam E] Bedrijfswagens BV voor het leveren van een vrachtwagen voor Western-Geco met specifieke kenmerken, zodat deze geschikt is voor woestijngebruik.

[naam A BV] heeft een eerste aanbetaling voldaan […]

[naam A BV] is thans financieel niet in staat de tweede en derde deelbetaling te verrichten aan [naam E] Bedrijfswagens BV.

Eureka is bereid als partij in de koopovereenkomst tussen [naam A BV] en [naam E] Bedrijfswagens BV in de plaats gesteld te worden.

Eureka voldoet alsdan de restant koopprijs […] aan [naam E] Bedrijfswagens BV, terwijl aan [naam A BV] door opdrachtgeefster, Western-Geco, aan wie uiteindelijk de vrachtwagen na montage van een boorinstallatie dient te worden geleverd, reeds is voldaan.

Zijn overeengekomen als volgt:

Door overname van de koopovereenkomst door Eureka ontstaat aan de zijde van Eureka een vordering op [naam A BV] ter hoogte van € 117.042,00 inclusief BTW.

Deze vordering wordt verminderd met de huidige openstaande facturen ter grote van

€ 27.021,19 (inclusief BTW) en schriftelijk overeengekomen vorderingen van [naam A BV] op Eureka van Euro 90.020,8, zodat er geen sprake is van een vordering van Eureka op [naam A BV]. Daarnaast zal Eureka nog een betaling doen aan [naam A BV] ter grote van Euro 8000,00 incl. btw. Zoals op 28 april is overeengekomen

[…]”.

2.6.

Het in de cessieovereenkomst genoemde bedrag van € 8.000,-- is door

[naam B Motion BV] niet aan [naam A BV] betaald.

2.7.

In een op 19 juni 2009 tussen [naam A BV], [naam B Motion BV] en [naam C Contructie BV] gesloten samenwerkingsovereenkomst (productie 5 bij dagvaarding, hierna: de

2e samenwerkingsovereenkomst) is onder meer het volgende bepaald:

“[…]

IN AANMERKING NEMENDE:

Partijen verrichten in opdracht van Geco Support Services Limited, gevestigd te Jebel Ali Free Zone, Dubai U.A.E., alsmede de seismologische bedrijven van de Schlumberger Groep, gevestigd te Gatwick Airport West Sussex U.K., verder te noemen Western-Geco, werkzaamheden, ieder op hun specifieke gebied, waarbij Eureka de volgende taken, verkoop en levering van producten en klantspecifieke machines, engineering, assemblage, transport, onderhoud, levering van onderdelen en training voor haar rekening neemt, [naam C Contructie BV] de staalleveranties en montage en [naam A BV] de provisie ontvangt in verband met bewezen diensten.

[…]

Partijen herroepen hierbij het samenwerkingsconvenant dat zij op 5 december 2006 hebben gesloten. Hiervoor komt deze samenwerkingsovereenkomst in de plaats.

KOMEN OVEREEN ALS VOLGT:

[…]

2.

[naam A BV] verplicht zich ertoe dat door Western-Geco de opdrachten rechtstreeks worden gegeven aan Eureka, dit met uitzondering van punt 7. Dit met een boeteclausule van

€ 25.000 per overtreding. Eureka voert met Western-Geco de onderhandelingen onder welke condities de opdracht van Western-Geco wordt aanvaard. Alvorens de opdracht definitief word afgesloten, worden de betalingscondities vastgesteld in overleg met [naam C Contructie BV].

Eureka verplicht zich ertoe [naam A BV] op de hoogte te stellen van opdrachten die zij van Western-Geco heeft ontvangen. Dit op straffe van een dubbele provisie berekening.

[…]

4.

Voor het verstrekken van opdrachten door Western-Geco aan Eureka ontvangt [naam A BV] een provisie volgens de navolgende staffel:

Verkoopprijs per Purchase order van 0 tot € 10.000,00; provisie van 7% exclusief BTW;

Verkoopprijs per Purchase order van € 10.000,00 tot € 250.000,00; provisie van 5,6% exclusief BTW;

Verkoopprijs per Purchase order van € 250.000,00 tot € 1.000.000,00; provisie van 4,2%;

Verkoopprijs per Purchase order ≥ € 1.000.000,00; provisie van 2,1% exclusief BTW.

Deze provisieregeling is niet van toepassing indien Eureka uitsluitend één prototype machine in opdracht van Western-Geco heeft gemaakt, worden er na het prototype vervolgopdrachten van dit type machine in opdracht gegeven door Western-Geco dan geldt de hierboven overeengekomen provisie-regeling weer voor deze te bouwen machines.

5.

De provisieregeling ten behoeve van [naam A BV] geldt voor de duur van vijf jaren. Deze periode van vijf jaren vangt aan op het moment dat de eerste machine in productie wordt genomen in opdracht van Western-Geco. De ontwikkeling van een prototype machine valt buiten deze termijn. Bij het einde van de termijn met betrekking tot de provisieregeling van vijf jaren, heeft [naam A BV] de mogelijkheid tot het verlengen van de termijn met vijf jaren, of vanaf dat moment kan [naam A BV] de productie van de machine zelf verzorgen.

[…]

8.

Deze overeenkomst is ook van toepassing op alle vennootschappen c.q. eenmanszaken of personenvennootschappen, waarbij partijen c.q. haar bestuurders direct dan wel indirect betrokken zijn. […]”.

2.8.

Bij brief van 25 juni 2010 (productie 6 van[gedaagden]) heeft

[naam B Motion BV] onder meer het volgende aan [naam A BV] geschreven:

“[…] Wij hebben via onze collega [naam 4] contact gehad over een aanvraag van WesternGeco die bij ons op 3 mei 2010 binnen is gekomen. Onze bedoeling daarbij was om onderdelen bij u te betrekken voor deze opdracht. Na het aanbieden en tijdens het inkoopproces, is echter de voorhanden zijnde opdracht geannuleerd terwijl deze grotendeels goedgekeurd was.

Uit recent verkregen informatie blijkt dat u zelf contact hierover hebt onderhouden met de klant. Hierdoor zijn er vraagtekens ontstaan omtrent deze levering en heeft WesternGeco de order afgebroken […]

De geleden schade van jullie actie is voor Eureka enorm en wij vinden het dan ook passend dat de boeteclausule van €. 25.000,00 van kracht wordt. […]”.

2.9.

[naam B-C BV] is op 30 december 2010 opgericht door [naam B Motion BV] en [naam C Contructie BV]. Bestuurders en aandeelhouders van [naam B-C BV] zijn [naam C Contructie BV] Beheer B.V. en

Eureka Control B.V. [naam B-C BV] houdt zich vanaf begin 2011 bezig met de gezamenlijke ontwikkeling en verkoop door [naam B Motion BV] en [naam C Contructie BV] van machines, waarbij telkens de verkoop en ontwikkeling door [naam B Motion BV] worden verzorgd en de productie door [naam C Contructie BV].

2.10.

In een e-mail van 12 december 2011 van [naam C Contructie BV] aan [naam A BV] (productie 9 van [naam A BV]) staat onder meer het volgende:

“[…] Daarnaast zullen jullie morgen de facturen ontvangen voor ons gedeelte van de boormast waar we gezamenlijk via een IPC-project aan gewerkt hebben, factuurnummers 2112007 en 2112008 […]. Er is ooit over gesproken, dat we dit gedeelte pas zouden factureren op het moment dat deze boormast door [naam A BV] zou zijn verkocht. Echter hier is schriftelijk niets van vastgelegd. […]”.

2.11.

Op enig moment heeft (de advocaat van) [naam A BV][gedaagden] verzocht om een overzicht van alle door Western Geco verstrekte opdrachten. Bij brieven van

22 december 2011 en 9 januari 2012 heeft (de advocaat van) [naam B Motion BV] aan (de advocaat van) [naam A BV] melding gemaakt van door Western Geco aan [naam B Motion BV] verstrekte opdrachten, waaronder opdrachten d.d. 23 september 2007, 7 oktober 2007,

15 november 2007, 9 maart 2008 en 7 december 2009, waarvan de opdrachtbevestigingen (“purchase orders”) door [naam A BV] zijn overgelegd (productie 6 bij dagvaarding).

In laatstgenoemde purchase orders is [naam B Motion BV] als “supplier” vermeld.

2.12.

[naam A BV] heeft een aantal aan [naam B-C BV] als “supplier” gerichte “purchase orders” uit de periode 29 september 2011 – 6 januari 2012 overgelegd, waarop steeds als koper (“sold to”) is aangemerkt: Petroleum Equipment & Supplies FZE (PESFZE), op het adres Jebel Ali Free Zone te Jebel Ali, Dubai, Verenigde Arabische Emiraten. Op deze purchase orders (producties 13 tot en met 17 en 19 tot en met 22 van [naam A BV], hierna: de [naam B-C BV] orders) is vermeld dat de factuur moet worden gezonden aan PESFZE op het adres van Schlumberger Technologies Operating Ltd. te Dubai. Op een document met de titel “SHOPPING CART” (productie 18 van [naam A BV]) staat [naam B-C BV] als “supplier” vermeld en adressen van Schlumberger Middle East SA als bezorg- en factuuradres.

2.13.

In een “Proposal” van [naam B-C BV] gericht aan Western Geco d.d. 24 maart 2011 doet [naam B-C BV] een voorstel met prijsopgave voor de levering van een vijftal exemplaren van de “EUD50 tractor drill”.

2.14.

[naam C Contructie BV] heeft materialen geleverd aan [naam A BV]. In verband daarmee heeft [naam C Contructie BV] aan [naam A BV] de volgende facturen (productie 4 van[gedaagden]) gezonden:

- factuur 2111299 d.d. 31-8-2011 ten bedrage van € 19.040,--

- factuur 2112007 d.d. 12-12-2011 ten bedrage van € 12.488,18

- factuur 2112008 d.d. 12-12-2011 ten bedrage van € 7.201,40.

2.15.

Op 8 mei 2012 heeft (de advocaat van) [naam A BV] [naam B Motion BV] een factuur gezonden ter zake van provisie over de hiervoor onder 2.11. genoemde vijf opdrachten, voor een bedrag van € 6.227,19. Deze factuur is door [naam B Motion BV] niet betaald.

2.16.

In een e-mail d.d. 28 januari 2013 van de heer[naam 6] (hierna:[naam 6]) aan

[naam B Motion BV] ([naam 2]) met als onderwerp “TEW-80 Tractor Mount Failures (productie 24 van [naam A BV]) wordt melding gemaakt van technische problemen (“failures”) met door [naam B-C BV] geleverde TEW-80 machines. Onderaan deze e-mail staat het logo van Western Geco. In een e-mail d.d. 29 januari 2013 van de heer [naam 7] van Western Geco Iraq (hierna: [naam 7]) aan [naam B Motion BV] ([naam 2]) staat onder meer het volgende:

“[…] Another construction failure of the TEW-80. […] We also require a fix to avoid the other 4 units going down with the same problem. […]”.

3 De vordering in conventie

3.1.

