Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:1483

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-06-2013
Datum publicatie
05-07-2013
Zaaknummer
05/702219-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, veroordeelt een 55-jarige militair wegens het feitelijk leiding geven aan overtreding (door een rechtspersoon) van voorschriften gesteld bij artikel 32 van de Omstandighedenwet, tot een werkstraf voor de duur van 180 uren en een voorwaardelijke geldboete van € 10.000,- met een proeftijd van drie jaren. De militaire kamer acht bewezen dat de rechtspersoon als werkgever heeft nagelaten de nodige beschermingsmaatregelen te treffen en informatie te verschaffen en verdachte wist dat daarmee levensgevaar dan wel ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers kon ontstaan, welk risico zich ook heeft verwezenlijkt met een dodelijk ongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/702219-11

Data zittingen : 14 mei 2012 en 3 juni 2013

Datum uitspraak : 17 juni 2013

Tegenspraak

Vonnis van de militaire kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedag] te [geboorteplaats],

adres : [adres 1],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. B.D.W. Martens, advocaat te 's-Gravenhage.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

de rechtspersoon, te weten [werkgever], op of omstreeks 24 augustus 2011

te Tilburg, althans in Nederland, als werkgever/werkgeefster in zijn, verdachtes, onderneming, in welke onderneming alstoen aldaar in of op een locatie gelegen aan de [adres 2], zijnde een arbeidsplaats, waar door een aantal werknemers arbeid werd verricht, bestaande (mede) uit het demonteren van het dak van een stalen loods op een hoogte van ongeveer 8,8 meter, aldus zijnde een bouwplaats, handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop berustende bepalingen, waardoor hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest weten, dat levensgevaar en/of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers kon ontstaan en/of te verwachten was,

niet het voorschrift van artikel 8 lid 1, 3 en/of 4 van de Arbeidsomstandighedenwet heeft nageleefd, immers

  • -

    was/waren ter plaatse geen voorziening(en) aangebracht om valgevaar tegen te gaan door het aanbrengen van een veilige steiger, stelling, bordes, werkvloer of doelmatige hekwerken, leuningen, vangnetten of een of meer andere veiligheids voorziening(en),

  • -

    zijn door verdachte geen duidelijke instructies gegeven of laten geven over de risico's van de werkzaamheden en/of het gebruik van de door de werknemer(s) gedragen harnasgordels,

  • -

    waren geen voorzieningen ter plaatse aanwezig/aangebracht teneinde de verbindingslijnen van de door de werknemer(s) gedragen harnasgordel te kunnen bevestigen/borgen en was/waren de door de werknemer(s) gedragen harnasgordel(s)niet middels verbindingslijnen aangehaakt aan geschikte ankerpunten,

tengevolge waarvan een arbeidsongeval heeft plaatsgevonden, waarbij de werknemer [werknemer 1] door een opening in het dak van de hal is gevallen en/of vervolgens op een ongeveer 8,8 meter lager gelegen betonvloer terecht is gekomen en als gevolg van het daarbij opgelopen letsel is overleden, terwijl hij, verdachte, tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of

aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft gegeven;

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 3 juni 2013 ter terechtzitting onderzocht. Verdachte is verschenen en bijgestaan door mr. B.D.W. Martens, advocaat te 's-Gravenhage.

Als benadeelde partij zijn ter terechtzitting verschenen mevrouw [benadeelde] (de weduwe van de heer [werknemer 1]) en haar drie kinderen. Zij zijn bijgestaan door mr. E. Yeniasci, advocaat te Eindhoven, en de heer E. Atasoy, tolk in de Turkse taal, ingeschreven (onder nummer 413) in het register als bedoeld in artikel 2 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.

Voorts is als nabestaande ook de broer van de heer [werknemer 1] ter terechtzitting aanwezig.

