Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:3156

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-09-2013
Datum publicatie
19-09-2013
Zaaknummer
06/950222-11 ontn.
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank legt aan de veroordeelde, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal € 92.961,13 (tweeënnegentigduizend negenhondereenenzestig euro en dertien eurocent).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/950222-11 (ontneming ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht)

Uitspraak d.d.: 13 september 2013

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [1971],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman: mr. J. van Beest, advocaat te ’s Gravenhage.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
30 augustus 2013.

Procesgang

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken in deze rechtbank van heden is veroordeelde tot straf veroordeeld ter zake van de in zijn strafzaak bewezen verklaarde feiten, gekwalificeerd als:

Feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 2:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 3:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.



De rechtbank heeft de processtukken gezien, waaronder de rapporten betreffende de berekeningen wederrechtelijk verkregen voordeel.

Vordering van het Openbaar Ministerie

De schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat aan veroordeelde als wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden ontnomen een bedrag van € 102.100,-. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin dat aan verdachte een bedrag van € 92.951,13 zal worden ontnomen als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, waarin het bedrag van € 133.801,13 is vermeld, niet aan zijn cliënt is betekend. Om die reden dient te worden uitgegaan van de wel aan zijn cliënt betekende vordering waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat op € 102.100,-.

De raadsman heeft ten aanzien van de hennepkwekerij in Warnsveld primair betoogd dat het uitgangspunt van de officier van justitie dat de totale vordering van € 306.300,- dient te worden gedeeld door vijf niet juist is gelet op het geringe aandeel dat zijn cliënt in de werkzaamheden heeft gehad. De raadsman heeft berekend dat het om een periode van 74 weken gaat, waarvan zijn cliënt er 7 op vakantie is geweest. Op basis van de verklaring van zijn cliënt bij de politie dat hij gemiddeld drie keer per week € 80,- à € 100,- kreeg (gemiddeld derhalve € 90,-), en zijn verklaring dat een derde deel daarvan was voor het geven van water aan de planten, heeft de raadsman berekend dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden gesteld op € 6.030,-. Indien wordt uitgegaan van de verklaring van zijn cliënt ter terechtzitting dat de inkomsten tussen de € 60,- en € 100,- bedroegen, bedraagt het wederrechtelijk verkregen voordeel volgens de raadsman ongeveer € 5.000,-.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat feitelijk een ander aantal planten is aangetroffen in de ruimtes dan het aantal planten waarvan in de berekening is uitgegaan. Indien wordt uitgegaan van het daadwerkelijk aantal aangetroffen planten, zou het wederrechtelijk verkregen voordeel € 298.886,- zijn, te delen door vijf is: € 59.777,-.

Ten aanzien van de hennepkwekerij in Enschede heeft de raadsman betoogd dat de opbrengst van de twee oogsten bij elkaar twee kilogram was en dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden gesteld op € 6.497,54. Volgens de raadsman was sprake van medeplegen door twee personen, waardoor de vordering dient te worden gehalveerd tot € 3.248,77. Hierop dient een bedrag van € 2.000,- in mindering te worden gebracht, zijnde de helft van de rekening van [benadeelde]. Het wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt voor zijn cliënt dan € 1.248,77.

Overweging over de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank stelt allereerst vast dat aan verdachte een vordering van € 102.100,- is betekend inzake het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel dat aan hem zou moeten worden ontnomen. Dat de vordering met het bedrag van € 133.801,13 niet aan hem is betekend, acht de rechtbank rechtens niet relevant, nu zij bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel zowel ten gunste als ten nadele van veroordeelde van de vordering kan afwijken.

Op basis van het ter terechtzitting gehouden onderzoek, in samenhang met de inhoud van het procesdossier, het vonnis en de daaraan ontleende bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de veroordeelde met de door hem gepleegde feiten wederrechtelijk voordeel heeft gekregen.


De rechtbank houdt als grondslag voor de schatting van de hoogte van dit wederrechtelijke voordeel vast aan het rapport Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij.Daarbij is rekening gehouden met de in het rapport van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie van april 2005 (hierna: BOOM-rapport) opgenomen normen.

Feit 1

Op grond van het procesdossier en de verklaringen van [benadeelde] is vastgesteld dat de hennepkwekerij in Warnsveld uit een viertal kamers bestond1. [benadeelde] heeft hierover verklaard dat de hennepkwekerij in maart 2009 begon en dat in mei 2009 de eerste oogst moet zijn geweest. Nadat ze voor de eerste keer hadden geoogst werd de kwekerij groter. In juli is de ruimte vergroot en in december 2009 is de ruimte opnieuw vergroot en ontstonden twee kamers. Begin 2010 kwam er weer een kamer bij. In juli 2010 is de vierde kamer gemaakt.

