Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:1641

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-07-2013
Datum publicatie
26-07-2013
Zaaknummer
AWB-12_5147ARN
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Eiser heeft huishoudelijke hulp in natura op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Omdat eiser een gezamenlijke huishouding zou voeren op een ander adres dan waarvoor hij de voorziening ontving, heeft verweerder de voornoemde voorziening ingetrokken en teruggevorderd op grond van de verordening Wet Maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Geldermalsen. Voorts wordt vanwege de vermeende samenwoning de aanvraag om bijzondere bijstand in de vorm van een vergoeding op grond van de gemeentelijke Regeling chronische zieken, gehandicapten en ouderen over het jaar 2011, afgewezen. De rechtbank overweegt dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtsgevolgen worden ten aanzien van de intrekking in stand gelaten omdat wel voldoende aannemelijk is geworden dat eiser in de periode in geding zijn hoofdverblijf niet heeft in zijn eigen woning en hij voor het doen van het huishouding in zijn eigen woning door verweerder op grond van de Wmo is gecompenseerd. Ten aanzien van de terugvordering voorziet de rechtbank zelf in de zaak nu een wettelijke grondslag voor de terugvordering van een in natura verstrekte voorziening in de Verordening ontbreekt. Ten aanzien van de bijzondere bijstand voor de gemeentelijke Regeling chronische zieken, gehandicapten en ouderen over het jaar 2011 herroept de rechtbank het primaire besluit en kent alsnog de bijzondere bijstand toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team bestuursrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer: AWB 12/5147

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], te Geldermalsen, eiser, wettelijk vertegenwoordigd door [wettelijk vertegenwoordiger],

(gemachtigde: mr. J.G.M. ter Avest),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldermalsen, verweerder

(gemachtigden: C.A. van Haarlem en A.F. Bruin).

Procesverloop

Bij het besluit van 9 februari 2012 (het primaire besluit I) heeft verweerder de voorziening hulp bij het huishouden verstrekt in natura op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ingetrokken per 1 september 2010 en beëindigd per 6 februari 2012.

Bij het besluit van 16 februari 2012 (het primaire besluit II) heeft verweerder de aanvraag om bijzondere bijstand in de vorm van een vergoeding op grond van de gemeentelijke Regeling chronische zieken, gehandicapten en ouderen over het jaar 2011 afgewezen.

Bij het besluit van 24 april 2012 (het primaire besluit III) heeft verweerder de ten onrechte verstrekte voorziening hulp bij het huishouden verstrekt in natura tot een bedrag van

€ 5.899,32 over de periode van 1 september 2010 tot 6 februari 2012 van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 20 september 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de tegen bovenvermelde besluiten afzonderlijk door eiser gemaakte bezwaren, in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2013. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn wettelijk vertegenwoordigster [wettelijk vertegenwoordiger] en zijn gemachtigde mr. J.G.M. ter Avest. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden C.A. van Haarlem en A.F. Bruin.

Ter zitting is het onderzoek geschorst en heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

Partijen hebben schriftelijk toestemming verleend om de behandeling van het beroep op een nadere zitting achterwege te laten. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Aan eiser is met ingang van 6 november 2008 ingevolge de Wmo vier uur per week huishoudelijke hulp in natura toegekend. Eiser staat in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) ingeschreven op het adres [adres]. Hij lijdt aan dementie in stadium 4-5 op de schaal van Reisberg (schaal 1-7). De rechtbank heeft ter zitting vastgesteld dat eiser tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit III, zodat de terugvordering onderdeel uitmaakt van de omvang van het geding.

2.

Naar aanleiding van een vermoeden van samenwonen met [partner 1] (hierna: [partner 2]), wonende op het adres [adres 2], heeft verweerder een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan eiser verstrekte voorziening op grond van de Wmo. Hiertoe is onder meer dossieronderzoek verricht, zijn GBA gegevens geraadpleegd, diverse getuigen gehoord en is informatie van de regiotaxi opgevraagd. Ook is een (onaangekondigd) huisbezoek afgelegd in de woning van [partner 2] op 6 februari 2012 en zijn eiser en [partner 2] gehoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 februari 2012.

3.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser een gezamenlijke huishouding met [partner 2] heeft gevoerd nu zij een gezamenlijk hoofdverblijf hebben op het adres van [partner 2] aan de [adres 2] en er sprake is van wederzijdse zorg. Eiser heeft dan ook geen recht op huishoudelijke hulp, zodat deze voorziening op goede gronden is ingetrokken, beëindigd en teruggevorderd. In verband hiermee heeft eiser ook geen recht op bijzondere bijstand, zodat deze aanvraag terecht is afgewezen.

4.

Eiser heeft zich gemotiveerd tegen het bestreden besluit gekeerd. Op zijn stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, hierna ingaan.

Ten aanzien van de intrekking van de voorziening huishoudelijke hulp in natura

5.

De rechtbank stelt voorop dat het besluit tot intrekking een belastend besluit is, waarbij het aan verweerder is om de nodige kennis omtrent de relevante omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om te bewijzen dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op verweerder rust. Voorts stelt de rechtbank vast dat ter beoordeling van de rechtbank staat de intrekking van de voorziening over de periode van 1 september 2010 tot en met 6 februari 2012.

6.

Op grond van artikel 1, vierde lid, van de Wmo is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

7.

De eerste vraag waarvoor de rechtbank zich derhalve gesteld ziet, is of verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser en [partner 2] ten tijde in geding hun hoofdverblijf hadden in de woning van [partner 2]. De vraag of er sprake is van hoofdverblijf in dezelfde woning moet worden beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden. Bepalend hiervoor is of gezegd kan worden dat eiser het centrum van zijn maatschappelijk leven in de woning van [partner 2] had. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Voorop staat dat eisers geestelijke gezondheid (vergevorderd stadium van dementie), welke toestand door verweerder ook niet is betwist, het aannemelijk maakt dat eiser in de periode in geding niet langer voor zichzelf kon zorgen. Eiser heeft in beroep ook gesteld dat [partner 2] in dat verband voor hem zorgde. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat eiser in verband met die zorg door [partner 2] grotendeels in de woning van [partner 2] verbleef. Dit wordt ondersteund door onder meer de informatie van de regiotaxi, waaruit volgt dat eiser in de periode van 13 mei 2011 tot en met 30 september 2011 bij het maken van zijn ritten over het algemeen vertrok vanaf het adres van [partner 2] en daar dezelfde dag ook weer naar werd teruggebracht. Daarnaast verklaart de getuige [naam getuige], wonende aan de [adres 3], dat eiser sinds anderhalf jaar nooit meer thuis is maar bij [naam] ([partner 2]) verblijft. Op dinsdagochtend doet zij ([partner 2]) de deur open voor de huishoudelijke hulp op het adres van eiser. Getuige [naam getuige 2], wonende aan [adres 4], verklaart dat eiser al anderhalf jaar niet meer in zijn woning woont maar bij [naam] ([partner 2]). Naar het oordeel van de rechtbank bieden de hierboven vermelde gegevens voldoende grondslag om aan te nemen dat eiser zijn hoofdverblijf had in de woning van [partner 2].

Dat de wettelijke vertegenwoordigster, zoals gesteld, met veel moeite een Digitenne aansluiting heeft geregeld op het adres van eiser doet hier niet aan af. Dit geldt ook voor de naar voren gebrachte omstandigheid dat de bewindvoerder eiser altijd in zijn eigen woning bezoekt, nu aannemelijk is dat dit bezoek slechts kortdurend van aard is. Evenmin treft de – niet aannemelijk gemaakte – stelling van eiser dat de huishoudelijke hulp nimmer melding heeft gemaakt van het feit dat in de woning niemand woonachtig is doel. Ten slotte kan de enkele omstandigheid dat er kleding en administratie in de woning van eiser aanwezig is, niet leiden tot het oordeel dat eiser, in tegenstelling tot hetgeen de getuigen hebben verklaard, in de periode in geding wel zijn hoofdverblijf heeft gehad in zijn eigen woning. De door eiser overgelegde verbruiksgegevens geven in dit verband ook geen doorslag.

8.

Ten aanzien van het aspect wederzijdse zorg overweegt de rechtbank dat verweerder dit alleen gebaseerd heeft op de verklaring zoals afgelegd ten tijde van het huisbezoek op 6 februari 2012. Eiser en [partner 2] zijn toen in de woning van [partner 2] in het bijzijn van elkaar gehoord. Echter gelet op eisers geestelijke gezondheidstoestand waarvan – zoals hiervoor reeds is overwogen – verweerder op de hoogte was en welke toestand door verweerder ook niet is betwist, kan eiser, naar het oordeel van de rechtbank niet aan deze verklaring worden gehouden. De verklaring is opgesteld in de ik-vorm (eiser), waardoor er naar het oordeel van de rechtbank geen onderscheidend vermogen is aangebracht in dat wat eiser en dat wat [partner 2] heeft verklaard. De verklaring is weliswaar mede door [partner 2] ondertekend, maar daarmee staat niet vast dat wat verklaard is, door [partner 2] voor juist is aangenomen. Het standpunt van verweerder dat [partner 2] bij het verhoor aanwezig was en had kunnen corrigeren, gaat niet op. Uit het proces-verbaal van verhoor volgt weliswaar dat de verklaring na voorlezing en volharding door eiser en [partner 2] werd getekend, echter dit wordt niet bevestigd door de in het dossier aanwezige concept verklaring. Nu verweerder geen verder onderzoek heeft gedaan naar het aspect van wederzijdse zorg, is er onvoldoende grond om een gezamenlijke huishouding aan te kunnen nemen. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Met het oog op het belang van finale geschilbeslechting ziet de rechtbank aanleiding om te beoordelen of met inachtneming van artikel 8:72, derde en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit (gedeeltelijk) in stand kunnen worden gelaten en/of (gedeeltelijk) zelf in de zaak kan worden voorzien. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

9.

Verweerder heeft in het primaire besluit I met toepassing van de artikelen 7.7 en 7.9, eerste lid sub a en c van de verordening Wet Maatschappelijke Ondersteuning van de gemeente Geldermalsen 2011 de voorziening ingetrokken. De rechtbank overweegt dat in ieder geval ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de de verordening Wet Maatschappelijke Ondersteuning van de gemeente Geldermalsen 2012 (hierna: de Verordening 2012) zoals hierna onder 10 is weergegeven, gold en gaat hier bij haar beoordeling ook van uit.

10.

Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Verordening 2012 kan het college een besluit, genomen op grond van de verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien:

  1. . niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening;

  2. . beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Ingevolge het derde lid werkt de geheel of gedeeltelijke intrekking van het besluit zoals bedoeld in dit artikel terug tot het tijdstip waarop de voorziening is verleend, tenzij bij intrekking anders is bepaald.

11.

De aan eiser toegekende voorziening is gericht op compensatie in zijn zelfredzaamheid om een huishouding te voeren in zijn woning aan de [adres]. Nu eiser zijn hoofdverblijf heeft op een ander adres dan de woning waarvoor hij gecompenseerd wordt, is verweerder op grond van artikel 27 van de Verordening 2012 aldus bevoegd het besluit tot intrekking te nemen. In hetgeen eiser naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid niet van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Gelet hierop zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbende op de intrekking van de voorziening met ingang van 1 september 2010, in stand laten.

Ten aanzien van de terugvordering van de voorziening huishoudelijke hulp in natura

12.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Verordening 2012 is – voor zover van belang – bepaald dat indien het recht op een voorziening geheel of gedeeltelijk is ingetrokken op basis daarvan een reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget kan worden teruggevorderd.

13.

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het terugvorderingbedrag van € 5.899,32 berekend is aan de hand het gedeclareerde aantal uren aan verleende zorg maal het uurloon. De rechtbank overweegt dat nu de voorziening is toegekend in natura en niet in een geldbedrag, een juridische grondslag voor de terugvordering in de Verordening 2012 ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank dient een beslissing tot terugvordering van een Wmo-voorziening verstrekt in natura gebaseerd te zijn op een expliciete wettelijke bepaling die uitdrukkelijk de bevoegdheid daartoe verleent en dus niet op een analoge toepassing van bepalingen zoals vermeld in artikel 28 van de Verordening 2012. Die ziet immers alleen op terugvordering van een reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget en niet op een in natura verstrekte voorziening.

14.

Gelet op het vorenoverwogene zal de rechtbank het bestreden besluit, voor zover de terugvordering van de huishoudelijke hulp betreft eveneens vernietigen en zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit III van 24 april 2012 te herroepen, omdat het daaraan klevende gebrek niet meer kan worden hersteld. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit.

Ten aanzien van de afwijzing aanvraag bijzondere bijstand (Regeling chronisch zieken, gehandicapten en ouderen).

15.

Verweerder heeft aan de afwijzing eveneens ten grondslag gelegd dat eiser een gezamenlijke huishouding voert met [partner 2]. Nu het gezamenlijk inkomen meer bedraagt dan de 120% van de gezinsbijstandsnorm, komt eiser niet in aanmerking voor de aanvullende inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 35 van de Wet werk en bijstand, aldus verweerder.

16.

Ter zitting is vastgesteld dat het aannemen van een gezamenlijke huishouding de enige grondslag is geweest om de aanvraag om bijzondere bijstand (Regeling chronisch zieken, gehandicapten en ouderen) af te wijzen. Nu hiervoor onder 8 is overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van het voeren van een gezamenlijke huishouding, dient de aanvraag over 2011 naar het oordeel van de rechtbank alsnog te worden toegekend. Het bestreden besluit dient dan ook in zoverre eveneens te worden vernietigd. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit II te herroepen en vervolgens te bepalen dat aan eiser over het jaar 2011 bijzondere bijstand wordt toegekend in de vorm van een vergoeding in het kader van de Regeling chronisch zieken, gehandicapten en ouderen. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit.

Proceskosten

17.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op in totaal € 2.360 (2 punten voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472.). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, voor zover betrekking hebbende op de intrekking van de voorziening huishoudelijke hulp met ingang van 1 september 2010, geheel in stand blijven;

  • -

    herroept het primaire besluit II en bepaalt dat aan eiser over het jaar 2011 alsnog bijzondere bijstand, te weten de vergoeding op grond van de Regeling chronisch zieken, gehandicapten en ouderen, wordt toegekend;
    - herroept het primaire besluit III;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit, voor zover betrekking hebbende op de terugvordering van de Wmo-voorziening en de toekenning van de bijzondere bijstand;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep ten bedrage van totaal € 2.360;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzitter, en mr. H.J. Klein Egelink en mr. J.A. van Schagen, leden, in aanwezigheid van mr. S. Westerdijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.