Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BY7223

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
11/993000-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren voor het feitelijk leiding geven aan rechtspersonen die diverse personen hebben opgelicht door hen voor te spiegelen dat zij veilige spaarproducten kochten, terwijl er feitelijk sprake was van risicovolle bedrijfsobligaties. Tevens wordt verdachte veroordeeld wegens het maken van een gewoonte van het witwassen van de ingelegde gelden en het vervalsen van een werkgeversverklaring en een loonstrook.

De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging ten aanzien van de dagvaarding en het gebruikte bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/993000-11 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1960],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres en woonplaats],

hierna: verdachte.

Raadsman mr. J.C. Spigt, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 5, 6, 8 en 26 november 2012, waarbij de officier van justitie mr. C.E.J. Backer, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vorderingen van de benadeelde partijen. Het onderzoek is gesloten op de terechtzitting van

7 december 2012.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals deze op de regiezitting van 10 januari 2012 overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering is gewijzigd.

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat:

Feit 1: [S.A.] (hierna: [S.A.]) en/of [B.V. 1] (hierna: [B.V. 1]) en/of een of meer aanverwante rechtspersonen, in de periode van 15 september 2004 tot en met 26 januari 2010, te Rotterdam en/of Dordrecht en/of (elders) in Nederland samen met anderen, meermalen, personen heeft/hebben bewogen tot afgifte van geldbedragen door in strijd met de waarheid voor te wenden dat het geld zou worden gestort op een deposito/spaarrekening met een gegarandeerde dagrente en terugstorting van het ingelegde bedrag na einddatum van de polis, terwijl verdachte daar, samen met anderen, feitelijk leiding aan heeft gegeven (primair) danwel dat verdachte in voormelde periode en op voormelde plaatsen, samen met anderen, meermalen, personen heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen door in strijd met de waarheid voor te wenden dat het geld zou worden gestort op een deposito/spaarrekening met een gegarandeerde dagrente en terugstorting van het ingelegde bedrag na einddatum van de polis (subsidiair);

Feit 2: verdachte in de periode van 15 september 2004 tot en met

26 januari 2010, te Rotterdam en/of Dordrecht en/of (elders) in Nederland samen met anderen, een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van geldbedragen, tot een bedrag van € 2.164.020,00;

Feit 3: verdachte in de periode van 12 april 2007 tot en met 15 augustus 2007, te Dordrecht en/of elders in Nederland, samen met anderen een werkgeversverklaring en een loonstrook valselijk heeft opgemaakt met de intentie om deze als echt door anderen te laten gebruiken.

3 De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding - naar de rechtbank begrijpt - ten aanzien van het ten laste gelegde onder feit 2 partieel nietig dient te worden verklaard.

De raadsman heeft daartoe betoogd dat de in het ten laste gelegde feit 2 opgenomen geldbedrag blijkbaar een optelsom is van de aangiften van de in feit 1 specifiek benoemde benadeelden, doch dat een aanwijzing met betrekking tot het (vermeende) verwijtbare strafrechtelijke gedrag van verdachte daarin ontbreekt. De tenlastelegging ontbeert daardoor feitelijke informatie en voldoet derhalve niet aan de eisen van artikel 261, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

De rechtbank overweegt het volgende.

Op grond van artikel 261, eerste lid, Sv behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.

Bij de uitleg van deze bepaling staat centraal of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. Ook voor de rechtbank moet de tenlastelegging begrijpelijk zijn en beperkt deze tegelijkertijd voor haar de beslissingsruimte tot hetgeen ten laste is gelegd. De eis van 'opgave van het feit' wordt zo uitgelegd dat het geheel in de eerste plaats duidelijk en begrijpelijk moet zijn, in de tweede plaats niet innerlijk tegenstrijdig en in de derde plaats voldoende feitelijk.

