Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:3052

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
19-09-2013
Zaaknummer
AWB-12_3877
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:1375, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Geweigerde omgevingsvergunning eerste fase (revisievergunning) op grond van artikel 2.1 eerste lid, onder e en onder 2º in samenhang met artikel 2.6 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Eerder aan eiser verleende milieuvergunningen zijn bij besluit van 10 augustus 2010 ingetrokken per 10 november 2010.

Op het moment van de aanvraag was sprake van meer (milieu)vergunningen, zodat eiser een revisievergunning kon aanvragen. Echter na het verstrijken van de datum van 10 november 2010, zo ook op het moment van het nemen van het bestreden besluit, waren die milieuvergunningen ingetrokken. Dat betekent dat de inrichting ten tijde van het bestreden besluit niet meer beschikte over onderliggende milieuvergunningen, die vereist zijn voor het kunnen verlenen van een revisievergunning, zodat van bestaande rechten geen sprake meer was en verweerder de aangevraagde vergunning wel moest weigeren op de grond dat eiser een oprichtingsvergunning had moeten aanvragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/6246
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team bestuursrecht

Zittingsplaats Arnhem

registratienummer: AWB 12/3877

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
van

inzake

[eiser] , eiser,

wonende te Balgoij, vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Goumans,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen, verweerder.

1 Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 26 juni 2012.

2 Procesverloop

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de door eiser aangevraagde omgevingsvergunning eerste fase (revisievergunning) op grond van artikel 2.1 eerste lid, onder e en onder 2º in samenhang met artikel 2.6 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor de inrichting aan [adres]geweigerd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van

20 augustus 2013. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E.H.C. Muskens, bijgestaan door mr. P.P.A. Bodden.

3 Overwegingen

De eerder aan eiser verleende milieuvergunningen van 29 januari 1991, 7 februari 1995 en

3 november 2005 voor het exploiteren van een varkenshouderij zijn bij besluit van 10 augustus 2010 ingetrokken per 10 november 2010. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) heeft het tegen dat besluit gerichte beroep ongegrond verklaard bij uitspraak van 5 juni 2013 (201200701/1/A1).

In het intrekkingbesluit is het volgende opgenomen: “Nu in uw inrichting geen BBT wordt toegepast en gelet op het verzoek tot handhaving, trekken wij uw milieuvergunningen d.d. 29 februari (lees: januari; rechtbank)1991, 7 februari 1995 en 3 november 2005 met ingang van 10 november 2010 in. Met het stellen van deze termijn bieden wij u de mogelijkheid om een nieuwe milieuvergunning aan te vragen welke (na het doorlopen van de procedure) kan leiden tot een vergunning. Dit betekent dat u ervoor zorg dient te dragen dat op korte termijn een ontvankelijke aanvraag en een aanvaardbare MER bij ons wordt ingediend. Zorgt u er in ieder geval voor dat de aanvraag ook vergunbaar is.

Indien wij voor 10 november 2010 de MER als aanvaardbaar beoordelen, de aanvraag om milieuvergunning ontvankelijk is èn de aanvraag naar verwachting kan worden verleend, dan zal het traject tot vergunningverlening worden vervolgd en zullen wij overwegen de termijn van 10 november 2010 aan te passen.”

Eiser heeft op 1 november 2010 een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 8.4 van de Wet milieubeheer ingediend (revisievergunning). Omdat dit artikel met ingang van 1 oktober 2010 niet meer van toepassing is heeft verweerder eiser op deze omissie gewezen. Op 9 november 2010 heeft eiser via elektronische weg dezelfde aanvraag ingediend, nu op grond van artikel op grond van artikel 2.1 eerste lid, onder e en onder 2º in samenhang met artikel 2.6, eerste lid, van de Wabo.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat ten tijde van het bestreden besluit geen sprake was van een vergunbare aanvraag voor een omgevingsvergunning omdat de inrichting niet meer beschikte over de voornoemde milieuvergunningen, zodat van bestaande rechten geen sprake meer was en er geen grondslag meer bestond voor het verlenen van een revisievergunning.

Eiser heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat hij aan de voorwaarden van het besluit van 10 augustus 2010 heeft voldaan en tijdig, althans voor 10 november 2010, een ontvankelijke aanvraag heeft ingediend. Eiser is van mening dat zijn aanvraag ten onrechte is geweigerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op het moment van de aanvraag, zowel uitgaande van 1 november 2010 als van 9 november 2010, was sprake van meer (milieu)vergunningen, zodat eiser een revisievergunning kon aanvragen. Echter na het verstrijken van de datum van 10 november 2010, zo ook op het moment van het nemen van het bestreden besluit, waren die milieuvergunningen ingetrokken. Dat betekent dat de inrichting ten tijde van het bestreden besluit niet meer beschikte over onderliggende milieuvergunningen, die vereist zijn voor het kunnen verlenen van een revisievergunning, zodat van bestaande rechten geen sprake meer was en verweerder de aangevraagde vergunning wel moest weigeren op de grond dat eiser een oprichtingsvergunning had moeten aanvragen.

Voor wat betreft het beroep op het vertrouwensbeginsel is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het intrekkingsbesluit geen ondubbelzinnige toezegging heeft gedaan dat eiser te allen tijde een revisievergunning kon aanvragen. Verweerder heeft daarin immers slechts opgemerkt dat hij onder voorwaarden zou overwegen om de intrekkingstermijn van 10 november 2010 aan te passen. Het lag op de weg van eiser om – zo hij van mening was dat voor die datum aan die voorwaarden was voldaan – te verzoeken tot wijziging of schorsing van het intrekkingsbesluit. Eiser heeft dat evenwel nagelaten. Niet gesteld of gebleken is dat eiser enige actie heeft ondernomen om het intrekkingsbesluit te doen schorsen, dan wel om de intrekkingstermijn van 10 november 2010 te laten verlengen. Reeds hierom strandt het beroep op het vertrouwensbeginsel.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4 Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Jue, voorzitter, en mr. L. van Gijn en

mr. B.J. Zippelius, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op .

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: