Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:1466

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
06/940484-12 + 13/467364-07 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een man uit Apeldoorn veroordeeld voor het plegen van meerdere diefstallen (met geweld) en een tasjesroof. De verdachte is van twee diefstallen vrijgesproken. De rechtbank heeft opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden met aftrek van de tijd die door verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht. De vordering tenuitvoerlegging is gedeeltelijk toegewezen, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. Daarnaast zijn vorderingen van twee benadeelde partijen toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

team strafrecht

zittingsplaats Zutphen

meervoudige kamer

parketnummers: [jw.sys.1.verdachte_1_parketnummer]06/940481-12 en 13/467364-07 (tul)

datum uitspraak: 26 juni 2013

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag],

wonende te Apeldoorn,

thans verblijvende in de PI [PI].

Raadsman: mr. R.P. Adema, advocaat te Apeldoorn.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 juni 2013.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 12 december 2012 te Apeldoorn, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee met inhoud (te weten een geldbedrag van ongeveer EURO 110,00 en/of meerdere, althans een bankpas(sen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk

om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij

-verdachte- meermalen, althans eenmaal (met zijn -verdachtes lichaam) (met kracht) op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geduwd;

(incident 2)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 10 december 2012 te Apeldoorn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (hand)tas (met inhoud) (een onbekende hoeveelheid geld en/of een identiteitskaart), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen

voornoemde [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, (onverhoeds) (met kracht) aan voornoemde tas heeft getrokken en/of gerukt;

(Incident 1)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 29 juli 2012 te Voorst met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (twee) portemonnee(s) (met inhoud) (een hoeveelheid geld en/of bankpas(sen)), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(incident 4 en 5)

art 310 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 23 juli 2012 te Apeldoorn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (of meerdere) geldkistje(s) (met inhoud) (in totaal ongeveer 160 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer5] en/of [slachtoffer6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(incident 7)

art 310 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 24 juli 2012 te Apeldoorn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee (met inhoud) (ongeveer 250 euro en/of diverse passen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(incident 8)

art 310 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 3 en 4 tenlastegelegde

Feit 3

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 3 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de modus operandi niet overeenkomt met de tenlastegelegde feiten die de verdachte bekend heeft, te weten het snel in en uit een pand/woning gaan en geld wegnemen. Bovendien komen de door de aangevers en getuigen opgegeven signalementen niet overeen.

Aangeefster [slachtoffer 3] heeft verklaard – zakelijk weergegeven – dat zij in zorgcentrum [zorgcentrum] woont. Op 29 juli 2012 omstreeks 16:00 uur was zij in haar woning.1 Een onbekende man kwam haar woning binnen. Die man ging in haar rolstoel zitten en praatte met haar. Op een gegeven moment stond hij op en pakte hij haar handtas. Op het bed van aangeefster doorzocht hij de handtas. De man pakte de portemonnee uit de tas en direct daarna verliet hij de woning.2 Aangeefster omschrijft de dader als [signalement 1].3

Aangeefster [slachtoffer 4] heeft verklaard – zakelijk weergegeven – dat zij in zorgcentrum [zorgcentrum] woont. Op 29 juli 2012 kwam een voor haar onbekende man op haar kamer.4 Die man is tussen de tien minuten en een kwartier op haar kamer geweest. Omstreeks 14:30 uur was de man van haar kamer af. Van 14:30 uur tot 16:00 uur is zij in een gezamenlijke ruimte gaan theedrinken met andere bewoners. Toen zij weer op haar kamer kwam, ontdekte zij dat er geld uit haar portemonnee weg was. De onbekende man omschrijft zij onder meer als [signalement 2].5

Getuige [getuige 1], een medebewoonster van aangeefsters, heeft op 29 juli 2012 omstreeks 16:00 uur een onbekende man in het zorgcentrum gezien. Zij omschrijft hem als [signalement 3].6

Getuige [getuige 2], werkzaam in het zorgcentrum, heeft verklaard – zakelijk weergegeven – dat zij op 29 juli 2012 omstreeks 15:30 uur koffie aan het drinken was in een ruimte aan de achterzijde op de begane grond en dat zij een man buiten zag lopen. [getuige 2] omschrijft die persoon als [signalement 4].7

