Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:1439

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-06-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
05/701945-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft een 27-jarige man veroordeeld tot een werkstraf van zestig uren en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met een proeftijd van drie jaar wegens overtreding van artikel 6 en 7 Wegenverkeerswet 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/701945-12

Data zittingen : 26 april 2013 en 14 juni 2013

Datum uitspraak : 28 juni 2013

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedag]

adres : [adres]

plaats :[woonplaats]

Raadsman: mr. F.H.J. van Gaal, advocaat te Wijchen. 1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 29 augustus 2012, te Beneden-Leeuwen, gemeente Maas en

Waal, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van

een motorrijtuig (bedrijfsauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar

verkeer openstaande weg(en), de Zandstraat, roekeloos, althans zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd,

niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem liggende weggedeelte van die weg heeft gelet en/of is blijven letten, en/of

(daarbij) naar links heeft gestuurd, en/of

(daarbij) terecht is gekomen op het weggedeelte, bestemd voor het tegemoetkomend verkeer, zonder dat er enige te rechtvaardigen aanleiding of reden was om op dat weggedeelte (voor het tegemoetkomend verkeer) te (gaan) rijden, in elk geval niet, althans onvoldoende, heeft voldaan aan zijn verplichting zoveel mogelijk rechts te houden, als bedoeld in artikel 3 van

het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met de

bestuurder van fiets, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met de bestuurder

van het gehandicaptenvoertuig, en/of

welke hem over die Zandstraat tegemoet kwam(en),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer1]) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 29 augustus 2012, te Beneden-Leeuwen, gemeente Maas en

Waal, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder

van een motorrijtuig (bedrijfsauto) daarmede rijdende over de voor het

openbaar verkeer openstaande weg(en), de Zandstraat,

terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd,

niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem liggende weggedeelte van die weg heeft gelet en/of is blijven letten, en/of

(daarbij) naar links heeft gestuurd, en/of

(daarbij) terecht is gekomen op het weggedeelte, bestemd voor het tegemoetkomend verkeer, zonder dat er enige te rechtvaardigen aanleiding of reden was om op dat weggedeelte (voor het tegemoetkomend verkeer) te (gaan) rijden, in elk geval niet, althans onvoldoende, heeft voldaan aan zijn verplichting zoveel mogelijk rechts te houden, als bedoeld in artikel 3 van

het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met de

bestuurder van de fiets, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met de bestuurder

van het gehandicaptenvoertuig,

welke hem over die Zandstraat tegemoet kwam(en)

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij op of omstreeks 29 augustus 2012, te Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en

Waal,, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de

Zandstraat, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval

naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer1]

en [slachtoffer2]) letsel en/of schade was toegebracht, zonder dat de

verdachte behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn

identiteit en/of de identiteit van het door verdachte bestuurde motorrijtuig.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 14 juni 2013 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. F.H.J. van Gaal, advocaat te Wijchen.

De officier van justitie, mr. C.Y. Huang, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs 1

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Verdachte heeft op 29 augustus 2012 als bestuurder van een motorrijtuig, zijnde een bedrijfsauto (Peugeot Partner [kenteken]), gereden op de Zandstraat te Beneden-Leeuwen.2

De bestuurders van respectievelijk de fiets en de scootmobiel reden op de Zandstaat in de richting van de Beatrixstraat. Verdachte kwam uit de tegenovergestelde richting en kwam ter hoogte van [adres], gezien zijn rijrichting, op de linkerhelft van de rijbaan terecht. Op dat moment bevonden zich de bestuurders van de fiets ([slachtoffer1]) en de scootmobiel ([slachtoffer2]) ook ter hoogte van [adres], waarna verdachte met de linkerzijde van zijn voertuig eerst tegen de linkertrapper van de fiets is gebotst ten gevolge waarvan [slachtoffer1] ten val is gekomen. Vervolgens is verdachte tegen de scootmobiel gebotst, waardoor [slachtoffer2] is gevallen.3

