Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:1441

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
05/901387-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Moord; voorbedachte raad; alternatief scenario. Door verdediging voorgesteld alternatief scenario (moord gepleegd door inbreker) niet aannemelijk geacht omdat het wordt tegengesproken door forensisch bewijs. Dat bewijs past wel bij het door de OM gepresenteerde scenario. Ook overig bewijs ondersteunt de verdenking tegen verdachte.

Uit de feiten en omstandigheden volgt dat er meerdere momenten zijn geweest waarop verdachte voldoende tijd gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Geen contra-indicaties voor voorbedachte raad. Veroordeling voor moord tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/901387-11

Data zittingen : 27 maart 2012, 19 juni 2012, 21 augustus 2012, 30 oktober 2012,

20 november 2012, 8 januari 2013, 12 maart 2013, 13 maart 2013,

21 mei 2013 en 12 juni 2013

Datum uitspraak : 26 juni 2013

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedag] te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in PI [PI].

raadsman : mr. F.H.J. van Gaal, advocaat te Wijchen.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 19 oktober 2011 tot en met 20 oktober 2011

te Tiel, in elk geval in de gemeente Tiel, althans in Nederland, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin

bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk na kalm

beraad en rustig overleg, althans na (kort) tevoren genomen besluit,

verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal

met een mes, althans een soortgelijk scherp/puntig voorwerp in het lichaam

(borststreek) heeft/hebben gestoken en/of gesneden en/of met een hard voorwerp

tegen het hoofd heeft/hebben geslagen, tengevolge waarvan voornoemde persoon

is overleden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

zij in of omstreeks de periode van 19 oktober 2011 tot en met 20 oktober 2011

te Tiel, in elk geval in de gemeente Tiel, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer]

van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes

mededader(s) opzettelijk die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een mes,

althans een soortgelijk scherp/puntig voorwerp in het lichaam (borststreek)

heeft/hebben gestoken en/of met een hard voorwerp tegen het hoofd heeft/hebben

geslagen, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 12 juni 2013 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. F.H.J. van Gaal, advocaat te Wijchen.

De nabestaanden van wijlen [slachtoffer] zijn ter terechtzitting verschenen.

De officier van justitie, mr. A. van Veen, heeft gerekwireerd.

Verdachte en haar raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte sliep in de nacht van 19 op 20 oktober 2011 in de slaapkamer aan de voorzijde van de woning aan de [adres] in Tiel (hierna: de slaapkamer van verdachte). Op 20 oktober 2011 om 04.04 uur belt verdachte (vanuit haar woning) naar 112 met de mededeling dat er mensen bij haar in huis zijn, dat ze zich in een andere slaapkamer bevindt dan haar man en dat ze niets meer hoort en geen contact kan krijgen met haar man.2 Omstreeks 04.08 uur is de politie ter plaatse. Verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] treffen verdachte aan in de bewuste slaapkamer aan de voorzijde van de woning. Zij draagt op dat moment een slip en een wit T-shirt. In de slaapkamer daarnaast (hierna: de slaapkamer van het slachtoffer) treffen zij liggend op bed een man aan: [slachtoffer], de echtgenoot van verdachte . Zij zien bloed op het bed en op de man zelf en constateren dat de arm koud en stijf aanvoelt. [verbalisant2] voelt aan de halsslagader dat er geen hartslag is.3

[slachtoffer] is omstreeks 04.34 uur overleden. Het 95% betrouwbaarheidsinterval geeft hierbij aan dat een spreiding van 2,8 uren in acht dient te worden gehouden. Het overlijden heeft dus waarschijnlijk tussen 01.44 en 07.24 uur plaatsgevonden, of mogelijk iets later door versnelde afkoeling .4 Aangezien het slachtoffer om 04.08 uur door een agent is aangetroffen en hij toen al koud en stijf was, heeft het overlijden plaatsgevonden tussen 01.44 en 04.08 uur.

Aan de linkerzijde van het hoofd van [slachtoffer] bevinden zich twee ruwrandige letsels van circa drie centimeter die reikten tot op het schedeldak.5 In het schedeldak zijn stukjes ijzer (staal) aangetroffen.6 Het is meer waarschijnlijk dat beide letsels tot stand zijn gekomen door één klap met een voorwerp met twee evenwijdige uitstulpingen (zoals klauwhamer of breekijzer) dan door twee klappen met een voorwerp dat geen uitstulpingen heeft.7 Midden op achterhoofd bevinden zich een huidkneuzing en een bloeduitstorting. Verder is er een ruwrandig letsel links van het borstbeen en een scherprandige snee in de linkerzijde van de borst van circa 17 centimeter met twee steekkanalen. Ter hoogte van het borstbeen is een scherprandige perforatie met steekkanaal tot in de borstholte, met een perforatie van het hart. In de gevonden steekkanalen zijn zowel hart als linkerlong meermalen geraakt, leidend tot massaal bloedverlies waardoor het overlijden is veroorzaakt. De steekletsels zijn het gevolg van steken met een snijdend voorwerp zoals een of meer messen. Alle genoemde letsels zijn bij leven opgelopen.8

Op grond van het bovenstaande staat vast dat de dood van [slachtoffer] tussen 01.44 en 04.08 (het tijdstip waarop hij werd aangetroffen door de politie) is ingetreden en dat dit overlijden gepaard ging met geweld met twee verschillende wapens: 1. een voorwerp met twee evenwijdige uitstulpingen (zoals klauwhamer of breekijzer) en 2. een of meer messen.

Er is veel bloed aangetroffen in de slaapkamer van het slachtoffer: op de deur van de slaapkamer (nabij de deurklink), op de muur direct naast de deur, op de tapijtvloer tussen de deur en het bed, op het tweepersoonsbed (voornamelijk op het dekbed, hoeslaken en hoofdkussen van de rechter slaapplaats en op de houten rand van het voeteneinde). Verder zijn er nog bloedspatten aangetroffen op de kledingkast, het nachtkastje, de muur en het plafond.9

Op het hoeslaken (onderlaken) van de linker bedhelft van het tweepersoonsbed in de slaapkamer van verdachte werden verkleuringen aangetroffen die door middel van tetra base positief werden getest als bloed.10 Dit betreft een bloedvlek op circa 15 cm onder het hoofdkussen.11

In de wasmand die op de badkamer stond, werd onder een blauw geruit shirt (het bovenste kledingstuk in de wasmand) een nachthemd (wit, met rode roosachtige motieven) aangetroffen. Op dit nachthemd zijn verkleuringen aangetroffen die door middel van tetra base positief werden getest als bloed.12 Het betreft diverse contactsporen (dat wil zeggen, bloedsporen die zijn ontstaan doordat het nachthemd in aanraking is gekomen met een bebloed voorwerp). Daarnaast zijn aan de onderzijde van het nachthemd, ter plaatse van de stiknaad tussen de achterzijde en de voorzijde, nog twee sporen aangetroffen: een (niet nader te kwalificeren) bloedspoor en een bloedstolsel.13 Het DNA van de bemonsteringen van het bloed op het hoeslaken en de bloedsporen aan de onderzijde van het nachthemd, matcht met het DNA van [slachtoffer].14

Het nachthemd betreft een aan verdachte toebehorend damesnachthemd dat uitsluitend door haar werd gedragen.15

Toen de politieagenten ter plaatse kwamen, stond de voordeur van de woning open.16 In de woonkamer waren diverse lades van kasten opengetrokken. Verder lag er een tas op zijn kant met daarbij in de nabijheid enkele goederen die vermoedelijk uit die tas kwamen.17 Er waren geen braaksporen en er was ogenschijnlijk geen vluchtweg gecreëerd.18 Er zijn -met uitzondering van een foto- geen spullen uit de woning weggenomen.19

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord. De officier van justitie komt op grond van de bewijsmiddelen in het dossier tot de volgende conclusies:

