Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:2801

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-09-2013
Datum publicatie
05-09-2013
Zaaknummer
05/800090-12 en 05/800331-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, veroordeelt een 26-jarige militair wegens het bezit van cocaïne en hennep en het rijden onder invloed van alcohol, tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met een proeftijd van 2 jaren, een werkstraf voor de duur van 200 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummers : 05/800090-12 en 05/800331-12

Datum zitting : 19 augustus 2013

Datum uitspraak : 2 september 2013

TEGENSPRAAK

Vonnis van de militaire kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [1987] te Deventer,

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. A.C. Maarsingh, advocaat te Deventer.

Officier van justitie : mr. J.C. Stikkelman.1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van parketnummer 05/800090-12

1.

hij op of omstreeks 23 september 2011 te Deventer opzettelijk aanwezig heeft

gehad ongeveer 91 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 23 september 2011 te Deventer opzettelijk aanwezig heeft

gehad ongeveer 3682 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram

hennep, zijnde hennep (cannabis) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

Ten aanzien van parketnummer 05/800331-12

1.

hij op of omstreeks 1 september 2012, te Deventer, als bestuurder van een

voertuig, (bromfiets), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van

alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek,

als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de

Wegenverkeerswet 1994, 635 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram,

alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 19 augustus 2013 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. A.C. Maarsingh, advocaat te Deventer.

De officier van justitie, mr. J.C. Stikkelman, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3 De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van parketnummer 05/800090-12 1

Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 23 september 2011 is op drie verschillende plekken in de woning van verdachte aan de [adres] te Deventer, cocaïne gevonden, te weten in een kast bij de wasmachine, in een lade onder de magnetron en in een plastic tas bij de wasmachine.2

Er is die dag tevens in de auto van verdachte, die geparkeerd stond bij het perceel [adres] te Deventer, een doos met 3682 gram gedroogde henneptoppen aangetroffen.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat bij de doorzoeking van de woning van verdachte een onherstelbaar vormverzuim is gemaakt nu er door de rechter-commissaris weliswaar een mondelinge machtiging is afgegeven maar een met reden omklede schriftelijke machtiging ontbreekt. Dit dient echter niet tot bewijsuitsluiting maar tot strafvermindering te leiden.

Wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van harddrugs en softdrugs. Verdachte heeft pakketjes met harddrugs op verschillende plekken in zijn woning neergelegd. De verklaring van verdachte dat hij niet wist wat er in de pakketjes zat en dat hij deze heeft aangenomen van een vriend, acht de officier van justitie niet geloofwaardig. Verdachte heeft wetenschap gehad van de inhoud van de pakketjes en heeft daarmee de hard- en softdrugs opzettelijk voorhanden gehad.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat verdachte van feit 1 vrijgesproken dient te worden. Verdachte heeft een verklaring afgegeven over de herkomst van de pakketjes en hij heeft gesteld dat hij niet wist wat erin zat. Voorts kan niet vastgesteld worden dat sprake is van 91 gram cocaïne.

De verdediging stelt ten aanzien van feit 2 dat verdachte de henneptoppen in de auto niet voorhanden heeft gehad. Hij heeft de doos waarin de henneptoppen zaten nooit vast gehad. Hij heeft daardoor geen feitelijke macht over de doos gehad. Er is hoogstens sprake van de schuldvariant van artikel 3 van de Opiumwet.

Beoordeling door de militaire kamer

Rechtmatigheid doorzoeking

De politie heeft de woning van verdachte doorzocht op grond van artikel 49 van de Wet wapens en munitie. Op het moment dat in de woning (vermoedelijk) drugs werden aangetroffen is de doorzoeking bevroren. Na verkregen mondeling toestemming van de rechter-commissaris, door tussenkomst van de officier van justitie, is de doorzoeking voortgezet4. Er zijn daarna meer verdovende middelen aangetroffen in de woning en in het voertuig van verdachte. De verdovende middelen zijn in beslaggenomen. In het dossier ontbreekt echter de met reden omklede schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris als bedoeld in artikel 97 van het Wetboek van Strafvordering. Dit is een onherstelbaar vormverzuim. Dit leidt echter niet zonder meer tot bewijsuitsluiting. Gelet op de ernst van het feit waarvan de verdenking rees, de omstandigheid dat er wel een mondelinge machtiging is gegeven als bedoeld in artikel 97 van het wetboek van strafrecht en de omstandigheid dat niet gebleken is dat verdachte in zijn verdediging is geschaad, volstaat de rechtbank wat betreft de daaraan te verbinden rechtsgevolgen met de enkele vaststelling van het vormverzuim (vergelijk HR 14 februari 2012 LJN BT6962

Wetenschap van verdovende middelen in de woning

In de woning van verdachte zijn op verschillende plaatsen verpakkingen met cocaïne aangetroffen. Verdachte wist dat deze ‘pakketjes’ in zijn huis aanwezig waren. Hij verklaart immers dat hij deze ‘pakketjes’ van een vriend heeft gekregen met het verzoek om deze tijdelijk bij hem thuis op te bergen. De stelling dat hij geen idee had wat er in die pakketjes zat, wordt als ongeloofwaardig verworpen.

Gelet op de uiterlijke kenmerken van de ‘pakketjes’, en de verspreide vindplaatsen daarvan te weten:

  • -

    in een keukenlade onder de magnetron 2 boterhamzakjes met respectievelijk 4 en 3 wikkels en 2 boterhamzakjes met 10 gram wit poeder;

  • -

    in een keukenkast rechts van de wasmachine: 1 plastic draagtas met 1 boterhamzakje met 65 gram witte brokken;

  • -

    in de keuken gedeelte wasmachine: een vershoudbakje met weegschaaltjes en verpakkingsmateriaal en in een plastic draagtas 2 boterhamzakjes met 50 en 55 gram wit poeder5.

en op de omstandigheden dat hij verklaart dat hij de betreffende vriend – die de pakketjes bij verdachte in bewaring gaf – niet had gevraagd wat hij moest bewaren en evenmin waarom, en hij zegt ook nog “gezeur”/ruzie te hebben gehad met zijn vriendin over de vraag waarom hij deze spullen in bewaring heeft genomen6 acht de militaire kamer wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tenminste de aanmerkelijke kans voor lief heeft genomen dat de desbetreffende verpakkingen harddrugs bevatten.

Totaal gewicht aangetroffen cocaïne

Volgens de raadsman bestaat twijfel over het totaal gewicht aan cocaïne die in de woning van verdachte is gevonden, immers in het NFI-rapport ‘Identificatie van drugs en precusoren’ staat dat één van de monsters geen cocaïne maar natriumwaterstof carbonaat bevat.

Onduidelijk is op welk van de in de woning van verdachte aangetroffen stoffen dit zag, zodat eveneens onduidelijk is wat het totale gewicht van het materiaal dat cocaïne bevat, is en wat het gewicht is van materiaal dat geen cocaïne bevat.

Ofschoon niet ontkend kan worden dat het dossier geen overzichtelijke koppelingen legt tussen de op verschillende plaatsen in het dossier genoemde goederen en materialen, komt de militaire kamer op grond van het navolgende tot het oordeel dat vastgesteld kan worden dat het totale gewicht van het materiaal dat cocaïne bevat, tenminste 91,05 gram bedraagt.

In het ‘proces-verbaal van bevindingen onderzoek verdovende middelen’ staat dat in de keukenlade onder de magnetron 7 wikkels met wit poeder met een totaalgewicht van 3,05 gram en 2 zakjes wit poeder van ieder 10 gram zijn aangetroffen; In de keukenkast is in een tas met opschrift ‘100% voetbal’ één boterhamzakje met 65 gram witte brokken aangetroffen; in het keukengedeelte wasmachine is in een vershoudbakje drie gram aangetroffen en in een plastic KPN tas twee boterhamzakjes met 50 en 55 gram wit poeder7 Het totale gewicht van deze materialen is dus 196,05 gram.

De militaire kamer gaat er echter van uit dat de twee laatst genoemde zakjes van in totaal 105 gram geen cocaïne bevatten.

Immers, de in het ‘proces-verbaal van bevindingen onderzoek verdovende middelen’ genoemde vindplaatsen en omschrijvingen van de aangetroffen materialen komen overeen met de kennisgeving van inbeslagname met proces-verbaalnummer PL04RE 2011083681-11 [onderstreping militaire kamer]8 en met het ‘goederen-dossier’ als opgenomen in het relaas proces-verbaal. In dit goederendossier staat dat al deze materialen cocaïne bevatten, behalve de twee zakjes met 50 en 55 gram wit poeder, die versnijdingmiddel bevatten9.

Dit laatste komt voorts overeen met het NFI-rapport ‘Identificatie van drugs en precusoren’ 10 waarin staat dat onderzoek gedaan is naar aangeleverde materialen in de zaak met registratienummer PL04TR 2011083681-21 en dat de resultaten van dit onderzoek zijn dat op één na alle onderzochte materialen cocaïne bevatten ( 3 + 4 wikkels met volgens opgave in totaal 3,05 gram; een monster poeder in twee gripzakjes, monster crèmekleurig poeder, monster crèmekleurig brokje) en dat één monster (wit poeder) natriumwaterstofcarbonaat bevat. Nu het NFI in de wikkels en monster van een ‘crèmekleurig brokje’ cocaïne aantreft, moet het monster dat natriumwaterstofcarbonaat bevat dus afkomstig zijn van een van de vier in beslaggenomen zakjes of van de drie gram poeder uit het vershoudbakje.

Er, in het voordeel van verdachte, van uitgaande dat de twee zwaarste zakjes, van 50 en 55 gram, geen cocaïne bevatten - wat dus ook overeenkomt met de omschrijving in het ‘goederen-dossier’ dat dit versnijdingsmiddel betreft - is het totale gewicht van materiaal dat cocaïne bevat (196,05 – 105 =) 91,05 gram.

Verdovende middelen in de auto

Verdachte stelt dat hij evenmin heeft geweten wat de inhoud van de doos was die in de achterbak van zijn auto van verdachte.

Verdachte heeft verklaard dat hij eigenaar en gebruiker van de personen auto is11

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de in deze auto aangetroffen doos heeft aangepakt van iemand en voor hem heeft bewaard12. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat dit dezelfde persoon is die ook de pakketjes heeft gebracht waarin de cocaïne bleek te zitten en dat hij op dezelfde dag de pakketjes heeft aangenomen. 13 Hij heeft niet nagedacht over de vraag waarom hij die doos voor die vriend in zijn auto moest bewaren.

De militaire kamer is van oordeel dat verdachte bij het bewaren van een doos met onbekende inhoud in zijn auto voor een persoon waarvoor hij ook de hiervoor genoemde “pakketjes” (draagzakken en een doosje met daarin wikkels en boterhammenzakjes met poeder en brokjes) heeft bewaard, tenminste de aanmerkelijke kans voor lief heeft genomen dat (ook) in die doos verdovende middelen zaten.

Aanwezig hebben

Uit het vorenstaande volgt dat verdachte de cocaïne en henneptoppen voor een ‘vriend’ heeft aangepakt en bewaard in zijn huis en zijn auto. Deze bevonden zich daarmee in zijn machtssfeer en deze drugs had hij daarmee - opzettelijk - aanwezig in de zin van artikel 2 en 3 van de Opiumwet.

Conclusie

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 23 september 2011 te Deventer opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 91 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op 23 september 2011 te Deventer opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3682 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep (cannabis) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Ten aanzien van parketnummer 05/800331-12 14

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft op 1 september 2012 na het drinken van Bacardi cola op de Brink te Deventer op zijn bromfiets gereden15 . Zijn adem bleek bij een die nacht na zijn aanhouding uitgevoerd onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid aanhet en onder a van de wegenverkeerswet 635 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht te bevatten16 .

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan rijden onder invloed.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim nu verdachte onterecht staande is gehouden voor controle op de Wegenverkeerswet 1994. Er was geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan enig misdrijf.

Beoordeling door de militaire kamer

Op grond van artikel 160 vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994 waren de betreffende opsporingsambtenaren bevoegd verdachte aan een voorlopig onderzoek van de uitgeademde lucht te onderwerpen. Het testapparaat waarmee dit onderzoek werd uitgevoerd gaf een ‘F-indicatie’ aan. Daarnaast rook de adem van verdachte naar alcohol, waren zijn ogen bloeddoorlopen en was verdachte onvast ter been17

Het bovenstaande levert naar het oordeel van de militaire kamer voldoende verdenking op als bedoeld in het eerste lid van artikel 163 van de wegenverkeerswet om – vervolgens – een bevel tot medewerking aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de wegenverkeerswet te rechtvaardigen. Er is naar het oordeel van de militaire kamer dan ook geen sprake van enig misbruik van bevoegdheden door de betreffende verbalisanten nu bovengenoemde bepalingen juist ziet op controle op de naleving van de Wegenverkeerswet 1994.

Conclusie

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 1 september 2012, te Deventer, als bestuurder van een voertuig, (bromfiets), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 635 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 05/800090-12

Feit 1:

“Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”

Feit 2:

“Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”

Ten aanzien van parketnummer 05/800331-12

“Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994”

De feiten zijn strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en voorts,ten aanzien van parketnummer 05/800331-12, tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De officier van justitie heeft in de strafmaat rekening gehouden met het feit dat het om een oude zaak gaat en dat er sprake is van een vormverzuim bij het doorzoeken van de woning van verdachte.

Ten aanzien van het beslag heeft de officier van justitie gevorderd dat de goederen dienen te worden onttrokken aan het verkeer.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat het ontbreken in het dossier van de schriftelijke bevestiging van de mondelinge machtiging tot doorzoeking een onherstelbaar vormverzuim is dat tot strafvermindering moet leiden. Tevens gaat het om een oude zaak en dient daarmee rekening gehouden te worden..

Beoordeling door de militaire kamer

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

 het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 18 juli 2013; en

 een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, d.d. 10 april 2012, betreffende verdachte.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van cocaïne en een aanzienlijke hoeveelheid hennep. Dit zijn ernstige feiten. Immers het is algemeen bekend dat het gebruik van (met name hard-) drugs een ernstige bedreiging voor de gezondheid van de gebruikers ervan vormt. Daarnaast zorgen drugs maatschappelijk gezien voor veel schade. Ook levert drugsbezit aanzienlijke (imago)schade op voor Defensie; zij hanteert niet voor niets een zogenaamd ‘zero tolerance’ beleid. De militaire kamer rekent verdachte dit, in zijn hoedanigheid als militair, in sterke mate aan.

Voorts heeft verdachte op enig moment een motorvoertuig bestuurd onder invloed van alcohol. Verdacht wist dat alcohol de rijvaardigheid beïnvloed maar is desalniettemin toch gaan rijden als bestuurder. De militaire kamer neemt hem dit onverantwoordelijke gedrag kwalijk.

De militaire kamer is – met de officier van justitie - van oordeel dat het rijden onder invloed van alcohol door verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid rechtvaardigt ten einde de ernst van deze gedraging te benadrukken en verdachte er van te weerhouden opnieuw een dergelijke fout te begaan. Deze rijontzegging zal van langere duur zijn dan geëist omdat de militaire kamer, meer dan de officier van justitie, aansluiting zoekt bij wat in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd en bij de door het Landelijk Overleg van de Voorzitters van de Strafsectoren vastgestelde “oriëntatiepunten”.

Mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die ook blijken uit de reclasseringsrapportage, het gegeven dat verdachte niet eerder voor opiumwetdelicten is veroordeeld en dat het feit inmiddels twee jaar oud is zal de militaire kamer geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opleggen, maar een werkstraf van aanzienlijk duur.

Daarnaast wordt een voorwaardelijk gevangenisstraf opgelegd teneinde te voorkomen dat verdachte zich wederom met drugs in zal laten.

Zoals overwogen onder het kopje ‘de rechtmatigheid van de doorzoeking’ zal de militaire kamer aan het ontbreken van de schriftelijke machtiging geen ander gevolg verbinden dan de constatering van dit vormverzuim, dus ook geen verdere strafmatiging.

Beslag

De in beslag genomen drugs zullen gelet op het bepaalde in artikel 13a van de Opiumwet onttrokken worden aan het verkeer. De overige nog niet teruggegeven voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet en die kunnen dienen tot het begaan voor soortelijke feiten als waar verdachte voor veroordeeld is. Gelet hierop zal de militaire kamer ook deze voorwerpen onttrekken aan het verkeer.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36b, 36d, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 8, 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet en artikelen 2, 3, 10, 11, 13 en 13a van de Opiumwet.

8 De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van een werkstraf gedurende 200 (tweehonderd) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 100 (honderd) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten 28 (achtentwintig) uren, zijnde 14 (veertien) dagen hechtenis.

Beveelt ten aanzien van parketnummer 05/800090-12 de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals opgenomen in de kennisgeving van inbeslagneming, te weten:

  • -

    Uniek goednummer: PL04RE-2011083681-169695; bakje wit poeder (3gram), weegschalen en wikkels in een plastic bak;

  • -

    Uniek goednummer: PL04RE-2011083681-169697; 2 zakjes wit poeder (50+55 gram)

  • -

    Uniek goednummer: PL04RE-2011083681-169699; 3 wikkels met korrels en wit poeder

  • -

    Uniek goednummer: PL04RE-2011083681-169701; 2 gesealde zwarte zakken met hennep in totaal 3 doorzichtige zakken met henneptoppen

  • -

    Uniek goednummer: PL04RE-2011083681-169719; 65 gram cocaïne in plastic tas

  • -

    Uniek goednummer: PL04RE-2011083681-171128; 4 wikkels

  • -

    Uniek goednummer: PL04RE-2011083681-171129; 2 boterhamzakjes met ieder 10 gram cocaïne.

Ten aanzien van parketnummer 05/800331-12

Ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 6 (zes) maanden,

met aftrek overeenkomstig artikel 179, lid 6, van de Wegenverkeerswet 1994.

Bepaalt dat van deze ontzegging 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. E. de Boer (rechter) en kapitein ter zee van administratie mr. F.N.J. Jansen (militair lid), in tegenwoordigheid van L.J.M. Visser, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 september 2013.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant brigadier rechercheur [verbalisant 1] van de regiopolitie IJsselland, team Deventer Centrum, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL04DC 2011095943, gesloten op 23 november 2011 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal “goederen dossier”, p. 11 en 12 en proces-verbaal van bevindingen onderzoek verdovende middelen, p. 97, 98 en 100. Kennisgeving van inbeslagneming p. 124-126 Rapport identificatie van drugs en precursoren, p. 102

3 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek verdovende middelen, p. 99 en 100; Proces-verbaal “goederen dossier”, p. 12.Proces-verbaal van bevindingen onderzoek verdovende middelen, p. 100

4 Proces-verbaal, verslag binnentreden woning p. 110.

5 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek verdovende middelen, p. 97, p. 98, p. 99 en p.100.

6 Verklaring van verdachte ter terechtzitting; Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 32.

7 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek verdovende middelen, p. 97-100.

8 Proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming p.124, p.125 en p. 126.

9 Proces-verbaal Relaas”proces-verbaal, Goederendossier p. 12

10 Schriftelijk bescheid, te weten een NFI-rapport identificatie van drugs en precursoren, p. 102.

11 Verklaring door verdachte afgelegd ter zitting, d.d. 19 augustus 2013

12 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 31 en 32.

13 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting, d.d. 19 augustus 2013.

14 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie IJsselland, team Deventer-Noord/Diepenveen, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL04DD 2012076876-1, gesloten op 1 september 2012 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld.

15 Proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], d.d. 1 september 2012 blad 1. Proces-verbaal verhoor verdachte zaterdag 1 september 2012.

16 ‘Proces-verbaal Misdrijf’ van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], d.d. 1 september 2012 blad 1; Schriftelijk bescheid te weten een uitdraai van ademanalyseapparaat, ‘Dräger alcoholtest 7110 MKIII NL’ d.d. 1 september 2012.

17 Ambtsedig opgemaakt Proces-verbaal ter zake artikel 8 WVW 1994 van verbalisenten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] van 1 september 2012.