Als gevolg van de botsing heeft [slachtoffer1] een hersenschudding en schade aan het gebit opgelopen. De genezingsduur wordt door de arts geschat op mogelijk één tot enkele maanden.4 Voorts zijn bij [slachtoffer1] door het ongeval diverse kneuzingen ontstaan. Zij heeft ruim een maand veel last gehad van haar arm, waardoor zij moeite had met de makkelijkste zaken. Voorts was zij door haar hersenschudding de eerste weken na het verkeersongeval duizelig en snel vermoeid. Ten tijde van het verhoor op 3 oktober 2012 heeft [slachtoffer1] verklaard nog steeds last van haar nek te hebben en daarvoor onder behandeling te zijn.5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair tenlastegelegde. Naar de mening van de officier van justitie gaat het om een grove verkeersfout van verdachte, waarbij door het verkeersongeval lichamelijk letsel met als gevolg tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, echter wel opgemerkt dat de verklaringen van de getuigen ten aanzien van de snelheid onbetrouwbaar zijn. Voorts is het mogelijk dat de bestuurders van de fiets en de scootmobiel meer in het midden van de rijbaan hebben gereden, hetgeen het gedrag van verdachte mogelijk minder verwijtbaar maakt. Er bestaat geen duidelijkheid over de exacte plaats van het ongeval op de weg.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld welke feitelijke gedragingen die ten laste zijn gelegd, kunnen worden bewezen en of de bewezen geachte feitelijke gedragingen schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 opleveren. Daarbij komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Het verkeersongeval heeft gezien de rijrichting van verdachte plaatsgevonden op een recht weggedeelte van de Zandstraat. De rijbaan op de Zandstraat had op 29 augustus 2012 een breedte van ongeveer 3,6 meter en was niet verdeeld in rijstroken.6 Verdachte heeft ten aanzien van de Zandstraat verklaard dat hij er ter plaats bekend is en het een erg drukke weg betreft.7

Het uitwijken door verdachte

Zoals vermeld onder de vaststaande feiten, is verdachte naar links uitgeweken waardoor hij op het weggedeelte dat bestemd was voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen. Getuige [getuige1] heeft verklaard dat hij geen persoon of voertuig heeft waargenomen waarvoor verdachte genoodzaakt was om uit te wijken.8 Deze verklaring wordt ondersteund door [slachtoffer2], die verklaart geen obstakels op de weg voor verdachte te hebben gezien.9 Voorts is uit het onderzoek van het team Verkeers Ongevallen Analyse niet gebleken van een obstakel dat tot het uitwijken van verdachte zou hebben kunnen geleid.10 De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte zonder te rechtvaardigen aanleiding of reden terecht is gekomen op het weggedeelte voor tegemoetkomend verkeer en daarmee niet heeft voldaan aan de verplichting om zoveel mogelijks rechts houden als bedoeld in artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

De waarneming van verdachte

Verdachte heeft verklaard niets van een botsing met een fietser en een scootmobiel te hebben gemerkt.11 Uit deze verklaring leidt de rechtbank af dat verdachte de betreffende bestuurders niet heeft waargenomen. Dit wordt ondersteund door de getuigen [getuige2], [getuige1] en [getuige3], die verklaren dat zij verdachte niet hebben zien of horen remmen.12 Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij ten tijde van het ongeval gehaast en gestresst naar huis reed en even met zijn radio bezig was, waardoor hij mogelijk minder goed oplette. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat ten tijde van het verkeersongeval sprake was van een laagstaande zon waardoor hij enigszins werd verblind.13

De snelheid van verdachte

Ten aanzien van zijn snelheid, heeft verdachte verklaard ongeveer 30 tot 40 kilometer per uur te hebben gereden.14 De getuige [getuige1] heeft verklaard dat verdachte redelijk hard en zeker harder dan 30 kilometer per uur reed.15 Deze verklaring wordt ondersteund door de getuige [getuige3], die heeft verklaard dat verdachte met ongeveer vijftig kilometer per uur reed.16 Op grond van de bovenstaande verklaringen, acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte op de Zandweg de maximumsnelheid van 30 kilometer per uur heeft overschreden.

Schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994

Gelet op de omstandigheid dat verdachte ter plaatse bekend was en wist dat de Zandstraat een smalle en drukke weg betrof, mocht van verdachte extra oplettendheid ter plaatse verwacht worden. Verdachte heeft echter verklaard met van alles bezig te zijn geweest, behalve met het besturen van zijn auto.17 Verdachte is zelfs zonder [slachtoffer1] en [slachtoffer2] waar te nemen en zonder te remmen tegen de fiets en tegen de scootmobiel gebotst. Gelet op het tijdstip van het ongeval (omstreeks 15.00 uur) en de constatering van het team Verkeers Ongevallen Analyse dat het uitzicht van verdachte op generlei wijze werd belemmerd, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat verdachte op enig moment door zonlicht werd verblind.18

Het betreft naar het oordeel van de rechtbank daarom ook meer dan een enkel moment van onoplettendheid. Voorts heeft verdachte op de Zandweg ter hoogte van [adres] met een hogere snelheid gereden dan maximum toestaan en heeft zonder concrete reden of aanleiding naar links gestuurd waardoor hij op het weggedeelte voor tegemoetkomend verkeer is terecht gekomen. Ten slotte weegt de rechtbank mee dat het slachtoffer[slachtoffer2] heeft verklaard zoveel mogelijk aan de rechterzijde van de rijbaan te hebben gereden.19Op grond van het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake van grove schuld aan de zijde van verdachte zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van het letsel van de fietser ([slachtoffer1]) is de rechtbank van oordeel dat het letsel dient te worden gekwalificeerd als lichamelijk letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 29 augustus 2012, te Beneden-Leeuwen, gemeente Maas en

Waal, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van

een motorrijtuig (bedrijfsauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar

verkeer openstaande weg(en), de Zandstraat, zeer, onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd,

in onvoldoende mate op het voor hem liggende weggedeelte van die weg heeft gelet en/of is blijven letten, en/of

(daarbij) naar links heeft gestuurd, en/of

(daarbij) terecht is gekomen op het weggedeelte, bestemd voor het tegemoetkomend verkeer, zonder dat er enige te rechtvaardigen aanleiding of reden was om op dat weggedeelte (voor het tegemoetkomend verkeer) te (gaan) rijden, in elk geval niet, heeft voldaan aan zijn verplichting zoveel mogelijk rechts te houden, als bedoeld in artikel 3 van

het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, de

bestuurder van fiets, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, de bestuurder

van het gehandicaptenvoertuig, en/of

welke hem over die Zandstraat tegemoet kwam(en),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander [slachtoffer1] zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Verdachte was op 29 augustus 2012 als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de Zandweg te Beneden-Leeuwen. Verdachte is na het horen van een knal waarbij zijn buitenspiegel inklapte, doorgereden zonder zich te vergewissen van eventueel ontstane schade en zonder zijn gegevens achter te laten.20 Ten gevolge van het verkeersongeval is bij [slachtoffer1] letsel ontstaan en is haar fiets beschadigd.21 Voorts zijn door de botsing van verdachte met de scootmobiel de stoel, de accu, het kunststofscherm en het spatbord van de scootmobiel afgebroken.22

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde. Naar de mening van de officier van justitie moest verdachte redelijkerwijs vermoeden dat hij schade en/of letsel aan een ander had toegebracht.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Cliënt heeft verklaard dat hij niet heeft gemerkt dat hij tegen de fiets en de scootmobiel is gebotst. Voorts heeft hij verklaard dat hij na het horen van de ambulance contact heeft opgenomen met de politie om zich als veroorzaker van het verkeersongeval te melden. Gelet op de openheid van cliënt over belastende aspecten, kan deze verklaring zeker niet als ongeloofwaardig worden aangemerkt.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft verklaard dat hij een knal hoorde en in de veronderstelling was dat hij een spiegel van een geparkeerde auto had geraakt maar verder geen schade had veroorzaakt. Verdachte heeft voorts gesteld dat hij niets heeft gemerkt van de botsingen met de fietser en de bestuurder van de scootmobiel en ook niets in zijn spiegel heeft gezien.23 De rechtbank leidt uit de eerstgenoemde verklaring van verdachte af dat hij na de knal in ieder geval redelijkerwijs moest vermoeden dat hij schade aan een ander voertuig had toegebracht. De rechtbank acht onaannemelijk dat verdachte niets van de botsingen met de fiets en scootmobiel heeft gemerkt en overweegt daartoe als volgt.

Getuige [getuige2] heeft verklaard dat zij ten tijde van de botsingen een harde knal hoorde en zag dat verdachte na de eerste en tweede botsing in zijn spiegel keek. Voorts heeft getuige [getuige2] verklaard dat zij gezien de klap, de schade en het kijken van verdachte in de spiegels, zeker weet dat verdachte de twee botsingen moet hebben gemerkt.24 De verklaring van getuige [getuige2] wordt ondersteund door de getuigen [getuige4] en [getuige3] die bevestigen dat er ten tijde van de botsingen twee harde knallen te horen waren.25 De getuige [getuige1] ondersteunt de verklaring van getuige [getuige2] in die zin dat hij bevestigt dat verdachte beide botsingen moet hebben gemerkt.26 De getuigenverklaringen worden voorts ondersteund door de bevindingen van het team Verkeers Ongevallen Analyse, dat zich op het standpunt stelt dat gezien de aard en omvang van de bij het verkeersongeval ontstane schade, het zeer aannemelijk is dat verdachte als bestuurder van het motorrijtuig wist dan wel redelijkerwijs heeft vermoed dat schade aan een ander was toegebracht.27 De rechtbank acht de verklaringen van verdachte dat hij niets van de door hem veroorzaakte ongevallen heeft gemerkt, gezien bovengenoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien niet aannemelijk geworden De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat hij letsel dan wel schade aan een ander had toegebracht.

Verdachte heeft verklaard dat hij kort na de botsing in de Zandstraat, waarbij zijn spiegel omklapte, de sirene van ambulances hoorde en vermoedde dat er meer aan de hand was en dat de komst van de ambulances verband hield met de botsing die hij had veroorzaakt. Verdachte heeft verklaard na het horen van de ambulances de politie te hebben gebeld om zichzelf als veroorzaker van de botsing te melden. Op dat moment waren volgens verdachte de politieagenten reeds onderweg naar zijn woning, waar zij kort daarna arriveerde.28 De rechtbank acht deze verklaring eveneens onaannemelijk en overweegt daartoe als volgt. Het verkeersongeval werd op 29 augustus 2012 om 15.00 uur gemeld.29 De ambulances arriveerde volgens de verklaring van verdachte direct na het verkeersongeval, hetgeen dus kort na 15.00 uur moet zijn geweest. Conform de verklaring van verdachte zou hij na het horen van de ambulances, even na 15.00 uur, hebben gebeld naar de politie en zijn de politieagenten kort daarna gearriveerd. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt echter dat de agenten pas na 20.15 uur een onderzoek hebben ingesteld naar verdachte, waarbij de agenten op grond van bevindingen van getuigen en nader onderzoek bij de persoon van verdachte terecht zijn gekomen.30 Verdachte heeft voorts verklaard dat de agenten reeds rond 18.00 uur bij zijn woning aanwezig waren.31 Deze verklaring van verdachte is tegenstrijdig met zijn eerdere verklaring dat hij kort na het horen van de ambulances en voor het arriveren van de politieagenten zichzelf telefonisch heeft gemeld bij de politie. Bovendien wordt deze verklaring niet ondersteund door overige bewijsmiddelen. De rechtbank acht op grond van het voorgaande niet aannemelijk dat verdachte zichzelf bij de politie heeft gemeld en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zonder behoorlijk de gelegenheid te beiden tot vaststelling van zijn identiteit of de identiteit van het voertuig de plaats van het ongeval heeft verlaten.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 29 augustus 2012, te Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en

Waal,, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de

Zandstraat, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval

naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer1]

en [slachtoffer2]) letsel en/of schade was toegebracht, zonder dat de

verdachte behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn

identiteit en/of de identiteit van het door verdachte bestuurde motorrijtuig.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Ten aanzien van feit 2:

Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

De feiten zijn strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van zestig uur. Voorts heeft de officier van justitie geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met de landelijke oriëntatiepunten. Gelet op de persoonlijke omstandigheden eist de officier van justitie echter geen gevangenisstraf, maar een werkstraf. De omstandigheid dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk, maakt dat de officier van justitie geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid eist.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 24 mei 2013.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval. Verdachte heeft onvoldoende opgelet, gereden met een hogere snelheid dan maximum toegestaan en naar links gestuurd zonder reden waardoor hij op het weggedeelte voor tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen en tegen een fiets en een scootmobiel is gebotst. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan nu hij hiermee zeer onverantwoord rijgedrag heeft vertoond, met letsel en schade tot gevolg. Verdachte is na het ongeval bovendien doorgereden, waardoor hij niet de verantwoordelijkheid heeft genomen voor de consequenties van zijn eigen handelen. Zijn identiteit is weliswaar korte tijd later alsnog aan het licht gekomen. Dit is echter niet aan verdachte te danken maar aan bij het ongeval aanwezige oplettende omstanders en het werk van de politie.

Volgens de landelijke oriëntatiepunten kan voor een grove verkeersfout in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 zowel een gevangenisstraf als een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd. Ondanks de omstandigheid dat verdachte na een redelijk ernstig verkeersongeval is doorgereden, acht de rechtbank een gevangenisstraf een te zware strafmodaliteit en zal daarom overgaan tot het opleggen van een werkstraf. Gelet op de omstandigheid dat verdachte het rijbewijs nodig heeft voor zijn werk, zal de rechtbank de ontzegging van de rijbevoegdheid slechts voorwaardelijk opleggen. Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheid dat verdachte reeds in 2009 een geldboete heeft gekregen voor rijden onder invloed, acht de rechtbank een proeftijd voor de duur van drie jaar passend en geboden.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2:

het verrichten van een werkstraf gedurende 60 (zestig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 30 (dertig) dagen.

Ten aanzien van feit 1 primair:

Ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 6 (zes) maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 179, lid 6, van de Wegenverkeerswet 1994.

Bepaalt dat deze ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra (voorzitter), mr. J.M. Hamaker en mr. R.M. Maanicus, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.T.P.J. Damen, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 juni 2013.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie Gelderland-Zuid, district Tweestromenland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL082M 2012086129, gesloten op 27 november 2012 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 14 juni 2013.

3 Het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 19 (nummering VOA) en het proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 4 t/m 6.

4 Een geneeskundige verklaring d.d. 18 september 2012, p. 29.

5 Het proces-verbaal verhoor benadeelde [slachtoffer1], p. 25-26.

6 Het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 6 (nummering VOA).

7 Het proces-verbaal verhoor verdachte, p. 32.

8 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige1], p. 17.

9 Het proces-verbaal verhoor benadeelde [slachtoffer2], p. 21.

10 Het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 6 (nummering VOA).

11 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 14 juni 2013.

12 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige2], p. 12-13, het proces-verbaal verhoor getuige [getuige1], p. 18 en het proces-verbaal verhoor getuige [getuige3], p. 20.

13 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 14 juni 2013.

14 Het proces-verbaal verhoor verdachte, p. 30.

15 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige1], p. 17.

16 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige3], p. 19.

17 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 14 juni 2013.

18 Het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 7 en 19 (nummering VOA).

19 Het proces-verbaal verhoor benadeelde [slachtoffer2], p. 21.

20 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 14 juni 2013.

21 Een geneeskundige verklaring d.d. 18 september 2012, p. 29 en het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 13 (nummering VOA).

22 Het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 11 (nummering VOA).

23 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 14 juni 2013.

24 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige2], p. 12-13.

25 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige3], p. 19-20 en het proces-verbaal verhoor getuige [getuige4], p. 15.

26 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige1], p. 18.

27 Het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 19 (nummering VOA).

28 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 14 juni 2013.

29 Het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 7 (nummering VOA).

30 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 10.

31 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 14 juni 2013.