  1. Er zijn zoveel ongerijmdheden, onwaarschijnlijkheden, onmogelijkheden en onbegrijpelijkheden in de setting van de inbraak en de 112-melding aan te wijzen dat bewezen kan worden dat de inbraak in scene is gezet. Dat kan alleen zijn ingegeven door het plegen van het delict door verdachte en de wens dat te verhullen;

  2. Er zijn bloedsporen aangetroffen die precies passen bij het scenario dat verdachte de moord heeft gepleegd en die zich op geen enkele wijze anders laten verklaren;

  3. Verdachte heeft in de computers op haar werk en thuis combinaties van zoektermen ingevoerd die alleen verklaarbaar zijn vanuit de intentie haar man om het leven te brengen (‘ik wil een moord’), waarbij overeenkomstig enkele van die zoektermen is gehandeld (‘klap op het hoofd’);

  4. Verdachte had een motief en alle gelegenheid om het delict te plegen;

  5. Een delict door verdachte laat zich vanuit de achtergrond van het leven van verdachte goed verklaren;

  6. Het moment van het delict is verklaarbaar vanuit de -gereconstrueerde- belevingswereld van verdachte.

Op grond van de volgende stellingen is de officier van justitie van oordeel dat er sprake is van moord:

  1. Verdachte liep al langere tijd rond met het idee om [slachtoffer] om het leven te brengen;

  2. De uitvoering is geschied deels conform eerder opgedane kennis vanuit de zoektermen;

  3. Er is sprake van meerdere wapens, die later zijn weggemaakt of schoongewassen door verdachte en er is sprake van meerdere fasen van geweldpleging;

  4. [slachtoffer] lijkt in zijn slaap te zijn overvallen door de eerste klap; vervolgens is hij vermoedelijk zittend gestoken; en

  5. Er is een inbraak-setting omheen ‘gestaged’ om de aandacht van verdachte af te leiden

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is vrijspraak bepleit wegens gebrek aan bewijs. Daartoe is onder meer aangevoerd dat er geen delictgerelateerde sporen zijn waarvan is komen vast te staan dat verdachte deze bij het plegen van het delict heeft veroorzaakt. Het tijdstip van overlijden kent een (te) ruime marge. De conclusies van de deskundigen gaan niet verder dan dat de drager van het nachthemd mogelijk na het gepleegde delict in aanraking is geweest met het bebloede slachtoffer, maar het staat niet vast dat verdachte dat nachthemd in de bewuste nacht heeft gedragen. Contaminatie door een agent van het bloed op het hoeslaken van verdachte kan niet worden uitgesloten.

Of verdachte over daderkennis beschikte kan niet zonder meer worden bevestigd. Het verloop van de 112 melding kan niet bijdragen aan het bewijs. Weliswaar zijn er aanwijzingen dat verdachte op de werkcomputer heeft gezocht met termen als “dodelijke klap tegen zijkant hoofd” en “schoonmaken na delict”, maar aan de hand van de internethistorie valt uit te leggen waarom deze termen zijn ingevoerd. Wat betreft de zoektermen die op de thuiscomputer zijn ingevoerd geldt dat de sites die daarvoor en daarna zijn bezocht meer matchen met [slachtoffer] dan met verdachte.

De bewijsmiddelen sluiten niet uit dat de moord is gepleegd door een inbreker, zoals verdachte verklaart. Ten aanzien van het primair tenlastegelegde heeft de raadsman subsidiair nog aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor voorbedachte rade.

Beoordeling door de rechtbank

Op basis van de vaststaande feiten zijn twee scenario’s denkbaar, die de rechtbank hieronder nader zal bespreken, te weten:

Scenario 1: een inbraak door onbekenden, waarbij de dader [slachtoffer] om het leven heeft gebracht

Scenario 2: verdachte heeft [slachtoffer] om het leven gebracht

Scenario 1: inbraak

Verdachte belde 112 met de mededeling dat er mensen in de woning aanwezig waren. De voordeur van de woning stond open, diverse lades van kastjes stonden open en op de grond lagen tasjes met daarnaast goederen die uit de tassen afkomstig zouden kunnen zijn. Weliswaar zijn er geen braaksporen gevonden, maar uit onderzoek is gebleken dat deze woning ook kon worden betreden door zogenaamd ‘hengelen’ of ‘flipperen’ waarbij zonder gebruikmaking van de sleutel de deur kan worden geopend zonder braaksporen achter te laten. Aldus bestaat de mogelijkheid dat er één of meer inbrekers in de woning zijn geweest, die eerst beneden naar waardevolle spullen hebben gezocht, vervolgens de trap naar boven hebben genomen en daar de slaapkamer van [slachtoffer] hebben betreden alwaar [slachtoffer] door deze inbreker(s) om het leven is gebracht.

De beoordeling van het scenario

De technisch rechercheurs hadden evenwel de indruk dat de inbraak in scene was gezet op grond van de volgende punten:

  • -

    er was veel te netjes gewerkt, hetgeen slechts sporadisch voorkomt en niet lijkt te passen bij het brute geweld waarmee [slachtoffer] om het leven is gebracht;

  • -

    de bureau- en kastladen op de benedenverdieping van de woning stonden open, maar leken niet doorzocht;

  • -

    de tassen naast deze laden en kast waren neergelegd en leken niet doorzocht;

  • -

    er was geen vluchtweg gecreëerd door de daders;

  • -

    er is geen braakschade aangetroffen;

  • -

    relatief waardevolle spullen die beneden voor het grijpen lagen, zoals een fotocamera en navigatiesysteem, waren niet klaar gezet om mee te nemen.20

Een mogelijke verklaring voor het gegeven dat er niets is weggenomen zou kunnen zijn dat de inbreker zo in paniek was nadat deze [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, dat hij direct naar buiten is gerend. Echter, verdachte heeft verklaard dat zij alleen wat gestommel heeft gehoord en 2 à 3 minuten later één kreet. Verder heeft zij niets gehoord, alleen vermoedt ze dat ze de inbreker nog weg hoorde gaan.21 Opvallend is dat zij niet heeft gehoord dat er deuren werden geopend of gesloten maar dat zij wel spreekt over gestommel op de trap toen de inbreker “op een vlugge manier”22 de trap op liep. Zij vermoedt slechts dat zij ook heeft gehoord dat de inbreker de trap af liep. Dit terwijl het onwaarschijnlijk is dat iemand die met gestommel de trap opkomt, zachtjes de trap af zou gaan na zoiets ingrijpends als een zojuist gepleegde moord.

[slachtoffer] is in zijn slaap overvallen

Verder zijn de volgende bevindingen met betrekking tot het aantreffen van [slachtoffer] van belang:

1. Er is bloed aangetroffen op het hoofdkussen van de rechter slaapplaats van het bed waar [slachtoffer] is aangetroffen. Dit bloed is waarschijnlijk veroorzaakt door de hoofdwond van [slachtoffer].23 Het betreft een poelpatroon, hetgeen erop duidt dat het bloedende slachtoffer enige tijd hier heeft gelegen na het toebrengen van het letsel .24

2. De bril van [slachtoffer] is op zijn nachtkastje aangetroffen,25 terwijl hij zonder bril bijna niets kon zien.26

Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat [slachtoffer] in zijn slaap is overvallen. Het is niet aannemelijk dat [slachtoffer] de inbreker heeft overlopen of dat hij de inbreker heeft gezien waardoor deze bang zou kunnen zijn voor herkenning. Hij vormde aldus geen gevaar voor de inbreker zodat geweld tegen hem niet nodig was. Voor zover een inbreker al reden zag om toch geweld te moeten plegen om te kunnen vluchten, had in dat geval de enkele klap op het hoofd volstaan en had hij geen enkele reden om daarna nog meerdere malen met een mes te steken.