In de tenlastelegging is opgenomen dat verdachte (tezamen en in vereniging met anderen) een gewoonte heeft gemaakt van het verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten danwel gebruik maken van geldbedragen tot een totaalbedrag van (ongeveer)

€ 2.164.020,00 terwijl hij (en zijn mededaders) wist dat deze geldbedragen afkomstig waren uit een misdrijf. De rechtbank overweegt dat deze termen naar haar oordeel voldoende feitelijke betekenis hebben zodat ze niet nader omschreven hoeven te worden. Nu in de tenlastelegging tevens de periode is opgenomen over welke de gewoonte zich heeft uitgestrekt, namelijk van 15 september 2004 tot en met 26 januari 2010 is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegging, bezien in combinatie met het dossier voldoende feitelijk is. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de dagvaarding voldoende feitelijk omschreven is en ook overigens aan de eisen van artikel 261 Sv voldoet.

De dagvaarding is daarom geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 1, primair ten laste gelegde alsmede de ten laste gelegde feiten 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] niet tot het bewijs mogen worden gebezigd nu [medeverdachte] zich bij de rechter-commissaris op zijn verschoningsrecht heeft beroepen en de verdediging aldus het ondervragingsrecht niet heeft kunnen effectueren. Gebruik van de verklaringen van [medeverdachte] zou onder deze omstandigheden strijdig zijn met het bepaalde in artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Feit 1

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1, primair en subsidiair ten laste gelegde feit.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat op grond van het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte, al dan niet als feitelijk leidinggever/opdrachtgever, al dan niet tezamen en in vereniging of als natuurlijk persoon, in de tenlastegelegde periode het oogmerk heeft gehad om zichzelf en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door onder valse voorwendselen polissen te verkopen.

Daartoe is redengevend dat - onder verwijzing naar de polissen van de acht in de tenlastelegging met name genoemde inleggers en de verklaringen die hierover door de diverse getuigen zijn afgelegd - verdachte geen enkele rol heeft gespeeld in het initiëren, aanprijzen of afsluiten van de [financieel product 1] polissen. De polissen zijn door medeverdachte [medeverdachte], [naam 1] en [naam 2] namens [S.A.]. dan wel namens de [adviesgroep] aangeboden. Medeverdachte [medeverdachte] wist - ondanks dat hij heeft verklaard dat hij spaarpolissen heeft verkocht - dat het daarbij ging om investeringen (beleggingen) in andere bedrijven. Het handelen van verdachte in relatie tot het product [financieel product 1] bestond uit het uitvoeren van financiële transacties, waaronder het overmaken van bedongen rentes. Slechts later - toen de rentebetalingen uitbleven - heeft verdachte klanten te woord gestaan.

Daarbij is tevens relevant dat aangeefster [getuige 1] een [financieel product 2] heeft afgesloten. Dat product is een spaarproduct waar verdachte geen bemoeienis mee had.

De raadsman heeft voorts gesteld dat de in de tenlastelegging genoemde personen polissen hebben afgesloten die nog niet aan hun einddatum toe waren waardoor ook hun inleg nog niet teruggegeven behoefde te worden.

Ten slotte meent de raadsman dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat twee personen die de polissen daadwerkelijk hebben verkocht, te weten [naam 1] en [naam 2], niet strafrechtelijk zijn vervolgd in verband met oplichting.

Feit 2

De raadsman heeft - onder verwijzing naar het gestelde in verband met feit 1 - ten aanzien van feit 2 betoogd dat verdachte niet wist - en redelijkerwijs ook niet had kunnen weten - dat het ingelegde geld onder valse voorwendselen was verkregen zodat niet kan worden bewezen dat verdachte wist en ook niet had moeten weten dat het betreffende geld afkomstig was uit een misdrijf. Een en ander dient te leiden tot vrijspraak voor feit 2.

Feit 3

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit 3 wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Motivering bewezenverklaarde

Bij dit vonnis is als bijlage II een overzicht gevoegd van de bewijsmiddelen inhoudende de redengevende feiten en omstandigheden die tot het bewijs van de hierna weergegeven bewezenverklaring hebben bijgedragen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de tenlastegelegde feiten en de terzake gevoerde verweren het navolgende.