[naam A BV] vordert, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis

I. [naam B Motion BV] zal veroordelen om tegen afgifte van behoorlijk bewijs van kwijting aan [naam A BV] te voldoen een bedrag van € 8.000,-- ter zake van de factuur van

14 januari 2009, vermeerderd de met wettelijke handelsrente vanaf

14 februari 2009, althans de wettelijke rente vanaf 21 december 2011, althans de wettelijke rente vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;

II. [naam B Motion BV], [naam B-C BV] en [naam C Contructie BV] hoofdelijk zal veroordelen om tegen afgifte van behoorlijk bewijs van kwijting aan [naam A BV] te voldoen het bedrag van

€ 6.227,19 ter zake van de provisie over de niet gemelde opdrachten van Western Geco, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 8 juni 2012, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;

III. [naam B Motion BV], [naam B-C BV] en [naam C Contructie BV] hoofdelijk zal veroordelen om tegen afgifte van behoorlijk bewijs van kwijting aan [naam A BV] te betalen een bedrag van

€ 17.200,-- ter zake van te laag berekende provisie in verband met een niet gestaffelde berekening;

IV. primair

[naam B Motion BV], [naam B-C BV] en [naam C Contructie BV] hoofdelijk zal veroordelen om tegen afgifte van behoorlijk bewijs van kwijting aan [naam A BV] te voldoen de verschuldigde provisie vermeerderd met de verbeurde boete tot een bedrag van totaal

€ 114.567,41 ter zake van verzwegen purchase orders aan [naam B-C BV];

subsidiair

[naam B Motion BV] en [kennelijk is bedoeld, Rb] [naam C Contructie BV] hoofdelijk zal veroordelen om tegen afgifte van behoorlijk bewijs van kwijting aan [naam A BV] te voldoen de verschuldigde provisie vermeerderd met de verbeurde boete tot een bedrag van totaal € 114.567,41 ter zake van verzwegen purchase orders aan [naam B-C BV];

V. [naam B Motion BV], [naam B-C BV] en [naam C Contructie BV] ieder zal veroordelen tot openlegging van de (project)administratie over de periode van 5 december 2006 tot en met heden aan de accountant van [naam A BV] binnen veertien dagen na betekening van het vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per dag of per dagdeel voor iedere dag dat ieder der gedaagden in conventie nalaat aan het vonnis te voldoen;

VI. [naam B Motion BV], [naam B-C BV] en [naam C Contructie BV] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 904,-- aan buitengerechtelijke incassokosten;

VII. [naam B Motion BV], [naam B-C BV] en [naam C Contructie BV] hoofdelijk zal veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[naam A BV] legt, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de volgende stellingen aan haar vordering ten grondslag.

Uit de hiervoor onder 2.4. geciteerde e-mail van 28 april 2009 en uit de cessieovereenkomst blijkt dat [naam A BV] en [naam B Motion BV] in het kader van de financiële afwikkeling tussen partijen zijn overeengekomen dat [naam B Motion BV] ter zake van de factuur van

14 januari 2009 nog een bedrag van € 8.000,-- aan [naam A BV] diende te voldoen. Nu tijdige betaling van dat bedrag ondanks verschillende sommaties is uitgebleven, verkeert

[naam B Motion BV] in verzuim.

[naam A BV] heeft op grond van de 1e en 2e samenwerkingsovereenkomst recht op provisie voor iedere in opdracht van Western Geco en/of de Schlumberger Groep door partijen nieuw ontwikkelde en verkochte machine. De hiervoor onder 2.11. genoemde purchase orders zijn destijds nooit aan [naam A BV] gemeld en daarover moet alsnog provisie worden betaald. Op de opdrachten uit 2007 en 2008 is de 1e samenwerkingsovereenkomst van toepassing; de opdracht van 9 december 2009 valt onder de 2e samenwerkingsovereenkomst en daarover is – als gevolg van het niet melden ervan – dubbele provisie verschuldigd. De totale door [naam B Motion BV] verschuldigde provisie in verband met deze vijf achtergehouden opdrachten bedraagt € 6.227,19.

[naam A BV] heeft de door haar in rekening gebrachte provisie ten onrechte nooit gestaffeld berekend, zodat zij alsnog recht heeft op het verschil tussen de in rekening gebrachte niet gestaffelde provisie en de juiste, gestaffelde provisie, groot € 17.200,--. Gezien de zeer nauwe betrokkenheid tussen [naam B Motion BV], [naam B-C BV] en [naam C Contructie BV] zijn genoemde vennootschappen hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van de verplichting tot betaling van de door [naam A BV] als gevolg van de verkeerde berekening misgelopen provisie.

De [naam B-C BV] orders en het als productie 18 overgelegde document zijn purchase orders van Western Geco c.q. de seismologische bedrijven van de Schlumberger Groep als bedoeld in de 2e samenwerkingsovereenkomst en vallen onder de werking van die overeenkomst. Op grond van artikel 8 van de 2e samenwerkingsovereenkomst is die overeenkomst ook van toepassing op [naam B-C BV]. De als productie 13 tot en met 22 overgelegde purchase orders zijn door[gedaagden] niet aan [naam A BV] gemeld. Op grond van artikel 2 van de

2e samenwerkingsovereenkomst is [naam B-C BV] over de betreffende purchase orders een dubbele provisie verschuldigd. Het totaal verschuldigde provisiebedrag in verband met deze orders bedraagt € 114.567,41. Gezien de zeer nauwe verbondenheid tussen [naam B Motion BV], [naam C Contructie BV] en [naam B-C BV] zijn [naam B Motion BV] en [naam C Contructie BV] hoofdelijk aansprakelijk in de zin van artikel 6:2 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) voor de nakoming van de verplichting tot betaling van voornoemde provisie ten bedrage van € 114.567,41. Voor zover de rechtbank van oordeel mocht zijn dat de 2e samenwerkingsovereenkomst niet (onverkort) van toepassing is op [naam B-C BV] zijn [naam B Motion BV] en [naam C Contructie BV] hoofdelijk gehouden tot betaling van bovengenoemde provisie omdat zij zich bij het aangaan van die overeenkomst ertoe hebben verbonden ervoor zorg te dragen dat de overeenkomst ook onverkort van toepassing zou zijn op alle vennootschappen c.q. eenmanszaken of personenvennootschappen, waarbij partijen c.q. hun bestuurders direct dan wel indirect zijn betrokken. Indien de 2e samenwerkingsovereenkomst niet van toepassing is op [naam B-C BV] zijn [naam B Motion BV] en [naam C Contructie BV] derhalve tekortgeschoten in de nakoming van die overeenkomst en zijn zij jegens [naam A BV] gehouden tot vergoeding van de daardoor geleden schade ter hoogte van de misgelopen provisie met de daarover verbeurde boete wegens de verzwegen [naam B-C BV] orders.

Gebleken is dat [naam B Motion BV] en/of [naam B-C BV] aantoonbaar diverse opdrachten niet, dan wel pas na lang aandringen en sommatie zijdens [naam A BV], aan [naam A BV] hebben gemeld, hoewel zij daartoe op grond van de samenwerkingsovereenkomst wel verplicht waren. De meldingsplicht is een essentieel onderdeel van de samenwerking tussen partijen, omdat [naam A BV] alleen op basis van de door[gedaagden] verstrekte gegevens kan nagaan of zij voldoende provisie ontvangt; zij is daartoe volledig afhankelijk van[gedaagden] Door het gebleken achterhouden van informatie over orders is bij [naam A BV] wantrouwen ontstaan ten aanzien van de correcte nakoming van de samenwerkingsovereenkomst. [naam A BV] heeft reden om aan te nemen dat de door haar als producties 6 en 13 tot en met 22 overgelegde purchase orders nog maar een fractie zijn van de totale niet aan haar gemelde orders. Zij heeft rechtstreeks en voldoende belang bij openlegging van de (project)administratie van[gedaagden] en vordert derhalve op grond van artikel 3:15j BW dat de rechtbank [naam B Motion BV], [naam C Contructie BV] en [naam B-C BV] zal bevelen alle medewerking te verlenen aan een onderzoek door haar accountant in de volledige (project)administratie van voornoemde vennootschappen, alle boeken, bescheiden en gegevensdragers daaronder begrepen, over de periode van 5 december 2006 tot en met heden.

4. Het verweer in conventie

4.1.

[naam B Motion BV] c.s. concludeert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [naam A BV] in haar vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de vorderingen zal afwijzen, met veroordeling van [naam A BV] in de proceskosten. Zij voert, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de volgende verweren aan.

De e-mail van 28 april 2009 bevat slechts een – tussen [naam A BV] en [naam B Motion BV] onderling afgestemd – voorstel aan [naam C Contructie BV] met het oog op een oplossing voor de [naam E]-kwestie. [naam C Contructie BV] kon zich in dit voorstel niet vinden en daarom hebben [naam B Motion BV] en [naam A BV] het samen afgehandeld. De e-mail waarin het voorstel is vervat heeft niet de status van overeenkomst bereikt en de werking van de cessieovereenkomst is in de slotbepaling van die overeenkomst afhankelijk gesteld van de beweerdelijke overeenkomst van 28 april 2009. [naam A BV] kan zich daarom op die overeenkomst niet beroepen. De gestelde vordering van

€ 8.000,-- is bij gebreke van een afspraak nimmer ontstaan. De factuur van 14 januari 2009 wordt in zoverre betwist dat die geen grondslag oplevert voor een vordering van € 8.000,--.

De gestelde vordering van € 6.227,19 is tenietgegaan door verrekening met een tegenvordering van [naam B Motion BV] in verband met de afhandeling van de [naam E]-kwestie. Overigens is de betreffende provisie door [naam A BV] ten onrechte gestaffeld berekend;

[naam B Motion BV] heeft de vordering dus niet alleen reeds voldaan maar heeft zelfs teveel betaald. De 2e samenwerkingsovereenkomst is in de plaats gekomen van de

1e samenwerkingsovereenkomst, die is herroepen. Hiermee hebben partijen bedoeld dat de

2e samenwerkingsovereenkomst de afspraken weergeeft zoals ze vanaf het begin, dus vanaf 5 december 2006, hebben gegolden. In verband daarmee heeft [naam B Motion BV] een aangepaste provisieberekening opgesteld (productie 2 van[gedaagden]), waaruit volgt dat [naam A BV] – achteraf beschouwd – een te hoog bedrag aan provisie heeft ontvangen. De uitgekeerde provisie is te hoog geweest omdat (a) de samenwerkingsovereenkomst geen aanspraak geeft op provisie indien een machine als prototype moet worden beschouwd (hetgeen pas achteraf kan worden vastgesteld), (b) de 2e samenwerkingsovereenkomst een neerwaartse bijstelling van de hoogte van de provisie bevat en (c) [naam A BV] de door haar in rekening gebrachte provisie ten onrechte gestaffeld heeft berekend. Er is door

[naam B Motion BV] totaal € 200.431,67 teveel betaald aan [naam A BV].

Er zijn geen afspraken met de Schlumberger Groep vastgelegd maar slechts met de “Sonic” bedrijven van de Schlumberger Groep.

De in artikel 5 van de 2e samenwerkingsovereenkomst genoemde periode van vijf jaren gedurende welke de provisieregeling van toepassing is loopt vanaf 5 december 2006, want de eerste machine is door [naam B Motion BV] in productie genomen op 2 december 2006.

Op [naam B Motion BV] en [naam C Contructie BV] rustte geen zelfstandige verplichting om [naam A BV] te informeren over alle opdrachten. [naam B Motion BV] heeft aan de uit artikel 2 van de

2e samenwerkingsovereenkomst voortvloeiende informatieverplichting voldaan door [naam A BV] in het tijdvak van 2 december 2005 tot 2 december 2011 te voorzien van alle relevante informatie. Dat zij dit ook tijdig heeft gedaan volgt reeds uit het feit dat provisievorderingen van [naam A BV] zijn meegenomen in de e-mail van 28 april 2009, waarbij het nota bene gaat om provisievorderingen waarvan [naam A BV] thans betaling vordert. Alle bestellingen zijn gemeld aan [naam A BV], laatstelijk nog bij brieven van de advocaat van[gedaagden]

van 22 december 2011 en 9 januari 2012. De passage betreffende de dubbele provisieberekening is dan ook niet van toepassing, nog daargelaten dat enkel een dubbele berekening van provisie geen (aanvullende) betalingsverplichting voor

[naam B Motion BV] in het leven roept. Het door [naam A BV] gevorderde boekenonderzoek raakt kant noch wal omdat door [naam B Motion BV] alle orders aan [naam A BV] ter beschikking zijn gesteld en [naam A BV] eenvoudigweg bij Western Geco kan controleren of door haar andere of meer orders zijn verstrekt. Bovendien hebben partijen ervan afgezien in de samenwerkingsovereenkomst een specifieke bepaling op te nemen die een boekenonderzoek zou rechtvaardigen. Een boekenonderzoek is in relatie tot een informatieplicht een paardenmiddel en is disproportioneel. [naam A BV] heeft bovendien onvoldoende feiten aangevoerd op grond waarvan aan de opgave van [naam B Motion BV] zou moeten worden getwijfeld. [naam B Motion BV] is – onverplicht – bereid door het horen van getuigen te bevestigen dat alle opdrachten zijn gecommuniceerd en daarmee moet [naam A BV] het doen. Bovendien is op de vordering tot openlegging van de administratie door de rechtbank reeds een beslissing genomen en komt het voor dat de rechtbank niet op basis van dezelfde feiten en omstandigheden tot een ander oordeel kan komen dan eerder uitgesproken. Dat [naam A BV] volledig afhankelijk zou zijn van [naam B Motion BV] om informatie te ontvangen over tussen [naam B-C BV] en andere partijen tot stand gekomen transacties is kennelijk niet juist gelet op het feit dat zij in staat was de producties 13 tot en met 22 over te leggen.

Tussen [naam A BV] en [naam B-C BV] bestaat geen rechtsverhouding. In artikel 8 van de

2e samenwerkingsovereenkomst is beoogd vast te leggen dat ook niet in die overeenkomst genoemde partijen die behoren tot de invloedssfeer van de betrokken partijen gebonden zijn aan de afspraken. Uitdrukkelijk is echter geen verbinding gelegd met op het moment van het aangaan van de 2e samenwerkingsovereenkomst nog niet bestaande vennootschappen.

[naam B-C BV] houdt zich niet bezig met opdrachten van Western Geco en de seismologische bedrijven van de Schlumberger Groep. [naam B-C BV] betwist dan ook dat zij valt onder de reikwijdte van de 2e samenwerkingsovereenkomst, althans dat er een onder de werking van die overeenkomst vallende opdracht door haar is aangenomen.

De volgens het overzicht van [naam A BV] verzwegen order ten bedrage van € 36.089,92 is bij [naam B-C BV] onbekend; waarschijnlijk gaat het hier niet om een purchase order maar om een shopping cart, hetgeen een soort bestelling vooraf zou kunnen zijn. In ieder geval heeft de betreffende transactie niet plaatsgevonden.

Naar aanleiding van de door [naam A BV] gestelde nauwe verbondenheid tussen [naam B Motion BV], [naam C Contructie BV] en [naam B-C BV] en de daaruit voortvloeiende hoofdelijke aansprakelijkheid voert[gedaagden] aan dat de gestelde provisievordering dateert uit een periode dat de vennootschap [naam B-C BV] nog niet eens bestond. Bovendien dient hoofdelijke aansprakelijkheid te volgen uit een expliciete wettelijke bepaling en als zodanig komt artikel 6:2 lid 2 BW niet in aanmerking.

5 De vordering in reconventie

5.1.

[naam B Motion BV] en [naam C Contructie BV] vorderen in reconventie dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis,

I. [naam A BV] zal veroordelen om tegen afgifte van behoorlijk bewijs van kwijting aan [naam C Contructie BV] te voldoen een bedrag van € 32.830,81, vermeerderd met de rente op grond van de Metaalunievoorwaarden ad 12%, althans de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;

II. [naam A BV] zal veroordelen om tegen afgifte van behoorlijk bewijs van kwijting aan [naam B Motion BV] te voldoen een bedrag van € 200.431,67, vermeerderd met de rente op grond van de Metaalunievoorwaarden ad 12%, althans de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;

III. [naam A BV] zal veroordelen om tegen afgifte van behoorlijk bewijs van kwijting aan [naam B Motion BV] te voldoen een bedrag van € 25.000,--, vermeerderd met de rente op grond van de Metaalunievoorwaarden ad 12%, althans de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

IV. [naam A BV] zal veroordelen om tegen afgifte van behoorlijk bewijs van kwijting aan [naam C Contructie BV] te voldoen een bedrag van € 3.436,45 aan buitengerechtelijke incassokosten in de zin van artikel 17.7 van de Metaalunievoorwaarden, vermeerderd met de rente op grond van de Metaalunievoorwaarden ad 12%, althans de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;

V. [naam A BV] zal veroordelen in de proceskosten.

5.2.

[naam B Motion BV] en [naam C Contructie BV] leggen, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten en in aanvulling op hetgeen zij in conventie hebben aangevoerd, de volgende stellingen aan hun vorderingen ten grondslag.

Het bedrag van de hiervoor onder 2.14. genoemde factuur van 31 augustus 2011 dient bij wijze van verrekening te worden verminderd met een bedrag van € 5.898,77 ter zake van door [naam C Contructie BV] van [naam A BV] betrokken materialen, zodat [naam C Contructie BV] in verband met de hiervoor onder 2.14. genoemde facturen totaal € 32.141,23 van [naam A BV] heeft te vorderen. De vorderingen dienen op grond van de op de overeenkomsten toepasselijke Metaalunievoorwaarden te worden vermeerderd met de vertragingsrente van 12% vanaf de dag der opeisbaarheid (telkens 30 dagen na de datum van facturatie) en bovendien te worden vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten in de zin van artikel 17.7 van de Metaalunievoorwaarden.

Ten aanzien van de aangepaste provisieregeling moet nog met [naam A BV] worden afgerekend; door [naam B Motion BV] is in dat kader een bedrag van € 200.431,67 onverschuldigd betaald en zij maakt aanspraak op dat bedrag. Het onverschuldigd betaalde is opeisbaar sinds

19 juni 2009, zijnde de datum waarop [naam A BV] bekend is geraakt met de van toepassing zijnde provisiemarge. [naam B Motion BV] maakt aanspraak op de vertragingsrente ad 12% in de zin van de toepasselijke Metaalunievoorwaarden althans op de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid.

Door de hiervoor onder 2.8. geciteerde brief van 25 juni 2010 heeft [naam B Motion BV] [naam A BV] in kennis gesteld van een gedraging die inbreuk maakt op de

2e samenwerkingsovereenkomst. [naam B Motion BV] heeft destijds aanspraak gemaakt op betaling van een boetebedrag van € 25.000,--, dat door [naam A BV] tot op heden niet is betaald. [naam B Motion BV] maakt aanspraak op vertragingsrente in de zin van de Metaalunievoorwaarden over dit bedrag vanaf de datum van opeisbaarheid (25 juni 2010).

6 Het verweer in reconventie

6.1.

[naam A BV] concludeert dat de rechtbank eiseressen in reconventie in hun respectievelijke vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de vorderingen zal afwijzen, met veroordeling van eiseressen in reconventie in de proceskosten. Zij voert, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten en in aanvulling op hetgeen door haar in conventie is aangevoerd, de volgende verweren aan.

Het bedrag van de factuur van [naam C Contructie BV] met nummer 2111299 is [naam A BV] op zich wel verschuldigd, maar dit dient te worden verrekend met de vordering op [naam C Contructie BV] in conventie.

De facturen met de nummers 2112007 en 2112008 hebben betrekking op een samenwerkingsproject tussen [naam C Contructie BV] en [naam A BV] met het oog op de ontwikkeling van een innovatieve boormast. Partijen zijn mondeling overeengekomen dat [naam C Contructie BV] haar deel van de constructiekosten pas na de verkoop van de boormast zou doorbelasten aan [naam A BV], zoals ook blijkt uit de hiervoor onder 2.10. geciteerde e-mail. De boormast in kwestie is nog niet verkocht en de oorzaak daarvan ligt bij [naam C Contructie BV], die nog een deel van haar werkzaamheden moet uitvoeren, alvorens [naam A BV] met haar eigen werkzaamheden verder kan. [naam A BV] is dus (nog) niet tot betaling van deze twee facturen gehouden.

Betwist wordt dat [naam A BV] ten onrechte gestaffeld berekende provisie in rekening gebracht en geïncasseerd heeft. De provisie dient krachtens de beide samenwerkingsovereenkomsten gestaffeld te worden berekend, maar dat is in eerste instantie door [naam A BV] juist niet gedaan, vandaar de vermeerdering van eis in conventie. [naam B Motion BV] is bij haar herberekening van de provisie niet uitgegaan van de juiste en overeengekomen provisieregeling. Zij lijkt er ten onrechte vanuit te gaan dat de 2e samenwerkingsovereenkomst moet leiden tot herberekening van de onder de 1e samenwerkingsovereenkomst afgewikkelde orders en provisie. Dat is nimmer de bedoeling van partijen geweest.

De 2e samenwerkingsovereenkomst heeft geen terugwerkende kracht. In dat verband wijst [naam A BV] erop dat [naam B Motion BV] de provisiefacturen altijd zonder protest heeft behouden en betaald (met uitzondering van de in conventie in het geding zijnde provisiefactuur) en nooit eerder heeft aangegeven dat de wijze van provisieberekening onjuist zou zijn. Haar stellingen op dit punt zijn tardief.

De purchase orders waarvan [naam B Motion BV] in haar herberekening stelt dat het om een prototype ging zijn allemaal verstrekt vóór de totstandkoming van de

2e samenwerkingsovereenkomst en vallen dus onder de werking van de

1e samenwerkingsovereenkomst, waarin prototypes door partijen niet van de provisieregeling zijn uitgesloten. Bovendien betwist [naam A BV] bij gebrek aan wetenschap dat de orders in kwestie prototypes betreffen. Gelet op het voorgaande heeft [naam A BV] nooit teveel provisie van [naam B Motion BV] ontvangen en is van onverschuldigde betaling dus geen sprake.

[naam A BV] heeft geen inbreuk gemaakt op de samenwerkingsovereenkomst. Het was haar op grond van de samenwerkingsovereenkomst niet verboden om contact te hebben met Western Geco. Bovendien heeft [naam A BV] in het door Western Geco bedoelde geval juist op verzoek van [naam B Motion BV] contact gezocht met Western Geco, in verband met onderdelen die [naam B Motion BV] ten behoeve van een levering aan Western Geco wilde afnemen van [naam A BV].

Subsidiair geldt dat voor de gevorderde rente van 12% en buitengerechtelijke incassokosten iedere grondslag ontbreekt. De Metaalunievoorwaarden zijn niet van toepassing.

[naam B Motion BV] en [naam C Contructie BV] hebben deze voorwaarden nooit aan [naam A BV] ter hand gesteld en hebben bovendien nog niet eerder een beroep op deze voorwaarden gedaan. De samenwerkingsovereenkomst tussen partijen gaat voor eventuele standaard/leveringsvoorwaarden waarvan partijen zich in het handelsverkeer bedienen. Een vordering uit onverschuldigde betaling valt in ieder geval niet onder de Metaalunievoorwaarden. Voorts kan geen aanspraak worden gemaakt op rente met terugwerkende kracht. Voor het eerst in de onderhavige procedure wordt bij antwoord aanspraak op terugbetaling gemaakt, zodat hoogstens vanaf dat moment de standaard wettelijke rente verschuldigd zou kunnen zijn.

7 De beoordeling in conventie en in reconventie

7.1.

Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen de geschillen tezamen worden beoordeeld.

7.2.

Nu door[gedaagden] geen bezwaar is gemaakt tegen de eisvermeerdering door [naam A BV] als zodanig, zal op de gewijzigde eis in conventie recht worden gedaan.

7.3.

Met het oog op de beoordeling van de (meeste) vorderingen in conventie en in reconventie is in de eerste plaats van belang wat partijen in het kader van de 1e en de 2e samenwerkingsovereenkomst met elkaar zijn overeengekomen, en in hoeverre hetgeen zij zijn overeengekomen thans nog geldt. Partijen verschillen immers van mening over onder meer:

a. a) de vraag of de 2e samenwerkingsovereenkomst terugwerkende kracht heeft, in die zin dat deze (achteraf) geacht moet worden de geldende afspraken tussen partijen te bevatten met ingang van 5 december 2006;

b) de ingangsdatum/data (en daarmee ook de einddatum/data) van de provisieregeling(en);

c) de vraag of de provisie volgens de overeenkomst(en) wel of niet “gestaffeld” dient te worden berekend;

d) de vraag of [naam B-C BV] partij is bij de 2e samenwerkingsovereenkomst;

e) indien [naam B-C BV] geen partij is bij de 2e samenwerkingsovereenkomst, de vraag of over de door Western Geco en de sonic (door partijen ook wel aangeduid als seismologische) bedrijven van de Schlumberger Groep aan haar verstrekte opdrachten niettemin provisie is verschuldigd door [naam B Motion BV] en/of [naam C Contructie BV];

De rechtbank zal daarom dienen vast te stellen wat partijen op bovenstaande punten zijn overeengekomen, welke vraag van uitleg niet kan worden beantwoord enkel op grond van een (zuiver) taalkundige uitleg van de bewoordingen van de beide schriftelijke samenwerkingsovereenkomsten. De vraag hoe in een contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan immers niet worden beantwoord op grond van alleen maar een taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Ook kunnen gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst een onderbouwing bieden voor een gestelde bedoeling van partijen, en daarmee van de uitleg van de schriftelijke overeenkomst.

7.4.

De rechtbank stelt om te beginnen vast dat de samenwerkingsovereenkomsten weliswaar zijn gesloten tussen professionele partijen, maar dat gesteld noch gebleken is dat zij bij de opstelling van de tekst daarvan en de eventuele onderhandelingen daarover zijn bijgestaan door (een) jurist(en). Aan de juridische betekenis van in de tekst van de overeenkomst gebruikte termen dient dan ook niet per definitie een doorslaggevende betekenis te worden gehecht.

7.5.

[naam A BV] stelt zich op het standpunt dat met betrekking tot de periode van

5 december 2006 tot 19 juni 2009 als tussen partijen overeengekomen heeft te gelden datgene wat op 5 december 2006 tussen hen is afgesproken en is vastgelegd in de

1e samenwerkingsovereenkomst. Volgens[gedaagden] is dit niet juist en hebben partijen bij het sluiten van de 2e samenwerkingsovereenkomst de bedoeling gehad om de daarin neergelegde afspraken met terugwerkende kracht vanaf 5 december 2006, en dus in de plaats van de 1e samenwerkingsovereenkomst, van toepassing te doen zijn.

Ter onderbouwing van dit standpunt heeft[gedaagden] gewezen op de tekst van de overeenkomst, waarin sprake is van het “herroepen” van de

1e samenwerkingsovereenkomst, en waarin is bepaald dat “hiervoor […] deze samenwerkingsovereenkomst in de plaats [komt]”. Ook heeft zij aangevoerd dat iedere andere uitleg de in de 2e samenwerkingsovereenkomst opgenomen regeling rond de aanvang van de provisieregeling onbegrijpelijk zou maken. [naam A BV] heeft hier tegenover gesteld dat met de bepaling dat de 2e samenwerkingsovereenkomst voor de

1e samenwerkingsovereenkomst in de plaats komt slechts bedoeld is vast te leggen dat met het aangaan van de nieuwe overeenkomst de oude overeenkomst vanaf dat moment haar werking heeft verloren en niet dat de nieuwe overeenkomst terugwerkende kracht zou hebben. Zij wijst erop dat [naam B Motion BV] voor de aanvang van de onderhavige procedure nooit heeft aangegeven dat de door [naam A BV] in rekening gebrachte provisie verkeerd was berekend en stelt dat bij het sluiten van de 2e samenwerkingsovereenkomst nooit is gesproken over terugwerkende kracht daarvan, maar juist is afgesproken dat de nog openstaande provisievorderingen (als genoemd in de e-mail van 28 april 2009) eerst voldaan moesten worden. [naam A BV] heeft er in dat verband ook op gewezen dat gelijktijdig met de

2e samenwerkingsovereenkomst de cessieovereenkomst is gesloten, waarin een verrekeningsafspraak met betrekking tot nog verschuldigde provisie (nogmaals) is vastgelegd. Voorts heeft zij aangevoerd dat, indien partijen hadden beoogd dat de

2e samenwerkingsovereenkomst met terugwerkende kracht zou gelden vanaf

5 december 2006, die ingangsdatum daarin wel zou zijn genoemd en bovendien iets zou zijn geregeld over verrekening van in het verleden reeds betaalde provisie.

7.6.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de 2e samenwerkingsovereenkomst tussen partijen aldus te worden uitgelegd dat deze geen terugwerkende kracht heeft tot

5 december 2006. Hiertoe is het volgende van belang.

De stelling van [naam A BV] dat er ten tijde van het aangaan van de

2e samenwerkingsovereenkomst niet over is gesproken dat die terugwerkende kracht zou hebben is door[gedaagden] niet weersproken, zodat dit als vaststaand heeft te gelden. Nu een dermate vergaande consequentie (terugwerkende kracht van de overeenkomst) tussen partijen destijds niet is besproken en bovendien gesteld noch gebleken is dat partijen afspraken hebben gemaakt over het al dan niet herberekenen van de reeds betaalde provisie, terwijl de nieuwe provisieregeling zowel qua uitgangspunten (uitsluiting prototypes) als qua provisiepercentage duidelijk afweek van de oude regeling, zodat het verschuldigde onder de oude regeling aanmerkelijk kon verschillen van het verschuldigde onder de nieuwe regeling, heeft[gedaagden] aan de bepalingen van de 2e samenwerkingsovereenkomst (ook daar waar sprake is van “herroepen”) redelijkerwijs niet de door haar gestelde betekenis wat betreft terugwerkende kracht mogen toekennen en mocht zij redelijkerwijs niet van [naam A BV] verwachten dat die met het toekennen van terugwerkende kracht aan de

2e samenwerkingsoverenkomst heeft ingestemd. Dit klemt temeer nu het, indien het de bedoeling van partijen was geweest dat de 2e samenwerkingsovereenkomst zou gelden vanaf 5 december 2005, voor de hand had gelegen om dit ook expliciet in de tekst van de overeenkomst te vermelden; die datum lag immers reeds in het verleden. Ook het feit dat in de eveneens op 19 juni 2009 gesloten cessieovereenkomst sprake is van verrekening met “de huidige openstaande facturen”, onder verwijzing naar de e-mail van 28 april 2009, wijst erop dat in ieder geval [naam A BV] en [naam B Motion BV] bij het sluiten van de

2e samenwerkingsovereenkomst geen herberekening van de reeds betaalde en gefactureerde provisie voornemens waren, hetgeen een duidelijke contra-indicatie vormt voor de door[gedaagden] gestelde partijbedoelingen.[gedaagden] heeft weliswaar gesteld dat de werking van de cessieovereenkomst afhankelijk is gesteld van de beweerdelijke overeenkomst van 28 april 2009, maar zij heeft niet betwist dat de cessieovereenkomst tussen [naam B Motion BV] en [naam A BV] is gesloten. Voorts hecht de rechtbank in dit verband belang aan het feit dat gesteld noch gebleken is dat partijen bij het aangaan van de

2e samenwerkingsovereenkomst hebben stilgestaan bij de consequenties van het uitsluiten van prototypes van de provisieregeling voor de reeds betaalde/gefactureerde provisie en aan het feit dat in de tekst van die overeenkomst nergens iets is bepaald over de consequenties die het daar bepaalde heeft voor de (rechts)verhouding van partijen gedurende de voorgaande jaren. Dit alles wijst erop dat partijen hebben bedoeld de afspraken uit de

1e samenwerkingsovereenkomst (pas) met ingang van 19 juni 2009 te vervangen door de in de 2e samenwerkingsovereenkomst vastgelegde afspraken, zoals door [naam A BV] gesteld. Dat in artikel 5 van de 2e samenwerkingsovereenkomst is bepaald dat de provisieregeling geldt voor de duur van vijf jaren vanaf het moment dat de eerste machine in opdracht van

Western Geco in productie wordt genomen doet aan het voorgaande niet af, reeds omdat het niet in de rede ligt de ingangsdatum van de provisieregeling aldus vast te leggen indien het daadwerkelijk de bedoeling zou zijn geweest dat de 2e samenwerkingsovereenkomst zou gelden met ingang van 5 december 2006 (aangezien die datum zo goed als samenvalt met de datum waarop volgens [naam B Motion BV] de eerste machine in productie is genomen,

2 december 2006). Uit het voorgaande volgt dat[gedaagden] haar stelling dat de

2e samenwerkingsovereenkomst terugwerkende kracht heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting van [naam A BV] onvoldoende heeft onderbouwd en dat zij de stelling van [naam A BV] dat met betrekking tot de periode van 5 december 2006 tot 19 juni 2009 de afspraken uit de 1e samenwerkingsovereenkomst van toepassing zijn gebleven onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, zodat aan (nadere) bewijslevering op dit punt niet wordt toegekomen.

7.7.

Bij de verdere beoordeling heeft dan ook als uitgangspunt te gelden dat op de rechtsverhouding tussen partijen in de periode van 5 december 2006 tot 19 juni 2009 de

1e samenwerkingsovereenkomst van toepassing is en op de periode daarna de

2e samenwerkingsovereenkomst.

7.8.

Met betrekking tot de begin- en einddatum van de toepasselijkheid van de provisieregeling heeft[gedaagden] zich op het standpunt gesteld dat partijen met het bepaalde in artikel 5 van de 2e samenwerkingsoverenkomst hebben bedoeld overeen te komen dat het moment waarop de eerste aan Western Geco te leveren machine door

[naam B Motion BV] in productie is genomen bepalend is voor de aanvang van de provisieregeling. De eerste machine is door [naam B Motion BV] op 2 december 2006 in productie genomen; de provisieregeling is dus van toepassing met ingang van 5 december 2006 en loopt tot 2 december 2011, aldus[gedaagden] [naam A BV] daarentegen stelt zich op het standpunt dat is overeengekomen dat voor iedere nieuwe (type) machine die werd ontwikkeld gedurende vijf jaar provisie betaald zou moeten worden. Nadat het betreffende type machine gedurende vijf jaren geproduceerd is geweest, kan zij dan bepalen of zij de machine in kwestie zelf wil gaan produceren of de provisieregeling wil voortzetten, aldus [naam A BV]. Hier is door[gedaagden] tegenin gebracht dat met “de eerste machine” naar haar mening letterlijk is bedoeld de allereerste machine, niet de eerste machine van iedere soort, type of serie. In dat laatste geval zou er volgens[gedaagden] een grijs gebied ontstaan wat betreft de vraag of er sprake is van een nieuwe uitvoering.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, had het voor de hand gelegen om in de

2e samenwerkingsovereenkomst vast te leggen dat de provisieregeling zou gelden vanaf één, reeds bekende datum (2 of 5 december 2006) indien dat de bedoeling van partijen was geweest. Ook zou, indien de provisieregeling voor alle typen aan Western Geco te leveren machines slechts zou gelden voor een periode van vijf jaar vanaf die (op het moment van sluiten van de overeenkomst reeds bekende) datum, het noemen van een gefixeerde einddatum in de overeenkomst voor de hand hebben gelegen. Nu partijen kennelijk nog geen begin- en einddatum konden vaststellen voor de toepasselijkheid van de regeling, moet het ervoor worden gehouden dat de door [naam A BV] bepleite uitleg van de overeenkomst de juiste is en dat de provisieregeling op ieder type aan Western Geco te leveren machine (op zijn minst) vijf jaar vanaf de datum dat deze in productie is genomen. Deze uitleg van de afspraken tussen partijen is ook beter verenigbaar met de bepaling in genoemd artikel 5 dat de ontwikkeling van een prototype machine buiten de termijn valt. Dat tussen partijen discussie kan ontstaan over de vraag of sprake is van een nieuwe machine/type/uitvoering maakt niet dat deze uitleg van de overeenkomst niet overeenstemt met de partijbedoelingen van destijds. Overigens is het in de overeenkomst aan [naam A BV] overgelaten of zij de provisieregeling na de termijn van vijf jaar wenst voort te zetten, zodat[gedaagden] zich in het kader van haar verweer ook om die reden niet met succes op die termijn kan beroepen. Immers is gesteld noch gebleken dat [naam A BV] ervoor heeft gekozen de productie van de machines zelf op zich te nemen, terwijl uit haar gedragingen duidelijk blijkt dat zij de provisieregeling wenst voort te zetten. Omdat[gedaagden] de door haar bepleite uitleg van de samenwerkingsovereenkomsten op dit punt onvoldoende met feiten heeft onderbouwd, wordt haar bewijsaanbod terzake gepasseerd en heeft bij de verdere beoordeling tot uitgangspunt te gelden dat de in de overeenkomst bedoelde vijfjarentermijn niet een enkele ingangsdatum geldt maar dat deze termijn voor ieder nieuw aan Western Geco/Schlumberger te leveren type machine begint te lopen op de datum van inproductiename van de machine in kwestie.

7.9.

Met betrekking tot de berekening van de verschuldigde provisie stelt [naam A BV] zich op het standpunt dat partijen destijds hebben bedoeld overeen te komen dat dit “gestaffeld” dient te geschieden, waarmee zij bedoelt dat, indien het totale orderbedrag hoger is dan het maximumbedrag van de eerste trede van de staffel, op (alleen) het meerdere steeds het percentage van de bijbehorende trede dient te worden toegepast. Volgens [naam A BV] is het dus niet zo dat is bedoeld overeen te komen dat op het gehele bedrag het percentage van toepassing is dat hoort bij de trede waarbinnen dit totaalbedrag valt. Zij stelt ter onderbouwing van dit standpunt dat een “niet-gestaffelde” berekening van de provisie zou leiden tot onlogische en onredelijke uitkomsten. Als voorbeeld van zo’n onlogische en onredelijke uitkomst noemt zij dat, in geval van een niet-gestaffelde berekening, voor een order van € 999.999,99 een aanmerkelijk hogere provisie (van € 59.999,94) verschuldigd zou zijn dan voor een order van € 1.000.000,-- (provisie van € 30.000,--). Bij een gestaffelde berekening zoals door haar bepleit daarentegen zou een order van € 1.000.000,-- leiden tot een provisie van € 62.200,-- en een order van € 1.100.000,-- tot een provisie van € 68.200,--, hetgeen volgens haar wel een logische uitkomst is. Weliswaar heeft zij aanvankelijk zelf bij het berekenen van de bedragen van de door haar verzonden provisiefacturen de niet-gestaffelde methode gehanteerd maar daaruit mag niet worden afgeleid dat dat ook de berekeningsmethodiek was die partijen bij het aangaan van de samenwerkingsovereenkomsten voor ogen stond, aldus [naam A BV].[gedaagden]

stelt zich op het standpunt dat de provisie niet volgens de door [naam A BV] bepleite methode moet worden berekend en wijst erop dat [naam A BV] zelf steeds heeft gefactureerd volgens de tekst van de provisieberekening. Kennelijk was [naam A BV] zelf van meet af aan ook van mening dat zij zo correct handelde en heeft zij pas later, inziende dat een andere invulling van de staffeling tot een voor haar gunstiger uitkomst zou leiden, het standpunt betrokken dat de berekening in haar herziene versie leidend zou moeten zijn. Voorts wijst[gedaagden] erop dat de door [naam A BV] als onlogisch en onredelijk bestempelde uitkomsten van een niet-gestaffelde berekening zich alleen voordoen in de (uitzonderlijke) gevallen waarin het bedrag van een bepaalde purchase order net onder of net boven een onderliggende of bovenliggende schaal of staffel zou liggen; in alle andere gevallen doet dit effect zich niet voor. Er is dus weliswaar sprake van een degressief verloop van de provisiestaffeling, maar dit is niet onlogisch of onaanvaardbaar.[gedaagden] geeft het voorbeeld van een order van € 600.000,-- die bij de door haar voorgestane berekening leidt tot een provisie van € 25.200,-- en een order van € 2.000.000 die alsdan leidt tot een provisie van € 43.000,--.

7.10.

Bij de beoordeling van de standpunten van partijen zal de rechtbank kortheidshalve de door partijen gebruikte termen “gestaffeld” en “niet-gestaffeld” in de door hen bedoelde betekenis gebruiken om de litigieuze berekeningsmethoden aan te duiden. Vooropgesteld wordt dat het werkwoord “staffelen” in de samenwerkingsovereenkomsten niet voorkomt (hoewel in de 2e samenwerkingsovereenkomst het woord “staffel” wordt gebruikt voor de in artikel 4 vastgelegde treden voor de provisieberekening). Het feit dat [naam A BV] – zo is niet (meer) in geschil – bij het opstellen van haar provisiefacturen en ook bij het formuleren van haar aanvankelijke vordering in deze procedure is uitgegaan van een niet-gestaffelde berekening, levert een belangrijke aanwijzing op dat [naam A BV] al die tijd – en bijgevolg ook ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten – ervan is uitgegaan dat dit de juiste en overeengekomen berekeningsmethodiek was. Behalve de door haar als onlogisch en onredelijk bestempelde uitkomsten van die berekeningsmethodiek heeft zij geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit de door haar gestelde partijbedoelingen blijken. Met betrekking tot de mogelijke uitkomsten van een niet-gestaffelde berekening is de rechtbank van oordeel dat het feit dat een niet-gestaffelde berekeningsmethode ertoe kan leiden dat voor een order waarvan het bedrag net beneden het drempelbedrag voor het toepassen van een bepaald provisiepercentage ligt een hogere commissie kan opleveren dan een order waarvan het bedrag net boven het drempelbedrag ligt, wellicht een – vanuit de logica geredeneerd – minder wenselijke uitkomst is, maar dat daaruit nog niet volgt dat partijen de door[gedaagden] voorgestane rekenmethodiek ten tijde van het aangaan van de overeenkomst niet hebben gewild, temeer gelet op de reeds genoemde postcontractuele gedragingen van (met name) [naam A BV] en het feit dat gesteld noch gebleken is dat deze (mogelijke) uitkomsten tussen partijen ooit onderwerp van gesprek zijn geweest voor de aanvang van deze procedure.[gedaagden] mocht op grond van de genoemde omstandigheden redelijkerwijs verwachten dat partijen een niet-gestaffelde berekeningsmethodiek waren overeengekomen. Uit het voorgaande volgt dat [naam A BV] haar standpunt dat partijen zijn overeengekomen dat de provisie gestaffeld moet worden berekend onvoldoende heeft onderbouwd, zodat aan bewijslevering terzake niet wordt toegekomen en bij de verdere beoordeling als uitgangspunt heeft te gelden dat de provisie niet-gestaffeld dient te worden berekend, in die zin dat op het gehele orderbedrag het provisiepercentage wordt toegepast van de trede waarbinnen dat totale orderbedrag valt.

7.11.

[naam A BV] stelt zich op het standpunt dat de 2e samenwerkingsovereenkomst op grond van het in artikel 8 van die overeenkomst bepaalde ook onverkort “van toepassing is op” [naam B-C BV], hetgeen volgens haar onder meer inhoudt dat [naam B-C BV] (naast

[naam B Motion BV] en [naam C Contructie BV]) hoofdelijk aansprakelijk is voor de nakoming van de verplichtingen jegens [naam A BV] die voortvloeien uit de samenwerkingsovereenkomst en dat ook voor de aan [naam B-C BV] verstrekte opdrachten van Western Geco en de sonic bedrijven van de Schlumberger Groep provisie is verschuldigd. Zij stelt in dat kader dat het bepaalde in artikel 8 erop is gericht om te voorkomen dat [naam B Motion BV] onder haar verplichting tot betaling van provisie uit kan komen door opdrachten via een andere vennootschap te laten verlopen.[gedaagden] heeft gemotiveerd betwist dat [naam B-C BV] binnen de reikwijdte van de 2e samenwerkingsovereenkomst valt. Zij stelt daartoe dat in genoemd artikel 8 kennelijk is beoogd vast te leggen dat ook in de overeenkomst niet genoemde partijen die tot de invloedsfeer van de betrokken partijen behoren gebonden zijn aan de daarin vastgelegde afspraken. Zo kon worden voorkomen dat in de

1e samenwerkingsovereenkomst nog afzonderlijk bij naam aangeduide partijen zoals [naam A BV] Lost Tip, [naam C Contructie BV] Machinebouw en Eureka Engineering & Projects separaat vermelding behoefden. Er is echter geen verbinding gelegd met op het moment van het aangaan van de 2e samenwerkingsovereenkomst nog niet bestaande vennootschappen. Waar op grond van de voorgestelde tekst in de e-mail van 28 april 2009 (waarin sprake is van Eureka en/of [naam C Contructie BV], inclusief alle bedrijven die hieronder vallen en eventueel nog opgericht worden) nog kan worden betoogd dat partijen hebben beoogd ook toekomstige vennootschappen te binden aan de nieuwe overeenkomst, is die tekst niet overgenomen in de 2e samenwerkingsovereenkomst maar hebben partijen zich kennelijk wensen te beperken tot de bestaande vennootschappen, aldus[gedaagden]

7.12.

Bij de beoordeling van de stellingen van partijen op dit punt dient te worden vooropgesteld dat [naam B-C BV] nog niet was opgericht op het moment dat de

2e samenwerkingsovereenkomst werd gesloten. Bovendien is gesteld noch gebleken dat [naam B-C BV] op dat moment reeds in oprichting was, dat de overeenkomst (mede) namens die vennootschap in oprichting is gesloten en/of dat vervolgens bekrachtiging van de overeenkomst als bedoeld in artikel 2:203 BW heeft plaatsgevonden. Bijgevolg heeft als uitgangspunt te gelden dat [naam B-C BV] geen partij is bij de 2e samenwerkingsovereenkomst en uit die overeenkomst derhalve voor [naam B-C BV] zelf geen verplichtingen voortvloeien.

7.13.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de

2e samenwerkingsovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat, zoals [naam A BV] heeft gesteld, [naam B Motion BV] en/of [naam C Contructie BV] gehouden zijn om voor de door de relevante opdrachtgevers aan [naam B-C BV] verstrekte opdrachten een provisie te betalen aan [naam A BV]. Daarbij dient te worden vooropgesteld dat de tekst van artikel 8 zowel de door [naam A BV] bepleite uitleg als de door[gedaagden] bepleite uitleg toelaat, in die zin dat daarin nog op te richten rechtspersonen/ondernemingen niet expliciet zijn uitgesloten of inbegrepen. De rechtbank acht bij deze stand van zaken van doorslaggevend belang dat door [naam A BV] is gesteld en door[gedaagden] niet, althans onvoldoende gemotiveerd, is betwist dat partijen met het bepaalde in artikel 8 hebben beoogd te voorkomen dat

[naam B Motion BV] onder haar verplichting tot betaling van provisie uit kan komen door opdrachten via een andere vennootschap te laten verlopen. In het licht van dat oogmerk brengt een redelijke uitleg van artikel 8 naar het oordeel van de rechtbank mee dat het daarin bepaalde ook geldt voor op het moment van het sluiten van de overeenkomst nog niet bestaande vennootschappen, eenmanszaken en personenvennootschappen die tot de invloedsfeer van partijen (komen te) behoren, aangezien de bepaling anders niet aan het beoogde doel (voorkomen van het omzeilen van de provisieverplichting) zou beantwoorden. Dat voor de door de relevante klanten aan [naam B-C BV] verstrekte opdrachten provisie is verschuldigd aan [naam A BV], staat daarmee vast. De vraag is dan nog wie - [naam B Motion BV], [naam C Contructie BV] of beide – die eventueel verschuldigde provisie aan [naam A BV] dient te betalen. Partijen hebben zich daarover niet expliciet uitgelaten. [naam A BV] lijkt ervan uit te gaan dat de betalingsverplichting op zowel [naam B Motion BV] als [naam C Contructie BV] rust, maar zij heeft dat standpunt niet (voldoende) onderbouwd. Nu enerzijds uit de vaststaande feiten blijkt dat het tot nu toe (alleen)

[naam B Motion BV] is geweest die op grond van de samenwerkingsovereenkomsten provisie heeft betaald aan [naam A BV], de door [naam A BV] overgelegde provisiefacturen (producties 3 en 7) alleen aan haar zijn gericht en in artikel 4 van de 2e samenwerkingsovereenkomst sprake is van het verstrekken van opdrachten door Western Geco “aan Eureka”, en anderzijds geen feiten of omstandigheden zijn gebleken waaruit volgt dat partijen voor ogen hadden dat [naam C Contructie BV] ook provisiebetalingen (voor aan anderen dan haarzelf verleende opdrachten) zou doen, moet het ervoor worden gehouden dat (alleen) [naam B Motion BV] tot het betalen van de verschuldigde provisie gehouden is. Deze uitleg van de overeenkomst vindt ook steun in het feit dat de verplichting om [naam A BV] op de hoogte te stellen van de van Western Geco ontvangen opdrachten blijkens artikel 2 van de overeenkomst (alleen) op [naam B Motion BV] rust.

7.14.

Onder meer aan de hand van de hiervoor geformuleerde uitgangspunten zullen de vorderingen in conventie en in reconventie worden beoordeeld.

7.15.

Aan haar vordering tot betaling door [naam B Motion BV] van een bedrag van € 8.000,-- heeft [naam A BV] ten grondslag gelegd dat [naam B Motion BV] haar dit bedrag nog is verschuldigd in verband met de in de factuur van 14 januari 2009 in rekening gebrachte provisie, na verrekening van haar provisievordering met het door [naam B Motion BV] namens haar aan [naam E] betaalde bedrag als bedoeld in de e-mail van 28 april 2009 en de cessieovereenkomst. Door [naam B Motion BV] is in reactie daarop weliswaar aangevoerd dat - kort gezegd - de e-mail van 28 april 2009 niet tot een overeenkomst heeft geleid zoals daarin werd voorzien, omdat [naam C Contructie BV] de betaling van [naam E] niet op zich wilde nemen, maar zij heeft niet betwist dat tussen haar en [naam A BV] de cessieovereenkomst tot stand is gekomen, waarin onder meer is overeengekomen dat zij de bedoelde € 8.000,-- aan [naam A BV] zal betalen.[gedaagden] heeft voorts nog aangevoerd dat “de werking van de cessieovereenkomst afhankelijk is gesteld van de beweerde overeenkomst van 28 april 2009”, maar dit verweer kan niet slagen nu uit de eigen stellingen van[gedaagden] in het kader van haar verweer tegen de hiervoor onder 3.1.II. weergegeven vordering volgt, dat zij zich wel degelijk op de in de e-mail van 28 april 2009 vastgelegde verrekeningsconstructie wenst te beroepen en dat de aldaar bedoelde verrekening volgens haar ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, met dien verstande dat het niet [naam C Contructie BV] maar [naam B Motion BV] zelf is geweest die de vordering van [naam E] heeft voldaan. Kennelijk is aan de cessieovereenkomst in zoverre dus wel degelijk uitvoering gegeven. Dit betekent dat [naam A BV] ook aanspraak kan maken op de daarin overeengekomen betaling aan haar, zodat het gevorderde bedrag in beginsel toewijsbaar is. Met betrekking tot de gevorderde wettelijke (handels)rente wordt vooropgesteld dat [naam A BV] in ieder geval geen aanspraak kan maken op enige rente met ingang van 30 dagen na de factuurdatum, omdat de afspraken omtrent het moment van betaling die eventueel aanvankelijk hebben gegolden kennelijk zijn vervangen door de cessieovereenkomst, waarin niets is geregeld omtrent de verschuldigdheid van rente over de voorgaande periode. In de cessieovereenkomst is geen termijn gesteld voor het betalen van de overeengekomen € 8.000,-- door [naam B Motion BV], zodat dit bedrag na het sluiten van de overeenkomst terstond opeisbaar is geworden. [naam A BV] heeft [naam B Motion BV] bij brief van

9 december 2011 (productie 8 bij dagvaarding) gesommeerd tot betaling binnen 10 dagen en haar voor het geval betaling zou uitblijven in gebreke gesteld. Dit betekent dat

[naam B Motion BV] vanaf 20 december 2011 in verzuim verkeert en [naam A BV] aanspraak kan maken op de wettelijke rente te rekenen vanaf laatstgenoemde datum. Nu het bedrag van

€ 8.000,-- niet verschuldigd is uit hoofde van een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a BW is (slechts) de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toewijsbaar.

7.16.

Tegen de vordering van [naam A BV] tot betaling van € 6.227,19 in verband met provisie over de hiervoor onder 2.11. genoemde purchase orders is door [naam B Motion BV] het verweer gevoerd dat deze vordering is tenietgegaan door verrekening met haar betaling van de schuld van [naam A BV] aan [naam E]. Zij stelt in dat verband dat de achterstallige provisie die [naam A BV] thans vordert deel uitmaakt van de in de e-mail van 28 april 2009 genoemde provisievorderingen. Dit is betwist door [naam A BV], die erop heeft gewezen dat de opdrachten die in de verrekening in genoemde e-mail zijn meegenomen andere nummers hebben dan de opdrachten ten aanzien waarvan zij thans provisie vordert. [naam A BV] heeft ter onderbouwing van die stelling de nummers van de in de e-mail van 28 april 2009 bedoelde opdrachten vermeld. Die nummers komen inderdaad niet overeen met de nummers van de hiervoor onder 2.11. genoemde purchase orders. [naam B Motion BV] heeft naar aanleiding van deze onderbouwde betwisting door [naam A BV] haar stelling niet van een nadere onderbouwing voorzien, zodat haar verweer op dit punt als onvoldoende gemotiveerd wordt verworpen en als uitgangspunt heeft te gelden dat over de onder 2.11. genoemde purchase orders nog geen provisie is betaald door [naam B Motion BV]. [naam B Motion BV] heeft voorts nog aangevoerd dat de gevorderde provisie door [naam A BV] ten onrechte gestaffeld is berekend. Dit verweer treft ten dele doel, nu uit de in punt 13 van de dagvaarding opgenomen berekening blijkt dat [naam A BV] de gevorderde provisie met betrekking tot de order met kenmerk GLAR18855A

d.d. 9 maart 2008 gestaffeld heeft berekend en hiervoor reeds is overwogen dat dit niet de tussen partijen overeengekomen berekeningsmethodiek is. [naam A BV] zal in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over de hoogte van haar vordering uitgaande van een niet-gestaffelde berekening. Ten slotte heeft[gedaagden] nog verweer gevoerd tegen het in rekening brengen van dubbele provisie wegens het niet melden van de purchase order van 7 december 2009, die onder de werking van de 2e samenwerkingsovereenkomst valt. Ten eerste stelt zij in dit verband dat de order in kwestie door haar wel aan [naam A BV] is gemeld, en wel bij brieven van haar advocaat van 22 december 2011 en 9 januari 2012. Dit verweer wordt verworpen, nu[gedaagden] de order in kwestie niet tijdig en niet eigener beweging, maar pas meer dan twee jaar na dato, en na daartoe zijdens [naam A BV] te zijn gesommeerd, heeft gemeld. Een redelijke uitleg van de in de overeenkomst opgenomen meldingsplicht brengt mee dat een dermate late en afgedwongen melding niet voldoet aan de aan [naam B Motion BV] opgelegde verplichting. Voorts heeft[gedaagden] nog aangevoerd dat enkel een dubbele provisieberekening geen (aanvullende) betalingsverplichting van [naam B Motion BV] in het leven roept. Die redenering is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet te volgen, zodat daaraan voorbij wordt gegaan. Tegen de vordering zijn door [naam B Motion BV] verder geen verweren aangevoerd, zodat de vordering tot betaling van het – nog ongestaffeld te berekenen en bij akte mee te delen – provisiebedrag in verband met de door [naam B Motion BV] aanvankelijk verzwegen facturen bij eindvonnis zal worden toegewezen. [naam A BV] maakt aanspraak op de wettelijke (handels)rente over dit bedrag, te rekenen vanaf (primair) 8 juni 2012, zijnde 30 dagen na de factuurdatum. Hiertegen is door [naam B Motion BV] niet afzonderlijk verweer gevoerd, zodat de wettelijke rente vanaf 8 juni 2012 toewijsbaar is. Nu geen sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW is (slechts) de rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toewijsbaar. Uit hetgeen hiervoor onder 7.12. en 7.13. is overwogen volgt dat [naam C Contructie BV] en [naam B-C BV] niet (mede) tot betaling van het onderhavige deel van de provisievordering kunnen worden aangesproken. Voor zover het zich tot [naam C Contructie BV] en [naam B-C BV] richt zal dit onderdeel van de vordering dan ook worden afgewezen.

7.17.

[naam A BV] heeft aan de hiervoor onder 3.1.II weergegeven vordering de stelling ten grondslag gelegd dat de provisie gestaffeld had moeten worden berekend en dat dit ten onrechte niet is gebeurd. Nu, zoals hiervoor onder 7.10. is overwogen, de samenwerkingsovereenkomsten aldus moeten worden uitgelegd dat de provisie niet-gestaffeld dient te worden berekend, zal dit onderdeel van de vordering in conventie worden afgewezen.

7.18.

Aan haar onder 3.1.IV. weergegeven vordering heeft [naam A BV] onder meer de stelling ten grondslag gelegd dat over de door Western Geco en/of de seismologische bedrijven van de Schlumberger Groep aan [naam B-C BV] verstrekte opdrachten provisie is verschuldigd en dat [naam B Motion BV], [naam C Contructie BV] en [naam B-C BV] voor de nakoming van die verplichting hoofdelijk aansprakelijk zijn. Zoals hiervoor onder 7.13. is overwogen, is op grond van de 2e samenwerkingsovereenkomst inderdaad provisie verschuldigd over de betreffende opdrachten, maar kan alleen [naam B Motion BV] met succes tot het betalen van die provisie worden aangesproken.

7.19.