Bij de politie zijn wel zaken bekend waarbij een inbreker of overvaller geweld gebruikt tegen het slachtoffer dat uiteindelijk tot de dood leidde, maar daarbij was in alle gevallen sprake van een confrontatie met het slachtoffer of slachtoffers waarbij het geweld of de bedreiging gericht was op het verkrijgen van enig goed of geld of van een code.27 Van dat laatste is in de onderhavige zaak niet gebleken.

Dan bestaat nog de mogelijkheid dat de inbreker [slachtoffer] heeft uitgeschakeld zodat hij in alle rust de woning verder zou kunnen doorzoeken en spullen van zijn gading mee zou kunnen nemen. Echter, verdachte, die zegt wakker te zijn geworden doordat iemand de trap naar boven liep –waarbij ze gestommel heeft gehoord- , heeft niet gehoord of gemerkt dat er iemand aan de deur van haar slaapkamer heeft gemorreld. Er zijn evenmin sporen waaruit kan worden afgeleid dat er buiten de woonkamer nog andere ruimtes van de woning zijn doorzocht. Zelfs op de slaapkamer waar [slachtoffer] is aangetroffen zijn geen aanwijzingen gevonden van het doorzoeken van die ruimte. Bovendien zijn er geen goederen uit de woning weggenomen, met uitzondering van een foto.28

Niet matchende sporen

Er zijn wel sporen in de woning aangetroffen die niet matchen met verdachte of met [slachtoffer] of met andere bekenden, van wie de criminalistieke sporen zijn onderzocht. Het gaat daarbij om schoensporen, vingerafdrukken op een deurkozijn van de slaapkamer en aan de binnenzijde van de buitendeur van de hal, en lichaamsmateriaal op onder meer het nachthemd als op de overloop. De schoensporen zijn niet aangetroffen op een plek waar laatjes openstonden maar onder meer juist op een plek waar helemaal niet lijkt te zijn gezocht (de strijkkamer). Om die reden lijken deze sporen dus los te staan van het delict. De politie heeft onderzoek verricht naar de in de woning aangetroffen vingerafdrukken en deze vergeleken met die van de bewoners, familieleden en kennissen die met regelmaat in de woning kwamen. De meeste dacty-sporen konden aldus worden geëlimineerd. De resterende dactysporen met onbekende donoren zijn vergeleken met de profielen in de Havank databank, hetgeen niet tot resultaat heeft geleid. Vervolgens zijn deze vingerafdrukken (nogmaals) vergeleken met de dacty-profielen van bij de politie bekende inbrekers uit de buurt, hetgeen evenmin tot identificatie heeft geleid.29

In geen enkel van de DNA sporen is tenslotte een hoofdprofiel van een onbekende aangetroffen. In combinatie met de locatie waar die DNA sporen zijn gevonden kan door de deskundigen geen ondersteunende of ontkrachtende conclusies worden getrokken. Kortom, de rechtbank is van oordeel dat genoemde sporen niet in relatie met het delict kunnen worden gebracht.

Bloed op het nachthemd verdachte en het hoeslaken in de kamer van verdachte

Binnen het inbraak-scenario rijst de vraag hoe het bloed van [slachtoffer] terecht kan zijn gekomen op het nachthemd van verdachte en op het hoeslaken in de slaapkamer van verdachte.

Verdachte heeft verklaard dat zij het nachthemd in de nacht van 19 op 20 oktober 2011, de nacht waarin het slachtoffer om het leven is gebracht, niet heeft gedragen. Ze heeft het nachthemd wel gedragen twee nachten eerder en daarna in de wasmand gegooid dan wel in de badkamer achtergelaten.30 Het nachthemd is daar, in de wasmand, gevonden onder (ten minste) één ander kledingstuk.31

Volgens deskundige [deskundige1] (NFI) lijken beide bloedsporen op het nachthemd, gezien de nog donkerrode kleur, recent voor het fotograferen op het nachthemd terecht te zijn gekomen, althans waarschijnlijker dat het “kort” daarvoor dan dagen daarvoor is gebeurd.32 Ook deskundige [deskundige2] (IFS) komt tot de conclusie dat het waarschijnlijker is dat de bloedsporen rondom het tijdstip van het delict zijn overgedragen op het nachthemd dan enkele dagen daarvoor. Hij komt tot deze conclusie omdat op het nachthemd niet alleen een bloedvlek, maar tevens een bloedstolsel met daarbij vloeibaar bloed is aangetroffen en op het lichaam van het slachtoffer ook kleine bloedstolseltjes zijn gevonden.33

Onder de aanname dat de bloedsporen op het nachthemd tijdens het toebrengen van het letsel dan wel (kort) daarna zijn ontstaan, kan het op het nachthemd terechtkomen van de bloedsporen niet worden verklaard door de wijze waarop het nachthemd in de wasmand is aangetroffen, aldus [deskundige1].34 Anders gezegd: het is niet waarschijnlijk dat de bloedsporen op het nachthemd zijn terechtgekomen toen het in de wasmand lag.

Ter zitting is van de zijde van de verdediging de vraag opgeworpen of het bloed(stolsel) op het nachthemd terecht kan zijn gekomen toen verdachte met haar man twee nachten eerder in bed lag, indien het slachtoffer toen een kleine verwonding had. [deskundige2] wijst er op dat het een bloedstolsel betreft dat op het moment dat het op het nachthemd kwam, nog deels vloeibaar was omdat het bloed ook in het textiel is getrokken. In het door de raadsman geschetste scenario zou hij dan een verwonding moeten hebben gehad, waarin zowel gestold als vloeibaar bloed aanwezig was. In dat geval zou echter een veegpatroon zichtbaar moeten zijn, meer dan nu het geval is.35 Bovendien heeft verdachte verklaard in de dagen voorafgaande aan het voorval, geen verwondingen of pleisters bij het slachtoffer te hebben gezien.36

Gelet op het vorenstaande kan niet worden verklaard op welke wijze het bloed van [slachtoffer] op het nachthemd van verdachte terecht kan zijn gekomen, uitgaande van de verklaring van verdachte dat zij het nachthemd voor het laatst heeft gedragen op de maandag voor het delict en dat het nachthemd al in de wasmand lag voordat zij ging slapen.

Ten aanzien van het bloedspoor op het hoeslaken is door de verdediging aangevoerd dat het mogelijk is veroorzaakt door contaminatie. Dit zou kunnen zijn gebeurd als verbalisant [verbalisant2] bloed van [slachtoffer] op zijn lichaam of kleding heeft gekregen en vervolgens in de kamer van verdachte heeft plaatsgenomen op het bed aan het hoofdeinde.

Echter, zoals de rechtbank heeft waargenomen tijdens de reconstrucie, heeft verbalisant [verbalisant2] toen verklaard dat hij zeker niet rechts van verdachte, aan het hoofdeinde van het bed, heeft gezeten. Als hij al op het bed heeft gezeten, dan was dat aan de andere kant. Hij weet dit zeker, omdat verdachte al vrij ver aan de kant van het hoofdeinde zat. Verder is hij heel stellig in zijn verklaring dat hij geen bloed heeft aangeraakt, omdat hij toen nog geen handschoenen aan had en het dan heel vies vindt.37 Volgens de raadsman is het vreemd dat verbalisant [verbalisant2] bij de reconstructie ineens wel precies wist waar hij in ieder geval niet had gezeten, terwijl hij dat eerder niet precies wist. De rechtbank is het daar niet mee eens, aangezien [verbalisant2] tijdens de reconstructie voor het eerst weer fysiek op de locatie aanwezig was. Het is niet vreemd dat hij zich onder die omstandigheden meer in detail kan herinneren hoe hij op die bewuste avond heeft gehandeld.