Bewijsuitsluiting

De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen die medeverdachte [medeverdachte] heeft afgelegd niet mogen worden gebruikt voor het bewijs omdat - nu verdachte en de raadsman niet in de gelegenheid zijn geweest om het ondervragingsrecht te effectueren - gebruik van die verklaringen leidt tot schending van het bepaalde in artikel 6, derde lid, onder d, EVRM.

De rechtbank overweegt het volgende. Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de FIOD diverse verklaringen afgelegd waarin hij onder meer heeft verklaard dat de door [S.A.] uitgegeven producten [financieel product 2] en [financieel product 1] spaarproducten waren en deze door hem - en anderen - als zodanig aan de klanten zijn verkocht. [medeverdachte] heeft voorts verklaard dat hij er van uitging dat verdachte de ingelegde gelden zou storten op deposito's bij Luxemburgse banken en niet wist dat verdachte dat niet deed. [medeverdachte] is opgeroepen om op 17 oktober 2012 te verschijnen voor de rechter-commissaris belast met strafzaken in deze rechtbank om in de zaak van verdachte te worden gehoord als getuige. [medeverdachte] heeft zich aldaar beroepen op zijn verschoningsrecht.

De rechtbank stelt voorop dat in een geval als het onderhavige, waarin de verdediging de persoon die een belastende verklaring tegenover de FIOD heeft afgelegd niet daadwerkelijk heeft kunnen (doen) ondervragen, art. 6 EVRM aan het gebruik tot het bewijs van het proces-verbaal van de FIOD met een dergelijke verklaring niet in de weg staat, als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen, en voorts dat dit steunbewijs dan betrekking zal moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die hij betwist.

De rechtbank overweegt dat de kern van de in de tenlastelegging omschreven gedraging bestaat in het medeplegen van feitelijk leiding geven aan door de rechtpersonen [S.A.] en [B.V. 1]gepleegde oplichting waarbij - kort gezegd - personen zijn bewogen om geldbedragen over te maken door een onjuiste voorstelling van het product dat zij kochten.

Voor zover de verklaring van [medeverdachte] omtrent de aard van de verkochte producten en de wijze waarop deze feitelijk aan de klanten zijn voorgehouden en verkocht opgevat dient te worden als belastend voor verdachte overweegt de rechtbank dat deze verklaring ruimschoots wordt ondersteund door de polissen en de omtrent de verkoop afgelegde getuigenverklaringen.

De rechtbank is reeds op grond hiervan van oordeel dat de door medeverdachte [medeverdachte] bij de FIOD afgelegde verklaringen in zijn geheel voor de bewijsvoering kunnen worden gebruikt.

Ten aanzien van feit 1

Op grond van de in de bewijsmiddelen weergegeven feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel, dat voldoende vast is komen te staan dat door de rechtspersonen [S.A.], [B.V. 1] en [adviesgroep] in de periode van 15 september 2004 tot en met 26 januari 2010 financiële producten onder de naam [financieel product 2] en [financieel product 1] zijn aangeboden aan diverse personen, waaronder de 8 personen die specifiek in de tenlastelegging worden aangeduid. De polissen werden in de meeste gevallen door medeverdachte [medeverdachte] aan de inleggers verkocht. [medeverdachte] kwam als assurantie- en hypotheekadviseur van de [adviesgroep], vaak al jaren bij de inleggers over de vloer en genoot in die hoedanigheid het vertrouwen van deze personen. Uit de diverse getuigenverklaringen is af te leiden dat [naam 2] en [naam 1] - beiden eveneens werkzaam bij de [adviesgroep] - ook polissen hebben verkocht.

De rechtbank is op grond van de verklaringen van de getuigen, alsmede de door hen overgelegde polissen, van oordeel dat voldoende vaststaat dat door, onder meer, [medeverdachte], [naam 2] en [naam 1], daarbij is gepretendeerd dat het om inleg in een spaarproduct ging. De getuigen verklaren zonder uitzondering dat hun mondeling (en in een enkel geval tevens per e-mail) is voorgehouden - vaak nadat zij uitdrukkelijk te kennen hadden gegeven dat zij hun geld niet (risicovol) wilden beleggen - dat het geld zou worden gestort op een spaarrekening dan wel in een deposito bij een bank in Luxemburg. Ook de aan de inleggers afgegeven polissen bevestigen dit beeld door opneming van de termen 'opening spaarrekening', 'nieuw afgesloten spaarrekening', 'spaargegevens' en/of 'spaarbedrag'. Op enkele polissen is vermeld dat het gaat om een gelabeld product van [bank].

Uit de bewijsmiddelen komt voorts naar voren dat ook verdachte zelf incidenteel een polis heeft opgemaakt en/of verstuurd waar de termen 'spaarrekening', 'spaargegevens' en 'spaarbedrag' op voorkwamen.

Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de inleggers uiteindelijk een spaarovereenkomst zijn aangegaan met de rechtspersonen [S.A.] en/of [B.V. 1] waarbij rentepercentages zijn overeengekomen variërend van 4,5 % tot 18%. Op de polissen/overeenkomsten is vermeld dat er sprake is van een gegarandeerde dagrente en dat het ingelegde bedrag 30 dagen na einddatum van de polis wordt teruggestort op de tegenrekening. De inleggers hebben het door hen ingelegde geld gestort op de rekening van voornoemde rechtspersonen, dan wel op de privérekening van [medeverdachte].

Op grond van de bewijsmiddelen kan voorts het volgende worden vastgesteld.

[S.A.] is op 28 november 2003 als vennootschap opgericht in Luxemburg en fungeerde als tussenpersoon voor verzekeraars en beleggingsinstellingen.

Naast verdachte en medeverdachte [medeverdachte] werd de vennootschap bestuurd door [getuige 2] en [getuige 3].

[B.V. 1] is een in Nederland gevestigde investeringsmaatschappij. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn (indirect) bestuurder van deze rechtspersoon via de volgende constructie:

[B.V. 3] is bestuurder en enig aandeelhouder van [B.V. 2] [B.V. 4] en [B.V. 5] waren in de periode van 16 februari 2006 tot en met 16 maart 2010 telkens aandeelhouder en bestuurder van [B.V. 3] [B.V. 4] heeft als enig aandeelhouder de [B.V. 4]. Medeverdachte [medeverdachte] is bestuurder van de [stichting 1] en van [B.V. 4]

[Stichting 2] is enig aandeelhouder van [B.V. 5] Verdachte is bestuurder van de [stichting 1] .

[S.A.] heeft op 6 oktober 2006 een overeenkomst gesloten met [B.V. 1] Deze overeenkomst is namens [S.A.] ondertekend door [getuige 3] en namens [B.V. 1] door verdachte. In deze overeenkomst is vastgelegd dat [S.A.] obligaties uitgeeft onder de naam [S.A.] en dat [S.A.] geld - afkomstig van deze obligaties - ter beschikking stelt aan [B.V. 1], welke het geld zal investeren in binnen- en buitenlandse bedrijven. [B.V. 1] is op grond van de overeenkomst rente verschuldigd aan [S.A.] over het beschikbaar gestelde geld, welk percentage voor het jaar 2006 is vastgesteld op 8%. Dit rentepercentage is nooit bijgesteld.

De rechtbank leidt uit het vorenstaande af dat de [financieel product 1]s feitelijk obligaties waren waarvan de ingelegde gelden door (de bestuurders van) de rechtspersonen [S.A.] en [B.V. 1] waren voorbestemd om te dienen als investering in andere, meestens aan hen zelf gelieerde bedrijven.

