Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:2535

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
22-08-2013
Zaaknummer
C/06/133197 / HA RK 12-98
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewijsincident tot verschoning te getuigen, artikel 165 lid 3 Rv (nemo tenetur-beginsel), (partij-)getuige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/376

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rekestnummer: C/06/133197 / HA RK 12-98

Beschikking van de rechter-commissaris van 23 april 2013

in het incident van

[naam 1] ,

wonende te [plaats],

eiser in het incident,

tot verschoning om te getuigen

in het voorlopig getuigenverhoor van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

H4O B.V.,

gevestigd te Almere,

verzoekster,

advocaat mr. A.C. de Bakker te Zwijndrecht

en

1 [naam 1],

wonende te [plaats],

verweerder,

verschenen in persoon,

2. [naam 2],

wonende te [plaats], Curaçao,

verweerder,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna H4O en [naam 1] worden genoemd.

1 De procedure

  • -

    de beschikking van 15 februari 2013 waarin een voorlopig getuigenverhoor is bevolen

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 9 april 2013.

2 Het geschil en de beoordeling in incident tot verschoning om te getuigen

2.1.

Artikel 165 lid 3 Rv bepaalt dat de getuige zich kan verschonen van het beantwoorden van een hem gestelde vraag, indien hij daardoor of zichzelf, of een van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de tweede of derde graad, of zijn echtgenoot of vroegere echtgenoot onderscheidenlijk zijn geregistreerde partner of vroegere geregistreerde partner aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling ter zake van een misdrijf zou blootstellen.

2.2.

Een beroep op dit verschoningsrecht komt slechts toe aan de verschenen (partij-)getuige nadat hem een bepaalde vraag is gesteld en dan nog slechts met betrekking tot die specifieke vraag (HR 11 februari 1994 (LJN: ZC1265)).

2.3.

Alvorens aan hem specifieke op de inhoud van de zaak betrekking hebbende vragen zijn gesteld, heeft [naam 1] – onder meer – een beroep gedaan op dit verschoningsrecht. Hij heeft hiertoe het navolgende verklaard:

“(…) Ik heb gesproken met een advocaat en die heeft mij uitgelegd dat ik een partijgetuige ben. Ik hoor de advocaat van H4O zeggen dat dat alleen geldt voor mijn eigen zaak maar niet voor de zaak tegen [naam 2].

Er is een managementovereenkomst tussen Crown Northcorp Entertainment en Finance BV - welke BV inmiddels Crown Northcorp Finance en Holding BV heet - en H4O die een geheimhoudingsclausule bevat. Ik zit hier in een publieke zitting en mag dus niets kenbaar maken. Crown Northcorp Finance en Holding BV bezit 25 % van de aandelen van H4O. Ik persoonlijk had een arbeidsovereenkomst met Crown Northcorp Entertainment en Finance BV en ik ben 100 % aandeelhouder van Crown Northcorp Finance en Holding BV. Deze vennootschap heeft definitieve surseance van betaling.

In de arbeidsovereenkomst tussen mij en Crown Northcorp Entertainment en Finance BV, die inmiddels is beëindigd, is ook een geheimhoudingsbepaling opgenomen.

Omdat ik partijgetuige ben beroep ik mij op het verschoningsrecht van artikel 165 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Gezien de formulering van het verzoekschrift zou ik mij in een verklaring kunnen blootstellen aan een mogelijke strafrechtelijke vervolging omdat mij verweten wordt dat ik H4O zou hebben leeggeroofd.

Ik wil nog opmerken dat ik nooit bestuurder ben geweest van H4O. Ik heb meegewerkt aan H4O BV i.o., maar na oprichting was [naam 2] via [naam Beheer BV] de directeur. Op 28 december 2007 ben ik uitgetreden uit H4O BV i.o., maar ik weet niet precies wanneer de vennootschap H4O BV is opgericht. Ik zie dat [naam Beheer BV] op 11 februari 2008 is ingeschreven als directeur, alleen/zelfstandig bevoegd. (…)”

2.4.

H4O heeft betwist dat [naam 1] een beroep toekomt op het verschoningsrecht en heeft daartoe aangevoerd dat [naam 1] alleen als partijgetuige heeft te gelden in zijn eigen zaak en dat [naam 1] in die hoedanigheid niet het verschoningsrecht van artikel 165 Rv toekomt.
De geheimhoudingsplicht is opgelegd door H4O en deze vennootschap kan [naam 1] daar ook weer van ontheffen voor wat betreft deze procedure. H4O heeft niet het voornemen om strafrechtelijke aangifte te doen in verband met hetgeen in het verzoekschrift is gesteld. Het is de bedoeling van het getuigenverhoor om te onderzoeken of er gronden zijn om [naam 1] civielrechtelijk aansprakelijk te stellen. Gedacht kan dan worden aan onverschuldigde betaling of onrechtmatige daad.

2.5.

Geoordeeld wordt als volgt. In het algemeen heeft te gelden dat de verplichting om te getuigen onverkort geldt voor de partij-getuige, al kan deze niet worden gegijzeld. De in artikel 165 lid 3 Rv voorziene mogelijkheid tot verschoning in verband met een mogelijke strafrechtelijke vervolging komt (ook) aan de partij-getuige toe.

2.6.

Gelet op de inhoud van het verzoekschrift tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor – waarin onder meer [naam 1] als gewezen bestuurder van H4O is aangemerkt als belanghebbende – en de toelichting van mr. Bakker ter zitting van 9 april 2013 strekt het voorlopig getuigenverhoor ertoe te onderzoeken of [naam 1] en/of [naam 2] zich als bestuurder schuldig hebben gemaakt aan het onrechtmatig onttrekken van gelden aan H40. Niet uitgesloten kan worden dat het handelen dat [naam 1] wordt verweten, afhankelijk van de omstandigheden van het geval - die nog nader moeten blijken -, kan worden geschaard onder een misdrijf, zodat ook niet kan worden uitgesloten dat [naam 1] door de beantwoording van specifieke vragen zich blootstelt aan een mogelijke strafrechtelijke vervolging.

Daaraan doet niet af dat namens de vennootschap ter zitting is meegedeeld dat geen aangifte – in de strafrechtelijke zin van het woord – zal worden gedaan tegen [naam 1], nu dit niet uitsluit dat anderen dat wel kunnen en/of zullen doen.

Voor zover H40 heeft opgemerkt dat [naam 1] alleen als partijgetuige heeft te gelden in zijn eigen zaak, wordt daaraan in dit verband voorbijgegaan omdat het verschoningsrecht ex artikel 165 lid 3 Rv iedere getuige toekomt, voor zover deze getuige door beantwoording van een vraag het gevaar loopt zichzelf bloot te stellen aan strafrechtelijke vervolging.

De opgelegde geheimhoudingsplicht is in verband met het beroep op het verschoningsrecht ex artikel 165 lid 3 Rv niet relevant, nu gesteld noch gebleken is dat schending van deze civielrechtelijk overeengekomen verplichting mogelijke straftrechtelijke consequenties kan hebben die verband houden met een misdrijf.

Van andere zo uitzonderlijke omstandigheden die nopen tot het doorbreken van het verschoningsrecht van artikel 165 lid 3 Rv is niet gebleken, zodat het beroep van [naam 1] op dit verschoningsrecht moet worden gehonoreerd, met dien verstande dat aan [naam 1] het beroep slechts toekomt nadat hem een bepaalde vraag is gesteld en slechts met betrekking tot die specifieke vraag. H4O zal gelet op de aard en het onderwerp van het verzoekschrift in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over het horen van [naam 1] als getuige en haar belang dat zij daarbij heeft als [naam 1] zijn beroep op artikel 165 lid 3 Rv handhaaft.

2.7.

In verband met zijn verschijnen ter terechtzitting van 9 april 2013 heeft [naam 1] aanspraak gemaakt op een vergoeding van € 200,00 voor de kosten die hij heeft gemaakt. H40 heeft hiertegen bezwaar gemaakt en aangevoerd dat zij enkel de maximaal genormeerde vergoeding en reiskosten wil voldoen. Kennelijk doelt H40 daarmee op de tarieven die gelden ingevolge artikel 182 Rv jo artikel 26 aanhef en onder c van de Wet griffierechten burgerlijke zaken jo artikel 2 Besluit griffierechten burgerlijke zaken, dat verwijst naar de regels in het Besluit tarieven in strafzaken 2003. In de praktijk worden deze tarieven zelden gevolgd en wordt de hoogte van de schadeloosstelling begroot door de rechter in overleg met de (advocaten van) partijen. In het onderhavige geval kan voor de begroting aansluiting worden gezocht bij het uurtarief dat [naam 1] als adviseur hanteert, nu dit niet bovenmatig voorkomt. Hij heeft dit tarief op € 100,00 per uur gesteld en mitsdien, gelet op de duur van het verhoor, aanspraak gemaakt op een getuigentaxe van € 200,00.

In een jegens [naam 2] en/of [naam 1] te entameren bodemprocedure kan dit bedrag als getuigentaxe worden betrokken in de verschotten, voor zover die kosten niet voor rekening van [naam 1] dienen te blijven.

2.8.

Gelijk is geoordeeld door de Hoge Raad in zijn arrest van 17 januari 1986, NJ 1987/352, kan H4O als de partij die de getuige wil doen horen een hogere voorziening instellen tegen de beslissing in dit incident. Zij wordt in de gelegenheid gesteld uiterlijk op 25 juli 2013 zich hierover en over de te horen getuigen uit te laten. In verband hiermee wordt het voorlopig getuigenverhoor geschorst totdat het oordeel in het onderhavige incident onherroepelijk is.

3 De beslissing in het incident

De rechter-commissaris

3.1.

honoreert het beroep van [naam 1] op het verschoningsrecht ex artikel 165 lid 3 Rv, met dien verstande dat aan [naam 1] het beroep slechts toekomt nadat hem een bepaalde vraag is gesteld en slechts met betrekking tot die specifieke vraag,

3.2.

schorst het voorlopig getuigenverhoor totdat het oordeel in het onderhavige incident onherroepelijk is,

3.3.

bepaalt dat H4O daarover en over hetgeen is overwogen in 2.6. uiterlijk 25 juli 2013 schriftelijk dient te berichten aan de afdeling handelsrekesten van de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Zutphen, waarbij zij zich tevens dient uit te laten over het aantal en de namen van de te horen getuigen en een verzoek om de te Curaçao verblijvende [naam 2] te doen horen door middel van een rogatoire commissie.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Hoogland en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2013.

CH/KH