Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:3147

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-09-2013
Datum publicatie
11-10-2013
Zaaknummer
AWB-12_704 ZUT
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing voor het gebruik van een schuur voor zorgactiviteiten en opslag. De rechtbank heeft zelf voorziend de omgevingsvergunning in zoverre gewijzigd dat de ontheffing (enkel) ziet op caravanopslag en bepaald dat de uitspraak in zoverre in plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team bestuursrecht

Zittingslocatie Arnhem

registratienummer: AWB 12/11

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
van

inzake

[eiser] , eiser,

wonende te Beltrum, vertegenwoordigd door: ing. B.H. Wopereis,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland, verweerder,

en

[vergunninghouders] , vergunninghouders,

wonende te Beltrum.

1 Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 18 november 2011.

2 Procesverloop

Bij het bestreden besluit heeft verweerder met toepassing van artikel 4, achtste lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan “Buitengebied” (Eibergen), vrijstelling (verder: ontheffing) verleend voor het gebruik van een schuur op het perceel [perceel 1], voor zorgactiviteiten en opslag.

Verweerder heeft het bestreden besluit op basis van een vaste beleidslijn met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb voorbereid. Het ontwerpbesluit heeft van 11 augustus 2010 tot en met 21 september 2010 ter inzage gelegen. Eiser heeft tegen het ontwerpbesluit een zienswijze ingediend.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2013. Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Bouwhuis en M. Mellink. Namens vergunninghouders zijn [namen] verschenen.

3. Overwegingen

Vergunninghouders hebben een omgevingsvergunning aangevraagd voor het gebruik van een deel van een voormalige stal voor zorgactiviteiten voor kinderen en voor het gebruik van een ander deel van de stal voor caravanopslag.

De aanvraag dateert van vóór de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat het recht van toepassing blijft zoals dat gold voor de inwerkingtreding van die wet op 1 oktober 2010.

Voor het perceel [perceel 2] geldt het bestemmingsplan “Buitengebied” (Eibergen). Het perceel heeft de bestemming “Agrarisch gebied” en heeft een bouwblok. De activiteiten “zorg” en “opslag” zijn binnen die bestemming niet toegestaan.

Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan te geven regels, van bij het plan aan te geven regels ontheffing kunnen verlenen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden de onbebouwde gronden en/of de daarop aanwezige bebouwing te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met het in de bestemming bepaalde.

Ingevolge artikel 4, achtste lid, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen (...) mits dit niet leidt tot een ingrijpende en/of onomkeerbare wijziging van en inbreuk op de bestemming en er geen dringende redenen zijn die zich hiertegen verzetten.

Eiser exploiteert een vleeskuikensbedrijf in de nabijheid van het perceel van vergunninghouders. Eiser heeft zijn beroep ter zitting beperkt tot de grond dat verweerder geen ontheffing op grond van de planvoorschriften heeft kunnen verlenen omdat sprake is van een ingrijpende wijziging die grote gevolgen heeft voor zijn bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden.

ontheffing

Ten aanzien van die beroepsgrond overweegt de rechtbank als volgt. De functiewijziging van de betrokken stal betekent niet dat de op het perceel rustende bestemming onomkeerbaar gewijzigd wordt. De activiteiten zijn immers kleinschalig en ondergeschikt aan de agrarische activiteiten. Daarnaast worden bestaande ruimten gebruikt waardoor er niet hoeft te worden verbouwd voor de verwezenlijking van het gewenste gebruik. Voor het oordeel dat het toepassen van de binnenplanse ontheffingsmogelijkheid in dit geval leidt tot een bestemmingswijziging, als gevolg waarvan de betrokken planvoorschriften buiten toepassing dienen te worden gelaten, heeft verweerder dan ook terecht geen grond gezien. Niet kan worden gezegd dat de ontheffing tot gevolg heeft dat de aan de grond toegekende bestemming illusoir wordt.