De rechtbank heeft voorts tijdens de reconstructie waargenomen dat de locatie waar het bloed zich bevond op de muur en de deur van de slaapkamer waar het slachtoffer lag, aanzienlijk hoger was dan de hoogte tot waar de broek van verbalisant [verbalisant2] in staande positie reikt, zodat niet aannemelijk is dat hij bij die gelegenheid bloed op zijn broek zou hebben gekregen.38 Ook verbalisant [verbalisant1] heeft tijdens de reconstructie duidelijk gemaakt dat hij verdachte nabij het hoofdeinde van het bed heeft zien zitten en dat zijn collega [verbalisant2], als hij al op het bed zat, zeker niet “rechts” van verdachte heeft gezeten, waarmee hij bedoelde aan de kant van het hoofdeinde.39

De rechtbank verwerpt daarom de stelling van verdachte dat [verbalisant2] rechts van haar heeft gezeten, nabij het kussen/hoofdeinde. De rechtbank merkt op dat het IFS in dit verband ten onrechte is uitgegaan van de stelling van verdachte over de plek waar [verbalisant2] zou hebben gezeten (foto 23 in het rapport van 7 juni 2013).

De schoenen, jas en twee broeken van verbalisant [verbalisant2] zijn (zowel met het blote oog, microscopisch als met Luminol) onderzocht op de aanwezigheid van bloedsporen. De twee hierbij aangetroffen bloedvlekjes op de buitenkant van de jas en op de rechter broekspijp van één van de twee broeken zijn veiliggesteld voor DNA-onderzoek. Van het spoor op de broek zijn geen of geen voor een vergelijkend DNA-onderzoek geschikte DNA-profielen verkregen. Het DNA van het bloed op de jas matcht met het DNA van verbalisant [verbalisant2] zelf.40 Er is aldus geen bloed van [slachtoffer] op de kleding van [verbalisant2] aangetroffen. Om die reden verwerpt de rechtbank de mogelijkheid dat overdracht van het bloed van het slachtoffer op het hoeslaken via de kleding van [verbalisant2] heeft plaatsgevonden.

Voorts heeft verdachte nog opgemerkt dat [verbalisant2], toen hij op zijn hurken tegenover haar zat, mogelijk uit evenwicht is geraakt en daarbij mogelijk met zijn hand naar het bed heeft gegrepen om zich in balans te houden en daarbij het hoeslaken heeft aangeraakt op de plek waar de bloedvlek is aangetroffen. Als er op dat moment een geringe hoeveelheid bloed aan zijn hand heeft gezeten, dan kan hij dat op dat moment hebben overgedragen op het hoeslaken.

De rechtbank overweegt dat verbalisant [verbalisant2] heel stellig heeft verklaard dat hij geen bloed heeft aangeraakt.41 Verder heeft hij verklaard dat hij, nadat hij bij [slachtoffer] naar een hartslag heeft gevoeld, op enig moment, tijdens het gesprek met verdachte, wegwerphandschoenen heeft aangetrokken.42 Hij had geen bloed van [slachtoffer] op zijn handen of handschoenen.43 De rechtbank gaat er daarom vanuit dat hij geen bloed aan zijn handen heeft gehad.

Daarbij komt dat op foto 3 op pagina 1523 van het dossier (dat is foto 24 in het rapport van het IFS d.d. 7 juni 2013) te zien is dat de locatie van de bloedvlek op het hoeslaken zich op enige afstand van de bedrand bevindt. Er van uitgaande dat [verbalisant2] voor verdachte gehurkt zat en hij zich dus op enige afstand van het bed bevond, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de bloedvlek op deze wijze is ontstaan.

Verdachte heeft verklaard dat zij niet van de slaapkamer (waar zij die nacht sliep) af is geweest.44 Dat betekent dat het bloed – volgens de verklaring van verdachte – ook niet op het hoeslaken terecht kan zijn gekomen doordat verdachte het zelf heeft overgedragen nadat zij op de kamer waar het slachtoffer is aangetroffen is geweest, bijvoorbeeld om te kijken hoe het met haar man ging.

Gelet op het vorenstaande kan dan ook – binnen het inbraakscenario – niet worden verklaard op welke wijze het bloed van [slachtoffer] op het hoeslaken van het bed waarin verdachte sliep terecht kan zijn gekomen.

Verdachte verklaart wisselend over het tijdstip waarop inbrekers in de woning zouden zijn

Toen verdachte op 20 oktober 2011 om 04.04 uur met 112 belde, zei ze eerst tegen de meldkamer in Driebergen het volgende: “… ze zijn bij mij, bij ons, in huis”45 en vervolgens zei ze tegen de meldkamer in Nijmegen: “ze zijn bij ons in huis”46. Toen de politie ter plaatse was zei ze echter dat ze ongeveer een half uur daarvoor iemand op de trap had gehoord.47 Dit, terwijl het gesprek met de meldkamer van 112 slechts 4 minuten en 37 seconden heeft geduurd en de politie nog voor het einde van dat gesprek ter plaatse was.48 Nog diezelfde dag heeft ze verklaard dat ze gestommel op de trap hoorde, vervolgens een schreeuw of kreet en dat ze toen haar mobiel heeft gepakt en 112 heeft gebeld.49 Op 11 november 2011 verklaarde verdachte dat ze minuten op het bed heeft gezeten voordat ze ging bellen. Dit kan ook een half uur zijn geweest of een kwartier.50

Het is op zijn minst merkwaardig dat verdachte kennelijk niet meer weet of ze 112 heeft gebeld toen de inbrekers nog in de woning waren, of dat ze enige tijd heeft gewacht - misschien zelfs een half uur - tot de inbrekers de woning hadden verlaten, voordat ze heeft gebeld. Ook is het opvallend dat verdachte heeft verklaard buiten het gestommel op de trap en één kreet (van vermoedelijk het slachtoffer) niets te hebben gehoord.51 De rechtbank heeft tijdens de schouw op 30 september 2012 waargenomen dat –terwijl buiten een werkende generator van de politie-unit veel omgevingsgeluid veroorzaakte- de bovenverdieping gehorig is en dat het minste geluid op de kamer van het slachtoffer goed hoorbaar is op de kamer van verdachte, ook met beide deuren dicht.

Conclusie ten aanzien van het inbraak scenario

Gelet op het voren overwogene in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank het inbraakscenario niet aannemelijk. De inbraak lijkt in scene te zijn gezet, [slachtoffer] is in zijn slaap overvallen en de bloedsporen op het nachthemd en het hoeslaken kunnen in dit scenario op geen enkele wijze worden verklaard.

Scenario 2: verdachte heeft [slachtoffer] om het leven gebracht

Door de politieagenten die ter plaatse kwamen is geconstateerd dat de arm van [slachtoffer] koud was en stijf. De politieagent voelde ook geen hartslag meer.52 Zoals reeds bij de vaststaande feiten is beschreven, staat vast dat [slachtoffer] tussen 01.44 en 04.08 uur is overleden.

Nu verdachte zich die nacht in de woning bevond, heeft zij de tijd en gelegenheid gehad om [slachtoffer] van het leven te beroven alsmede om zich te ontdoen van de wapens en een inbraak in scene te zetten. Verdachte heeft een inbraak geënsceneerd en vervolgens 112 gebeld. De rechtbank ziet voor die handelingen geen enkele andere mogelijke reden dan dat zij iets wil verhullen, namelijk dat zij zelf [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

Nu de bloedsporen op het nachthemd daar tijdens of (kort) na het delict op moeten zijn gekomen en er geen andere personen in de woning aanwezig waren dan verdachte en [slachtoffer], kan het niet anders zijn dan dat verdachte het nachthemd in de bewuste nacht wel heeft gedragen en dat de sporen daar op zijn gekomen toen of nadat zij [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

