Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:3145

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
19-09-2013
Zaaknummer
06/950516-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging doodslag door vier keer op korte afstand te schieten op slachtoffer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/950516-12

Uitspraak d.d. 11 september 2013

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1971],

wonende te [woonplaats], [adres 1],

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Raadsman mr. S.A.S. Jansen, advocaat te Amersfoort.


Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 augustus 2013.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 04 augustus 2012 te Apeldoorn ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade,

althans opzettelijk, [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na

kalm beraad en rustig overleg,

- met de auto naar het woon- of verblijfadres van die [slachtoffer 1] is gereden en/of

- ( vervolgens) bij de voordeur van die woning heeft aangebeld/aangeklopt en/of

- ( vervolgens) in de woning op voornoemd adres een woordenwisseling met die

[slachtoffer 1] heeft gehad en/of

- ( daarna) die woning (rustig) heeft verlaten en/of

- ( vervolgens) vrijwel direct daarna wederom bij de voordeur van die woning

heeft aangebeld/aangeklopt en/of

- toen die [slachtoffer 1] de voordeur opende, direct, van (zeer) korte afstand, met

een pistool, althans met een vuurwapen, drie (3), althans een of meer

schoten op het lichaam, althans in de richting van die [slachtoffer 1] heeft

afgevuurd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 04 augustus 2012 te Apeldoorn een of meer wapens van

categorie II, te weten pistool (merk Crvena Zastava, cal. 7.65mm,

zilverkleurig), althans een vuurwapen, en/of munitie van categorie II, te

weten een of meer patronen (te gebruiken met voornoemd (vuur)wapen),

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding tot het onderzoek

Op 4 augustus 2012 omstreeks 13.32 uur kwam er bij de meldkamer Oost Nederland een telefonische melding binnen dat er zojuist een schietincident had plaatsgevonden op het adres [adres 2] te Apeldoorn.

Door de ter plaatse gestuurde surveillance-eenheden werd het slachtoffer, [slachtoffer 1], ernstig gewond aangetroffen in de woning. Hij bleek meerdere verwondingen, vermoedelijk schotwonden te hebben. Hij werd door een ambulance met spoed overgebracht naar het ziekenhuis is Apeldoorn. Vervolgens is er een onderzoek ingesteld.

Op 5 augustus 2012 vervoegde verdachte [verdachte] zich met zijn advocaat aan het bureau van politie te Apeldoorn en werd hij aangehouden.2

Op 7 augustus 2012 werd door [slachtoffer 1] voornoemd aangifte gedaan van poging tot moord/doodslag door de hem bekende [verdachte]. Hij verklaarde dat hij geld verschuldigd was aan [verdachte] en daarover een conflict was ontstaan. Als gevolg van dit conflict had [verdachte] hem neergeschoten met een pistool.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1, dat wil zeggen de poging tot moord, en 2 tenlastegelegde. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht. Zij heeft een kopie van op schrift gestelde requisitoir aan de rechtbank overhandigd.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft de officier van justitie het opzet op de dood alsmede de voorbedachte raad aanwezig geacht. Door de officier van justitie is - kort gezegd - daarover het volgende aangevoerd.

Het direct meermalen van zeer korte afstand gericht schieten op meerdere plekken van het lichaam – waaronder de romp – van de in de deuropening staande [slachtoffer 1] kan slechts één enkel doel hebben gehad, namelijk het af- of neerknallen van deze persoon. Alleen al met deze uiterlijke verschijningsvorm is het opzet op de dood reeds gegeven. Daarbij komt nog dat er al een langer lopend conflict tussen [slachtoffer 1] en verdachte speelde en de berichten die zich daarover in het dossier bevinden (met uitlatingen als “want mijn bloed is op het kookpunt”, “hij zijn kankerkop op een dienblad wil”en “sla ik hem de lucht uit de longen”), een bevestiging geven van dit opzet. Anders gezegd: deze berichten geven zijn handelen op die vierde augustus 2012 kleur. Het opzet van verdachte was aldus gericht op het doden van [slachtoffer 1], in elk geval in de zin van voorwaardelijk opzet, door op korte afstand meerdere malen op het lichaam te schieten, waarbij de kans op dodelijk letsel evident is.

De officier van justitie heeft gezegd dat zij uitgaat van de volgende gang van zaken. Verdachte heeft de woning van [slachtoffer 1] rustig verlaten, de voordeur van de woning werd aanvankelijk gesloten. Verdachte heeft vervolgens besloten om weer aan te kloppen, verdachte besloot om zijn wapen ter hand te nemen en vervolgens, nadat de deur weer werd geopend door [slachtoffer 1], besloot hij om meerdere malen gericht te schieten. Hieruit blijkt dat verdachte heeft kunnen nadenken en heeft nagedacht over zijn actie. Reeds hieruit blijkt, hoewel de tijdspanne kort is geweest, dat er sprake is van voorbedachte rade. Verdachte heeft voldoende tijd en gelegenheid gehad om na te denken over de volgende stap, om na te denken over de mogelijke consequenties hiervan en om de volgende stap daadwerkelijk te nemen. Een kort moment weliswaar, maar wel een moment van kalm en rustig overleg. Contra-indicaties zijn niet aannemelijk geworden, integendeel, het handelen is ook te plaatsen in het licht van het al langer lopende conflict. Voor zover uit de verklaring van verdachte zou kunnen worden afgeleid dat hij heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling door de direct daaraan voorafgaande beledigende woorden van [slachtoffer 1], is dat niet geloofwaardig te achten, teminder nu die bewering niet wordt ondersteund door enig bewijsmiddel. Uit de onderzoeksgegevens van de periode voorafgaande aan zaterdag 4 augustus 2012 blijkt genoegzaam dat verdachte boos en kwaad was op [slachtoffer 1] en naar hem op zoek is geweest en dat het wat verdachte betreft om een serieus conflict ging waarbij zijn eer een rol speelde en krenking van deze eer hem noopte tot actie. Er was bij verdachte al langer sprake van een situatie van een voortdurende of doorlopende hevige drift.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1 tenlastegelegde. Niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op [slachtoffer 1] heeft geschoten met het opzet om hem dood te schieten, laat staan dat hij dat met voorbedachte rade zou hebben gedaan.

Ter terechtzitting heeft de raadsman het standpunt van de verdediging toegelicht aan de hand van zijn pleitnotitie.

Door de raadsman is onder meer - kort gezegd - aangevoerd dat is geen sprake is geweest van een vooropgezet plan. Verdachte zou anders niet een afspraak hebben gemaakt om die ochtend bij zijn schoonouders een “een bakje te doen” en zou hij niet met zijn partner en de kinderen naar de woning van [slachtoffer 1] zijn gereden. Verdachte heeft verklaard dat hij – nadat er een stevig gesprek had plaatsgevonden – door [slachtoffer 1] tijdens het verlaten van de keuken en de woning werd vernederd en op zijn ziel werd getrapt. De opmerking van [slachtoffer 1] dat het hem verwonderde dat zo’n varken als hij (verdachte) nog kinderen kon maken schoot hem in het verkeerde keelgat en was voor hem de spreekwoordelijke druppel. Dit heeft zich in enkele seconden tijd afgespeeld. Verdachte is de drempel overgestapt, heeft zich toen omgedraaid en heeft geschoten. Verdachte wilde [slachtoffer 1] voor “zijn ballen” schieten vanwege die opmerking. Hij heeft niet de intentie (het opzet) gehad om [slachtoffer 1] te doden, hetgeen ook is bevestigd door de letselrapportage waaruit blijkt dat er duidelijk op het onderlichaam van [slachtoffer 1] is geschoten.

Van opzet of voorwaardelijk opzet op moord dan wel doodslag kan geen sprake zijn.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- De verdachte heeft verklaard dat hij op 4 augustus 2012 met de auto met daarin [vriendin verdachte] en zijn twee kinderen naar [verdachte], een vriend van hem, is gereden. Hij wilde met [slachtoffer 1] praten. Terwijl [vriendin verdachte] en de kinderen nog in de auto zaten heeft hij aangebeld en is hij naar binnen gegaan. In de keuken hebben zij een gesprek gevoerd. Het gesprek liep een beetje hoog op maar er werd niet geschreeuwd. Vervolgens is hij opgestaan en weggegaan. [slachtoffer 1] bleef doorzeiken en zei onder andere dat hij een kankerflikker en een dik varken was. Het verwonderde [slachtoffer 1] dat zo’n varken als hij nog kinderen kon maken. [slachtoffer 1] heeft hem daarmee op zijn ziel getrapt. Toen hij wegging voelde hij zich heel klein. Vervolgens heeft hij zich omgedraaid en heeft hij geschoten met het wapen dat hij bij zich had. Hij had hem vernederd. Toen dacht hij van ‘ik schiet je in je ballen’. Hij denkt dat hij op een afstand van een halve meter tot een meter van hem afstond toen hij schoot. Hij stond half buiten, heeft zich omgedraaid en geschoten. Daarna is hij in de auto gestapt en heeft [vriendin verdachte] en de kinderen naar zijn schoonouders gebracht. 3

- Verdachte heeft geschoten met een zilverkleurig pistool, met een houten handvat, volgens hem een Zastava. Nadat hij [verdachte] had neergeschoten heeft hij het wapen onder het matras in de slaapkamer van [betrokkene 1] gegooid. [betrokkene 1] wist hier niets van. Op het moment dat hij van huis ging met [vriendin verdachte] zaten er zes patronen in de houder van het pistool. Na het schietincident zat er nog één patroon in de houder4.

- [slachtoffer 1] heeft verklaard dat [verdachte], die hij al lang kende en met wie hij op school had gezeten, op zaterdag 4 augustus 2012 naar zijn woning is gekomen. Hij is binnen gekomen en er is gesproken over geld. Er was een meningsverschil. [verdachte] had haast met het geld. Vervolgens ging [verdachte] weg. Hij, [slachtoffer 1], heeft toen de voordeur dichtgedaan. Vervolgens werd er op de deur geklopt en hij dacht dat [verdachte] misschien nog wat wilde zeggen. Hij heeft de deur opengedaan. [verdachte] had een vuurwapen in zijn hand en hij vuurde eerst naar beneden naar zijn kuitbeen, vervolgens naar zijn bovenbeen en daarna onder naar zijn linkerzijde onder de ribben. Het schot daarna ging mis. [verdachte] schoot met een pistool. Toen [slachtoffer 1] op de grond viel rende [verdachte] weg. 5

- De vriendin van [slachtoffer 1] heeft verklaard6 dat zij hoorde dat er meerdere keren op de voordeur van de woning werd geklopt. De naam [verdachte] werd gezegd. Zij herkende de stem die dit zei als de stem van [verdachte]. Het ging allemaal zo snel dat het eigenlijk ook niemand anders kon zijn – doelend op het voorafgaande verlaten van de woning door verdachte -.

- Uit de letselrapportage die over het slachtoffer [slachtoffer 1] is opgemaakt blijken de navolgende letsels:

- aan de voorzijde van de ribbenkast, links onderaan tussen de elfde en twaalfde rib is een inschot opening. Er is geen uitschotopening omdat deze kogel in het lichaam was achtergebleven. De kogel heeft interne verwondingen veroorzaakt. De linkernier is gaan bloeden, een grote spiergroep is geraakt en de vierde wervel in het lendegebied is geraakt;

- het linkerbeen heeft 3 schotverwondingen van 2 kogels. Een verwonding zit aan de voorzijde 16 cm boven het kniegewricht. De andere verwonding zit aan de achterkant van het bovenbeen aan de buitenzijde. Het meest waarschijnlijk is dat de kogel het bovenbeen aan de voorzijde heeft betreden en aan de achterzijde heeft verlaten;

- de andere kogel is door het linkeronderbeen gegaan. Het linkeronderbeen heeft meerdere breuken opgelopen.

Over het herstel van het slachtoffer is gerapporteerd dat [slachtoffer 1] is geopereerd door de neurochirurg omdat de kogel in het wervelkanaal terecht was gekomen, De aanwezigheid van de kogel heeft het ruggenmerg beschadigd en hierdoor is functie-uitval van de benen en spieren in het onderlijf (o.a. sluitspier blaas en darmen) ontstaan. Na de operatie is de mate van uitval minder geworden, maar [slachtoffer 1] is niet volledig hersteld. De verwachting is dat er zeker sprake zal zijn van restschade omdat het ruggenmerg ook fysiek beschadigd is geraakt en het lichaam deze schade niet kan herstellen.

Geconcludeerd is dat de letsels niet levensbedreigend zijn geweest, maar dat het slachtoffer altijd schade en functieverlies zal overhouden aan de schotverwondingen die hij heeft opgelopen.7

- Op 4 augustus 2012 is er door het TFO onderzoek verricht op het adres [adres 2] in Apeldoorn, waarbij in de onmiddellijke omgeving van de voordeur vier hulzen en in de hal en in de woon kamer twee kogelpunten werden veiliggesteld8

- Op 6 augustus 2012 is de politie in de woning gelegen aan de [adres 2] te Apeldoorn binnen getreden ter doorzoeking ter inbeslagneming. Onder het matras van het bed op de slaapkamer werd een zilverkleurig vuurwapen (pistool) aangetroffen met daarnaast een los liggende patroon9.

- Bij sporenonderzoek door het TFO werd een vuurwapen (pistool) een patroonhouder inclusief twee patronen en een naast het pistool aangetroffen patroon veiliggesteld en in beslag genomen voor forensisch (vervolg)onderzoek10.

- Op 9 augustus 2012 werd in het ziekenhuis te Zwolle(Isala klinieken) een kogelpunt in beslag genomen, welke kogelpunt tijdens de operatie van [slachtoffer 1] uit diens rug was verwijderd door de behandelend chirurg11.

- Bedoelde stukken van overtuiging zijn voor onderzoek overgedragen aan het NFI12.

- Door het NFI is een wapen- en munitieonderzoek verricht. Geconcludeerd is dat de hypothese dat de vier hulzen / drie kogels met dit pistool ( een semi-automatisch pistool van het merk Crvena Zastava kaliber 7,65 mm) zijn verschoten zeer veel waarschijnlijker is dan de hypothese dat deze zijn verschoten met een ander vuurwapen/pistool13.

- Het aan de [adres 2] in beslag genomen pistool is omschreven als een pistool van het merk Zastava, model M70, kaliber 7,65 mm, zijnde een vuurwapen - in de zin van artikel

1, onder 3, gelet op artikel 2, eerste lid, categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie.

De aangetroffen munitie is eveneens van categorie III.14

In deze zaak is er geen discussie over het feit dat verdachte op 4 augustus 2012 met een pistool vier schoten heeft afgevuurd op de hem bekende [slachtoffer 1] in diens woning te Apeldoorn. De discussie spits zich met name toe op de vragen of sprake is geweest van opzet op de dood en of sprake is geweest van voorbedachte rade.

Wat het opzet betreft overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft op korte afstand vier keer met een pistool op [slachtoffer 1] geschoten, waarbij [slachtoffer 1] drie keer in het lichaam is getroffen, te weten in het linker onderbeen, het linker bovenbeen en in de ribbenkast ter hoogte van het lendegebied. Het met een vuurwapen meermalen op zo’n korte afstand schieten op het lichaam van een persoon is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de dood dat dit niet anders kan worden uitgelegd als een bewust handelen gericht op een levensbeëindiging. De rechtbank is dan ook van oordeel dat hier sprake is geweest van vol opzet.

Het door de verdediging opgeworpen verweer dat verdachte bewust niet heeft geschoten op vitale delen van het lichaam stuit al af op de omstandigheid dat het slachtoffer in de omgeving van zijn nier is geraakt en een kogel in zijn ruggenmerg is terechtgekomen..

Ten aanzien van de voorbedachte rade overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte is op 4 augustus 2012 in verband met het conflict dat hij met [slachtoffer 1] had over de betaling van een geldbedrag, terwijl hij een geladen pistool bij zich had, naar de woning van [slachtoffer 1] gegaan. Daar heeft vervolgens een stevig en pittig gesprek plaatsgevonden. Verdachte heeft vervolgens de woning door de voordeur verlaten, maar besloot naar eigen zeggen bij het weggaan in een opwelling - en gekrenkt over een uitlating die [slachtoffer 1] in zijn richting had gemaakt - om zijn pistool te pakken en zich weer in de richting van de woning te wenden. Vervolgens is er vier keer op [slachtoffer 1] geschoten.

De lezingen van verdachte en aangever [slachtoffer 1] over het al dan niet gesloten zijn geweest van de voordeur lopen uiteen. Voor de rechtbank is op zich voldoende aannemelijk geworden dat de voordeur gesloten is geweest. [slachtoffer 1] heeft aldus verklaard en zijn verklaring wordt ondersteund door de verklaring van zijn vriendin dat de voordeur van de woning vlak bij de deur van de woonkamer is gelegen en dat zij hoorde dat er een aantal keren op de deur werd geklopt en dat de naam van [verdachte] werd geroepen. [slachtoffer 1] was – naar zij later van hem hoorde – in de veronderstelling dat verdachte iets was vergeten.

Uit de verklaringen van zowel verdachte als [slachtoffer 1], diens vriendin en de feitelijke situatie in de woning zoals naar voren komt uit de foto’s van de woning in het dossier, moet worden afgeleid dat een en ander zich in een zeer kort tijdsbestek heeft voltrokken. Voor de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat verdachte bijzonder opgefokt was over de beledigingen die [slachtoffer 1] in zijn richting had gedaan na of aan het einde van het plaatsgevonden gesprek.

Naar het oordeel van de rechtbank de besluitvorming tot- en de uitvoering van het schieten in een zodanig kort tijdsbestek en plotselinge hevige drift plaatsgevonden, dat verdachte heeft gehandeld vanuit een zogenoemde hevige gemoedsopwelling Wat er verder ook mag zijn van hetgeen er heeft plaatsgevonden in de dagen voorafgaande aan die zaterdag 4 augustus 2012, de rechtbank ziet in de omstandigheden dat verdachte aanvankelijk na het gesprek de woning rustig verliet en dat hij kennelijk daarna pas verkeerde in de beschreven hevige gemoedbeweging, als belangrijke contra-indicaties om uit te gaan van voorbedachte rade. De rechtbank acht dus de voorbedachte rade niet bewezen.

Gezien de overwegingen ten aanzien van het opzet op de dood, acht de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden voor de aan verdachte ten laste gelegde poging tot doodslag en het tenlastegelegde wapenbezit.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 04 augustus 2012 te Apeldoorn ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet

- met de auto naar het woon- of verblijfadres van die [slachtoffer 1] is gereden en

- ( vervolgens) bij de voordeur van die woning heeft aangebeld/aangeklopt en

- ( vervolgens) in de woning op voornoemd adres een woordenwisseling met die

[slachtoffer 1] heeft gehad en

- ( daarna) die woning (rustig) heeft verlaten en

- ( vervolgens) vrijwel direct daarna wederom bij de voordeur van die woning

heeft aangebeld/aangeklopt en

- toen die [slachtoffer 1] de voordeur opende, direct, van (zeer) korte afstand, met

een pistool,

schoten op het lichaam, althans in de richting van die [slachtoffer 1] heeft

afgevuurd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 04 augustus 2012 te Apeldoorn een wapen van

categorie III, te weten een pistool (merk Crvena Zastava, cal. 7.65mm,

zilverkleurig) en munitie van categorie II, te weten patronen (te gebruiken met voornoemd (vuur)wapen), voorhanden heeft gehad;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. In feit 2 is abusievelijk vermeld dat het om wapens zou gaan van categorie II, terwijl uit het dossier naar voren komt dat het hier zonder meer gaat om wapens van categorie III; de rechtbank merkt dit ook aan als een verschrijving.

.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1: poging tot doodslag, in eendaadse samenloop begaan met

feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaat met betrekking tot een wapen van categorie III

en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (ten aanzien van de munitie).

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte terzake van het door haar bewezen geachte, zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaar met aftrek van de tijd door verdachte in voorarrest doorgebracht. De officier heeft daarbij onder meer in aanmerking genomen dat een poging tot moord tot de categorie geweldsdelicten behoort waarop hoge straffen zijn gesteld. Verdachte heeft op klaarlichte dag in een woning waar anderen – onder meer een kind - aanwezig waren met zijn pistool geschoten op [slachtoffer 1] en heeft [slachtoffer 1] daarbij drie keer geraakt, tengevolge waarvan [slachtoffer 1] zijn leven lang hinder zal blijven ondervinden. Naast de grote impact die deze gebeurtenis voor het slachtoffer met zich heeft gebracht is ook de impact op de directe omgeving (het gezin, vrienden en familie en buurtbewoners) aanzienlijk geweest. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit terwijl verdachte blijkens zijn justitiële documentatie geen onbekende is voor politie en justitie en in het verleden tot aanzienlijke gevangenisstraffen is veroordeeld, terwijl de kans op herhaling door de reclassering groot wordt geacht. Een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf is passend en geboden.

Door de raadsman is aangevoerd dat ingevolge de richtlijnen voor het vuurwapenbezit een gevangenisstraf van zes maanden geldt en dat vanwege de door hem bepleite vrijspraken, aangezien verdachte zich vanaf 5 augustus 2012 in voorarrest bevindt, verdachte dan ook onmiddellijk in vrijheid dient te worden gesteld.

Verdachte baalt van hetgeen er is gebeurd, niet vanwege het feit dat hij daardoor in de gevangenis is terechtgekomen, maar omdat er sprake was van een vriendschap met [slachtoffer 1] die op een heel vervelende manier tot een einde is gekomen.

De rechtbank acht na te melden beslissing in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft verder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 4 augustus 2012 in een opgefokte situatie met een pistool een viertal schoten afgevuurd op de hem bekende [slachtoffer 1]. Deze gewelddadige actie van verdachte heeft een grote impact gehad op zijn slachtoffer, die nog steeds met de (traumatische) gevolgen daarvan wordt geconfronteerd en na het zich laat aanzien voor de rest van zijn leven gevolgen daarvan zal blijven ondervinden. Dit soort delicten, waarbij conflicten beslecht worden met wapengeweld, veroorzaken ook in de samenleving gevoelens van onveiligheid en onmacht.

In het nadeel van verdachte weegt dat hij blijkens zijn strafblad in het verleden meermalen is veroordeeld tot aanzienlijke gevangenisstraffen (meervoudige kamer 15 november 2011 onder meer terzake van wapenbezit/handel, tien maanden gevangenisstraf; gerechtshof Arnhem 13 augustus 2002 terzake van diefstallen met geweld in vereniging en afpersingen, negen jaar gevangenisstraf; meervoudige kamer 17 augustus 1996 terzake van poging tot doodslag en wapenbezit/handel, dertig maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk; meervoudige kamer 14 juli 1993 terzake van poging tot diefstal met geweld in vereniging en afpersing, diefstal met geweld in vereniging, wapenbezit en poging tot zware mishandeling, zesendertig maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk).

Uit het verloop van het strafblad kan niet anders worden opgemaakt dat er sprake is van een voortdurende recidive en dat verdachte zich niets gelegen laat liggen aan hem eerder opgelegde straffen.

Dit strookt ook met de bevindingen van de reclassering zoals aangegeven in het reclasseringsadvies van 26 oktober 2012. De kans op recidive wordt als hoog gemiddeld ingeschat. Uit de integrale conclusie komt naar voren dat betrokkene zich gedurende zijn gehele volwassen leven bezig heeft gehouden met criminaliteit. Dit is altijd zijn voornaamste inkomstenbron geweest om in de diverse levensbehoeften te voorzien. Hij heeft naar eigen zeggen meerdere malen geprobeerd uit de criminaliteit te stappen waarvoor zijn belangrijkste motivatie ligt bij zijn gezin die in deze als belangrijke beschermende factor aangemerkt kan worden. Daarnaast lijkt ook zijn familieleden een positieve factor, zij hebben allen geen justitiële contacten en keuren zijn delictgedrag af.

Echter, gezien zijn staat van dienst op crimineel gebied, is het voor betrokkene zeer lastig

gebleken om daadwerkelijk zijn stappen richting een toekomst zonder delicten te zetten.

De criminogene factoren lijken met name te liggen in het gegeven dat het voor betrokkene

lastig blijkt te zijn om legaal werk te vinden en wanneer hij werk heeft, verdient hij naar eigen zeggen te weinig. Hij kiest er dan voor om te stoppen met het legale werk en zijn geld te verdienen in de criminaliteit, dit als middel om uiteindelijk als ZZP-er aan de slag te kunnen. Hierbij is zijn laatste criminele klus uitgemond in onderhavig delict. Betrokkene is hier zijn zelfbeheersing verloren, dit is, zoals blijkt uit zijn justitiële documentatie, in het verleden meermalen gebeurd. Onduidelijk blijft in hoeverre dit geweld "functioneel" is gebruikt, danwel het verlies van zelfbeheersing is geweest.

Betrokkene heeft meerdere contacten binnen het criminele circuit die hij weet te vinden

wanneer hij zich wil inlaten met een criminele activiteit. Onduidelijk blijft in hoeverre men hem ook weet te "verleiden" tot het deelnemen aan criminele activiteiten, hij geeft aan dat hij zwijgt over zijn contacten.

De eindconclusie lijkt getrokken te kunnen worden dat voor betrokkene het doel de middelen

heiligt. Om op zijn manier op het rechte pad te komen heeft hij tot op heden criminaliteit

gebruikt. Hij geeft nu aan dat hij zijn leven nu wil omgooien en een leven wil leiden zonder criminaliteit.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het vorenstaande een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van flinke omvang alleszins op zijn plaats is, waarbij de voortdurende recidive op het terrein van geweld of geweldsgerelateerde delicten een bepalend factor vormt. Mede tegen de achtergrond van straffen die doorgaans voor dit soort pogingen tot doodslag worden opgelegd en vooral ook gelet op de aanwezige recidive, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar gerechtvaardigd. Nu de rechtbank niet komt tot bewezenverklaring van voorbedachte rade valt deze straf lager uit dan de straf die door de officier van justitie is geëist.

In beslag genomen voorwerpen

De officier heeft de onttrekking aan het verkeer gevorderd van de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 1 t/m 10 vermelde goederen, ziende op het wapen, patroonhouder, patronen en hulzen. Ten aanzien van de overige op genoemde lijst vermelde goederen heeft de officier de teruggave gevorderd aan verdachte/zijn vriendin/aangever [slachtoffer 1].

De raadsman heeft hierover geen standpunt ingenomen.

De rechtbank is van oordeel dat de goederen onder de nummers 1 t/m 10 dienen te worden onttrokken aan het verkeer, nu het bewezenverklaarde met behulp daarvan danwel met betrekking tot welke het bewezenverklaarde is begaan en het voorwerpen betreft van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Van de overige onder in beslag genomen voorwerpen zal de rechtbank de teruggave bevelen zoals door de officier van justitie is gevorderd, nu zich daartegen geen strafvorderlijk belang meer verzet.

Vordering tot schadevergoeding en/of schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1], ter zitting bijgestaan door zijn advocaat mr. E.S. Reitsma, heeft zich met een vordering tot schadevergoeding (nader aangevuld bij brief van 30 juli 2013 en 13 augustus 2013) ten bedrage van € 32.130,63 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

Aan schade wordt gevorderd:

immaterieel (bij wijze van voorschot) € 20.000,00

immaterieel 11.624,00 (vordering 24-01-2012)

269,13 (verhoging brief 30-07-2013)

237,50 (verhoging brief 13-08-2013)

12.130,63

totaal € 32.130,63

Tevens is de wettelijke rente gevorderd vanaf 4 augustus 2012, althans vanaf de datum van de verschijning van de schade.

