Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:3051

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
19-09-2013
Zaaknummer
AWB-12_5469
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:3841, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

omgevingsvergunning voor de bouw van een rundveestal, een landbouwloods en een mestopslagsilo.

De vraag of verweerder de melding volgens het Besluit landbouw milieubeheer terecht heeft geaccepteerd, kan niet ter beoordeling staan, aangezien tegen de schriftelijke mededeling omtrent de aanvaarding van een melding geen rechtsmiddelen open staan. Dat is niet anders nu de melding wordt betwist in het kader van de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen waarvoor artikel 2.10 van de Wabo het toetsingskader vormt. De rechtbank komt daarom niet toe aan de beantwoording van de vraag of in verband met het bepaalde in artikel 2.7 van de Wabo (onlosmakelijke samenhang) ook een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo had moeten worden aangevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team bestuursrecht

Zittingsplaats Arnhem

registratienummers: AWB 12/5469 en 12/5470

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
van

inzake

[eisers]

,

allen wonende te Overasselt,

eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heumen, verweerder,

alsmede

[vergunninghouder] , vergunninghouder,

te Wijchen.

1 Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 27 augustus 2012.

2 Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2012 heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning krachtens artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor de bouw van een rundveestal, een landbouwloods en een mestopslagsilo op de locatie[aanduiding locatie]

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard, het bestreden besluit nader gemotiveerd en op grond van de planvoorschriften ontheffing verleend voor niet-agrarische nevenactiviteiten met bijbehorende voorzieningen. Voor het overige is het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Bij schrijven van 16 november 2012 heeft vergunninghouder zich gesteld als partij in het geding.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 8 februari 2013. Namens eisers zijn aldaar[namen]verschenen. Tevens is eiser [naam] verschenen. Verweerder is zonder voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Vergunninghouder is verschenen.

Gelet op de afwezigheid van een gemachtigde van verweerder heeft de rechtbank het onderzoek geschorst tot een nader te bepalen zittingsdatum.

Het beroep is vervolgens behandeld ter zitting van de rechtbank van 25 juli 2013. Namens eisers is aldaar[namen] verschenen. Tevens is [naam] verschenen. Namens verweerder zijn M.P. Koeneman, E.J.L. Rademacher en R. Bolmers verschenen. Vergunninghouder is tezamen met [naam] verschenen.

3 Overwegingen

Belanghebbende

Ter beantwoording van de vraag of eisers als belanghebbenden moeten worden aangemerkt in de zin van artikel 1:2, van de Awb, overweegt de rechtbank als volgt. Tussen de percelen waarop zich de woningen van eisers zich bevinden en het perceel waarop het bouwplan wordt gerealiseerd, bevindt zich geen verdere bebouwing. Dientengevolge hebben eisers zicht op het bouwplan, terwijl de ruimtelijke uitstraling van het onderhavige bouwplan, ook vanwege het omliggende open landschap, dusdanig van betekenis moet worden geacht, dat ondanks de betrekkelijk grote afstand van ongeveer 650 meter tussen de percelen van eisers en het perceel van waarop het bouwplan wordt gerealiseerd, niet staande kan worden gehouden dat eisers door het besluit niet rechtstreeks in hun belangen zijn getroffen.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo, wordt samengevat en voor zover hier van belang, de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk geweigerd indien:

a. het bouwplan niet voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2003;

b. het bouwplan niet voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de Bouwverordening;

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 1° en 3 °, van de wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

(...)

3°. indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

De in geding zijnde gronden vallen binnen de grenzen van het bestemmingsplan “Buitengebied Heumen 2009” en hebben de bestemming “Agrarisch met waarden - Landschap”.

Ingevolge artikel 5.1.1, onder a, van de planvoorschriften zijn de voor 'Agrarisch met waarden - Landschap' aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf, (...).

Ingevolge artikel 5.4.4, onder b, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 5.1 voor het toelaten van niet-agrarische nevenactiviteiten met bijbehorende voorzieningen, mits maximaal 25% van de oppervlakte van de op het moment van het nemen van het ontheffingsbesluit bestaande bebouwing tot maximaal 350 m2 hiervoor wordt gebruikt en geen nieuwbouw ten behoeve hiervan plaatsvindt;

(...).

Eisers kunnen zich niet vinden in het bestreden besluit. De rechtbank overweegt als volgt.

Een ter plaatse gevestigd agrarisch bedrijf

Ten aanzien van de stelling van eisers dat sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 5.1.1, onder a van de planvoorschriften omdat naar hun mening geen sprake is van een ter plaatse gevestigd agrarisch bedrijf overweegt de rechtbank als volgt. Vergunninghouder heeft ter zitting verklaard dat hij naast het betrokken perceel een groot aantal aangrenzende percelen in eigendom heeft. Daarnaast heeft verweerder gesteld dat omdat vergunninghouder reeds gevestigd is in verweerders gemeente en de opstallen en omliggende gronden van vergunninghouder binnen de gemeentegrenzen liggen, sprake is van een ter plaatse gevestigd agrarisch bedrijf. De rechtbank volgt deze uitleg van de planvoorschriften. Er is derhalve sprake van verplaatsing van de inrichting naar het betrokken perceel maar geen sprake van nieuw vestiging binnen de gemeentegrenzen zodat sprake is van een ter plaatse gevestigd agrarisch bedrijf. Er is derhalve geen sprake van strijd met de planvoorschriften. De beroepsgrond faalt.

