Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:2680

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-04-2013
Datum publicatie
30-08-2013
Zaaknummer
854266
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artt. 3:61 en 69 BW. Vertegenwoordigingsbevoegdheid. Schijn van volmachtverlening? Bekrachtiging? Schijn van bekrachtiging?

Een derde meldt zich bij het autobedrijf van eiseres en neemt een auto in gebruik. Eiseres voert aan dat zij erop heeft mogen vertrouwen dat de derde de overeenkomst sloot op naam van gedaagde, althans dat deze de kosten voor haar rekening zou nemen. Eiseres heeft niet dan wel onvoldoende toegelicht op grond van welke omstandigheden zij de toereikende volmacht van de derde of bekrachtiging door deze redelijkerwijs heeft mogen aannemen. De vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 1, p. 27

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Nijmegen

zaakgegevens 854266 \ CV EXPL 12-7333 \ 199 \ 563

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap [eisende partij]

gevestigd te [vestigingsplaats]

eisende partij

gemachtigde LAVG Nijmegen (Van den Heuvel c.s.)

tegen

de besloten vennootschap [gedaagde partij], tevens h.o.d.n. [handelsnaam]

gevestigd te [vestigingsplaats]

gedaagde partij

procederend in persoon

Partijen worden hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 5 december 2012 met producties

- de aantekeningen van de griffier van het mondeling antwoord

- de conclusie van repliek met producties

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge dupliek.

2 De feiten

De heer[de heer A] (hierna [de heer A]) heeft in de periode 1 april tot en met 30 april 2011 en 1 mei 2011 tot en met 15 juli 2011 een auto van [eisende partij] in gebruik gehad. [eisende partij] heeft ter zake de laatste periode bij factuur van 2 augustus 2011 een bedrag van

€ 2.156,88 inclusief btw aan [gedaagde partij] in rekening gebracht. [gedaagde partij] heeft deze factuur betaald. Ter zake de eerste periode heeft [eisende partij] bij factuur van 7 september 2011 een bedrag van € 862,75 inclusief btw aan [gedaagde partij] in rekening gebracht. Deze laatste factuur heeft [gedaagde partij] niet betaald.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eisende partij] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 1.100,31, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 862,75 vanaf 30 november 2012 tot de dag van betaling, met veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.

[eisende partij] legt hieraan, kort gezegd, ten grondslag dat [de heer A], al dan niet als werknemer van [gedaagde partij], de auto’s in gebruik heeft gehad op kosten van [gedaagde partij]. Gelet hierop dient [gedaagde partij] de hiervoor in rekening gebrachte kosten ad € 862,75 aan [eisende partij] te vergoeden. [eisende partij] heeft buitengerechtelijke kosten gemaakt ad 150,00, welke kosten [gedaagde partij] moet vergoeden. Daarnaast moet zij de rente vanaf de dag van verzuim tot en met 29 november 2012 ad € 87,56 betalen, alsmede de wettelijke rente vanaf 30 november 2012 tot aan de dag van betaling, aldus [eisende partij].

3.2.

[gedaagde partij] voert verweer waarop hierna, voor zover van belang, wordt teruggekomen.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter begrijpt de stellingen van [eisende partij] aldus dat zij aanvoert dat zij erop heeft mogen vertrouwen dat [de heer A] de overeenkomst sloot op naam van [gedaagde partij], althans dat zij de kosten voor haar rekening zou nemen. [eisende partij] voert aan dat [de heer A] de auto heeft gebruikt ten behoeve van werkzaamheden die hij voor [gedaagde partij] heeft uitgevoerd. Zij voert daarnaast aan dat [de heer A] in het verleden werkzaam is geweest voor een ander bedrijf, [bedrijf X]. In die periode heeft hij volgens [eisende partij] regelmatig auto’s van haar in gebruik gehad dan wel gehuurd. Zij factureerde aan [bedrijf X] die de facturen betaalde, aldus [eisende partij].

[gedaagde partij] voert aan dat zij op een bepaald moment de portefeuille van [bedrijf X] heeft overgenomen. Zij heeft echter geen werknemers van [bedrijf X] overgenomen en [de heer A] is nimmer bij haar in dienst (geweest). Zij betwist dat zij een overeenkomst met [eisende partij] heeft gesloten en betwist eveneens dat [de heer A] bevoegd was in haar naam op te treden. Zij heeft eenmaal op verzoek van [de heer A] een factuur van [eisende partij] betaald, aldus [gedaagde partij].

4.2.