Verweerder hanteert naast het bepaalde in artikel 4, achtste lid, van de planvoorschriften voor de toepassing van een ontheffing voor een functieverandering het zogenaamde functieveranderingsbeleid. Dit beleid biedt de mogelijkheid om nieuwe nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven binnen bestaande gebouwen toe te staan. Zonder verevening mag voor de nevenactiviteit zorg maximaal 350 m2 worden gebruikt en maximaal 350 m2voor de nevenactiviteit opslag. Met verevening mag voor de nevenactiviteit opslag 750 m2 worden gebruikt. Daarnaast is bepaald dat de functieverandering is beperkt tot maximaal 50% van de bestaande gebouwen. Vergunninghouders hebben ongeveer 2300 m2 aan bedrijfsgebouwen. Derhalve zou op basis van het beleid maximaal 1150 m2gebruikt kunnen worden nevenactiviteiten. Omdat de nevenactiviteit opslag meer dan 350 m2bedraagt hebben vergunninghouders als verevening op eigen terrein langs een wandelpad een picknickplaats ingericht voorzien van een drinkwaterplek en prullenbak, een groot deel van het wandelpad verhard en een signaleringsbord geplaatst. Uit het voorgaande volgt dat de functieverandering ook voldoet aan het door verweerder gehanteerde beleid.

nevenactiviteit

Ten aanzien van de stelling van eiser dat de zorgactiviteiten niet kunnen worden gezien als een nevenactiviteit overweegt de rechtbank als volgt. Uit het bepaalde in artikel 4, achtste lid, van de planvoorschriften volgt niet dat voor het verlenen van een ontheffing vereist is dat sprake is van een nevenactiviteit. De stelling van eiser dat, gelet op de omvang van de zorgactiviteiten, dit gebruik als hoofdactiviteit moet worden aangemerkt en dat dan geen sprake meer is van een agrarisch bedrijf, volgt de rechtbank niet. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het mestvarkensbedrijf in zijn huidige omvang gehandhaafd blijft. Dat het mestvarkensbedrijf wellicht in de toekomst beëindigd zal worden kan niet worden meegewogen in het bestreden besluit.

de gevolgen voor de veehouderij van eiser

Ten aanzien van de stelling van eiser dat de functiewijziging gevolgen zal hebben voor de mogelijkheden van zijn inrichting overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de milieutechnische verkenning van 16 februari 2010 blijkt dat ten gevolge van de functiewijziging milieutechnisch gezien geen belemmeringen optreden voor de inrichting van eiser. De betrokken stal moet voor zover sprake is van zorgactiviteiten worden aangemerkt als een geurgevoelig object maar levert, gelet op de ligging, voor het bedrijf van eiser geen verdergaande beperkingen op dan de beperkingen die de bestaande bedrijfswoning van vergunninghouders al met zich meebrengt. Op grond van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, onder b van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, (...) ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Uit de gedingstukken volgt dat aan deze afstand ruimschoots wordt voldaan. De zorgactiviteiten leiden daarom niet tot belemmeringen voor de bedrijfsvoering of de ontwikkelingsmogelijkheden voor de bedrijfsvoering of de ontwikkelingsmogelijkheden van de inrichting van eiser. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat geen sprake is van strijd met overige milieuwetgeving. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de functiewijziging milieutechnische belemmeringen op zal leveren voor de inrichting van eiser.

caravanopslag

Eiser heeft desgevraagd ter zitting verklaard geen probleem te hebben met de opslag van caravans in de betrokken stal omdat dit geen gevolgen zal hebben voor zijn bedrijfsvoering. Eiser heeft echter aangegeven dat deze negatieve gevolgen zich wel zouden kunnen voordoen bij andersoortige opslag dan de opslag van caravans, eventueel in combinatie met een werkruimte . De rechtbank legt deze beroepsgrond zo uit dat verweerder de ontheffing wat betreft de activiteit “opslag” te ruim heeft geformuleerd, nu sprake is van een in dit opzicht onbegrensde ontheffing. Dit betoog slaagt. In het bestreden besluit is niet nader bepaald dat conform de aanvraag van vergunninghouders de omgevingsvergunning enkel is verleend voor caravanopslag, zodat alle vormen van opslag zijn toegestaan, ook de opslag van producten die mogelijk gevolgen meebrengt voor de bedrijfsvoering van eiser. Verweerder heeft dit niet onderkend.

Gelet op het voorgaande is het beroep gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover in de omgevingsvergunning ontheffing is verleend voor de activiteit “opslag”. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op na te melden wijze in de zaak te voorzien door de omgevingsvergunning in zoverre te wijzigen dat de ontheffing ziet op (enkel) caravanopslag en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover vernietigd. Het beroep is voor het overige ongegrond.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 944 (indiening beroepschrift en het verschijnen ter zitting) aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4 Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

vernietigt het bestreden besluit, voor zover de ontheffing ziet op de activiteit “opslag”;

bepaalt dat de omgevingsvergunning wordt verleend voor de opslag van caravans;

bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 944;

bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 152 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.B. Elferink, voorzitter, en mr. S.A. van Hoof en

mr. A.G.A. Nijmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op .

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: