Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:2842

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
12-03-2015
Zaaknummer
AWB-12_4130
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2015:1367, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen samenvatting, publicatie op verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2015/1742 met annotatie van Dr. J.H.M. Nieuwenhuizen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rectificatie

RECHTBANK GELDERLAND

Team belastingrecht

Zittingsplaats Arnhem

registratienummers: AWB 12/4130 en 12/6211

uitspraak van de enkelvoudige kamer ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 10 september 2013

inzake

[X] , wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi, kantoor Utrecht, verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft de volgende aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en beschikkingen heffingsrente aan eiser opgelegd:

 voor het jaar 2009 een aanslag (aanslagnummer [000].H.96) IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 255.069 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 730.483. Tevens is bij beschikking € 12.708 aan heffingsrente in rekening gebracht;

 voor het jaar 2010 een aanslag (aanslagnummer [000].H.06) IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 255.113 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.857.894. Tevens is bij beschikking € 21.888 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 juli 2012 voor wat betreft het jaar 2009 het belastbaar inkomen uit werk en woning gehandhaafd, het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang verminderd tot € 592.710 en de beschikking heffingsrente verminderd tot € 10.312. Op 7 september 2012 heeft verweerder aan eiser een proceskostenvergoeding voor de kosten van bezwaar toegekend.

Eiser heeft daartegen bij brief van 13 augustus 2012, ontvangen door de rechtbank op
14 augustus 2012, beroep ingesteld.

Met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2010 heeft eiser bij brief van 30 oktober 2012 bezwaar ingediend en verzocht om prorogatie als bedoeld in artikel 7:1a van de Awb. Verweerder heeft bij brief van 20 november 2012 de rechtbank medegedeeld in te stemmen met het verzoek om prorogatie. De rechtbank heeft partijen bij brief van 14 december 2012 medegedeeld tegemoet te komen aan het verzoek om prorogatie.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Partijen hebben voor de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2013 te Arnhem.

Namens eiser is verschenen mr. [gemachtigde]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en mr. [A].

Namens eiser is ter zitting een pleitnota voorgedragen en afschriften daarvan zijn overgelegd aan de rechtbank en verweerder.

2 Feiten

2.1

Eiser is directeur en enig aandeelhouder van [B] BV (hierna: de BV). De activiteiten van de BV en haar dochtermaatschappijen bestaan tot en met 2011 uit de handel in exclusieve auto’s en het ontwikkelen van een vastgoedproject genaamd [C]. Begin 2012 is voor de BV en haar dochtermaatschappijen het faillissement uitgesproken.

2.2

Eiser heeft de onderstaande bedragen geleend van de BV:

rek crt woning Frankrijk totaal

31 december 2007 € 327.371 € 1.815.000 € 2.142.371

31 december 2008 € 658.707 € 1.815.000 € 2.473.707

31 december 2009 € 1.389.190 € 1.815.000 € 3.204.190

31 december 2010 € 3.719.255

2.3

De leningovereenkomst voor de rekening-courantschuld vermeldt een hoofdsom van
€ 2.500.000, een rentepercentage van 5% en geen zekerheden. Aflossing zal plaatsvinden binnen drie jaar na 1 januari 2012 met de dividenduitkeringen uit de BV. De overeenkomst is opgemaakt op 11 februari 2011. In de overeenkomst is opgenomen dat het een schriftelijke vastlegging betreft van de in januari 2004 tussen partijen mondeling gemaakte afspraken.

2.4

Ter financiering van een privéwoning in Frankrijk heeft eiser een schuld aan de vennootschap van € 1.815.000. De leningovereenkomst van 14 januari 2004 vermeldt een hoofdsom van € 1.750.000 en een rentepercentage van 5 percent. Als zekerheid geldt een hypotheekverklaring op de woning in Frankrijk. In februari 2010 heeft eiser het recht van hypotheek op de woning in Frankrijk aan een bank verleend voor het verkrijgen van een lening van de bank van € 1.500.000. De woning in Frankrijk is verkocht in oktober 2011, met welke verkoopopbrengst onder meer de lening van de bank is afgelost.

2.5

In februari 2010 heeft eiser voor de aankoop in privé van een woning aan de [A-straat 1] te [Z] een lening van de bank verkregen van € 1.500.000. Als

zekerheid voor deze lening heeft eiser aan de bank het recht van hypotheek verstrekt op de woning in Frankrijk. De onroerende zaak [A-straat 1] te [Z] is in september 2011 te koop gezet voor € 1.895.000. Op 23 december 2011 is de onroerende zaak notarieel op naam van de echtgenote van eiser gezet, waarbij zij de aankoopprijs van € 700.000 (50% van € 1.400.000) is schuldig gebleven aan eiser. De onroerende zaak [A-straat 1] te [Z] is niet bezwaard met hypotheek. Op 16 mei 2012 is de woning verkocht.

2.6

Het vermogen van eiser, berekend op basis van de gegevens volgens de ingediende aangifte inkomstenbelasting 2009, is negatief. De bezittingen begin 2009 bedragen € 1.855.629, waarvan het banksaldo ad € 908 liquide is. De schulden begin 2009 bedragen € 3.350.678. Dit resulteert in een negatief vermogen van € 1.495.049. De bezittingen eind 2009 bedragen € 1.855.875, waarvan het banksaldo ad € 1.154 liquide is. De schulden eind 2009 bedragen € 3.921.007. Dit resulteert in een negatief vermogen van € 2.065.132.

Voorts blijkt uit de jaarstukken 2009 van de BV dat eiser zich in privé borg heeft gesteld bij de zakelijke financiers voor een bedrag van € 909.000.

2.7

Voor 2010 heeft eiser in zijn aangifte geen opstelling opgenomen van zijn bezittingen en schulden in box 3. Desgevraagd heeft belanghebbende aangegeven dat zijn bezittingen eind 2010 bestonden uit zijn woonhuis in Nederland (WOZ-waarde €1.151.000), de woning in Frankrijk (latere verkoopprijs € 2.250.000) en de grond [D] (latere verkoopprijs € 1.475.000). De bankschulden eind 2010 bedroegen € 2.635.612 en de schuld aan de BV € 3.719.255. De vermogenspositie van eiser bedraagt eind 2010 negatief € 1.480.000.

2.8

Bij de aanslagregeling voor het jaar 2009 is ter zake van de rekening-courant schuld van eiser aan de BV een winstuitdeling van € 730.483 in aanmerking genomen, welk bedrag is gecorrigeerd in het box 2 inkomen. In de bezwaarfase is gedeeltelijk aan de bezwaren van eiser tegemoetgekomen, te weten ter zake van de op het rekening-courant schuld bijgeschreven rente, waarna het box 2 inkomen is verminderd tot een bedrag van € 592.710.

2.9

Bij de aanslagregeling voor het jaar 2010 is een winstuitdeling van € 1.857.894 in aanmerking genomen, welk bedrag is gecorrigeerd in het box 2 inkomen. De winstuitdeling bestaat uit twee delen, namelijk € 357.894 voor een toename van de rekening-courant schuld van eiser aan de BV en € 1.500.000 voor het verlenen door eiser van het hypotheekrecht op de woning in Frankrijk aan de bank ter aankoop van de woning aan de [A-straat 1] te [Z].

3 Geschil

In geschil is of de geldverstrekkingen door de BV aan eiser in de jaren 2009 en 2010 terecht zijn belast als zijnde box 2 inkomen uit aanmerkelijk belang. De hoogte van de correcties is tussen partijen niet in geschil.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de geldverstrekkingen in voormelde jaren en de daartegenover staande verhogingen van de (rekening-courant)schuld van eiser aan de BV steeds moeten worden aangemerkt als schijnleningen omdat deze geldverstrekkingen hebben plaatsgevonden onder condities die onder zakelijk handelende partijen niet goed denkbaar zijn en omdat het voor eiser onmogelijk is deze (rekening-courant)schulden af te lossen.

Eiser stelt zich op het standpunt dat de aanslagen ten onrechte zijn opgelegd omdat de toenames van de (rekening-courant)schulden niet als schijnleningen kunnen worden aangemerkt. Eiser stelt dat hij gelet op zijn vermogen, in het bijzonder het aandelenbelang in de BV, voldoende mogelijkheden had om de (rekening-courant)schulden af te lossen.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1

Verweerder heeft in zijn nader verweerderschrift d.d. 11 januari 2013 het standpunt ingenomen dat er een rekenfout is gemaakt bij de afhandeling van het bezwaar voor wat betreft het jaar 2009. De winstuitdeling had lager moeten worden vastgesteld, namelijk op € 592.690 in plaats van de correctie van € 592.710. Dit standpunt van verweerder vormt reeds aanleiding het beroep tegen de aanslag IB/PVV voor 2009 gegrond te verklaren.

4.2

De rechtbank zal nu overgaan tot de behandeling van de overige geschilpunten.

Rekening courant-schulden 2009 en 2010

4.3

Het kan zich voordoen dat een lening in schijn bestaat, omdat partijen in werkelijkheid geen overeenkomst van geldlening tot stand hebben willen brengen. De lening is dan gefingeerd en vormt in wezen een winstuitdeling door de vennootschap ten behoeve van de aandeelhouder, op het moment dat de vennootschap de gelden aan de aandeelhouder ter beschikking stelt. De vraag of de – als lening aangeduide – verhouding gefingeerd is, moet op grond van de feiten en omstandigheden worden beantwoord. Uit het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 1964, nr. 15 225, BNB 1964/196 blijkt dat de lening als gefingeerd kan worden aangemerkt indien is voldaan aan een van de volgende voorwaarden:

a. indien en voor zover bij de geldverstrekking niet de bedoeling bestaat dat de geldnemer het opgenomen bedrag aan het lichaam schuldig zal worden. Het ontbreken van deze bedoeling moet worden afgeleid uit het niet bedingen van aflossingen, al dan niet in combinatie met het niet bedingen van rente. Het vermoeden dat partijen geen echte schuld in het leven hebben willen roepen kan worden versterkt indien de geldnemer geen enkele zekerheid ter nakoming van zijn aflossingsverplichtingen of rentebetalingen heeft gesteld. Voorts dient de aandeelhouder zich bewust te zijn geweest, dan wel redelijkerwijs bewust heeft moeten zijn dat deze geldverstrekking geen echte schuldverhouding in het leven heeft geroepen;

b. indien bij de geldverstrekking het de bedoeling van partijen is een schuldverhouding in het leven te roepen, maar op het moment van de geldverstrekking reeds duidelijk is dat de opgenomen gelden niet kunnen worden terugbetaald of verrekend. Een op zichzelf reële lening aan een volstrekt insolvabele debiteur houdt dus in wezen het creëren van een schijnlening in.

4.4

In zijn arrest van 29 oktober 2004, nr. 40 296, BNB 2005/64, ECLI:NL:HR:2004:AR4761, voegde de Hoge Raad aan de onder 4.1 weergegeven oordelen toe dat een en ander niet anders wordt indien het bedrag van de lening kan worden verrekend met een toekomstige dividenduitkering. Derhalve hoeft bij de beoordeling van de solvabiliteit van eiser geen rekening te worden gehouden met de intrinsieke waarde van de aandelen in het kapitaal van de BV.

4.5

Voorts oordeelde de Hoge Raad in zijn arrest van 12 september 2008, nr. 43 366, BNB 2009/13, ECLI:NL:HR:2008:BA6417, dat het enkele feit dat de mogelijkheid bestaat dat een vennootschap overgaat tot afstempeling van haar aandelen en aandelenkapitaal terugbetaalt aan de aandeelhouder er niet aan in de weg staat dat sprake is van een als schijnlening vermomde uitdeling. Derhalve moet in de onderhavige zaak worden geoordeeld dat het betoog van eiser aangaande de mogelijkheid tot terugbetaling van kapitaal in de BV hem niet kan baten.