Gesteld noch gebleken is dat [de heer A] bevoegd was om namens [gedaagde partij] rechtshandelingen te verrichten. Op grond van artikel 3:61 lid 2 BW kan, indien een rechtshandeling op naam van een ander ([gedaagde partij]) is verricht, tegen de wederpartij ([eisende partij]), indien zij op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep worden gedaan. Om aan te nemen dat de schijn van volmachtverlening is gewekt en [eisende partij] daarop gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen, dient aldus sprake te zijn geweest van een gedraging of verklaring van [gedaagde partij] waaruit kan worden afgeleid dat aan [de heer A] een volmacht was verleend dan wel van feiten en omstandigheden die voor risico van [gedaagde partij] komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kon worden afgeleid (vgl. HR 19 februari 2010, LJN BK7671).

4.3.

[eisende partij] beroept zich op de omstandigheid dat [de heer A] in het verleden auto’s huurde op naam van [bedrijf X] en die facturen door [bedrijf X] werden betaald. [eisende partij] voert echter niet aan op grond waarvan zij vanaf een bepaald moment in de veronderstelling is gaan verkeren dat [de heer A] voortaan voor [gedaagde partij] was gaan werken en aldus de auto’s op naam van [gedaagde partij] is gaan gebruiken. Het enkele feit dat [gedaagde partij] volgens haar eigen stellingen de portefeuille van [bedrijf X] heeft overgenomen, betekent naar het oordeel van de kantonrechter nog niet dat [eisende partij] mocht aannemen dat [de heer A] voortaan in naam van [gedaagde partij] handelde. Op het door haar overgelegde formulier met betrekking tot de leenauto is de naam [gedaagde partij] ook niet vermeld, maar enkel de namen [de heer A] en [bedrijf X], welke laatste naam is doorgestreept (productie 6 repliek). [eisende partij] voert voorts aan dat medewerkers van [gedaagde partij] in het verleden vaker op naam van [gedaagde partij] gebruik maakten van auto’s en dat de betreffende facturen door [gedaagde partij] werden betaald. [gedaagde partij] betwist een en ander echter, terwijl [eisende partij] niet onderbouwt op grond waarvan zij zou hebben mogen aannemen dat [de heer A] een medewerker was van [gedaagde partij] en dat haar medewerkers in het verleden vaker gebruik maakten van auto’s van [eisende partij].

4.4.

[eisende partij] voert nog aan dat [gedaagde partij] de eerdere factuur met datum 2 augustus 2011 wel heeft betaald, terwijl ook in dat geval [de heer A] zich bij haar had gemeld voor vervangend vervoer. Naar het oordeel van de kantonrechter kan uit het enkele feit dat [gedaagde partij] eenmaal een factuur heeft betaald - en daarmee die rechtshandeling heeft bekrachtigd - niet worden afgeleid dat [eisende partij] er zonder meer van uit mocht gaan dat [de heer A] in naam en voor rekening van [gedaagde partij] handelde. Hierbij is van belang dat deze factuur is gedateerd op 2 augustus 2011 en aldus is opgesteld en betaald na de periode waarover [eisende partij] thans, in de onderhavige procedure, betaling vordert (te weten april 2011). Betaling van de factuur van 2 augustus 2011 zegt aldus niets over de vraag of [eisende partij] ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst met betrekking tot het gebruik van de auto in april 2011 redelijkerwijs mocht aannemen dat [de heer A] een toereikende volmacht had. Zoals hiervoor is overwogen, dient sprake te zijn van een gedraging of verklaring van [gedaagde partij] dan wel van omstandigheden ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst inzake het gebruik van de auto door [de heer A] die in haar risicosfeer liggen en waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. [eisende partij] heeft echter niet dan wel onvoldoende toegelicht op grond van welke omstandigheden zij de toereikende volmacht van [de heer A] redelijkerwijs heeft mogen aannemen. Voorts mocht [eisende partij] enkel op grond van het feit dat [gedaagde partij] de factuur van 2 augustus 2011 had betaald er niet op vertrouwen dat [gedaagde partij] ook het handelen van [de heer A] betreffende de factuur van 7 september 2011 bekrachtigde en dus gehouden was ook die laatste factuur te betalen.

4.5.

Aangezien [eisende partij] niet aan haar stelplicht heeft voldaan, is er geen grond om haar toe te laten tot bewijslevering. Nu [eisende partij] haar vordering voor het overige niet heeft onderbouwd, wordt deze afgewezen.

4.6.

[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. Nu [gedaagde partij] geen gebruik heeft gemaakt van een gemachtigde, worden de kosten aan haar kant begroot op nihil.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [gedaagde partij] begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.W.M. Tromp en in het openbaar uitgesproken op