De beoordeling van het scenario

Het forensisch onderzoek is, met name in de laatste fase van de procedure, sterk gericht geweest op de kwalificatie en herkomst van de bloedsporen op het nachthemd en het hoeslaken. Dat onderzoek door het NFI en het IFS werd bemoeilijkt doordat de bloedsporen als gevolg van bemonstering zijn verdund, voordat het materiaal werd ingezonden voor bloedspoor-onderzoek. De NFI-deskundigen [deskundige5] en [deskundige1] hebben, ieder afzonderlijk, verklaard dat niet meer kan worden vastgesteld op welke wijze de bloedvlekken op het hoeslaken en nachthemd zijn ontstaan terwijl ten aanzien van het bloedstolsel op het nachthemd wel vast staat dat het daar enige tijd na uittreding van het bloed uit het lichaam van [slachtoffer] terecht moet zijn gekomen.53 De deskundigen [deskundige2] en [deskundige3] van het IFS achten het aannemelijk dat het bloedstolsel en de bloedvlek daaronder, met enige kracht op het nachthemd terecht zijn gekomen omdat het bloed deels door het textiel is getrokken en ook aan de binnenzijde van het nachthemd aanwezig is, hetgeen de kans vergroot dat het geen contactsporen zijn, maar bloedspatten. Deze kunnen -in theorie- zijn ontstaan hetzij doordat er enige kracht is uitgeoefend op een met bloed besmeurd object waarop zich in dit geval ook deels gestold bloed moet hebben bevonden, hetzij doordat met een met (deels gestold) bloed besmeurd object is rondgezwaaid waardoor bloedspatten op voorwerpen in de directe omgeving zijn beland (het trekken van een mes uit een verwonding kan dit beeld opleveren).54 Impact in deels gestold bloed vormt evenwel geen goede verklaring voor deze sporen (er van uitgaande dat het nachthemd werd gedragen tijdens het delict) omdat er dan méér bloedsporen te zien zouden moeten zijn, tenzij over het nachthemd nog een ander kledingstuk werd gedragen dat de meeste bloedspatten heeft opgevangen. Het bloedstolsel wijst er in ieder geval op dat er enige tijd (ten minste vijf minuten, maar waarschijnlijk langer) verstreken is tussen het toebrengen van de verwonding en het moment dat het bloed(stolsel) op het nachthemd terecht is gekomen.55 Volgens [deskundige1] van het NFI zijn er evenwel onvoldoende vaststaande gegevens om een conclusie te kunnen trekken dienaangaande.56

De rechtbank concludeert dat het forensisch onderzoek door NFI en IFS geen eenstemmige, afdoende verklaring heeft opgeleverd voor het aantreffen van bloed van het slachtoffer op het nachthemd en het hoeslaken. Dat neemt niet weg dat de rechtbank op basis van de bevindingen van de deskundigen, tegen de achtergrond van het dossier als geheel, wel tot een oordeel kan komen.

Het NFI heeft geconcludeerd dat, indien iemand anders dan [slachtoffer] bij het ontstaan van de bloedspatten op de vloer, tegen de muren en de linnenkast aanwezig is geweest, het aannemelijk is dat soortgelijke bloedspatten op de kleding van deze persoon terecht zijn gekomen. Deze bloedspatten kunnen in dat geval zeer klein zijn en/of kunnen laag op de benen en op het schoeisel zitten, en daarom in eerste instantie over het hoofd worden gezien.57 Op het lichaam van [slachtoffer] zijn kleine bloedstolsels aangetroffen. Gezien de bloedspoorpatronen is dit bloed aanvankelijk in vloeibare vorm over het lichaam uitgestroomd en vervolgens, onder invloed van de lichaamsbeharing en lichaamswarmte relatief snel gestold.58

Op het nachthemd van verdachte bevinden zich twee bloedvlekken aan de onderzijde van het nachthemd, waaronder, als gezegd, een bloedstolsel.59 Als deze bloedvlekken moeten worden gezien als bloedspatten, kunnen zij bij gebreke van een andere, aannemelijke verklaring, daarop gekomen zijn bij het terugtrekken van het mes uit een wond of een impact op het lichaam van [slachtoffer] waarop zich zowel vloeibaar als gestold bloed bevond. Als de bloedvlekken moeten worden gezien als contactsporen, dan is de volgende observatie van [deskundige1] van belang. Het bloedstolsel en de bloedvlek bevinden zich op circa 65 centimeter gemeten vanaf de rechterschouder van het nachthemd. Deze locatie is eenvoudig te bereiken met een bebloede (rechter)hand van de drager van het nachthemd dan wel met een bebloed voorwerp (mes?) dat wordt vastgehouden.60 Beide mogelijkheden zijn verenigbaar met de forensische bevindingen. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat verdachte, anders dan zij zelf verklaart, het nachthemd die bewuste nacht heeft gedragen voordat de agenten ter plaatse kwamen.

Deskundigen [deskundige2] en [deskundige3] van het IFS hebben geconstateerd dat de bloedvlek op het hoeslaken van het bed van verdachte qua grootte kan zijn veroorzaakt door het volume van bloed op het nachthemd. De locatie van het bloed op het nachthemd lijkt in aanmerking te komen om een overdrachtspatroon op het hoeslaken te kunnen veroorzaken wanneer de drager op het bed gaat zitten of liggen (secundaire overdracht).61 Deskundige [deskundige1] acht deze conclusie weliswaar niet uitgesloten, maar ook niet voor de hand liggen omdat alsdan op het hoeslaken niet één, maar twee bloedvlekken te zien zouden zijn. Het nachthemd bevatte immers ook twee vlekken op ca. 4 mm afstand van elkaar.62

De rechtbank acht dit evenwel niet onaannemelijk, in aanmerking genomen dat één van deze bloedsporen op het nachthemd een bloedstolsel betreft, dat aanmerkelijk kleiner is dan de daaronder gelegen bloedvlek. Bepaald niet uitgesloten is dat het (bloed rondom het) bloedstolsel reeds te veel was opgedroogd om nog een contactspoor te kunnen veroorzaken.

Conclusie ten aanzien van beide geschetste scenario’s

Gelet op het voorgaande, wordt het scenario waarin verdachte verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer] enerzijds ondersteund door het voorhanden bewijsmateriaal, terwijl er anderzijds geen bewijsmateriaal is dat dit scenario onwaarschijnlijk maakt. Voor de juistheid van het inbraak-scenario is geen steun te vinden in het dossier, terwijl er daarentegen wel omstandigheden zijn die dit scenario tegenspreken.

Dat stelt de rechtbank voor de vraag of het tweede scenario ook juist is, anders gezegd, of de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen in het dossier ook de wettelijk vereiste overtuiging heeft verkregen dat verdachte schuldig is aan de dood van het slachtoffer. Daarbij worden de volgende feiten en omstandigheden betrokken.

De internethistorie van de computer op verdachtes werkplek,63 is onderzocht over de periode augustus 2011 tot en met oktober 2011. Op 4 augustus 2011 om 14.19 uur is er op die computer gezocht met de zoektermen: “ik hou niet meer van mijn man”.64 Op 31 augustus 2011 om 13.23 uur is gezocht met de zoektermen: “dodelijke klap tegen zijkant hoofd”.65 Diezelfde dag werd om 13.33 uur ingelogd op het hotmailaccount van [emailaccount].66 Op 12 september 2011 werd er om 11.03 uur op die computer gezocht naar “huis vrijgeven na moord” en om 12.32 uur naar “na moord huis weer schoonmaken” en twee minuten later naar “extreem schoonmaken na delict”. Om 12.59 uur wordt met deze computer nog gezocht naar: “mijn man doet er alles aan om mij te laten blijven” en om 13.06 naar “bewijs” en “alibi”.67

Verdachte heeft verklaard dat zij deze zoektermen inderdaad heeft ingevoerd. De zoektermen “ik hou niet meer van mijn man” heeft ze ingevoerd, omdat ze informatie wilde over echtscheidingen. Verder heeft ze gezocht op “dodelijke klap tegen zijkant hoofd” uit interesse nadat ze hier wat over had gezien op tv (bij politieseries zoals CSI, Bones of Cold Case). Ze was ook geïnteresseerd in hoofdpijn doordat [slachtoffer] vaak last had van hoofdpijn. De door haar ingevoerde zoektermen zoals “na moord huis weer schoonmaken” en “extreem schoonmaken na delict” hebben eveneens te maken met interesse in politieseries. “Alibi” is de naam van een boek dat ze ooit in bezit heeft gehad. Ze had veel interesse in boeken. Ze was ook geïnteresseerd in de nasleep van moordzaken zoals ze die op tv zag: wat gebeurde er met een plaats delict, door wie en hoe werd dat schoongemaakt.68

De computer in de woning van verdachte en [slachtoffer] aan de [adres] in Tiel is op 20 oktober 2011 in beslag genomen. Op die computer is op de volgende data naar de volgende zoektermen gezocht.

Op 26 augustus 2011 tussen 18.04 en 18.15 uur: “hoe vergiftig ik mijn vrouw”, “zelfdoding”, “perfecte moord”, “perfecte dood” en weer “perfecte moord”. Na afloop van deze zoektocht zijn vanaf 18.18 uur onder meer de volgende sites bezocht: sunweb (een vakantiesite), neerlandstuin (over giftige struiken en planten). Tussen 18.18 uur en 18.33 uur is er geen internethistorie en daarna worden de volgende sites bezocht: kennislink.nl, youtube.com en modelbouwforum.nl.69

Op 5 september 2011 is op deze computer tussen 14.44 en 14.55 onder meer gezocht naar: “klap tegen slaap”, “harde klap op hoofd”, “dodelijke klap”, “slaapzijde hoofd” en verder op: “noodweerexces”, “misdrijf”, “menselijke anatomie”, “hoofd”. Ten slotte is nog twee maal gezocht op “dodelijke slag”. Voorafgaand aan deze zoeksessie is om 14.23 ingelogd op [emailaccount], om 14.30 ingelogd op hobbyking.com (radiografisch bestuurbare vliegtuigjes), om 14.33 ingelogd op robdebruin.smugsmug.com (bedrijf Fotofinesse) en om 14.41 uur ingelogd op zalando.nl (een site voor schoenenverkoop). Tijdens de zoeksessie is om 14.54 uur de site www.vakantiekanaal.be (een vakantiesite) bezocht en is tweemaal een bezoek gebracht aan facebook.com.70

Op 12 september 2011 is via deze computer om 18.30 uur gezocht naar “ik wil dood” en “ik wil een vriendje” en om 18.33 uur naar “ik wil een moord”. Vóór deze sessie zijn sites onder meer de volgende sites bezocht: www.facebook.com, www.fjordtours.com (een vakantiesite voor Noorwegen), www.hotmail.com, www.hotelspecials.com en www.veluwsebron.nl (een site van een sauna en wellness center). Ook na de zoeksessie is nog gezocht naar vakanties in Noorwegen en om 18.24 uur is bij Hotmail ingelogd op met de inloggegevens van verdachte.71

Op 18 september 2011 is op deze computer om 15.02 uur een artikel bekeken over “moord”. Vervolgens is gezocht naar “moord met voorbedachte rade” en is nog een artikel bekeken over “moord, doodslag of dood door schuld”. Om 15.09 uur wordt www.facebook.com bezocht. Net voor de zoeksessie is om 14.59 uur ingelogd op [emailaccount].72

Verdachte heeft verklaard dat haar man geen gebruik maakte van Facebook en dat zij waarschijnlijk de persoon is die op 5 september 2011 op de computer thuis heeft gezocht naar “klap tegen slaap”, “harde klap op slaap gehad”, “harde klap op hoofd”. Het kan ook wel kloppen dat ze op 12 september 2011 “ik wil dood”, ‘ik wil een vriendje” en “ik wil een moord” heeft ingetikt.73

De uitleg die verdachte geeft voor het bezoeken van deze sites en het invoeren van deze zoektermen is niet geloofwaardig. Wanneer zij geïnteresseerd was in boeken over moord en doodslag of alibi's, had het voor de hand gelegen dat zij de sites van boekhandels zou bezoeken en niet ‘blindelings’ zou gaan googlen. Zij heeft echter voor het laatst in mei 2011 de website van Bol.com bezocht.74 Ze heeft verklaard dat haar man een paar duizend boeken had gedownload, maar ze hadden thuis geen E-reader.75 In de woning zijn geen thriller- of politieboeken gevonden. Bij de bibliotheek en uit de verhoren van naaste familie en vrienden zijn evenmin aanwijzingen verkregen dat verdachte daadwerkelijk geïnteresseerd was in dat type boeken en die ook las. Haar zoon [zoon] heeft verklaard dat zijn moeder weliswaar geïnteresseerd was in politieseries, maar geen detectives las; haar voorkeur voor lezen ging uit naar de Bouquet-reeks.76 Datzelfde is verklaard door haar vriendin [vriendin]: verdachte vond het wel leuk om politieseries te kijken, maar interesse in politiewerk heeft zij bij haar nooit bespeurd. Zij las alleen maar "troep, boeketromannetjes en zo".77

Daar komt bij dat de verklaring die verdachte geeft voor sommige zoekopdrachten niet lijkt te stroken met de betreffende zoekopdrachten. Zo heeft verdachte verklaard dat ze heeft gezocht op “dodelijke klap tegen zijkant hoofd” omdat [slachtoffer] vaak last had van hoofdpijn. Uit het dossier blijkt niet dat die hoofdpijn zou zijn veroorzaakt door een klap, laat staan een dodelijke klap. Die verklaring van verdachte verklaart aldus nog steeds niet waarom er is gezocht op “dodelijke klap”.

Het huwelijk tussen verdachte en haar man was al enige jaren niet goed. Verdachte voelde zich ernstig verwaarloosd; haar man had alleen maar aandacht voor de computer en zijn modelbouw-hobby en zij hadden al jaren nauwelijks meer een seksuele relatie. Haar man maakte voortdurende denigrerende opmerkingen, waardoor zij zich “als een uitgedrukte sigaret voelde”. Begin 2011 is zij gaan nadenken over echtscheiding en heeft zij daarover informatie ingewonnen.78 Tijdens haar relatie heeft verdachte diverse buitenechtelijke relaties gehad en heeft zij parenclubs bezocht ter bevrediging van haar (seksuele) behoeften die niet in haar eigen relatie werden bevredigd.79 Met dat doel heeft zij ook contact gehad met ene [deskundige4] welk contact zij onderhield ten tijde en ook na het delict.80

In het licht van alle feiten en omstandigheden in deze zaak

  • -

    het huwelijk van verdachte en [slachtoffer] was de laatste jaren ronduit slecht en verdachte leed daaronder;

  • -

    verdachte had diverse buitenechtelijke affaires;

  • -

    verdachte heeft in de periode voor de dood van [slachtoffer] op internet een speurtocht verricht naar de mogelijkheden om dodelijk geweld te plegen (“dodelijke klap tegen hoofd”, “ik wil een moord”) en de consequenties daarvan (“na moord huis weer schoonmaken”; “bewijs”, “alibi”, “noodweer”);

  • -

    [slachtoffer] heeft daadwerkelijk een harde klap tegen de zijkant van zijn hoofd gekregen;

  • -

    verdachte heeft getracht om zichzelf een alibi te verschaffen door de inbraak in scène te zetten;

  • -

    verdachte had de tijd en de mogelijkheid om het delict te plegen en de wapens en andere voorwerpen kwijt te maken;

  • -

    op het hoeslaken in de kamer waar alleen zij was geweest die nacht, is bloed van het slachtoffer aangetroffen waarvoor geen andere verklaring bestaat;

acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

Voorbedachte raad

Zoals reeds bij de vaststaande feiten is overwogen, is tegen [slachtoffer] geweld gebruikt met twee verschillende wapens: 1. een voorwerp met twee evenwijdige uitstulpingen (zoals klauwhamer of breekijzer) en 2. een of meer messen.

Ten aanzien van de volgorde waarin de verwondingen zijn toegebracht overweegt de rechtbank het navolgende. Volgens deskundige [deskundige4] van het NFI zijn de verwondingen aan het hoofd waarschijnlijk eerder toegebracht dan de verwondingen aan het bovenlichaam, gelet op de aangetroffen bloedsporen op het beddengoed en op [slachtoffer]. Omdat de verwondingen in het bovenlichaam waarschijnlijk meer bloedverlies zullen hebben opgeleverd dan de verwonding aan het hoofd, is de afwezigheid van grote(re) bloedsporen op het hoeslaken bij het hoofdkussen iets waarschijnlijker als er op dat moment nog geen verwondingen aan het bovenlichaam waren.81

Er zijn twee scenario’s denkbaar:

  1. Verdachte is met de twee wapens naar [slachtoffer] toe gegaan en heeft hem eerst een klap op het hoofd gegeven en vervolgens met een mes meerdere malen gestoken.

  2. Verdachte is met één wapen naar [slachtoffer] toe gegaan en heeft hem een klap op het hoofd gegeven. Vervolgens is zij een (of meer) messen gaan halen en terug gegaan en heeft zij hem meerdere malen gestoken.

In beide scenario’s lag [slachtoffer] te slapen en werd hij in zijn slaap overvallen (zijn bril lag op het nachtkastje en het slachtoffer was zeer slechtziend).

Ten aanzien van het eerste scenario overweegt de rechtbank het navolgende. In dit scenario is verdachte midden in de nacht, terwijl [slachtoffer] lag te slapen, gewapend met meerdere wapens doelbewust naar [slachtoffer] toegelopen om hem eerst een klap om zijn hoofd te geven en vervolgens meerdere malen te steken. Deze elementen van de uiterlijke verschijningsvorm dragen de conclusie dat verdachte voorafgaande aan het slaan, maar ook toen zij meermalen met een mes op het slachtoffer instak, tijd en gelegenheid heeft gehad zich te beraden op wat zij aan het doen was en zich daar rekenschap van te geven.

In het tweede scenario is verdachte midden in de nacht, terwijl [slachtoffer] lag te slapen, gewapend met een slagvoorwerp naar [slachtoffer] toe gelopen en heeft hem een of meer klappen tegen zijn hoofd gegeven. Vervolgens heeft verdachte de slaapkamer verlaten om één (of meer) mes(sen) te halen en is zij, daarmee gewapend, naar [slachtoffer] teruggekeerd. Vervolgens heeft ze [slachtoffer] meerdere malen gestoken. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze feiten en omstandigheden dat er meerdere momenten zijn geweest waarop verdachte voldoende tijd gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Zij heeft voldoende tijd gehad om zich te beraden voordat zij de kamer binnenging en toen ze de kamer verliet om één (of meer) mes(sen) te halen, maar ook toen zij weer terug was in de slaapkamer en daarmee [slachtoffer] daadwerkelijk meerdere keren heeft gestoken.

In beide scenario’s is de rechtbank aldus reeds op grond van de vorenstaande feiten en omstandigheden van oordeel dat er sprake is van voorbedachte raad. De rechtbank heeft zich beraden over de vraag of er sprake is van contra-indicaties die na weging in de weg zouden staan aan het trekken van deze conclusie. Verdachte heeft het feit volledig ontkend, zodat in ieder geval uit haar verklaring geen contra-indicaties zijn te putten die een ander zicht kunnen geven op de gang van zaken op de plaats van het delict. Ook overigens zijn dergelijke contra-indicaties niet aannemelijk geworden.

Eindconclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

zij in de periode van 19 oktober 2011 tot en met 20 oktober 2011 te Tiel, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen, met een mes in het lichaam (borststreek) heeft gestoken en met een hard voorwerp tegen het hoofd heeft geslagen, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van primair:

Moord.

Het feit is strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Klinisch psycholoog [klinisch psycholoog] en psychiater [psychiater] komen beiden tot de conclusie dat er geen sprake is van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie is tot deze eis gekomen vanwege de ernst van het feit en het leed dat verdachte daarmee heeft toegebracht aan de nabestaanden. Tevens houdt de officier van justitie rekening met de achtergrond dat verdachte in haar huwelijk doodongelukkig en erg gekrenkt was, dat ze zich gevangen voelde in haar huwelijk en financieel aan het slachtoffer gebonden voelde en geen andere uitweg meer zag. Voorts leest de officier van justitie in de gedragskundige rapportage dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is en houdt hij daarmee rekening bij de oplegging van de straf.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is geen strafmaatverweer gevoerd, nu vrijspraak is bepleit.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

  • -

    de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

  • -

    de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

 het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 8 mei 2013;

 een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, d.d. 14 december 2011, betreffende verdachte;

 een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, d.d. 30 maart 2012, betreffende verdachte; en

 een multidisciplinair rapport van drs. [klinisch psycholoog], klinisch psycholoog, gedateerd 7 maart 2012 en van dr. [psychiater], psychiater, gedateerd 16 maart 2012.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft in de nacht van 19 op 20 oktober 2011 haar echtgenoot vermoord. Zij heeft hem in zijn eigen huis, terwijl hij sliep – het moment waarop je als persoon het meest kwetsbaar bent – overvallen. Ze heeft, na wat een zorgvuldige planning moet zijn geweest, het slachtoffer eerst een harde klap op zijn hoofd gegeven en vervolgens meerdere malen gestoken. Het feit dat verdachte de echtgenote van het slachtoffer is, geeft met de wijze waarop de moord is gepleegd, de feiten een buitengewoon luguber karakter.

Na deze schokkende daad heeft verdachte zich niet bekommerd om het zwaar gewonde slachtoffer. Integendeel, zij heeft zichzelf ontdaan van de moordwapens, eventuele verdere sporen gewist en een inbraak in scène gezet. Vervolgens heeft zij 112 gebeld met de mededeling dat er mensen in huis waren om ontdekking te voorkomen. De rechtbank rekent verdachte deze compassieloze en berekenende handelwijze zeer aan. Haar houding tijdens het delict getuigt van koelbloedigheid. Deze koelbloedigheid en het berekenende karakter van haar handelen blijkt ook uit de door verdachte ingevoerde zoektermen waarmee zij gedurende enkele maanden via internet informatie heeft gezocht over hoe zij haar echtgenoot om het leven kon brengen en vervolgens het huis zou kunnen schoonmaken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig delict. Moord is één van de zwaarste delicten die het wetboek van Strafrecht kent. Zij heeft van het slachtoffer zijn meest waardevolle bezit – zijn leven – ontnomen. Verdachte heeft de nabestaanden van het slachtoffer zeer ernstig leed toegebracht. Dit geldt niet alleen voor de moeder, broer en zuster van het slachtoffer, maar in het bijzonder voor de kinderen van het slachtoffer en verdachte. Zij hebben door toedoen van verdachte hun vader verloren. Een dergelijke gebeurtenis is voor een ieder ontwrichtend, maar het feit dat de kinderen geruime tijd – in een periode van rouw – in onzekerheid hebben geleefd over wie de dader is en juist aan de rol van hun eigen moeder zijn gaan twijfelen, maakt de impact van het handelen van verdachte op hen des te groter. Wat de reden ook heeft mogen zijn, niets kan deze daad rechtvaardigen.

Dat verdachte in haar huwelijk doodongelukkig en erg gekrenkt was, dat ze zich gevangen voelde in haar huwelijk, dat zij zich financieel aan het slachtoffer gebonden voelde en geen andere uitweg meer zag, doet hieraan niet af. Niet is gebleken dat verdachte niet op een andere wijze haar huwelijk had kunnen beëindigen of dat [slachtoffer] zich met onredelijke middelen tegen een echtscheiding zou verzetten.

Feiten als het onderhavige brengen voorts onrust teweeg in de maatschappij en veroorzaken een gevoel van onveiligheid. Door haar ontkenning heeft zij geen inzicht in het waarom van haar daad willen geven.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het multidisciplinair rapport, opgemaakt door drs. [klinisch psycholoog], klinisch psycholoog, en [psychiater], psychiater. Zij concluderen dat bij verdachte geen ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens is vastgesteld.

Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte vermindert. In tegenstelling tot de officier van justitie ziet de rechtbank geen reden om uit te gaan van een enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid, nu de rapportages daartoe geen aanleiding geven. Ook het gegeven dat verdachte een slecht huwelijk had, kan deze conclusie niet rechtvaardigen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is. Deze straf is hoger dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank in tegenstelling tot de officier van justitie geen rekening houdt met de door de officier van justitie genoemde strafverminderende factoren, maar wel met het feit dat verdachte buitengewoon berekenend heeft gehandeld.

Door de raadsman is verzocht om het beslag op de uitgekeerde levensverzekering op te heffen. De rechtbank overweegt dat er conservatoir beslag is gelegd op de uitgekeerde levensverzekering. In de onderhavige procedure is de rechtbank niet bevoegd over het voortduren van dit beslag een beslissing te nemen, zodat dit als vaststaand gegeven dient te worden beschouwd. Nu dit beslag gelegd is, hoeft de rechtbank bij dit vonnis in de hoofdzaak geen beslissing te geven met betrekking tot de uitgekeerde levensverzekering.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. F.J.H. Hovens (voorzitter), mr. M.M.L.A.T. Doll en mr. C. van Linschoten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.C.C. van den Bosch en mr. H.L. Miedema, griffiers

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 juni 2013.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant3] van de regiopolitie Gelderland-Zuid, Team Grootschalige Opsporing, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 08TGO11007, onderzoek ‘[TGO]’, gesloten op 31 mei 2012 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2013; proces-verbaal van bevindingen, p. 306 en 307.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 311.

4 Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI), p. 1968.

5 Een rapport van het NFI, p. 1735.

6 Een rapport van het NFI, p. 1925.

7 Een rapport van het NFI, p. 1935 en 1936.

8 Een rapport van het NFI, p. 1735 en 1736.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1456 en 1457 en een rapport van het NFI, p. 1794 tot en met 1798.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1519.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1419

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1524.

13 Het rapport van het NFI van 24 december 2012, p. 1994.

14 Een rapport van het NFI, p. 1774 en 1775 alsmede het rapport van Independent Forensic Services (hierna: het IFS) van 12 februari 2013 (p. 20-23).

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte als getuige, p. 73 alsmede haar verklaring ter terechtzitting van 12 maart 2013.

16 Proces-verbaal van bevindingen, p. 311 en proces-verbaal van bevindingen, p. 325.

17 Proces-verbaal van bevindingen, p. 325.

18 Proces-verbaal van bevindingen, p. 329 en proces-verbaal van bevindingen, p. 1471.

19 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2013.

20 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1471.

21 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2013.

22 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2013.

23 Een rapport van het NFI, p. 1795.

24 Een rapport van het IFS, d.d. 12 februari 2013 (p. 27).

25 Proces-verbaal van bevindingen, p. 621 en 622 en een rapport van IFS, d.d. 12 februari 2013 (p. 26).

26 Proces-verbaal van bevindingen, p. 621 en verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2013.

27 Proces-verbaal van bevindingen, p. 346.

28 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2013.

29 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1675.

30 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2013.

31 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1524.

32 Het rapport van het NFI van 31 mei 2013 (p. 20) en de verklaring van deskundige [deskundige1] ter zitting van 12 juni 2013.

33 De verklaring van deskundige ing. [deskundige2] ter terechtzitting van 12 juni 2013.

34 Het rapport van het NFI van 31 mei 2013 (p. 21).

35 De verklaring van deskundige ing. [deskundige2] ter terechtzitting van 12 juni 2013.

36 Proces-verbaal van verhoor van verdachte als getuige, p. 822.

37 Waarneming van de rechtbank tijdens de reconstructie op 30 oktober 2012, zoals vastgelegd op de dvd (21.09 uur en 21.30 uur op de dvd, reconstructie van [verbalisant2]).

38 Waarneming van de rechtbank tijdens de reconstructie op 30 oktober 2012.

39 Waarneming van de rechtbank tijdens de reconstructie op 30 oktober 2012, zoals vastgelegd op de dvd (22.38 uur op de dvd, reconstructie van [verbalisant1]) alsmede het proces-verbaal van getuigenverhoor [verbalisant1] door de rechter-commissaris (p. 7).

40 Een rapport van het NFI van 10 december 2012.

41 Waarneming van de rechtbank tijdens de reconstructie, vastgelegd op DVD (20.59 uur en 21.57 uur op de dvd, reconstructie van [verbalisant2]).

42 Proces-verbaal van bevindingen, p. 320; proces-verbaal van getuigenverhoor [verbalisant2] door de rechter-commissaris (p. 4).

43 Proces-verbaal van bevindingen, p. 323.

44 Proces-verbaal van verhoor van verdachte als getuige, p. 826 en haar verklaring ter zitting van 12 maart 2013 (p. 5).

45 Proces-verbaal van bevindingen, p. 309.

46 Proces-verbaal van bevindingen, p. 306.

47 Proces-verbaal van bevindingen, p. 312.

48 Proces-verbaal van bevindingen, p. 306 en 307.

49 Proces-verbaal van verhoor van verdachte als getuige, p. 798.

50 Proces-verbaal van verhoor van verdachte als getuige, p. 826 en haar verklaring ter zitting van 12 maart 2013 (p. 2 en 4)

51 Verklaring verdachte ter zitting van 12 maart 2013 (p. 4).

52 Proces-verbaal van bevindingen, p. 311.

53 Een rapport van het NFI (d.d. 24 februari 2012), p. 2002 en het rapport van het NFI van 31 mei 2013 (p. 21).

54 Het IFS-rapport d.d. 12 februari 2013, p. 38 en de verklaring van van deskundige ing. [deskundige2] ter zitting van 12 juni 2013.

55 Het IFS-rapport d.d. 7 juni 2013 (p. 14).

56 De verklaringen deskundige [deskundige1] ter zitting van 12 maart 2013 en 12 juni 2013.

57 Een rapport van het NFI, p. 1805.

58 Het rapport van het NFI van 31 mei 2013 (p. 16).

59 Een rapport van het NFI, p. 2001.

60 Het rapport van het NFI van 31 mei 2013 (p. 17).

61 Het rapport van het IFS van 12 februari 213 (p. 40, foto’s 40 en 41).

62 Een rapport van het NFI van 31 mei 2013 (p. 22).

63 Proces-verbaal van verhoor van verdachte als getuige, p. 813.

64 Proces-verbaal van bevindingen, p. 391 en 932 en proces-verbaal van bevindingen, p. 399.

65 Proces-verbaal van bevindingen, p. 391 en 932 en proces-verbaal van bevindingen, p. 411.

66 Proces-verbaal van bevindingen, p. 391 en 392.

67 Proces-verbaal van bevindingen, p. 391 en 932 en proces-verbaal van bevindingen, p. 401 t/m 405.

68 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 91; verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2013 (p.12).

69 Proces-verbaal van bevindingen, p. 437 tot en met 440.

70 Proces-verbaal van bevindingen, p. 458 tot en met 461.

71 Proces-verbaal van bevindingen, p. 492 tot en met 494.

72 Proces-verbaal van bevindingen, p. 485.

73 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2013.

74 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 138.

75 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2013 (p.12).

76 Proces-verbaal verhoor [zoon], p. 599.

77 Proces-verbaal van verhoor [vriendin], p. 977.

78 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2013 (p. 7).

79 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2013; processen-verbaal van verhoor van [naam1], p. 1033 en [naam2], p. 1040, proces-verbaal verhoor [naam3], p. 994. en proces-verbaal van verhoor verdachte als getuige, p. 69.

80 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2013.

81 Een rapport van het NFI, p. 1804.