[naam A BV] stelt dat de [naam B-C BV] orders en het als productie 18 door [naam A BV] overgelegde document purchase orders van Western Geco dan wel de seismologische (“sonic”) bedrijven van de Schlumberger Groep zijn als bedoeld in de

2e samenwerkingsovereenkomst. PESFZE behoort volgens [naam A BV] tot de seismologische bedrijven van de Schlumberger Groep. Ter onderbouwing van deze stelling heeft zij onder meer erop gewezen dat in de [naam B-C BV] orders de algemene voorwaarden van de Schlumberger Groep van toepassing worden verklaard. Ook wijst zij erop dat in de orders een adres van Schlumberger Technologies Operating Ltd. als factuuradres is opgegeven en dat onder aan iedere order “Schlumberger Private” staat. Dat PESFZE een seismologisch bedrijf van de Schlumberger Groep is, blijkt volgens [naam A BV] uit het feit dat de zaken die blijkens de [naam B-C BV] orders aan haar zijn verkocht allemaal machines dan wel onderdelen zijn die door de seismologische tak van de Schlumberger Groep worden gebruikt voor seismologisch onderzoek en boringen. Voorts wijst [naam A BV] erop dat uit de hiervoor onder 2.16. geciteerde e-mails blijkt dat er technische problemen zijn met door [naam B-C BV] geleverde TEW-80-machines, terwijl uit de als productie 13 overgelegde purchase order d.d. 29 september 2011 blijkt dat [naam B-C BV] toen in ieder geval 5 TEW-80-machines aan PESFZE heeft geleverd. Dat PESFZE onderdeel is van Western Geco blijkt uit het feit dat onderaan de onder 2.16. geciteerde e-mails het logo van Western Geco staat. Uit de bij die e-mails gevoegde foto’s van tractoren, waarop het logo van [naam B-C BV] zichtbaar is, blijkt dat de TEW-80-machines waarmee Western Geco problemen heeft door [naam B-C BV] zijn geleverd. Ten slotte blijkt ook uit het hiervoor onder 2.13. genoemde “proposal” aan Western Geco tot levering van EUD50 tractor drills dat [naam B-C BV], anders dan[gedaagden]

heeft gesteld in deze procedure, wel degelijk zaken doet met Western Geco, aldus [naam A BV].

[naam B Motion BV] c.s. heeft betwist dat [naam B-C BV] opdrachten heeft aangenomen van Western Geco en de seismologische bedrijven van de Schlumberger Groep. Zij is ook niet werkzaam voor Geco Support Services Ltd., gevestigd te Jebel Ali Freezone, Dubai, U.A.E. Er zijn door haar geen opdrachten geboekt van Western Geco. Met betrekking tot de door [naam A BV] overgelegde [naam B-C BV] orders geldt dat niet maatgevend is aan wie gefactureerd wordt, maar wie de medecontractant is. Dat is in de door [naam A BV] genoemde gevallen PESFZE. Dat PESFZE kennelijk gebruik maakt van door Schlumberger ter beschikking gestelde terms and conditions heeft geen betekenis voor de beantwoording van de vraag of Schlumberger partij is bij deze overeenkomsten. [naam A BV] heeft niet aangetoond dat de aan PESFZE geleverde producten worden gebruikt door de Schlumberger Groep ten behoeve van seismologisch onderzoek en boringen. Uit de hiervoor onder 2.16. genoemde e-mails blijkt dat PESFZE in verband met een technisch probleem kennelijk gebruik maakt van technici van Western Geco, maar daaruit volgt niet dat ten aanzien van dit project is gecontracteerd tussen [naam B Motion BV] en [naam C Contructie BV] aan de ene kant en Western Geco aan de andere kant, aldus[gedaagden]

7.20.

[naam B Motion BV] c.s. is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om voor onder meer de verwijzingen naar (de algemene voorwaarden van) de Schlumberger Groep op de betreffende purchase orders en de onder 2.16. genoemde e-mails afkomstig van Western Geco een verklaring te geven die aannemelijk is en haar standpunt ondersteunt.[gedaagden]

heeft aangevoerd dat [naam A BV] geen bewijs heeft geleverd voor haar stelling dat de geleverde zaken voor seismologisch onderzoek en boringen worden gebruikt, maar zij heeft zelf nagelaten te stellen voor welk gebruik die zaken dan wel bedoeld waren, hetgeen gelet op de omschrijving van de goederen in kwestie (waaronder “drill rigs” en een “Rotary Head TEW 80 Drill”) wel van haar verwacht mag worden. Gelet op de uitvoerige onderbouwing door [naam A BV] en in het licht van de door haar overgelegde stukken heeft[gedaagden] haar betwisting van de stelling dat de [naam B-C BV] orders afkomstig zijn van Western Geco dan wel de seismologische bedrijven van de Schlumberger Groep onvoldoende gemotiveerd, zodat die stelling voor juist moet worden gehouden. Dit leidt tot de conclusie dat de [naam B-C BV] orders vallen binnen het toepassingsgebied van de

2e samenwerkingsovereenkomst en dat [naam B Motion BV] over deze orders provisie is verschuldigd aan [naam A BV]. Nu de orders door [naam B Motion BV] niet tijdig en eigener beweging aan [naam A BV] zijn gemeld is zij daarover een dubbele provisie verschuldigd.

7.21.

[naam A BV] vordert in verband met de [naam B-C BV] orders en de “shopping cart” een bedrag van totaal € 114.567,41 aan provisie. Uit de bij akte vermeerdering van eis (als productie 23) overgelegde berekening van haar vordering blijkt dat [naam A BV] ook dit bedrag gestaffeld heeft berekend. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is dat niet de overeengekomen berekeningsmethodiek. [naam A BV] zal daarom in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over het bedrag van dit onderdeel van haar vordering uitgaande van een

niet-gestaffelde berekening, waarna[gedaagden] daarop desgewenst bij akte zal mogen reageren. Met betrekking tot de zogenoemde “shopping cart” (productie 18 van [naam A BV]) heeft[gedaagden] gesteld dat deze geen bij [naam B-C BV] bekende order omvat, en dat het in ieder geval gaat om een transactie die niet heeft plaatsgevonden. Op dit verweer heeft [naam A BV] nog niet kunnen reageren. Zij zal in de gelegenheid worden gesteld dat bij akte (desgewenst) alsnog te doen, alvorens over dit onderdeel van de vordering definitief zal worden beslist.

7.22.

Aan haar vordering strekkende tot een bevel tot openlegging van de (project)administratie van [naam B Motion BV], [naam C Contructie BV] en [naam B-C BV] heeft [naam B Motion BV] ten grondslag gelegd dat is gebleken dat [naam B Motion BV] en/of [naam B-C BV] aantoonbaar diverse opdrachten waarop de provisieregeling van toepassing is niet (tijdig en eigener beweging) aan [naam A BV] hebben gemeld, en dat zij reden heeft om aan te nemen dat de orders die door haar in deze procedure zijn overgelegd slechts een deel zijn van de door gedaagden in conventie verzwegen orders. Zij stelt een rechtstreeks en voldoende belang te hebben bij openlegging van de (project)administratie van genoemde vennootschappen over de periode van 5 december 2006 tot en met heden.

[naam B Motion BV] c.s. heeft tegen dit onderdeel van de vordering onder meer verweer gevoerd met de stelling dat [naam B Motion BV] alle relevante orders aan [naam A BV] ter beschikking heeft gesteld. Uit hetgeen hiervoor onder 7.16. en 7.20. is overwogen volgt dat die stelling niet juist is, zodat dit verweer dient te worden verworpen.[gedaagden] heeft voorts aangevoerd dat [naam A BV] bij Western Geco kan controleren of door haar andere of meer orders zijn verstrekt en dat zij kennelijk niet volledig afhankelijk is van [naam B Motion BV] om informatie te ontvangen over tussen [naam B-C BV] en andere partijen tot stand gekomen gelet op het feit dat zij in staat was de [naam B-C BV] orders in deze procedure over te leggen.

Bovendien hebben partijen ervan afgezien in de samenwerkingsovereenkomst een specifieke bepaling op te nemen die een boekenonderzoek zou rechtvaardigen. Volgens[gedaagden] is een boekenonderzoek in relatie tot een informatieplicht disproportioneel, en heeft [naam A BV] bovendien onvoldoende feiten aangevoerd op grond waarvan aan de opgave van [naam B Motion BV] zou moeten worden getwijfeld. Ten slotte heeft[gedaagden] aangevoerd dat op de vordering tot openlegging van de administratie reeds is beslist in het incident, zodat de rechtbank niet op basis van dezelfde feiten en omstandigheden tot een ander oordeel kan komen.

7.23.

Bij de beoordeling van deze vordering dient te worden vooropgesteld dat diegene die een rechtstreeks en voldoende belang heeft bij openlegging van tot een administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, krachtens het bepaalde in artikel 3:15j BW die openlegging kan vorderen, waarbij geldt dat blijkens de parlementaire geschiedenis van genoemd wetsartikel de daarin opgenomen lijst van vorderingsgerechtigden niet limitatief is. De rechtbank is van oordeel dat, met name nu is gebleken dat de [naam B-C BV] orders binnen het toepassingsbereik van de 2e samenwerkingsovereenkomst vallen en door [naam B Motion BV] aan [naam A BV] hadden moeten worden gemeld, hetgeen niet is geschied, [naam A BV] een rechtstreeks en voldoende belang heeft bij openlegging van de projectadministratie van [naam B Motion BV] en [naam B-C BV]. Gelet op het achterhouden van die orders en de proceshouding van[gedaagden] in deze procedure heeft [naam A BV] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij reden heeft om aan de juistheid van de opgave van provisieplichtige opdrachten door [naam B Motion BV] te twijfelen, en dat zij er belang bij heeft zelf te kunnen controleren of die opgave juist is geweest en of alle opdrachten waarover [naam B Motion BV] provisie verschuldigd is bij haar bekend zijn. Dit geldt ook voor de periode en opdrachten waarop de 1e samenwerkingsovereenkomst van toepassing is, nu gebleken is dat ook die opdrachten niet allemaal eigener beweging door [naam B Motion BV] zijn gemeld. De door [naam A BV] gevorderde openlegging is bovendien niet disproportioneel, nu niet – voldoende onderbouwd – is gesteld of gebleken dat [naam A BV] op een andere manier dan door openlegging van de bedoelde projectadministraties de nodige zekerheid kan verkrijgen. Van [naam A BV] kan redelijkerwijs niet verwacht worden dat zij voor het verkrijgen van de benodigde informatie de klant(en) Western Geco en Schlumberger Groep benadert, temeer nu de verplichting tot het betalen van provisie rust op

[naam B Motion BV] en Western Geco/Schlumberger bij de samenwerkingsovereenkomsten geen partij is en geen (direct) belang heeft. Dat [naam A BV] er kennelijk in is geslaagd zonder de medewerking van[gedaagden] de [naam B-C BV] orders boven water te krijgen, maakt het voorgaande niet anders. Hetzelfde geldt voor het feit dat in de samenwerkingsovereenkomsten geen bepalingen zijn opgenomen omtrent het openleggen van de administratie van de betrokken ondernemingen, nu voor deze openlegging een afzonderlijke wettelijke grondslag bestaat. Uit het feit dat voor het openleggen van de administratie een zelfstandige wettelijke grondslag bestaat volgt ook, dat het feit dat

[naam B-C BV] bij de samenwerkingsovereenkomsten geen partij is aan toewijzing van de tegen haar gerichte vordering tot openlegging niet in de weg staat. Ook het feit dat de vordering tot openlegging in het incident niet is toegewezen, staat aan de toewijzing van de onderhavige vordering niet in de weg, reeds omdat het oordeel waarop die afwijzing berust de rechtbank bij het geven van de beslissing in de hoofdzaak niet bindt

(vgl. HR 14 november 1997, NJ 1998, 113). Hierbij komt dat hetgeen [naam A BV] bij akte vermeerdering van eis heeft aangevoerd omtrent de toepasselijkheid van de

2e samenwerkingsovereenkomst op de [naam B-C BV] orders een nadere onderbouwing van haar belang bij openlegging oplevert, die bij de beslissing in het incident nog niet is meegewogen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering tot openlegging van de projectadministratie van [naam B Motion BV] en [naam B-C BV] zal worden toegewezen als na te melden. Een dwangsom als hierna vermeld en gemaximeerd komt voldoende voor.

De rechtbank ziet in het belang dat [naam A BV] heeft bij een spoedige inzage in de bedoelde administratie aanleiding om dit onderdeel van de vordering nu reeds toe te wijzen en daarmee niet te wachten tot op de geldvorderingen in conventie en in reconventie definitief zal kunnen worden beslist, en zal derhalve een deelvonnis wijzen.

7.24.

Voor zover haar vordering zich richt tegen [naam C Contructie BV] heeft [naam A BV] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een rechtstreeks en voldoende belang heeft bij de gevorderde openlegging. Zij heeft geen feiten aangevoerd waaruit volgt dat [naam C Contructie BV] enige opdracht die zij op grond van de samenwerkingsovereenkomsten had moeten melden heeft verzwegen. Voor zover de vordering zich richt tegen [naam C Contructie BV] zal deze dan ook worden afgewezen.

7.25.

[naam A BV] vordert veroordeling van[gedaagden] (hoofdelijk) tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, berekend conform het rapport Voorwerk II. Zij stelt in dat verband dat [naam B Motion BV] ondanks verschillende sommaties niet tot betaling van de openstaande vorderingen is overgegaan. Deze vordering zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het rapport Voorwerk II - bij eindvonnis worden afgewezen. Uit de door [naam A BV] gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden blijkt niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning. De kosten waarvan [naam A BV] vergoeding vordert moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

7.26.

In reconventie vordert [naam C Contructie BV] onder meer de betaling van een bedrag van (19.040 - 5.898,77 =) € 13.141,23 in verband met aan [naam A BV] geleverde materialen, die zij bij factuur van 31 augustus 2011 aan [naam A BV] in rekening heeft gebracht. [naam A BV] heeft de verschuldigdheid van dit bedrag erkend en als (enige) verweer aangevoerd dat dit dient te worden verrekend met haar vordering op [naam C Contructie BV] in conventie. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de (geld)vorderingen jegens [naam C Contructie BV] in conventie zullen worden afgewezen, zodat dit beroep op verrekening niet kan slagen en [naam A BV] bij eindvonnis zal worden veroordeeld het bedrag van € 13.141,23 aan [naam C Contructie BV] te betalen. [naam C Contructie BV] vordert (primair) de betaling van een rente van 12% over dit bedrag op grond van de Metaalunievoorwaarden, die volgens haar op de tussen haar en [naam A BV] gesloten overeenkomst(en) van toepassing zijn. [naam A BV] heeft zich op het standpunt gesteld dat de metaalunievoorwaarden “niet van toepassing zijn” aangezien [naam B Motion BV] en [naam C Contructie BV] deze voorwaarden nooit eerder aan haar ter hand hebben gesteld en daarop nooit eerder een beroep hebben gedaan. De rechtbank begrijpt de stelling van [naam A BV] dat de algemene voorwaarden in kwestie “niet van toepassing zijn” aldus, dat zij de vernietiging van deze voorwaarden inroept op grond van het bepaalde in artikel 6:233 sub b, nu [naam A BV] immers in dat verband uitdrukkelijk aanvoert dat de voorwaarden niet aan haar ter hand zijn gesteld. [naam C Contructie BV] heeft de stellingen van [naam A BV] kennelijk ook aldus opgevat, want zij heeft in reactie hierop aangevoerd dat zowel zij als [naam B Motion BV] op hun briefpapier naar deze voorwaarden verwijzen, dat partijen al vele jaren zaken met elkaar doen en ermee bekend zijn dat volgens deze voorwaarden zaken worden gedaan. [naam C Contructie BV] heeft naar het oordeel van de rechtbank de stelling van [naam A BV], die erop neerkomt dat haar geen redelijke gelegenheid is geboden om van de Metaalunievoorwaarden kennis te nemen, onvoldoende gemotiveerd betwist. Zij heeft niet betwist dat de voorwaarden niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst tot levering van de materialen in kwestie door haar aan [naam A BV] ter hand zijn gesteld. Haar zeer algemene stelling dat partijen al jaren zaken met elkaar doen “volgens deze voorwaarden” en dat daarnaar op haar briefpapier wordt verwezen kan haar in dit verband niet baten. Daaruit volgt immers niet dat aan [naam A BV] daadwerkelijk de gelegenheid is geboden om van de inhoud van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Hieruit volgt dat het beroep op de vernietigbaarheid van de Metaalunievoorwaarden slaagt en dat de vordering tot vergoeding van de daarin genoemde vertragingsrente zal worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De wettelijke rente over het bedrag van € 13.141,23 is toewijsbaar en wel zoals (subsidiair) gevorderd vanaf de datum van opeisbaarheid (30 dagen na de factuurdatum, derhalve vanaf 30 september 2011), nu hiertegen door [naam A BV] geen (afzonderlijk) verweer is gevoerd.

7.27.

Tegen de vordering van [naam C Contructie BV] in verband met de hiervoor onder 2.14. genoemde twee facturen d.d. 12 december 2012 heeft [naam A BV] verweer gevoerd met de stelling dat de betreffende bedragen nog niet opeisbaar zijn omdat partijen zijn overeengekomen dat deze pas zouden worden betaald nadat een door [naam A BV] en [naam C Contructie BV] gezamenlijk ontwikkelde boormast door [naam A BV] zou zijn verkocht, hetgeen nog niet is gebeurd. [naam A BV] heeft in dat kader verwezen naar de hiervoor onder 2.10. geciteerde e-mail van [naam C Contructie BV] van

12 december 2010. Op deze onderbouwde stelling van [naam A BV] is door [naam C Contructie BV] niet met een gemotiveerde betwisting gereageerd, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de betreffende factuurbedragen (nog) niet opeisbaar zijn. Dit onderdeel van de vordering van [naam C Contructie BV] zal dan ook worden afgewezen.

7.28.

Aan haar vordering tot betaling van € 200.431,67 heeft [naam B Motion BV] ten grondslag gelegd dat zij dit bedrag onverschuldigd heeft betaald aan [naam A BV], omdat bij de berekening van de door [naam A BV] gefactureerde en door haar betaalde provisie een drietal fouten is gemaakt. Zij heeft in dat kader een herberekening (productie 2) overgelegd. Ten eerste is volgens [naam B Motion BV] provisie berekend over een aantal (achteraf) als prototypes aan te merken machines, waarover volgens de 2e samenwerkingsovereenkomst geen provisie hoefde te worden betaald. [naam A BV] heeft hier onder meer tegenin gebracht dat de betreffende orders allemaal zijn verstrekt vóór de totstandkoming van de

2e samenwerkingsovereenkomst, zodat ze vallen binnen het toepassingsbereik van de

1e samenwerkingsovereenkomst, die prototypes niet uitzondert van de toepassing van de provisieregeling. Dat de orders in kwestie dateren van voor 19 juni 2009 en dat de

1e samenwerkingsovereenkomst geen uitzondering bevatte voor prototypes is door

[naam B Motion BV] niet betwist. Zoals hiervoor onder 7.6. is overwogen, heeft de

2e samenwerkingsovereenkomst geen terugwerkende kracht, zodat de

1e samenwerkingsovereenkomst op de betreffende orders van toepassing is en het verweer van [naam A BV] doel treft. Ten tweede stelt [naam B Motion BV] dat de

2e samenwerkingsovereenkomst een neerwaartse bijstelling van de provisie bevat. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het verweer van [naam A BV] dat op de relevante opdrachten de 1e samenwerkingsovereenkomst van toepassing is ook op dit punt doel treft. Ten slotte heeft [naam B Motion BV] aanvankelijk de stelling aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [naam A BV] ten onrechte gestaffeld berekende provisie in rekening heeft gebracht. Nu zij die stelling, na betwisting door [naam A BV], ter comparitie van partijen heeft prijsgegeven levert ook die geen grond voor toewijzing van het gevorderde op. De hiervoor onder 5.1.II. weergegeven vordering in reconventie zal dan ook worden afgewezen.

7.29.

De hiervoor onder 5.1.III. weergegeven vordering tot betaling van € 25.000,-- aan [naam B Motion BV] op grond van de in artikel 2 van de 2e samenwerkingsovereenkomst opgenomen boeteclausule zal eveneens worden afgewezen, reeds omdat [naam B Motion BV] heeft nagelaten om (voldoende onderbouwd) te stellen dat [naam A BV] in strijd heeft gehandeld met enig aan die boeteclausule verbonden voorschrift of verbod. Gesteld noch gebleken is dat [naam A BV] heeft bevorderd dat enige opdracht van Western Geco niet rechtstreeks aan [naam B Motion BV] is gegeven. Dat [naam A BV] met een medewerker van Western Geco heeft overlegd over door [naam A BV] aan [naam B Motion BV] te leveren onderdelen bestemd voor Western Geco kan niet als een handelen in strijd met voornoemd artikel 2 worden aangemerkt, nog daargelaten dat [naam A BV] (zoals door haar is gesteld en door [naam B Motion BV] niet is betwist) dit overleg voerde op verzoek van [naam B Motion BV] zelf.

7.30.

Met betrekking tot de door [naam A BV] te nemen akte als hiervoor onder 7.16. en 7.21. bedoeld hecht de rechtbank eraan te benadrukken dat [naam A BV] zich in deze akte uitsluitend dient uit te laten over

  1. het bedrag van haar hiervoor onder 3.1.II. weergegeven vordering uitgaande van een niet-gestaffelde provisieberekening,

  2. het bedrag van haar hiervoor onder 3.1.IV. weergegeven vordering uitgaande van een niet-gestaffelde provisieberekening,

  3. (desgewenst) haar reactie op de stelling van[gedaagden] dat de in de “shopping cart” genoemde orders/transacties niet hebben plaatsgevonden.

Vervolgens zal[gedaagden] in de gelegenheid worden gesteld - desgewenst - uitsluitend op de hiervoor onder a) en b) genoemde punten te reageren. Stellingen en argumenten van partijen die het voorgaande te buiten gaan zullen door de rechtbank buiten beschouwing worden gelaten.

7.31.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

8 De beslissing

De rechtbank

in conventie

8.1.

veroordeelt [naam B Motion BV] en [naam B-C BV] om binnen veertien dagen na de betekening van het onderhavige vonnis hun volledige (project)administratie, waaronder worden verstaan alle tot die administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, in het geval van [naam B Motion BV] over de periode van 5 december 2006 tot en met heden en in het geval van [naam B-C BV] over de periode vanaf haar oprichting tot en met heden, daadwerkelijk en onvoorwaardelijk toegankelijk te maken en te houden voor (de accountant van) [naam A BV] gedurende de kantooruren (werkdagen 09.00-17.00 uur en buiten de vakantieperioden), daar waar die administratie de afgelopen jaren aanwezig placht te zijn, en te gehengen en gedogen dat daarvan desverlangd en op kosten van [naam A BV] afschrift wordt genomen,

8.2.

veroordeelt [naam B Motion BV] en [naam B-C BV] ieder om aan [naam A BV] een dwangsom te betalen van € 1.000,-- voor iedere dag waarop zij in strijd met de onder 8.1. uitgesproken veroordeling verhindert om van haar administratie kennis en desverlangd afschrift te nemen, zulks tot een maximum (voor ieder van hen) van € 50.000,--,

8.3.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

8.4.

verwijst de zaak naar de rol van 9 oktober 2013 voor het nemen van een akte door partij [naam A BV] met uitsluitend de hiervoor onder 7.30. bedoelde inhoud,

8.5.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

8.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester, mr. E. Boerwinkel en

mr. E. Schippers en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2013.

EB/St/Er