Aan de ‘eerste kamer’ is in de periode van maart tot juli 2009 één oogst van 200 hennepplanten en vanaf juli 2009 vier oogsten van 400 hennepplanten toegerekend. Aan de ‘tweede kamer’ zijn vanaf december 2009 drie oogsten van 400 hennepplanten toegerekend. Aan de ‘derde kamer’ zijn vanaf januari 2010 twee oogsten van 400 hennepplanten toegerekend. Bij elkaar opgeteld is uitgegaan van een oogst van 3.800 hennepplanten. Bij de hennepkwekerij zijn 17 planten per m2 aangetroffen. Volgens het BOOM-rapport mag in een dergelijk geval uitgegaan worden van een gemiddelde opbrengst per hennepplant van 27,7 g hennep. Door het rapport Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij is de tot 1 november 2010 geldende prijs van € 3.248,77 per kg hennep als uitgangspunt genomen. De opbrengst van 3.800 planten bedraagt 105 kg. Rekening houdend met een prijs van € 3.248,77 per kg moet de hennepkwekerij in de periode van maart 2009 tot 17 augustus 2010 € 341.120,- hebben opgeleverd. Aan afschrijvingskosten, variabele kosten en kosten voor de knippers, heeft het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij een bedrag van € 34.820,- berekend, zodat het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend op € 306.300,-.

De rechtbank is op basis van het procesdossier van oordeel dat het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel van in totaal € 306.300,- aan vijf personen moet worden toegerekend, nu de rechtbank op basis van de voorhanden gegevens van betrokkenheid bij de kwekerij in rechtens relevante zin van een dergelijk aantal personen uitgaat. Aan veroordeelde moet een bedrag van € 61.260,- worden toegerekend als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Gelet op het feit dat in de strafzaak is vastgesteld dat veroordeelde als medepleger betrokken is geweest bij het opzetten, onderhouden en in stand houden van de hennepkwekerij en zijn rol niet marginaal is geweest, wordt het primair gevoerde verweer van de raadsman verworpen. De rechtbank verwerpt onder verwijzing naar het voor de berekening gehanteerde BOOM‑rapport eveneens het subsidiair gevoerde verweer.

Feit 2

In de woning van veroordeelde in Enschede zijn in de ene kweekruimte 89 bloempotten aangetroffen met daarin resten van reeds geoogste hennepplanten en in de andere kweekruimte 85 bloempotten met resten van reeds geoogste hennepplanten2. Veroordeelde heeft verklaard dat er twee keer is geoogst. In de berekening is daarom uitgegaan van 348 planten. Uit het BOOM-rapport blijkt dat als het aantal planten per m2 niet bekend is, uitgegaan kan worden van 15 planten per m2. de gemiddelde opbrengst is 28,2 g hennep per plant. Door het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij is de tot 1 november 2010 geldende prijs van € 3.248,77 per kg hennep als uitgangspunt genomen. De opbrengst van 348 planten bedraagt 9,8 kg. Rekening houdend met een prijs van € 3.248,77 per kg moet de hennepkwekerij € 31.837,- (afgerond) hebben opgeleverd. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de besparing van de kosten voor elektriciteit, door [benadeelde] berekend op € 1.695,33. Aan afschrijvingskosten en variabele kosten, heeft het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij een bedrag van € 1.831,20 berekend, zodat het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend op € 31.701,13. Nu onvoldoende bewijs voorhanden is dat sprake is geweest van medeplegen, moet het ervoor worden gehouden dat veroordeelde het volledige bedrag heeft verkregen.

Voor zover de raadsman heeft beoogd dat de rekening van [benadeelde] als kosten in mindering moeten worden gebracht, overweegt de rechtbank dat veroordeelde de energierekening niet heeft voldaan en derhalve geen kosten heeft gehad. Om die reden is er geen aanleiding rekening te houden met de nota.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het geschat wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden bepaald op:

Feit 1 € 61.260,00

Feit 2 € 31.701,13

Geschat wederrechtelijk verkregen voordeel € 92.961,13

Omvang van de betalingsverplichting

De rechtbank overweegt dat een draagkrachtverweer, zoals door veroordeelde is gedaan, alleen dan met vrucht aan de orde kan worden gesteld in het ontnemingsgeding, indien aanstonds duidelijk is dat veroordeelde tegen wie de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gericht is, nu en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Naar het oordeel van de rechtbank is met het enkele betoog van veroordeelde dat hij een schuldenlast van € 150.000,- heeft onvoldoende onderbouwd dat van die situatie sprake is. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften


De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    stelt het geschat wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 92.961,13 (tweeënnegentigduizend negenhondereenenzestig euro en dertien eurocent);

  • -

    legt aan de veroordeelde, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal

    € 92.961,13 (tweeënnegentigduizend negenhondereenenzestig euro en dertien eurocent).

Aldus gewezen door mrs. Ouweneel, voorzitter, Gerbranda en Van Lookeren Campagne, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Althoff, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 september 2013.

Mrs. Gerbranda en Ouweneel zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Rapport Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij, nr. 2010095480, p. 5-8.

2 Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij, nr. 2010074629, p. 5-8.