In het proces-verbaal van bevindingen van het uitkijken van de camerabeelden van het zorgcentrum van 29 juli 2012 is gerelateerd dat de verbalisant een man zag die om 16:30:39 uur voornoemd zorgcentrum binnenkomt. De man droeg [omschrijving]. Vervolgens verliet deze man om 16:33:36 uur door dezelfde schuifdeuren het pand.8
Stills van deze beelden zijn in het dossier opgenomen op pagina 125 en 126. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de persoon is die op de camerabeelden is te zien en dat hij zich niet meer kan herinneren of hij op 29 juli 2012 in het zorgcentrum in Voorst is geweest. Hij is wel eens binnen geweest om in de gang of in het trappenhuis drugs te gebruiken.9

De rechtbank kan, gelet op de inhoud van het dossier, niet wettig en overtuigend bewezen verklaren dat verdachte de onder 3 tenlastegelegde diefstallen heeft gepleegd zodat hij hiervan dient te worden vrijgesproken. De signalementen van aangeefsters en getuigen zijn naar het oordeel van de rechtbank op enkele punten te afwijkend van de uiterlijke kenmerken van verdachte om als belastend te kunnen gelden. Bovendien komen de signalementen in onderlinge samenhang bezien niet overeen wat betreft leeftijd, haarkleur en sieraden (oorring). Daarnaast komen de door de aangeefsters en getuigen opgegeven tijdstippen dat de onbekende man in het zorgcentrum is gezien niet overeen met de tijdstippen waarop de verdachte volgens de camerabeelden in het zorgcentrum is geweest. De tijdstippen van de camerabeelden kunnen overeenkomen met de verklaring van de verdachte dat hij wel eens in dit zorgcentrum kwam om drugs te gebruiken en dat hij dan snel naar binnen en weer naar buiten liep.

Feit 4

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 4 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte het feit ontkent en dat er geen overduidelijke herkenning is door de getuige [getuige 3].

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan. Er is aangifte gedaan van diefstal van de inhoud van twee geldkistjes van De Ontmoeting in Apeldoorn op 23 juli 2012. Getuige [getuige 3] heeft een man gezien die voor de kast met die geldkistjes stond. Tijdens een meervoudige fotoconfrontatie heeft de getuige verklaard dat hij bij foto 1 dacht dat de man er sprekend op leek en dat hij na het zien van foto 11 (foto van verdachte) twijfels had over foto 1. Vervolgens heeft de getuige verklaard dat hij eerder dacht aan foto 11 dan aan foto 1. Nu er geen duidelijke en positieve herkenning van de verdachte is en nu er ook overigens geen belastend bewijs is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deze diefstal, dient hij hiervan te worden vrijgesproken.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs, feiten 1, 2 en 5 10

Aanleiding tot het onderzoek

In de periode 23 juli tot en met 12 december 2012 zijn er meerdere aangiften van diefstal gedaan. Op 7 januari 2013 is verdachte buiten heterdaad aangehouden voor het plegen van meerdere diefstallen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2, en 5 tenlastegelegde. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2 en 5 ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard nu verdachte deze feiten heeft bekend met uitzondering van het onder 1 ten laste gelegde geweld. De verdachte dient van de geweldshandeling te worden vrijgesproken.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde diefstal met geweld bewezen kan worden verklaard op grond van de aangifte en de verklaring van de verdachte. Aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar heeft geduwd. De verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij langs haar heen is gewrongen. De officier van justitie verwijst naar de verklaring van de verdachte ter terechtzitting inhoudende dat hij langs aangeefster is ‘gedrongen’. De officier van justitie vindt in de woorden ‘gewrongen’ en ‘gedrongen’ het bewijs voor het ten laste gelegde geweld, te weten dat verdachte zijn lichaam op/tegen het lichaam van aangeefster heeft geduwd.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 ten laste gelegde diefstal bewezen kan worden verklaard, maar dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het duwen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat voor een bewezenverklaring van het geweld de intensiteit van de fysieke handeling mede van belang is. In dit geval gaat het om een oudere vrouw die slecht ter been is en een reumatische aandoening heeft. De verdachte heeft zich langs haar heen gewurmd. Het lijkt misschien op geweld, maar er is slechts sprake geweest van een korte aanraking die nog niet voldoende is om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde duwen te komen.

De rechtbank acht de volgende feiten en omstandigheden van belang voor de beoordeling van het bewijs.

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft in haar aangifte – zakelijk weergegeven – verklaard dat zij aan de [adres] woont. Op 12 december 2012, omstreeks 14:30 uur was zij in haar woning toen er werd aangebeld. Bij het openen van de voordeur zag zij een man staan die haar vervolgens duwde. Zij is slecht ter been en werd richting de keuken geduwd. De man rende naar de woonkamer. Daarna wilde hij vanuit de woonkamer weer snel naar buiten. De man moest langs aangeefster heen en gaf haar nogmaals een duw in haar zij en liep naar buiten.11 Binnen zag aangeefster dat haar portemonnee met een ABN AMRO bankpas, een giropas en ongeveer € 110,- was weggenomen.12

Aan de hand van het opgegeven signalement werd verdachte ambtshalve door de politie herkend. Op 12 december 2012 omstreeks 15:40 uur werd verdachte aangehouden. Verdachte heeft verklaard dat hij de portemonnee had weggegooid in een bosje tegenover het Activerum in Apeldoorn. Op het politiebureau haalde de verdachte een bankpas van de ABN AMRO bank op naam van aangeefster uit zijn broekzak.13

Verdachte heeft op 12 december 2012 bij de politie verklaard dat hij bij de woning van aangeefster had aangebeld. Hij was de kamer ingelopen, had de portemonnee gepakt en was weggegaan. Hij had twee pinpassen en geld uit de portemonnee gehaald.14 Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij langs aangeefster heen ging en haar daarbij heeft aangeraakt. Toen hij van de woonkamer terugliep naar de voordeur, stond aangeefster nog in de gang. Hij liep weer langs haar heen en raakte haar. Hij heeft haar niet geduwd, maar hij heeft zich langs haar heen gedrongen/gewrongen.15

Gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte diefstal met geweld heeft gepleegd. Aangeefster was ten tijde van het delict 84 jaar oud en slecht ter been. De door haar beschreven duw past bij het dringen/wringen waarover verdachte heeft verklaard. Ook al gaat het niet om fors geweld, het is geweld gepleegd tegen een bejaarde vrouw met het oogmerk om de diefstal mogelijk of makkelijk te maken; verdachte kon er immers anders niet langs. De aanrakingen (duwen/wringen/dringen) kunnen derhalve als geweld als bedoeld in artikel 312, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht worden gekwalificeerd.

Feit 2

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit op de bewezenverklaarde wijze heeft begaan en baseert zich hierbij op de redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de volgende bewijsmiddelen:

- een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2]16;

- een proces-verbaal van bevindingen17;

- de bekennende verklaring van de verdachte bij de politie18 en ter terechtzitting19.

Gelet op verdachtes bekennende verklaring wordt met deze opsomming volstaan.

Feit 5

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte het onder 5 ten laste gelegde feit op de bewezenverklaarde wijze heeft begaan en baseert zich hierbij op de redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de volgende bewijsmiddelen:

- een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 7]20;

- de bekennende verklaring van de verdachte bij de politie21 en ter terechtzitting22.

Gelet op verdachtes bekennende verklaring wordt met deze opsomming volstaan.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 12 december 2012 te Apeldoorn, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee met inhoud (te weten een geldbedrag van ongeveer EURO 110,00 en een bankpas toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk

om die diefstal gemakkelijk te maken en om het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld hierin bestond(en) dat hij

-verdachte- meermalen, (met zijn -verdachtes lichaam) op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geduwd;

2.

hij op 10 december 2012 te Apeldoorn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (hand)tas (met inhoud) (een onbekende hoeveelheid geld en een identiteitskaart) toebehorende aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen voornoemde [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, (onverhoeds) (met kracht) aan voornoemde tas heeft getrokken en/of gerukt;

5.

hij op 24 juli 2012 te Apeldoorn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft

weggenomen een portemonnee (met inhoud) (ongeveer 250 euro en diverse passen)

toebehorende aan [slachtoffer 7].

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Feit 1: Diefstal, voorafgegaan of gevolgd van geweld, gepleegd om die diefstal

gemakkelijk te maken en om zich het bezit van het gestolene te verzekeren;

Feit 2: Diefstal, vergezeld van geweld, gepleegd om die diefstal gemakkelijk te maken;

Feit 5: Diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Over de verdachte is gerapporteerd door [psycholoog], GZ-psycholoog. In het rapport van 17 mei 2013 wordt – onder meer – het volgende geconstateerd/geconcludeerd:

Er is bij betrokkene sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten ernstige middelenafhankelijkheid en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, te weten een persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid. Wat betreft zijn gewetensontwikkeling weet hij wat geaccepteerde normen en waarden inhouden, maar hij handelt er niet naar vanuit zijn behoefte aan nieuwe middelen. Hij neemt pas zijn verantwoordelijkheid of hij voelt pas berouw nadat aan zijn fysiologische afhankelijkheid van drugs tegemoet is gekomen. Op het moment dat betrokkene in de dak- en thuislozenopvang weer regelmatig middelen begon te gebruiken, vooral cocaïne maar soms ook heroïne, had hij niet langer de mogelijkheden om voor een andere gedragslijn te kiezen. Hij wist dat het zeer onverstandig was wat hij deed. Op grond van zijn gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis was hij niet in staat zijn wil conform dat besef te bepalen. Geadviseerd wordt om het tenlastegelegde, indien bewezen, hem in verminderde mate te rekenen.

De rechtbank neemt voormelde bevindingen en conclusies over zodat zij de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar zal beschouwen. De (verminderde) toerekenbaarheid sluit de strafbaarheid van de verdachte niet uit. Nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is hij strafbaar.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden met aftrek van de tijd die door hem in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. De officier van justitie heeft zijn eis mede gebaseerd op het reclasseringsadvies van 27 mei 2013 wat betreft het traject in het kader van het detentieprogramma Terugdringen Recidive (TR). Daarnaast heeft de officier van justitie rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf gematigd dient te worden nu de verdediging tot een bewezenverklaring van minder feiten komt dan de officier van justitie. De raadsman heeft bepleit dat naast een onvoorwaardelijk gevangenisstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd met de bijzondere voorwaarde van een verplicht reclasseringscontact. De verdachte dient zich te houden aan de aanwijzingen die hem worden gegeven door de reclassering, ook als dat inhoudt dat hij moet verblijven bij Trajectum voor de door de reclassering te bepalen duur. De verdachte heeft een stok achter de deur nodig om niet opnieuw strafbare feiten te plegen, aldus de raadsman.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een tasjesroof en meerdere diefstallen (met geweld) ten opzichte van mensen met een hoge leeftijd (vanaf 80 jaar) in hun eigen woning. Hiermee heeft hij weinig respect getoond voor andermans eigendommen en het vertrouwen beschaamd dat men in elkaar moet kunnen stellen. De wijze waarop verdachte de diefstallen pleegde, geeft blijk van schaamteloze brutaliteit, te meer nu hij kwetsbare slachtoffers uitzocht. Diefstal is een ergerlijk feit, dat schade veroorzaakt en in het algemeen bij de benadeelden gevoelens van onrust en onveiligheid teweegbrengt. Verdachte heeft gestolen om onder meer zijn drugsverslaving te kunnen bekostigen. Verdachte heeft zijn eigen geldelijk gewin boven alles gesteld en niet nagedacht over de gevolgen van zijn handelen voor de door hem gedupeerden.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het door verdachte gepleegde feiten in beginsel een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf rechtvaardigt

De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte, blijkens een omvangrijk uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 13 december 2012, eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder (gekwalificeerde) diefstallen.

De rechtbank houdt verder rekening met de hiervoor vastgestelde verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank heeft verder laten meewegen dat uit het rapport van de psycholoog van 17 mei 2013 naar voren komt dat de kans op toekomstig delinquent gedrag hoog is, maar dat deze door plaatsing van betrokkene in een beschutte woon- en leefomgeving wel kan worden verbeterd. Factoren die invloed hebben op de recidivekans zijn betrokkens verslavingsproblematiek, zijn onverwerkte verleden, zijn daaraan gekoppelde antisociale opvattingen, zijn impulsiviteit en vanwege zijn zwakke egofuncties beperkte mogelijkheden zelfstandig zijn gedrag te controleren. Betrokkene is een beschadigde persoon, die langdurig afhankelijk zal blijven van zorg en begeleiding. Indien de komende jaren geen adequate zorg rond betrokkene wordt geboden is de kans op terugval groot. Zonder plan van aanpak blijven de risicofactoren onveranderd. Wat betrokkene nodig heeft vanuit gedragskundig oogpunt is een adequate vorm van zowel begeleiding als behandeling. Dit wordt geboden bij instellingen als de kliniek van de JP van den Bent stichting of Trajectum.

De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsadvies van 27 mei 2013, waarin onder meer het volgende naar voren is gebracht: Betrokkene heeft het afgelopen jaar genoeg handreikingen gekregen om een middelen- en delictvrij bestaan op te bouwen. Ondanks een schorsingskader viel hij terug in middelengebruik en zelfs de tweede kans die hij kreeg liet hij lopen door direct weer uit de kliniek te vertrekken. De reclassering is van mening dat betrokkene behandeling dan wel begeleiding behoeft. Het kader is voor de reclassering minder belangrijk. Het dwingende kader van de reclassering weerhoudt de verdachte niet om terug te vallen in middelengebruik en/of delictgedrag. Er wordt meer waarde gehecht aan het realiseren van een passende behandel/woonvorm voor betrokkene waar hij zich thuis zal voelen. Bij Trajectum wordt een gemiddelde wachttijd gehanteerd van een half jaar na vonnis. Een opname bij bijzondere voorwaarden wordt daarom niet haalbaar geacht.

Voordat betrokkene binnen een geschikte setting wordt geplaatst dient eerst een voor betrokkene belangrijke stressor te worden weggenomen, te weten de voorgenomen urologische ingreep. De reclassering acht het van belang dat betrokkene binnen een eventuele detentie de mogelijkheid krijgt om te worden geopereerd in een penitentiair ziekenhuis om vervolgens binnen een TR-traject op artikelplaatsing door te stromen naar een geïndiceerde behandelsetting. In de tussentijd acht de reclassering een leeftstijltraining geïndiceerd om betrokkene de nodige handvatten te bieden te leren omgaan met zijn verslavingsproblematiek.

De rechtbank leidt uit de bevindingen van de psycholoog en de reclassering af dat behandeling van de verdachte noodzakelijk is. Nu de reclassering heeft aangegeven dat verdachte binnen een TR-traject zou kunnen doorstromen naar een geïndiceerde behandelsetting, ziet de rechtbank geen aanleiding om verdachte in het kader van bijzondere voorwaarden een hulpverleningstraject te laten starten dan wel voort te zetten. De door de reclassering aangegeven behandeltraject binnen een TR-traject zal afdoende moeten zijn. Daarbij wordt tevens meegewogen dat de verdachte in het verleden meerdere malen een hulpverleningstraject is aangeboden en hij deze kansen niet afdoende heeft benut.

Alle omstandigheden in aanmerking nemend ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie, in die zin dat een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan geëist, zal worden opgelegd. Dit is mede ingegeven door de omstandigheid dat verdachte voor 2 tenlastegelegde feiten wordt vrijgesproken. De rechtbank zal opleggen een gevangenisstraf van 14 (veertien) maanden met aftrek van de tijd die door verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Ad informandum gevoegde zaak

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen de ter kennisneming gevoegde zaak, bekend onder het parketnummer 05/940481-12, volgnummer 1, nu aannemelijk is geworden dat verdachte dit feit heeft gepleegd - verdachte heeft dit feit immers ter terechtzitting bekend - en de officier van justitie heeft toegezegd dat voor dit feit geen verdere strafvervolging zal volgen.

1. 940481-12 28

juli 2012, Klarenbeek, Gem. Voorst, Diefstal (incident 3).



Vordering tot schadevergoeding

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 530,- (€ 130,- aan materiële schade en € 400,- aan immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de immateriële schade dient te worden gematigd, omdat hij vrijspraak heeft bepleit van het geweldscomponent, waardoor het een minder ernstig delict is dan het bewezenverklaarde in door de benadeelde partij vermelde jurisprudentie.

Ten aanzien van het materiële deel van de vordering is de rechtbank van oordeel dat de vergoeding voor het weggenomen geldbedrag en de portemonnee kan worden toegewezen.

Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij in haar eigen woning is overvallen door de verdachte die haar portemonnee heeft gestolen en haar ook heeft geduwd. Verdachtes handelen heeft zoals hiervoor reeds is overwogen een grote impact op de benadeelde partij gehad in psychische zin. Dit blijkt genoegzaam uit de aangifte en het schadeonderbouwingsformulier van de benadeelde partij. Dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden, staat voor de rechtbank derhalve vast. De rechtbank zal de verzochte immateriële schade van € 400,- toewijzen. Daarbij heeft de rechtbank de ernst en de intensiteit van de diefstal met geweld in aanmerking genomen en gelet op min of meer soortgelijke gevallen.

De vordering wordt derhalve toegewezen voor een bedrag van € 530,- (€ 130,- + € 400,-). Het toe te wijzen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 december 2012. De verdachte is voor die schade naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 332,50 (€ 57,50 aan materiële schade en € 275,- aan immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de benadeelde partij [slachtoffer 3] in haar vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard nu verdachte wordt vrijgesproken van het hem onder 3 tenlastegelegde.

De benadeelde partij wordt verwezen in de door verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde

De benadeelde partij [slachtoffer 7] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 540,- (€ 265,- aan materiële schade en € 275,- aan immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het materiële deel van de vordering is de rechtbank van oordeel dat de vergoeding voor het weggenomen geldbedrag, aanschaf nieuwe bankpas en aanschaf nieuwe openbaar vervoerskaart kan worden toegewezen.

Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij in zijn woning is overvallen door de verdachte die zijn portemonnee heeft gestolen. Verdachtes handelen heeft zoals hiervoor reeds is overwogen een grote impact op de benadeelde partij gehad in psychische zin. Dit blijkt genoegzaam uit de aangifte en het schadeonderbouwingsformulier van de benadeelde partij. Dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden, staat voor de rechtbank derhalve vast. De rechtbank zal de verzochte immateriële schade van € 275,- toewijzen. Daarbij heeft de rechtbank de ernst en de intensiteit van de diefstal in aanmerking genomen en gelet op min of meer soortgelijke gevallen.

De vordering wordt derhalve toegewezen voor een bedrag van € 540,- (€ 265,- + € 275,-). Het toe te wijzen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2012. De verdachte is voor die schade naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemde slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 7].

Vordering tenuitvoerlegging

Door de officier van justitie is een vordering na voorwaardelijke veroordeling ingediend, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 september 2007 voorwaardelijk aan verdachte opgelegde gevangenisstraf voor de duur van negen maanden (parketnummer 13/467364-07). Van de negen maanden is eerder reeds de tenuitvoerlegging van één maand bevolen. Veroordeelde heeft zich niet gehouden aan de algemene voorwaarden die hem bij voormeld vonnis was opgelegd. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering gehandhaafd.

De raadsman heeft bepleit de vordering af te wijzen gelet op de omstandigheid dat de voorwaardelijke straf is opgelegd in 2007 en de proeftijd van die straf onderbroken is geweest door de veroordelingen van de verdachte. Het is derhalve niet opportuun om de gevangenisstraf alsnog ten uitvoer te leggen.

Nu is bewezen verklaard dat verdachte zich opnieuw heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten is de rechtbank van oordeel dat de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde (thans resterende) gevangenisstraf, te weten een deel van vier maanden, op zijn plaats is. Daartoe wordt overwogen dat het tijdsverloop tussen de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf en de vordering van de officier van justitie een (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging rechtvaardigt. Bovendien is van belang dat de verdachte ná 2007 nog is veroordeeld voor strafbare feiten en hem maatregelen zijn opgelegd, reden waarom een volledige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf niet opportuun wordt geacht. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging voor het overige afwijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 57, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 5 tenlastegelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

feit 1: Diefstal, voorafgegaan of gevolgd van geweld, gepleegd om die diefstal

gemakkelijk te maken en om zich het bezit van het gestolene te verzekeren;

feit 2: Diefstal, vergezeld van geweld, gepleegd om die diefstal gemakkelijk te maken;

feit 5:Diefstal;

 verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden;

 beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

gelast de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 18 september 2007, te weten van: een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

 wijst de vordering tot tenuitvoerlegging voor het overige af;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 7], van een bedrag van € 530,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 december 2012 met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7]van een bedrag van € 530,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 december 2012, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 10 (tien) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 3) niet-ontvankelijk in haar vordering;

 veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 3] in de door verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 7], van een bedrag van € 540,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2012 met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] van een bedrag van € 540,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2012, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 10 (tien) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mrs. Van Lookeren Campagne, voorzitter, Kleinrensink en
Van der Mei, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Buitenhuis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 juni 2013.

1 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3], p. 98.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3], p. 99.

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3], p. 100.

4 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4], p. 128.

5 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4], p. 129.

6 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], p. 103-104.

7 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], p. 132.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 107.

9 Proces-verbaal van de terechtzitting van 12 juni 2013.

10 Als hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer 2012167708, politie Oost‑Nederland, districtelijk Overvallen Team, onderzoek WEZER, gesloten en ondertekend op 14 maart 2013.

11 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1], p. 55.

12 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1], p. 56 en 58.

13 Proces-verbaal van aanhouding, p. 60 en 61.

14 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 69.

15 Proces-verbaal van de terechtzitting van 12 juni 2013.

16 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2], p. 23-25.

17 Proces-verbaal van bevindingen van 19 december 2012, p. 26-27.

18 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 40-41.

19 Proces-verbaal van de terechtzitting van 12 juni 2013.

20 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 7], p. 214-216.

21 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 220-221.

22 Proces-verbaal van de terechtzitting van 12 juni 2013.