Bouwvlak

Voor zover eisers hebben beoogd op te komen tegen het opnemen van een nieuw bouwvlak in het van toepassing zijnde bestemmingsplan, stelt de rechtbank vast dat het bestemmingsplan onherroepelijk is en dat daar derhalve in de voorliggende procedure niet tegen opgekomen kan worden.

Nevenactiviteit

Eisers hebben voorts gesteld dat verweerder ten behoeve van de nevenactiviteit, het verzorgen van educatieve rondleidingen, ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de ontheffingsmogelijkheid in artikel 5.4.4. van de planvoorschriften omdat het maximaal toegestane aantal vierkante meters daarvoor wordt overschreden. Gemachtigde van verweerder heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat ten onrechte toepassing is gegeven aan deze binnenplanse ontheffingsmogelijkheid en dat deze omissie hersteld kan worden door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3° van de Wabo. De beroepsgrond slaagt. Het beroep is reeds hierom gegrond. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen.

De rechtbank overweegt voorts.

Ophoging

Voor zover eisers hebben betoogd dat omdat geen aanlegvergunning is verleend voor het ophogen van het betrokken perceel het peil op het niveau van voor de verhoging ligt en het bouwplan daarom boven het maximale bouwniveau van 10 meter uit zal komen, overweegt de rechtbank als volgt. Een dergelijke beoordeling is nu niet aan de orde. Uitgegaan dient te worden van het op de bouwtekeningen aangegeven peil en de daaruit voortvloeiende hoogte van het bouwwerk. De stelling van eisers dat het peil feitelijk anders zou moeten liggen kan eventueel aan de orde komen in een handhavingsprocedure. De beroepsgrond faalt.

Welstandsbeoordeling

Eisers betogen voorts dat het negatieve advies van de welstandscommissie door verweerder ten onrechte is gepasseerd. Volgens het advies van de welstandscommissie van 17 oktober 2011 is het wenselijk om de stallen bij elkaar te concentreren in verband met de openheid van het landschap. Blijkens het bepaalde in artikel 2.10, eerste lid, onderdeel d, van de Wabo kan ondanks strijd met redelijke eisen van welstand de omgevingsvergunning toch worden verleend indien het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend. Verweerder heeft de vergunning in afwijking van het negatieve welstandsadvies verleend, omdat verweerder medewerking wil verlenen in verband met de noodzaak van bedrijfsverplaatsing en de bedrijfsvoering (productie en educatie). Daartoe is in het bestreden besluit overwogen dat verweerder de educatieve rondleidingen van harte toejuicht omdat dergelijke initiatieven binnen de doelstellingen van verweerders gemeente passen voor natuur- en milieueducatie. Vergunninghouder heeft daartoe de verschillende gebouwen die deel uitmaken van het plan zodanig gesitueerd dat de rondleidingen geen belemmering vormen voor de logistiek van het bedrijf. Daarnaast is er vanuit bedrijfstechnische overwegingen voor gekozen om de volwassen dieren en het jongvee voldoende afstand te laten bewaren om infectieziekten en dergelijke te voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van de voorgaande motivering heeft kunnen besluiten af te wijken van het welstandsadvies. De beroepsgrond faalt.

Melding

Eisers hebben vervolgens gesteld dat bij het verlenen van de omgevingsvergunning onvoldoende rekening is gehouden met milieuhygiënische aspecten. In dat kader betogen zij dat de door vergunninghouder ingediende melding volgens het Besluit landbouw milieubeheer van 9 december 2011 door verweerder ten onrechte is geaccepteerd.

De rechtbank begrijpt deze grond aldus, dat ten onrechte is volstaan met deze melding en dat er een omgevingsvergunning had moeten worden aangevraagd en verleend zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, voor het oprichten van een inrichting.

De rechtbank is van oordeel dat de vraag of verweerder de melding terecht heeft geaccepteerd, niet ter beoordeling kan staan, aangezien tegen de schriftelijke mededeling omtrent de aanvaarding van een melding geen rechtsmiddelen open staan. Dat is niet anders nu de melding wordt betwist in het kader van de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen waarvoor artikel 2.10 van de Wabo het toetsingskader vormt. De rechtbank komt daarom niet toe aan de beantwoording van de vraag of in verband met het bepaalde in artikel 2.7 van de Wabo (onlosmakelijke samenhang) ook een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo had moeten worden aangevraagd. De beroepsgrond faalt.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

De rechtbank zal om het hiervoor vastgestelde gebrek te laten herstellen niet de bestuurlijke lus toepassen omdat voor dat herstel toepassing dient te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb (uniforme openbare uitgebreide voorbereidingsprocedure).

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eisers[namen] in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op

€ 1.180 aan kosten van verleende rechtsbijstand (indiening beroepschrift, 1 punt, verschijnen ter zitting, 1 punt , verschijnen ter nadere zitting, 0,5 punt, à € 472 per punt) vermeerderd met de reiskosten op grond van het openbaar vervoer van eisers [namen] voor het bijwonen van de zittingen ten bedrage van € 43,80 (3 keer € 14,60, bestaande uit de kosten voor de busreis van Overasselt naar station Nijmegen, de kosten voor de treinreis tweede klasse van dat station naar Arnhem centraal station en de kosten voor de busreis van dat station naar de rechtbank, vice versa).

Nu de eisers [namen] zonder rechtsbijstandverlener hebben geprocedeerd bestaat geen aanleiding een proceskostenveroordeling. Daarnaast is van andere kosten niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4 Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eisers [namen] gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1223,80;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 156 aan eisers[namen] en € 156 aan eisers [namen].

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Jue, rechter, in tegenwoordigheid

van mr. M.H. Dijkman, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op .

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: