Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:1572

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-07-2013
Datum publicatie
12-07-2013
Zaaknummer
AWB-13_428
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder is in redelijkheid overgegaan tot blokkering van de bijstand. In het bestreden besluit heeft verweerder evenwel in het geheel geen aandacht besteed aan de vraag of continuering van de aanvankelijke blokkering ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog altijd onverminderd noodzakelijk was. Beroep gegrond, vernietiging van het bestreden besluit met instandlating van de rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Team bestuursrecht

zaaknummer: 13/428 ZUT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. P. van Wegen),

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand, verweerder

(gemachtigde: L.G. Röst).

Procesverloop

Bij brief van 5 november 2012 heeft verweerder eiser bericht dat zijn bijstandsuitkering met ingang van 1 oktober 2012 is geblokkeerd.

Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit van 7 januari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2013. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving voorafgaand aan de zitting, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiser ontvangt vanaf 21 april 1998 een Wwb-uitkering naar de norm van een alleenstaande. Naar aanleiding van een verzoek van de klantmanager van eiser op 10 augustus 2012 is een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van eiser. In verband met het onderzoek door de sociale recherche heeft verweerder de uitkering van eiser per 1 oktober 2012 geblokkeerd.

De voorlopige resultaten van het onderzoek zijn vervat in de rapportage opgemaakt op 16 november 2012. De definitieve rapportage is opgemaakt op 6 februari 2013. In de rapportages wordt geconcludeerd dat eiser vanaf 8 september 2010 niet meer verblijft op het door hem opgegeven adres, [adres 1] en een gezamenlijke huishouding voert met [naam] op het adres [adres 2].

Bij besluit van 28 maart 2013 heeft verweerder het recht van eiser op bijstand naar de norm van een alleenstaande herzien vanaf 8 september 2010 en eiser vanaf dit moment aangemerkt als gehuwde. Als gevolg hiervan heeft verweerder de ten onrechte verstrekte bijstand van

€ 10.028,16 van eiser teruggevorderd. Voorts is eiser bij dit besluit een maatregel van 100% gedurende een maand opgelegd met ingang van 1 april 2013.

Ter zitting is gebleken dat de termijn voor het aanwenden van rechtsmiddelen nog niet is verstreken en dat tegen het besluit van 28 maart 2013 tot op dat moment nog geen bezwaar is gemaakt.

2.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 23 juni 2009, LJN: BI9782, oordeelt de rechtbank dat nu het besluit van 28 maart 2013 betreffende de herziening van eisers recht op bijstand nog geen formele rechtskracht heeft en derhalve nog niet in rechte vaststaat, belang bestaat bij beoordeling van de toepassing van het instrument van de blokkering. Het onderhavige beroep is mitsdien ontvankelijk.

3.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder zich, onder verwijzing naar en overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie, op het standpunt gesteld dat vooralsnog sprake is van een gegrond rechtsvermoeden dat de uitkering van eiser ten onrechte is verstrekt en dat vooruitlopend op de resultaten van dit onderzoek het recht op bijstand van eiser terecht is geblokkeerd.

4.

Eiser heeft zich gemotiveerd tegen het bestreden besluit gekeerd. Op zijn stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, hierna ingaan.

5.

Of het blokkeren van de betaling van bijstand geoorloofd is, hangt naar vaste rechtspraak van de CRvB (16 februari 2010, LJN: BL5726, en 28 februari 2012, LJN: BV7110) in het algemeen af van de vraag of het bijstandsverlenende orgaan op goede gronden van oordeel is, althans het gegronde vermoeden kan hebben, dat het recht op uitkering niet meer bestaat, dan wel dat slechts recht op een lagere uitkering bestaat of de inlichtingenverplichting niet is nagekomen.

6.

De rechtbank is van oordeel dat ten tijde van het primaire besluit van 5 november 2012 bij verweerder op basis van de bevindingen van de sociale recherche een gegrond vermoeden kon bestaan dat eiser niet heeft voldaan aan de verplichting juiste en volledige inlichtingen te verstrekken over zijn woon- en leefsituatie. Immers, uit het tot dan toe verrichte onderzoek kon worden opgemaakt dat:

  • -

    het adres van eiser vanaf 8 september 2010 afgesloten was van drinkwater;

  • -

    de woningbouwvereniging ongeveer vier à vijf maanden tevergeefs heeft geprobeerd om in contact te komen met eiser;

  • -

    buurtbewoners rond het adres van eiser verklaringen hebben afgelegd waaruit naar voren komt dat eiser al geruime tijd niet meer op zijn adres verbleef;

  • -

    blijkens de uitgevoerde stelselmatige observaties eiser regelmatig in de woning van [naam] werd aangetroffen;

  • -

    buurtbewoners rond het adres van [naam] verklaringen hebben afgelegd waaruit naar voren komt dat eiser al geruime tijd (‘minimaal twee jaar’, ‘zeker twee à drie jaar’) bij [naam] woont.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in afwachting van nader onderzoek in redelijkheid tot blokkering van de bijstand per 1 oktober 2012 heeft kunnen overgaan.

7.

Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder met analoge toepassing van artikel 54, tweede lid, van de Wwb een hersteltermijn in de brief van 5 november 2012 had moeten opnemen, zoals door eiser is betoogd met verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad (van 16 november 2012, LJN BY3767). In dit kader acht de rechtbank van belang dat de blokkering van de bijstandsuitkering in de onderhavige zaak niet heeft plaatsgevonden wegens het niet (tijdig) verstrekken van gegevens of gevorderde bewijsmiddelen of het anderszins onvoldoende verlenen van medewerking. Om die reden kan eiser evenmin worden gevolgd in zijn stelling dat de blokkering van zijn bijstandsuitkering naar analogie van artikel 54, eerste lid, van de Wwb ten hoogste acht weken had mogen duren.

Van het omzeilen van artikel 54, eerste lid, van de Wwb door geen opschortingsbesluit maar een blokkeringsbesluit te nemen, zoals door eiser voorts is gesteld, is in casu naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Evenmin acht de rechtbank de verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Limburg (van 8 februari 2013, LJN BZ2033) van toepassing, nu daarin sprake is van een aanvankelijke opschorting met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB, welke opschorting met terugwerkende kracht werd vervangen door een blokkering. Van een dergelijke situatie is in dezen geen sprake.

8.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte in het geheel geen aandacht heeft besteed aan de vraag of continuering van de aanvankelijke blokkering – welke gezien het voorgaande op zichzelf de rechterlijke toetsing kan doorstaan – ten tijde van het nemen van dat besluit nog altijd onverminderd noodzakelijk was. Gegeven de aard van een blokkering – zijnde een feitelijke handeling, welke in de tijd wettelijk niet is begrensd – en mede gegeven het tijdsverloop van (bijna) twee maanden had verweerder naar deze vraag omtrent het al dan niet wenselijke karakter van continuering van de blokkering, mede gezien tegen de achtergrond van de toetsing ex nunc die eigen is aan de bezwaarfase, aandacht dienen te besteden, temeer nu ter zake zijdens eiser een bezwaargrond was ingediend. Dit heeft verweerder echter niet gedaan, althans zulks blijkt op geen enkele wijze uit het bestreden besluit.

Nu uit de onderliggende stukken voorts niet is gebleken dat deze bezwaargrond tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase weliswaar aan de orde is geweest maar alleen niet in het bestreden besluit is verwoord, is de rechtbank van oordeel dat dit gebrek van zodanig gewicht is dat dit niet met toepassing van artikel 6:22 Awb dient te worden gepasseerd.

Daarmee ontbeert dit besluit een deugdelijke motivering en is het in strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en vernietigt het bestreden besluit.

9.

De rechtbank ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten, nu verweerder

ter zitting bij de rechtbank alsnog een nadere onderbouwing van het bestreden besluit heeft gegeven, die naar het oordeel van de rechtbank toereikend is en waaruit naar het oordeel van de rechtbank volgt dat tot het voortduren van de blokkering in het onderhavige geval in redelijkheid kon worden besloten. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat in de periode nadat het primaire besluit was genomen blijkens de rapportages van 16 november 2012 en van 6 februari 2013 talrijke onderzoekshandelingen hebben plaatsgevonden, waaronder administratief onderzoek, observaties, meerdere verhoren van eiser en [naam], getuigenverhoren en onaangekondigde huisbezoeken. De nieuw verkregen onderzoeksbevindingen wierpen, aldus verweerder, nieuwe vragen op waardoor in het kader van de vereiste zorgvuldigheid nader onderzoek noodzakelijk was. Naar het oordeel van de rechtbank vormde dit in het onderhavige geval voldoende grond voor het laten voortduren van de blokkering.

10.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

11.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 472 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht ten bedrage van € 44 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 472.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechter, in aanwezigheid van

mr. B. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.