Aan buiten gerechtelijke kosten (honorarium raadsvrouw) wordt een bedrag van € 12.000,00 gevorderd.

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw evenwel gesteld en toegelicht dat de totale schade, inclusief de buitengerechtelijke kosten, een bedrag van € 39.120,63 bedraagt. Dat is dan ook het bedrag waarvan de rechtbank in deze zaak uitgaat.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij integraal kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen c.q. de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering vanwege de door hem bepleite vrijspraak. De raadsman heeft zich overigens gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering als zodanig is op geen enkel onderdeel weersproken. De vordering is dan ook voor toewijzing vatbaar.

De door de benadeelde partij geclaimde proceskosten (honorarium advocaat) begroot de rechtbank aan de hand van het liquidatietarief.

De rechtbank ziet aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van na te melden bedrag ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 36f, 45, 55, 57, 91 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen, dat verdachte de onder 1 ten laste gelegde poging tot moord heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

feit 1: poging tot doodslag, gepleegd in eendaadse samenloop met

feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaat met betrekking tot een wapen van categorie III

en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (ten aanzien van de munitie)

en verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar;

 beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen als vermeld onder de nummers 1 t/m 10 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen;

 gelast de teruggave van de op de lijst van in beslaggenomen voorwerpen

- onder de nummers 11 t/m 13 vermelde voorwerpen aan de veroordeelde;

- onder de nummers 14 en 15 vermelde voorwerpen aan P.C. Griffioen;

- onder de nummers 16 t/m 18 vermelde voorwerpen aan [slachtoffer 1];

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 39.120,63 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van deze uitspraak en met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding, bestaande uit de advocaatkosten begroot volgens het liquidatietarief en de kosten van de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] voornoemd een bedrag te betalen van € 39.120,63 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van deze uitspraak, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 230 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 wijst het verzoek tot opheffing van het bevel voorlopige hechtenis en de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte af.

Aldus gewezen door mrs. Kleinrensink, voorzitter, Ouweneel en Cremers, rechters, in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van
11 september 2013.

mrs. Cremers, Ouweneel en de griffier zijn buiten staat mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit delen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het stamproces-verbaal nummer PL0620 / 2012105612 van de regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, District Apeldoorn Team Recherche, gedateerd 24 december 2012, opgemaakt door de verbalisant brigadier [verbalisant] (voor zover niet anders is vermeld).

2 Relaas proces-verbaal, doorgenummerde dossierpag. 10 e.v.

3 Proces-verbaal verhoor verdachte, doorgenummerde dossierpag. 50, 51 en 52

4 Proces-verbaal verhoor verdachte, doorgenummerde dossierpag. 54, 55 en 56

5 Proces-verbaal van aangifte [verdachte], doorgenummerde dossierpag. 133 e.v.

6 Proces-verbaal van verhoor [betrokkene 2], doorgenummerde dossierpag. 539 en 540

7 Letselrapportage, opgemaakt door de forensisch arts drs. [arts], doorgenummerde dossierpag. 502 t/m 505

8 Proces-verbaal sporenonderzoek, doorgenummerde dossierpag. 443, 444, 445, 446, 447

9 Proces-verbaal binnentreden, doorgenummerde dossierpag. 203 en 204

10 Proces-verbaal sporenonderzoek, doorgenummerde dossierpag. 480 en 481

11 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpag. 512

12 Aanvraag onderzoek NFI, doorgenummerde dossierpag. 507 t/m 511

13 Rapport Nederlands Forensisch Instituut d.d. 11 oktober 2012, opgemaakt door de vast gerechtelijk deskundige ing. [deskundige]

14 Proces-verbaal WWM, doorgenummerde dossierpag. 724 en 725