4.6

In aanmerking nemende hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 4.4 en 4.5 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de geldverstrekkingen in de onderhavige jaren dienen te worden aangemerkt als schijnleningen in de zin van de voormelde jurisprudentie. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de gelden aan eiser in rekening-courant zijn verstrekt aanvankelijk zonder enige schriftelijke afspraak te maken over aflossing, looptijd en zekerheden, welke vastlegging pas jaren later geschiedde. Eiser heeft met hetgeen hij daartoe heeft gesteld bovendien niet aannemelijk gemaakt dat er in 2004 al mondelinge afspraken met de BV hieromtrent waren gemaakt. Een enkele opmerking hierover in de schriftelijke overeenkomst van 2011 is daartoe onvoldoende. Voorts hecht de rechtbank belang aan de slechte vermogenspositie van eiser in de jaren 2009 en 2010 waardoor het partijen bij het verstrekken van de gelden aanstonds duidelijk moet zijn geweest dat eiser deze niet terug zou kunnen betalen. Daarenboven heeft de BV geen (invorderings)actie(s) ondernomen om te zorgen dat de rekening-courant schuld gedeeltelijk of geheel zou worden terugbetaald. De BV heeft in de jaren 2009 en 2010 echter juist nog meer krediet aan eiser verstrekt. Voorts heeft de BV aan eiser, zo door verweerder gemotiveerd is gesteld en door eiser niet is betwist, een maandelijks loon betaald en ook daarop verder geen verhaalsactie ondernomen. De BV heeft eiser aldus bewust bevoordeeld in zijn positie van aandeelhouder.

4.7

Voor wat betreft de correctie ter zake van het hypotheekrecht (zie hiervoor onder de feiten 2.5 en 2.9) overweegt de rechtbank als volgt. Het verlenen van dit recht aan de bank door eiser ter verkrijging van de woning te [Z] met als gevolg dat de zekerheid aan de eerdere lening van de BV aan eiser kwam te ontvallen in combinatie met het ontbreken van invorderingsmaatregelen door de BV, leidt ertoe dat bedoelde lening van de BV aan eiser op dat moment is veranderd in een zogenoemde schijnlening. In februari 2010 is duidelijk dat partijen de terugbetaling van een bedrag van € 1.500.000 ter hoogte van de hypothecaire zekerheid niet langer beogen. Hierbij hecht de rechtbank met name belang aan het feit dat de BV naar aanleiding van deze verschuiving van de zekerheid geen enkele (invorderings)actie ter zake van de corresponderende schuld heeft ondernomen, en zelfs, zoals hiervoor ook reeds is opgemerkt, is voortgegaan met de uitbetaling van de maandelijkse lonen aan eiser.

4.8

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat de geldverstrekkingen door de BV aan eiser in de jaren 2009 en 2010 terecht zijn aangemerkt als inkomen uit aanmerkelijk belang en als zodanig zijn belast.

Conclusie

4.9

Op grond van het overwogene in de rechtsoverwegingen 4.1 en 4.2 dient het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2009 gegrond te worden verklaard en de aanslag te worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 592.690. Het beroep tegen de beschikking heffingsrente dient eveneens gegrond te worden verklaard en de beschikking dient dienovereenkomstig te worden verminderd.

4.10

Het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2010 dient ongegrond te worden verklaard. Nu eiser geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de beschikking heffingsrente heeft aangevoerd, dient het beroep tegen die beschikking ook ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 944 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2009 gegrond;

- verklaart het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2010 ongegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de aanslag IB/PVV 2009;

- vermindert de aanslag IB/PVV 2009 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 592.690;

- vermindert de beschikking heffingsrente voor 2009 dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 944;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 42 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. N. Djebali, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. M.H. Gudden, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 10 september 2013

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.