Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:1445

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
05/901069-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot mensenhandel. Geen vrijwillige terugtred. De gemaakte afspraken waren voldoende voor een begin van uitvoering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/196
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/901069-12

Datum zitting : 12 juni 2013

Datum uitspraak : 26 juni 2013

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedag 1] te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in P.I. [PI].

Raadsvrouw : mr. F.F. Aarts, advocaat te Arnhem.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 augustus 2012 tot en met 28 augustus 2012 te Braamt, gemeente Montferland, en/of te Zetten, gemeente Overbetuwe, en/of te Arnhem en/of te Amsterdam en/of te Almere, in elk geval (telkens) in een of meerdere plaats(en) in Nederland,

(lid 3, onder 1)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander, te weten: [slachtoffer] ([geboortedag 2]),

(lid 1, onder 2)

heeft geworven, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer], terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

en/of

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer],

  • -

    aangeboden ter overname, en/of

  • -

    afspraken gemaakt om haar te kopen en/of verkopen, en/of

  • -

    elkaar ontmoet op die afgesproken plaats, en/of

  • -

    verkocht voor een bedrag van (ongeveer) 1.500 Euro, althans enig geldbedrag,

en/of

- aangekocht voor een bedrag van (ongeveer) 1.500 Euro, althans enig geldbedrag,

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 augustus 2012 tot en met 28 augustus 2012 te Braamt, gemeente Montferland, en/of te Zetten, gemeente Overbetuwe, en/of te Arnhem, in elk geval in een of meerdere plaats(en) in Nederland,

ter uitvoering van voorgenomen misdrijf om,

(lid 3, ond 1)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander, te weten: [slachtoffer] ([geboortedag 2]),

(lid 1, ond 2)

te werven, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer], terwijl deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

en/of

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), meermalen, althans

eenmaal, die [slachtoffer],

  • -

    aangeboden ter overname, en/of

  • -

    afspraken gemaakt om haar te kopen en/of verkopen, en/of

  • -

    elkaar ontmoet op die afgesproken plaats, en/of

  • -

    verkocht voor een bedrag van (ongeveer) 1.500 Euro, althans enig

geldbedrag, en/of

- aangekocht voor een bedrag van (ongeveer) 1.500 Euro, althans enig

geldbedrag, en/of

zulks terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 12 juni 2013 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. F.F. Aarts, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie, mr. A.M.C.V. Fellinger, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs 1

Vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gesproken van een voltooide mensenhandel. Verdachte heeft het slachtoffer uiteindelijk niet verworven; de koop is niet doorgegaan. De afspraken die hiertoe zijn gemaakt, maken dit niet anders. Verdachte zal worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit.

Bewezenverklaring

Feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 6 augustus 2012 vertrekt [slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer]), geboren op [geboortedag 2], op de fiets vanuit de woning van haar ouders te Braamt, gemeente Montferland, waar zij op dat moment op weekendverlof is. Die avond zou [slachtoffer] weer terugkeren naar de psychiatrische jeugdkliniek [kliniek], waar ze verblijft.2 [slachtoffer] spreekt die dag via ping af met medeverdachte [medeverdachte1] (hierna: [medeverdachte1]) op station Velperpoort in Arnhem, alwaar ze elkaar ontmoeten.3

[medeverdachte1] biedt [slachtoffer] onderdak op het adres [adres]4, alwaar hij op dat moment samen met medeverdachte [medeverdachte2] (hierna: [medeverdachte2]) woont.5

[medeverdachte2] heeft een relatie met medeverdachte [medeverdachte3] (hierna: [medeverdachte3]).6

Op 7 augustus 2012 wordt er een escortadvertentie aangemaakt op Speurders.nl van ‘[alias]’ met het e-mailadres ‘[emailadres]’. Het meisje op de foto in de advertentie is [slachtoffer]. Het telefoonnummer in de advertentie is [telefoonnummer].7

Op 24 augustus 2012 wordt er in een uitzending van ‘Tros Vermist’ aandacht besteed aan de vermissing van [slachtoffer]. Gevreesd wordt dat ze in het loverboycircuit zou zijn gelokt.8

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft subsidiair gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot mensenhandel in vereniging op grond van de bewijsmiddelen in het dossier.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de poging tot mensenhandel nu alle feiten en omstandigheden bij elkaar bezien, niet aantonen dat er sprake was van een begin van uitvoering. Immers kan niet worden gesteld dat een daadwerkelijke overname van [slachtoffer] zou plaatsvinden.

Beoordeling

Over de gebeurtenissen na de uitzending van ‘Tros Vermist’ bevat het dossier de volgende bewijsmiddelen.

[medeverdachte1] heeft verklaard dat hij, nadat hij de uitzending op Tros Vermist had gezien, tegen [slachtoffer] heeft gezegd dat ze weg moest, ze was immers minderjarig.9 [medeverdachte1] heeft hierop aan medeverdachte [medeverdachte4] (hierna: [medeverdachte4]) gevraagd of hij iemand wist waar [slachtoffer] naartoe kon gaan.10

[medeverdachte4] heeft verklaard dat [medeverdachte1] aan hem had gevraagd of hij iemand wist waar zijn vriendin naar toe kon. [medeverdachte4] had toen gezegd dat hij iemand kende als ‘zwarte’ en dat hij die zou bellen. [medeverdachte4] heeft hierop die ‘zwarte’ gebeld en aan hem gevraagd of hij een vriendin van [medeverdachte1] ([medeverdachte1]) over wilde nemen, die voor geld seks had met mannen waar [medeverdachte1] van af wilde. De ‘zwarte’ had gezegd dat hij geen tijd had en dat hij later wel contact op zou nemen met [medeverdachte1]. Hij, [medeverdachte4], heeft later het nummer van [medeverdachte1] aan de ‘zwarte’ gegeven.11

Deze verklaringen worden ondersteund door de volgende tapgesprekken.

Op 25 augustus 2012 om 18:19 uur belt [medeverdachte4] (=[MV4]) naar [medeverdachte1] (=[MV1]), waarbij het volgende wordt besproken:

(…)

[MV4]: Weet je al, weet je al wat je gaat doen?

[MV1]: Nee man, ik weet echt niet wat ik ga doen. (ntv).

(…)

[MV1]: (ntv) kom kom je naar Doetinchem?

[MV4]: Ja, maar eh ik zit een beetje met vervoer jongen.

[MV1]: Ja, ik weet nie.

[MV4]: lk kan wel een paar, ik kan wel een paar euro in de tank doen anders.

(…) 12

Op 25 augustus 2012 om 23:19 uur belt [medeverdachte4] uit naar een persoon, waarbij [medeverdachte4] die ander vraagt of hij nu naar het Centraal Station in Doetinchem kan komen. Die ander zegt dat hij er over 10 minuten is omdat hij nu bij Didam rijdt.13

Daarna, om 23:40 uur, belt [medeverdachte4] uit naar een persoon en zegt dat hij op het station staat daar waar de taxi's ook staan. De andere persoon zegt dat [medeverdachte4] naar de grote parkeerplaats moet komen bij het politiebureau.14

Tien minuten na de start van bovenstaand gesprek, namelijk om 23:50 uur, belt [medeverdachte1] (= [MV1]) naar een persoon (=ZK), waarbij het volgende wordt besproken:

(…)

[MV1]: Ja ja [betrokkene2] heeft met jou gepraat toch net.

ZK: Ja.

[MV1]: Jij hebt interesse.

ZK: Jij hebt die wijf?

[MV1]: He?

ZK: Heb jij die wijf?

[MV1]: Ja man ja daarom. Bel me wanneer je tijd hebt dan. Want ik moet snel snel weg van haar weet je.

ZK: Ja maar luister vriend, als ze straks weggaat daar en je (onverstaanbaar) ik geef je drie ruggen en je en ze gaat weg. lk moet die drie ruggen weer terug hebben he.

[MV1]: Ik ik versta je niet man.

ZK: Ja maar straks straks gaat dat wijf weg.

[MV1]: Kom straks effe praten, kom straks effe praten. Kom ik ook wel alleen weet je Of met [betrokkene2] alleen, alleen met [betrokkene2]

ZK: Ja maar nu, ik heb. lk moet weg ik heb effe druk snap je.

[MV1]: Ja maar ik ik heb haast weet je want ze. Uitzendingen alles worden gegeven daar over haar he . Ze moet weg uit uit Ned uit dit land man.

ZK: Oke. Wat is zij is zij Nederlandser.

T: He.

ZK: Is zij Nederlander? (…) 15

Die nacht, op 26 augustus 2012 om 00:34 uur belt [medeverdachte3] (=[MV3]) naar [medeverdachte1] (=[MV1]), waarbij het volgende wordt besproken:

(…)

[MV1]: Ik ben in Doetinchem man. Ik heb iemand man. Ik heb iemand ik zweer ik heb iemand.

[MV3]: Voor wat?

[MV1]: Ja voor wat? Die overneemt.

[MV3]: Oke voor hoeveel?

[MV1]: Ja weet ik niet. Hij komt, hij komt pas vannacht om 3 uur man. Dus eigenlijk wil ik dat jij erbij bent man.

[MV3]: Ja weet je.

[MV1]: Hij is serieus

[MV3]: He?

[MV1]: Hij is serieus man. Dit is echt een serieus iemand.

[MV3]: Oke dat kan man.

[MV1]: Hij woont ook op Presikhaaf man, hij woont in Priko man.

[MV3]: Wat zei je?

[MV1]: Hij woont ook op Priko man.

[MV3]: Hij woont in Priko.

[MV1]: Ja maar hij gaat naar Afrika snap je he.

[MV3]: Oke oke.

[MV1]: Ja daarom man. Ik meen serieus. Hij is echt een serieus iemand. Maar [betrokkene2] kijk [betrokkene2] ging kakkie halen en ging hij hem bellen. ik zeg gelijk en ik zeg gelijk van laat mij effe meelopen. Ik heb (onverstaanbaar) gepraat snel zijn nummer gepakt. Maar ik denk he hij hoeft daar niet in betrokken te worden toch want anders gaat hij tokkelen en dan wil hij ook geld hebben, donder op man.

[MV3]: Ja.

[MV1]: Dus. Maar hij belt. Maar hij is pas maar kijk hij is pas 3 uur ’s nachts heeft hij zijn telefoon uit. Dan is hij klaar met gewoon hosselen toch dan belt hij mij man.

[MV3]: Oke, is het een Afrikaan?

[MV1]: Ja man.

[MV3]: Oke.

[MV1]: Ja ja hij is iemand jonge hij pusht 500 in de week man. Dat is echt een groot iemand snap je.

(…) 16

Die ochtend, 26 augustus 2012 om 7:44 uur, belt [medeverdachte1] (=[MV1]) naar een persoon (=ZK), waarbij het volgende wordt besproken:

ZK: Ja?

[MV1]: He man!

ZK: Ja waar ben je?

[MV1]: Ja ik ben nu in Doetinchem man, ik rij zo naar Arnhem toe.

ZK: Met de auto?

[MV1]: Ja man moest nu even wat doen toch.

ZK: Ik rij nu, ik rij nu bij Ede onderweg naar huis weet je.

[MV1]: (Surinaams woord) Ja.

ZK: (onverstaanbaar)

[MV1]: Ze is er ook bij weet je, daarom.

ZK: He?

[MV1]: Ze is er ook bij weet je, kun je gelijk zien.

ZK: Ja is goed, kom maar.

[MV1]: Ja? Danne is goed man danne bel mij even, dan ben je, dan zijn we tegelijk bijna in Arnhem denk ik.

(…)

ZK: Is goed dat spreken we af. Is goed wel ik kom wel zie je zo.

[MV1]: Is goed jongen. 17

Vijfentwintig minuten later, om 8:09 uur, belt een persoon naar [medeverdachte1] en zegt dat hij nu net bij Arnhem Noord rijdt en er over vijf minuten is. [medeverdachte1] zegt dat het goed is.18

De volgende dag, op 27 augustus 2012 om 10:36 uur, belt [medeverdachte4] (=[MV4]) naar [medeverdachte1] (=[MV1]), waarin het volgende wordt besproken:

[MV4]: Is het nog gelukt jongen?

[MV1]: Ja

[MV4]: Ja?

[MV1]: Gisteren weggebracht.

[MV4]: Ja, is het gelukt?

[MV1]: Ja eh Amsterdam.

[MV4]: En? Heb je poen?

[MV1]: Ja eh. Ze betalen in delen. Dus ik heb nu gewoon een lekkere deel. Volgende

week krijg ik weer een deel dus ja.

[MV4]: Ja? Heb je niet alles in een keer kunnen beuren?

[MV1]: He, nee nee, want die (dan onverstaanbaar) had spatjes, snap je?

[MV4]: Oke.

[MV1]: Dus ik had nog even het risico of het uberhaupt wel door zou gaan. (Opm v rb

volgende zin onverstaanbaar),

[MV4]: Oke mooi.

[MV1]: lk heb nou iets van 200 gekregen. lk krijg elke week 200.

[MV4]: Maar via die zwarte, die ik gezegd had.

[MV1]: Nee jong, teringlijer. We hadden afgesproken, alles. Geregeld, maar hij

gooide. lk stap in mijn auto in en [betrokkene1](fon). Hij gooide de deur in [betrokkene1]'s

gezicht dicht. Van:eh moet jij nou dan. Ik praat alleen met [medeverdachte1]. En daarom

ging het niet door man, anders was het doorgegaan.

[MV4]: Oke, nou.

[MV1]: Wou me vijf rooien geven Gek. (…) 19

Verdachte heeft zelf over deze telefoongesprekken verklaard dat hij werd benaderd door [medeverdachte4]. [medeverdachte4] had iets voor hem, maar verdachte had het druk. Hij zou later wel contact opnemen. Hij was wel nieuwsgierig geworden en toen hij van [medeverdachte1] hoorde dat hij naar de McDonald’s in Arnhem moest komen, is hij gegaan om te zien wat ze hem te bieden hadden. Hij wist dat het de overname van om een meisje zou gaan. Hij heeft eenmaal telefonisch contact gehad met [medeverdachte4] en eenmaal met [medeverdachte1].20

Gezien het bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat de medeverdachten op 25 augustus 2012 [slachtoffer] aan verdachte hebben aangeboden ter overname, dat zij toen afspraken hebben gemaakt om haar te (ver)kopen, dat zij elkaar op 26 augustus 2012 hebben ontmoet op de afgesproken parkeerplaats van McDonald’s in Arnhem en dat zij hadden afgesproken dat verdachte [slachtoffer] zou kopen voor een geldbedrag, te weten ‘drie ruggen’ of ‘vijf rooien’.

Deze feiten en omstandigheden kunnen worden gezien als een op voltooiing van mensenhandel in vereniging, gericht begin van uitvoering. Dat verdachte het oogmerk had van uitbuiting leidt de rechtbank af uit de passage in het aangehaalde telefoongesprek van 23:50 uur waarin verdachte aangeeft dat hij zijn geld terug wil hebben als [slachtoffer] bij hem weg zou gaan.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op tijdstippen in de periode van 24 augustus 2012 tot en met 28 augustus 2012 te Arnhem, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van voorgenomen misdrijf om,

tezamen en in vereniging met anderen, een ander, te weten: [slachtoffer] ([geboortedag 2]),

te werven, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer], terwijl deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

immers hebben verdachte en/of zijn mededader(s), die [slachtoffer],

  • -

    aangeboden ter overname, en

  • -

    afspraken gemaakt om haar te kopen en verkopen, en

  • -

    elkaar ontmoet op die afgesproken plaats, en/of

  • -

    verkocht voor enig geldbedrag,

zulks terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Poging tot mensenhandel in vereniging

Het feit is strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien er sprake is van vrijwillige terugtred. Hij heeft immers op eigen initiatief en zonder dat er sprake was van een van buiten komende oorzaak, tijdig besloten om de overname van [slachtoffer] niet door te laten gaan. Hij is zelf tot inkeer gekomen want hij wenst zich niet met dergelijke zaken bezig te houden. Voorts heeft de Hoge Raad in 2006 geconcludeerd dat van buitenaf komende factoren niet in de weg hoeven te staan aan een beroep op vrijwillige terugtred.

Standpunt officier van justitie

De Hoge Raad heeft omtrent het leerstuk van vrijwillige terugtred bepaald dat de omstandigheden van het geval bepalend zijn. In deze hebben er meerdere ontmoetingen plaatsgevonden en zijn er meerdere afspraken gemaakt, waaronder over de koopprijs. Verdachte had aldus de intentie om [slachtoffer] over te nemen maar enkel door een toevalligheid is de overname afgeketst. Van een vrijwillige terugtred kan niet worden gesproken.

Beoordeling

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is naar voren gekomen dat verdachte op 26 augustus 2012 een groep heeft ontmoet op de parkeerplaats van de McDonald’s in Arnhem. Die groep bestond (onder meer) uit [medeverdachte1], [medeverdachte3] en [slachtoffer]. Verdachte was in de auto blijven zitten, maar had zijn raam opengedraaid of zijn portier geopend. Naar eigen zeggen, kwam [medeverdachte1] vervolgens op de auto van verdachte afgelopen. Deze verklaring is echter niet aannemelijk nu uit de hiervoor onder het bewijs opgenomen tap van 27 augustus 2012 om 10:36 uur blijkt dat het [medeverdachte3] is geweest die met verdachte wilde praten op de parkeerplaats. In genoemd tapgesprek tussen [medeverdachte4] en [medeverdachte1] vertelt de laatste aan [medeverdachte4] “Hij (verdachte rb) gooide de deur in [betrokkene1]'s gezicht dicht. Van: eh moet jij nou dan. Ik praat alleen met [medeverdachte1].” [medeverdachte1] zegt dan verder “En daarom ging het niet door man, anders was het doorgegaan.”

Gelet op bovenstaande is de verklaring van verdachte dat hij naar de parkeerplaats is gegaan uit nieuwsgierigheid en dat hij geen belangstelling had om het meisje over te nemen, omdat hij dat soort zaken niet doet ongeloofwaardig. De overname is uiteindelijk niet doorgegaan vanwege de omstandigheid dat verdachte de hem onbekende [medeverdachte3] op zich af zag komen en niet de man met wie hij contact had gehad. Dat is een van buitenaf komende factor die in de weg staat aan een beroep op vrijwillige terugtred. Het beroep wordt dan ook verworpen.

Ook verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voor haar eis aansluiting gezocht bij de oude richtlijnen van het openbaar ministerie omdat het feit in augustus 2012 is gepleegd. Verdachte heeft uit winstbejag concrete plannen gemaakt om een kwetsbaar minderjarig meisje over te nemen om haar zelf uit te buiten. Uiteindelijk heeft het meisje niet voor verdachte in de prostitutie gewerkt.

Standpunt verdediging

Ten opzichte van zijn medeverdachte(n), heeft verdachte een kleine rol gespeeld in de uitbuiting van het meisje. En verdachte is nooit eerder voor soortgelijke delicten veroordeeld. De raadsvrouw verzoekt bij de beoordeling van de strafmaat rekening te houden met deze omstandigheden. Zij acht een straf conform voorarrest passend.

Beoordeling strafmaat

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, d.d. 1 maart 2013.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan een poging tot mensenhandel. Een kwetsbaar meisje van 17 jaar oud is door zijn medeverdachten geworven om in de prostitutie te werken. Verdachte is bereid gevonden haar over te nemen toen zijn medeverdachten het meisje weg wilden hebben richting het buitenland omdat zij werd gezocht door haar ouders. Uiteindelijk is deze overname niet doorgegaan en is het meisje bij andere medeverdachten in Amsterdam/Almere ondergebracht.

Het willen kopen van een minderjarig meisje is naar het oordeel van de rechtbank een buitengewoon verwerpelijke gedraging. Verdachte en zijn medeverdachten hadden slechts tot doel geld te verdienen aan de werkzaamheden van het kwetsbare meisje als prostituee.

Mensenhandel is een ernstige vorm van criminaliteit. Slachtoffers van mensenhandel zijn doorgaans niet in staat vrijwillig een bewuste keuze te maken. Het leed en de gevolgen voor het slachtoffer zijn groot. Dit feit vormt dan ook een ernstige inbreuk op de persoonlijke vrijheid en lichamelijk integriteit van het slachtoffer. Verdachte heeft zijn financieel gewin voorop gesteld, hetgeen de rechtbank hem zwaar aanrekent en waarmee de rechtbank ten nadele van verdachte rekening zal houden.

Gelet hierop doet een gevangenisstraf van een duur die gelijk is aan het voorarrest, geen recht aan de ernst van het feit. Nu de rechtbank een minder zwaar feit bewezen acht dan de officier van justitie, zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen van kortere duur dan geëist is.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 45, 273f van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. [MV4].P.M. Kester-Bik (voorzitter), mr. J. Barrau en mr. M.F. Gielissen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.P.[MV4]. Brinkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 juni 2013.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant(en)] van de politie, Eenheid Oost-Nederland, Dienst Regionale Recherche, Unit Opsporing, Team ZwaCri/team Mensenhandel, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 20130111.0829, gesloten op 28 februari 2013 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen ‘spd’ verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier tegen verdachte. De vindplaatsvermeldingen ‘pd’ verwijzen naar het bijgevoegde procesdossier ‘[slachtoffer]’.

2 Proces-verbaal van bevindingen, pd. 386.

3 Proces-verbaal onderzoek gegevens Blackberry, pd. 417 en proces-verbaal van verhoor [medeverdachte1], pd 955.

4 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte1], pd. 955.

5 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte1], pd. 944.

6 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte1], pd. 957.

7 Proces-verbaal van bevindingen, pd. 638-641.

8 Proces-verbaal van bevindingen, pd. 380-381.

9 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte1], pd. 956.

10 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte1], pd. 958.

11 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte4], pd. 1130.

12 Een schriftelijk bescheid in de vorm van een uitgewerkt tapgesprek, p. 56.

13 Een schriftelijk bescheid in de vorm van een uitgewerkt tapgesprek, p. 57-58.

14 Een schriftelijk bescheid in de vorm van een uitgewerkt tapgesprek, p. 58.

15 Een schriftelijk bescheid in de vorm van een uitgewerkt tapgesprek, p. 58-59.

16 Een schriftelijk bescheid in de vorm van een uitgewerkt tapgesprek, p. 59-61.

17 Een schriftelijk bescheid in de vorm van een uitgewerkt tapgesprek, p. 69.

18 Een schriftelijk bescheid in de vorm van een uitgewerkt tapgesprek, p. 71, stam-procesverbaal p. 9.

19 Een schriftelijk bescheid in de vorm van een uitgewerkt tapgesprek, p. 71-72.

20 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 12 juni 2013.