De officier van justitie, mr. S.Z. Wiarda, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3 De beslissing inzake het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 24 augustus 2011 is door [werknemer 1] (hierna: [werknemer 1]) en [werknemer 2] (hierna: [werknemer 2]) aan de [adres 2] te Tilburg arbeid verricht bestaande uit het demonteren van het dak van een stalen loods. [werknemer 2] en [werknemer 1] waren werkzaam op het dak van de loods. Zij droegen veiligheidsharnassen waarvan de lijnen niet (steeds) aan ankerpunten waren bevestigd.1 Tijdens de werkzaamheden is [werknemer 1], op een hoogte van ongeveer 8,8 meter, door een opening in het dak van de hal gevallen en op de (beton)vloer terecht gekomen.2 Hij is ten gevolge van het hierdoor opgelopen letsel overleden.3

Ten tijde van het arbeidsongeval waren zowel [werknemer 1]4 als [werknemer 2]5 in dienst bij de rechts-persoon [werkgever], waarvan verdachte de eigenaar is.6 De werkzaamheden werden uitgevoerd in opdracht van verdachte.7

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het hem ten laste gelegde. Daartoe heeft hij primair aangevoerd dat verdachte heeft voldaan aan zijn voorlichtingsverplichting en dat de werknemers harnasgordels droegen. De gordels konden middels een valkoord aan een hoogwerker vast worden gemaakt. Ook konden de musketons van de valkoorden om de gordingen worden geslagen waarna het koord weer door de musketon kon. Om voldoende werkruimte te behouden, konden twee valkoorden aan elkaar worden bevestigd. Dat [werknemer 1] klaarblijkelijk heeft besloten het valkoord niet aan de hoogwerker te bevestigen, doet daaraan naar de mening van de raadsman niet af.

Voorts wordt erop gewezen dat een werkplekinspectie heeft plaatsgevonden. Daaruit zou blijken dat de werkplek vrij was van risico’s, voldoende maatregelen waren getroffen tegen gevaarlijke situaties, er valbeveiliging van toepassing was en het personeel op de hoogte was van de veiligheidsinstructies. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat verdachte niet wist of redelijkerwijs had moeten weten dat levensgevaar te verwachten was voor zijn werknemers.

Beoordeling door de militaire kamer

Wettelijk kader

Uit de bewoordingen van de tenlastelegging volgt dat verdachte overtreding van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) wordt verweten. Blijkens de tenlastelegging zou hij dat hebben gedaan door feitelijk leiding te geven aan handelen en/of nalaten in strijd met artikel 8, eerste, derde en vierde lid, van de Arbowet en artikel 16, tiende en elfde lid, van de Arbowet juncto artikel 3.16, eerste, tweede en vijfde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit).

De militaire kamer overweegt dat artikel 8 van de Arbowet ziet op de plicht van de werkgever om zijn werknemers doeltreffend te informeren over de risico’s van de werkzaamheden en over de risicovoorkomende/beperkende maatregelen en het juiste gebruik daarvan. Artikel 3.16, eerste en vijfde lid, van het Arbobesluit ziet op het (doen) aanbrengen van voorzieningen gericht op collectieve dan wel individuele bescherming tegen valgevaar.

De eis van het (doen) aanbrengen van beschermingsmaatregelen

In artikel 3.16, eerste, tweede en vijfde lid, van het Arbobesluit is bepaald dat als het gevaar bestaat om 2,5 meter of meer te vallen, maatregelen moeten worden getroffen, gericht op collectieve bescherming en, als dat niet mogelijk is, maatregelen gericht op individuele bescherming.

Uit de bepalingen volgt dat zo mogelijk een veilige steiger, bordes, werkvloer, doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen moeten worden aangebracht (lid 1). Indien dit niet mogelijk is, of het aanbrengen grotere veiligheidsrisico’s met zich brengt, dan de werkzaamheden waarvoor ze worden aangebracht, moeten vangnetten en/of doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen dan wel andere technische middelen worden gebruikt.

die tenminste dezelfde mate van beveiliging bieden. Maatregelen die collectieve bescherming bieden hebben voorrang boven maatregelen gericht op individuele bescherming (lid 5).

Vaststaat dat tijdens het verrichten van de werkzaamheden door [werknemer 2] en [werknemer 1] valgevaar van meer dan 2,5 meter bestond. Dit gevaar is niet tegengegaan door het aanbrengen van een veilige steiger, stelling, bordes, werkvloer, doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen. Ook zijn geen vangnetten aangebracht.8 Er was weliswaar een hoogwerker aanwezig, maar dit kan naar het oordeel van de militaire kamer niet worden aangemerkt als een ter plaatse aangebrachte veiligheidsvoorziening voor de “collectieve” bescherming van [werknemer 2] en [werknemer 1]. Nu, zoals verdachte heeft verklaard, niet vanaf de zijkant van de loods gewerkt kon worden, was de hoogwerker veeleer een noodzakelijk middel om bij/op het dak te komen. Vast staat dat zowel [werknemer 2] als [werknemer 1] ten tijde van het ongeval op het dak en niet in de hoogwerker werkten. Ten aanzien van [werknemer 2] heeft verdachte ook verklaard dat het de bedoeling was dat hij, voor zijn werkzaamheden, het losdraaien van de schroeven op het dak, niet in de hoogwerker maar op het dak zou verblijven.9

De militaire kamer acht hiermee bewezen dat geen collectieve beschermingsmaatregelen zijn getroffen, terwijl evenmin aannemelijk is gemaakt dat het treffen van deze maatregelen feitelijk onmogelijk zou zijn geweest. De stelling van de raadsman van verdachte dat het gebruik van veiligheidsharnassen met valkoorden kan worden aangemerkt als een collectieve voorziening in de zin van de Arbowet, houdt naar het oordeel van de militaire kamer geen stand. Met een veiligheidsharnas met bijbehorend valkoord is, indien betrouwbare ankerpunten aanwezig zijn en het materiaal op de juiste manier wordt gebruikt, immers slechts de persoon beschermd die het harnas draagt.

Voorts zijn naar het oordeel van de militaire kamer onvoldoende individuele beschermingsmaatregelen getroffen.

[werknemer 2] en [werknemer 1] konden over geen andere individuele beschermingsmaatregelen beschikken dan kunststof helmen en veiligheidsharnassen met valkoorden van 1,5 meter lang10. Volgens verdachte konden de werknemers op het dak zich aan de gordingen (de stalen balken van het dak) zekeren door het valkoord daar omheen te lussen.11

Op grond van het Arbobesluit kunnen, voor zover eerder genoemde collectieve beschermingsmiddelen niet mogelijk zijn, valharnassen en veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte als valbescherming worden gebruikt, mits ze doelmatig zijn.

In de publicatie “Veilig werken op hoogte” wordt aangegeven dat bij gebruik van harnasgordels het valkoord hoger vastgeklemd dient te worden dan het aanhaakpunt voor het valkoord op de rug. Dit om een diepe val te voorkomen. Vaste ankerpunten zijn aanbevolen. Is in het verticale vlak meer bewegingsruimte nodig, dan kan een valdemper noodzakelijk zijn. Als in het horizontale vlak meer bewegingsvrijheid nodig is, zullen er veiligheidslijnen gespannen moeten worden. Het nadeel dat de gordel dan bij steunpunten af- en aangehaakt moet worden, kan ondervangen worden door een systeem dat dit nadeel niet meer kent.12

De militaire kamer is van oordeel dat de door verdachte ter beschikking gestelde veiligheidsharnassen met koorden niet aan de eis van doelmatigheid voldoen.

Daarbij zijn de volgende omstandigheden van belang:

  • -

    De veiligheidsharnassen van [werknemer 2] en [werknemer 1] waren, zoals uit de vaststaande feiten blijkt, niet (steeds) vastgehaakt;

  • -

    Er zijn geen ankerpunten aangebracht en er waren geen veiligheidslijnen.

  • -

    De gordingen, die volgens verdachte als ankerpunt zouden moeten dienen kunnen om de navolgende redenen niet als geschikte ankerpunten worden aangemerkt.

Allereerst voldoen deze ankerpunten niet aan de eis dat deze hoger moeten zijn dan het aanknooppunt van de ankerlijn op de rug.
[werknemer 2] heeft voorts over het werk op het dak verklaard dat het niet lukte om de lijn aan de stalen balken te maken, omdat de lijn dan strak ging staan waardoor de bewegingsvrijheid werd belemmerd. Bovendien was de haak niet groot genoeg om aan de balk te bevestigen.13 De door verdachte geopperde “oplossingen” voor deze ondervonden problemen, namelijk het lussen om de balk en het verlengen van het valkoord door er twee aan elkaar te haken, bieden naar het oordeel van de militaire kamer onvoldoende veiligheid. Het bevestigen aan de gordingen met een lus en het vervolgens slaan van de haak om het touw verkort de lengte van het valkoord, hetgeen de bewegingsvrijheid verder beperkt. Het aan elkaar knopen van verschillende ankerlijnen tot een lang touw verbetert de bewegingsvrijheid weliswaar maar brengt ook met zich - temeer nu de gordingen, zoals overwogen, lager liggen dan het bevestigingspunt op de rug - het vallen van een werknemer niet wordt voorkomen maar dat een werknemer een afstand van meerdere meters, volgens verdachte 3 meter14, naar beneden valt voordat hij, door het strak trekken van de aan elkaar geknoopte touwen, met een ruk wordt gestopt. Dit brengt weer nieuwe risico’s met zich, temeer nu verdachte geen valdempers ter beschikking heeft gesteld en voorts niet is gebleken dat de valkoorden op het op een dergelijke wijze aan elkaar knopen waren berekend.

- Voorts heeft verdachte verklaard dat [werknemer 2] en [werknemer 1], tezamen met een derde werknemer, de eerste platen van het dak hebben gehaald. Hij heeft erkend dat hij wist dat de werknemers de valkoorden op dat moment niet konden vasthaken.15 [werknemer 2] heeft eveneens verklaard over de onmogelijkheid om met het valkoord aan ankerpunten te haken, nu het dak in het begin nog geheel dicht was.16 De militaire kamer overweegt dat het op dat moment kennelijk feitelijk onmogelijk was gebruik te maken van mogelijk aanwezige ankerpunten, aangezien deze (nog) niet blootlagen. Dat het valgevaar, zoals verdachte heeft verklaard, “slechts” daarin bestond dat de mannen op een plat dak 3 meter lager konden vallen, volgt de militaire kamer niet. De limiet voor onbeveiligd werken ligt bij 2,5 meter en bovendien hebben [getuige 1] en [getuige 2] opgemerkt dat ook valgevaar bestond op de lichtdoorlatende platen op het dak.17

De informatieplicht

Artikel 8, eerste lid, van de Arbowet bepaalt onder meer dat de werkgever ervoor zorgt dat zijn werknemers doeltreffend worden ingelicht over de werkzaamheden die zij moeten verrichten, de risico’s die daaraan verbonden zijn en de maatregelen die deze risico’s voorkomen of beperken. Uit het derde lid volgt dat de werkgever ervoor zorgt dat zijn werknemers op de hoogte zijn van het doel, de werking, en gebruikswijze van persoonlijke beschermingsmiddelen. Het vierde lid bepaalt dat de werkgever toeziet op de naleving van de instructies en voorschriften ter voorkoming of beperking van veiligheidsrisico’s tijdens werkzaamheden en op correct gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen.

Naar het oordeel van de militaire kamer heeft verdachte zich niet gehouden aan de verplichtingen die hij op grond van voornoemde bepalingen heeft. Verdachte heeft, zoals reeds eerder is opgemerkt, erkend dat zijn werknemers bij aanvang van de werkzaamheden op het dak hun valkoord niet aan een ankerpunt konden bevestigen. Verder heeft verdachte verklaard dat hij [werknemer 1] en [werknemer 2] op de momenten dat hij ze zag steeds nadrukkelijk zou hebben gewezen op het vastmaken/haken van hun valkoord. [werknemer 1] had daar vaker mee gewerkt en wist hoe de veiligheidsharnassen werkten, maar de andere werknemers niet. Verdachte zou [werknemer 1], zijn ploegbaas en rechterhand, uitleg hebben gegeven over het beschermingsmiddel en [werknemer 1] zou vervolgens in het Turks aan de anderen hebben overgebracht waar ze zich moesten vastmaken. Gezien de jarenlange ervaring van [werknemer 1] vertrouwde verdachte erop dat [werknemer 1] de informatie goed zou overbrengen en achtte hij het onnodig steeds bij de werknemers op het dak te gaan kijken.

Verdachte was zelf vrijwel voortdurend op de begane grond aan het werk.18

[werknemer 2] heeft over het gebruik van het harnas met valkoord en de informatieverschaffing daarover door verdachte en/of [werknemer 1] verklaard:

“[verdachte] heeft de eerste dag op het dak getoond wat we moesten verwijderen hij heeft niet gezegd hoe we dat precies moeten doen. (…) Hij heeft wel gezegd dat we moesten oppassen en dat het gevaarlijk was. Hij heeft ons een kunststof helm gegeven en een soort vest van banden. (…) Ik weet dat dat vest voor mijn veiligheid is er zit een lijn van ongeveer anderhalve meter aan die ik ergens aan vast zou moeten maken. Op het dak was geen plek om die lijn aan vast te maken. [verdachte] heeft gezegd dat we de lijn moesten vastmaken. Hij heeft niet gezegd of getoond waar we de lijn vast moesten maken. Naar mijn gevoel moesten we de lijn aan de stalen balken maken. Maar dat ging niet want als je dan gaat staan staat de lijn direct strak en kun je je niet bewegen. De haak aan de lijn was niet groot genoeg om aan de balk te bevestigen. [verdachte] heeft ons zien werken terwijl de lijn niet vast zat.”19

En ook: “De eerste dag kon je die lijnen niet vastmaken want de haken waren 2 a3 cm en de balken waren 5 a6 centimeter. Die lijn was 1,5 meter lang. Als je die zou kunnen vastmaken kon je amper bewegen en niet goed werken. Het zou kunnen dat je hem op de hoek van de verbindingsconstructie kon vastmaken. Misschien waren de balken daar smaller. (…) Ik heb dat niet geprobeerd.”20

[werknemer 3], een werknemer die bij aanvang van het demonteren van het dak met [werknemer 1] en [werknemer 2] op het dak heeft gewerkt, heeft eveneens verklaard dat het valkoord van zijn harnas de eerste dag op het dak niet vastgehaakt kon worden. Verdachte en [werknemer 1] zouden vaak hebben gezegd dat hij op moest letten. Niemand zou hebben gezegd waar de lijn kon worden vastgehaakt. [werknemer 3] zou verdachte tegen de middagpauze tegen [werknemer 1] hebben horen zeggen dat hij de dag erop een langer koord zou meebrengen.21

[getuige 1] heeft verklaard dat hij op de tweede dag van de werkzaamheden aan de loods op het dak heeft gewerkt en dat verdachte [werknemer 1] vertelde wat er moest gebeuren, waarna [werknemer 1] het in het Turks vertaalde. Verdachte en [werknemer 1] zouden beiden hebben gezegd dat de veiligheids-gordel moest worden vastgehaakt, maar er zou vaak geen plek zijn geweest om deze vast te haken. [werknemer 1] zou die dag met verdachte besproken hebben dat de lijnen te kort waren.22

Naar het oordeel van de militaire kamer is het op grond van voorgaande verklaringen weliswaar aannemelijk dat verdachte zijn werknemers (al dan niet met behulp van vertaling in het Turks door [werknemer 1]) heeft gevraagd een veiligheidsharnas te dragen en deze vast te haken, maar niet dat hij heeft uitgelegd waaraan de valkoorden bevestigd konden worden. Verdachte heeft zelfs erkend dat gebruik ervan aanvankelijk feitelijk onmogelijk was. In een later stadium heeft hij nagelaten te controleren, door regelmatig bij de werkzaamheden op het dak te kijken, of de veiligheidsinstructies daadwerkelijk duidelijk waren overgebracht door [werknemer 1] en door de andere werknemers zijn begrepen. Verdachte mocht daar niet zonder meer op vertrouwen. Temeer nu hij wist dat de andere werknemers niet eerder met een veiligheidsharnas hadden gewerkt. De militaire kamer acht op grond hiervan bewezen dat verdachte heeft nagelaten concrete, doeltreffende instructies over het gebruik van de harnasgordels te (laten) verstrekken. Ook acht de militaire kamer bewezen dat verdachte zijn werknemers niet in voldoende mate en/of op de juiste wijze op de risico’s van de te verrichten werkzaamheden heeft gewezen. Het enkele feit dat verdachte zijn werknemers herhaaldelijk heeft gewaarschuwd “voorzichtig” te zijn, is naar het oordeel van de militaire kamer ontoereikend.

Wetenschap risico gezondheidsschade dan wel levensgevaar

Door voornoemde tekortkomingen op het punt van door verdachte te treffen voorzieningen en voorzorgsmaatregelen ter waarborging van een veilige situatie, heeft het arbeidsongeval plaatsgevonden waardoor [werknemer 1] is overleden.

De stelling van de verdediging dat [werknemer 1] een eigen verantwoordelijkheid had om zich vast te haken en dat volgens verdachte mondeling was afgesproken dat [werknemer 1] vanuit de hoogwerker zou werken, doet hieraan niets af. [werknemer 1] had de leiding ter plaatse als verdachte niet aanwezig was.23 Het was de bedoeling dat de platen van het dak zouden worden gehaald en verdachte kon verwachten dat [werknemer 1] daarbij zo nodig ook het dak zou betreden. Dat [werknemer 1], ondanks de onveilige werkomstandigheden, toch op het dak gaat werken, doet niet af aan de primaire verantwoordelijkheid van de werkgever om een arbeidsplaats te creëren die voorzien is van voldoende en deugdelijke voorzieningen ter voorkoming van valgevaar.

De militaire kamer acht een feit van algemene bekendheid dat een val van ruim 8,5 meter op een betonnen vloer tot ernstige verwondingen, en mogelijk zelfs de dood, zal leiden. Verdachte wist dat een verhoogd risico op een dergelijk valincident bestaat, als wordt nagelaten in adequate (informatieverstrekking over) valbescherming te voorzien. Verdachte wist daarmee naar het oordeel van de militaire kamer aldus dat levensgevaar voor zijn werknemers kon ontstaan.

Conclusie

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

de rechtspersoon, te weten [werkgever], op 24 augustus 2011 te Tilburg, als werkgever/werkgeefster in zijn, verdachtes, onderneming, in welke onderneming alstoen aldaar in of op een locatie gelegen aan de [adres 2], zijnde een arbeidsplaats, waar door een aantal werknemers arbeid werd verricht, bestaande (mede) uit het demonteren van het dak van een stalen loods op een hoogte van ongeveer 8,8 meter, aldus zijnde een bouwplaats, handelingen heeft nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop berustende bepalingen, waardoor hij, verdachte, wist dat levensgevaar en/of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers kon ontstaan, onder meer niet het voorschrift van artikel 8 lid 1, 3 en 4 van de Arbeidsomstandighedenwet heeft nageleefd, immers

  • -

    was/waren ter plaatse geen voorziening(en) aangebracht om valgevaar tegen te gaan door het aanbrengen van een veilige steiger, stelling, bordes, werkvloer of doelmatige hekwerken, leuningen, vangnetten of een of meer andere veiligheidsvoorziening(en),

  • -

    zijn door verdachte geen duidelijke instructies gegeven of laten geven over de risico's van de werkzaamheden en het gebruik van de door de werknemer(s) gedragen harnasgordels,

  • -

    waren de door de werknemer(s) gedragen harnasgordelsniet middels verbindingslijnen aangehaakt aan geschikte ankerpunten,

tengevolge waarvan een arbeidsongeval heeft plaatsgevonden, waarbij de werknemer [werknemer 1] door een opening in het dak van de hal is gevallen en vervolgens op een ongeveer 8,8 meter lager gelegen betonvloer terecht is gekomen en als gevolg van het daarbij opgelopen letsel is overleden, terwijl hij, verdachte, aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft gegeven.

Voor de zinsnede “niet het voorschrift van artikel 8 lid 1, 3 en/of 4 van de Arbeidsomstandig-hedenwet heeft nageleefd” zijn ter verduidelijking de woorden “onder meer” geplaatst. Naar het oordeel van de militaire kamer is de verdachte daardoor niet in zijn verdediging geschaad, nu voldoende duidelijk was waartegen hij zich moest verdedigen. In de tenlastelegging staat immers dat verdachte wordt verweten dat hij “handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop berustende bepalingen”, waarna een opsomming van feitelijkheden volgt. Uit deze opsomming volgt dat kennelijk bedoeld was niet slechts het handelen in strijd met artikel 8 van de Arbowet ten laste te leggen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Ook hierdoor is verdachte niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Het feit is strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

  • -

    de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

  • -

    de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in welk kader ook kennis is genomen van het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 25 april 2013.

De strafmaat

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, onder meer rekening houdend met het blanco strafblad van verdachte, geëist dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Naar de mening van de officier van justitie is een deels voorwaardelijke straf gepast om te voorkomen dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan een soortgelijk feit. Een geldboete is naar haar mening gezien de aard en ernst van het feit niet gepast.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het hem ten laste gelegde. Om die reden heeft hij zich, anders dan de opmerking dat hij een gevangenisstraf voor verdachte onredelijk acht, niet uitgelaten over een eventueel passende straf.

Beoordeling door de militaire kamer

Op verdachte rustte een plicht om, als eigenaar van [werkgever], de gezondheid en het welzijn van zijn werknemers te beschermen bij het uitvoeren van de werkzaamheden die hij hen had opgedragen. Verdachte is tekortgeschoten in deze zorgplicht, waarmee hij een (levens)gevaarlijke arbeidssituatie voor zijn werknemers heeft doen ontstaan dan wel laten bestaan. Verdachte was daarvan op de hoogte en heeft deze situatie niettemin laten voortbestaan c.q. onderschat.

Ten gevolge hiervan is een werknemer, [werknemer 1], van meer dan 8,5 meter hoogte op een betonnen vloer gevallen en drie dagen later aan zijn verwondingen overleden. Zoals uit de slachtofferverklaring van de nabestaanden blijkt, heeft het ongeval onvoorstelbaar veel leed veroorzaakt voor de familie. Zij moeten niet alleen leren leven met het verlies van [werknemer 1], maar ook met de wetenschap dat het ongeval voorkomen had kunnen en moeten worden.

Los van de eigen verantwoordelijkheid van werknemers, moeten zij erop kunnen vertrouwen dat een werkgever in alle omstandigheden voldoende maatregelen treft en informatie verstrekt om hun veiligheid te waarborgen. De militaire kamer rekent het verdachte zwaar aan dat hij dit heeft nagelaten en feitelijk (zijn ongetwijfeld goede intenties ten spijt) vrij amateuristisch te werk is gegaan. Temeer nu verdachte ter terechtzitting weinig blijk heeft gegeven van enig verantwoordelijkheidsgevoel in dit kader.

Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt de militaire kamer in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Ook weegt de militaire kamer mee dat [werknemer 1] tevens een goede vriend van verdachte was, waardoor aannemelijk is dat de impact van de gevolgen van het arbeidsongeval voor verdachte eveneens aanmerkelijk is.

Voorts heeft de militaire kamer acht geslagen op uitspraken in soortgelijke zaken, waarin doorgaans aan rechtspersonen hoge geldboetes en aan feitelijke leidinggevers een geldboete of een werkstraf wordt opgelegd.

De militaire kamer zal, na afweging van voornoemde omstandigheden geen gevangenisstraf opleggen zoals door de officier van justitie geëist, en acht een werkstraf voor de duur van 180 uren in combinatie met een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 10.000,- gepast. Net als de officier van justitie ziet de militaire kamer aanleiding voor een deels voorwaardelijke straf met een proeftijd van 3 jaren om te voorkomen dat verdachte in de toekomst met zijn bedrijf, dat hij naast het uitoefenen van zijn werkzaamheden als militair heeft, op het gebied van veiligheidseisen wederom ernstig de fout in gaat.

6a. De beoordeling van de civiele vordering

Als benadeelde partij hebben zich [benadeelde] en haar kinderen in het strafproces gevoegd, ter verkrijging van een schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit.

In totaal wordt een bedrag van € 1.975,- gevorderd, hetgeen uiteen valt in € 855,- voor de vervoerskosten van de doodskist per vliegtuig vanuit België naar Turkije en € 1.120,- voor de vier vliegtickets van de hiervoor genoemde benadeelden naar Turkije. Deze bedragen zijn onderbouwd met een afschrift van de vrachtbrief respectievelijk de factuur van de vliegtickets.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat beide bedragen voldoende zijn onderbouwd en voor toewijzing vatbaar zijn. Zij heeft de militaire kamer verzocht voor dit bedrag een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van de civiele vordering gerefereerd aan het oordeel van de militaire kamer.

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer overweegt dat in het geval een benadeelde partij zich in het strafproces voegt, slechts schade die rechtstreeks voortvloeit uit de bewezenverklaring in aanmerking komt voor vergoeding.

Dat ten gevolge van het bewezenverklaarde feit door [benadeelde] en haar kinderen reis- en vervoerskosten zijn gemaakt ten behoeve van de begrafenis van [werknemer 1] in Turkije, acht de militaire kamer reëel. De bedoelde kosten zijn bovendien in voldoende mate met stukken onder-bouwd. Dit wordt door de officier van justitie en de verdediging ook niet betwist. Gelet hierop zal de militaire kamer de verzochte schadevergoeding geheel toewijzen en voor dat bedrag tevens een schadevergoedingsmaatregel opleggen als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 36f, 51 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikelen 8, 16 en 32 van de Arbowet alsmede artikel 3.16 van het Arbobesluit.

8 De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een werkstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 90 (negentig) dagen.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tevens tot

een geldboete van € 10.000,- (tienduizend euro).

Bepaalt dat betaling van deze geldboete achterwege blijft, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt dat, bij gebreke van betaling en verhaal, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 85 (vijfentachtig) dagen.

8a. De beslissing op de vordering van benadeelde partij [benadeelde]

en haar kinderen

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [benadeelde] en haar kinderen, te betalen € 1.975,- (duizendnegenhonderdenvijfenzeventig euro).

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van (nabestaanden) [benadeelde] en haar kinderen, te betalen € 1.975,- (duizendnegenhonderden-vijfenzeventig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 39 (negenendertig) dagen, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. M.G.J. Post (rechter) en kolonel

mr. J. Wiersma (militair lid), in tegenwoordigheid van mr. M.W.M. Heutinck (griffier),

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 juni 2013.

1 Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de Arbeidsinspectie opgemaakte proces-verbaal Arbeidsomstandigheden (hierna: het proces-verbaal Arbeidsomstandigheden), gedateerd 12 december 2011, p. 7 en het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] van de Arbeidsinspectie opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige [werknemer 2] (bijlage 4 bij het proces-verbaal Arbeidsomstandigheden), p. 2 en het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] bij de rechter-commissaris, p. 3.

2 Het proces-verbaal Arbeidsomstandigheden, p. 7.

3 Het proces-verbaal Arbeidsomstandigheden, p. 7, een schriftelijk bescheid zijnde een brief van bedrijfsarts [bedrijfsarts] (bijlage 11 bij het proces-verbaal Arbeidsomstandigheden), p. 1 en een schriftelijk bescheid inhoudende een verslag betreffende een niet natuurlijke dood, opgesteld door lijkschouwer [lijkschouwer], gedateerd 27 augustus 2011 (bijlage 9 bij het proces-verbaal Arbeidsomstandigheden).

4 Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 4] van de Arbeidsinspectie opgemaakte proces-verbaal van verhoor van vertegenwoordiger verdachte rechtspersoon (bijlage 14 bij het proces-verbaal Arbeidsomstandigheden), p. 2.

5 Een schriftelijk bescheid inhoudende een melding dienstverband betreffende [werknemer 2] (bijlage 4 bij het proces-verbaal Arbeidsomstandigheden), p. 4.

6 Het proces-verbaal Arbeidsomstandigheden, p. 2 en 4.

7 Het proces-verbaal Arbeidsomstandigheden, p. 7 en het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de Arbeidsinspectie opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] (bijlage 7 bij het proces-verbaal Arbeidsomstandigheden), p. 1.

8 Het proces-verbaal Arbeidsomstandigheden, p. 7.

9 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 3 juni 2013.

10 Het proces-verbaal Arbeidsomstandigheden, p. 7, Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] van de Arbeidsinspectie opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige [werknemer 2] (bijlage 4 bij het proces-verbaal Arbeidsomstandigheden), p. 1.

11 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 3 juni 2013.

12 Een schriftelijk bescheid betreffende het Arbouw-advies “Veilig werken op hoogte” voor de bouwnijverheid, p. 10-11.

13 Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] van de Arbeidsinspectie opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige [werknemer 2] (bijlage 4 bij het proces-verbaal Arbeidsomstandigheden), p. 2.

14 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 3 juni 2013.

15 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 3 juni 2013.

16 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [werknemer 2] bij de rechter-commissaris, p. 3.

17 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris, p. 5 en het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris, p. 5.

18 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 3 juni 2013.

19 Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] van de Arbeidsinspectie opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige [werknemer 2] (bijlage 4 bij het proces-verbaal Arbeidsomstandigheden), p. 1 en 2.

20 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [werknemer 2] bij de rechter-commissaris, p. 4.

21 Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de Arbeidsinspectie opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] (bijlage 7 bij het proces-verbaal Arbeidsomstandigheden), p. 1.

22 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris, p. 2 en 3.

23 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 3 juni 2013.