De rechtbank stelt voorts op grond van de bewijsmiddelen vast dat het geld van de inleggers feitelijk niet op spaardeposito's (al dan niet in Luxemburg) terecht is gekomen. Uit de diverse processen-verbaal betreffende inleg en besteding komt naar voren dat de door de inleggers gestorte bedragen onder meer zijn aangewend om betalingen te verrichten aan andere inleggers, dan wel aan aan verdachte en medeverdachte [medeverdachte] gelieerde bedrijven zoals [bedrijf 1], [bedrijf 2], [bedrijf 3] en [B.V. 3] Ook zijn gedeeltes van de ingelegde bedragen aan managementfee doorgestort aan [B.V. 4] en [B.V. 5] of zijn deze aangewend voor privé-uitgaven dan wel (achtereenvolgens) doorgestort naar de privérekening van medeverdachte [medeverdachte] en zijn partner [naam 3].

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat kan worden vastgesteld dat er sprake is van een samenweefsel van verdichtsels waardoor een aantal personen is bewogen tot de afgifte van gelden.

Het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling

De raadsman heeft betoogd dat verdachte geen enkele rol heeft gespeeld bij het initiëren, aanprijzen of afsluiten van de [financieel product 1] polissen zodat niet kan worden bewezen dat verdachte het oogmerk heeft gehad om zichzelf en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het verkopen van die polissen.

De rechtbank overweegt het volgende. Aan verdachte is ten laste gelegd - kort gezegd - dat hij, tezamen en in vereniging met anderen leiding heeft gegeven aan de door de rechtspersonen [S.A.] en/of [B.V. 1] (en/of andere rechtpersonen) gepleegde oplichting. Voor een bewezenverklaring van de door de rechtsperso(o)n(en) gepleegde oplichting is vereist dat - onder meer - kan worden vastgesteld dat er bij die rechtsperso(o)n(en) sprake was van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling. Dit kan geschieden door toerekening van het oogmerk van een natuurlijke persoon aan de rechtspersoon, waarbij het oogmerk van een leidinggevende functionaris over het algemeen steeds kan worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Volgens vaste jurisprudentie is er niet alleen sprake van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling, als verdachte heeft gehandeld met als enige of primaire doel zich te verrijken door inleggers moedwillig te misleiden. Het oogmerk kan ook blijken uit feitelijke omstandigheden, waaronder de bedrijfsvoering, op grond waarvan verdachte wist of kon weten dat hij de jegens de inleggers aangegane verplichtingen niet zou kunnen nakomen. Voldoende voor een bewezenverklaring is het zogeheten noodzakelijkheidsbewustzijn: de handelwijze van verdachte had, naar hij besefte, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg dat hij onrechtmatig bevoordeeld zou worden, ook al was zijn handelen primair op een ander doel gericht. Niet beslissend is het bij hem bestaande motief voor zijn handelen.

Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen zijn door [S.A.] en [B.V. 1] polissen verkocht waarbij aan de klanten in strijd met de waarheid is voorgehouden dat het ging om een spaarpolis met een gegarandeerde dagrente waarbij het geld zou worden weggezet op een (Luxemburgse) spaarrekening. De polissen werden veelal verkocht door medeverdachte [medeverdachte] die als commerciële man de contacten met de klanten onderhield. Verdachte was verantwoordelijk voor de financiële afwikkeling van de door [S.A.] en [B.V. 1] ontwikkelde activiteiten. Anders dan door de raadsman betoogd leidt de rechtbank uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen af dat verdachte vanaf 2006 meerdere malen is geconfronteerd met het gegeven dat de producten [financieel product 2] en [financieel product 1] door de rechtspersonen als spaarproduct werden verkocht en daar zelf in meer of mindere mate een actieve rol in heeft gespeeld. Zo leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat verdachte meerdere malen een 'spaarpolis' ([financieel product 1]) onder ogen heeft gehad, deze zelf heeft opgemaakt en aan verschillende klanten heeft verstuurd. Daarnaast heeft verdachte in 2007 en 2008 brieven van de AFM en DNB onder ogen gekregen waarin kritische vragen zijn gesteld over het product [financieel product 1] dat als spaarproduct zou worden verkocht. Ook heeft verdachte aan één van de inleggers een brief geschreven waarin hij zich - namens [S.A.] - verontschuldigt voor de omstandigheid dat er een verkeerde indruk is ontstaan van het product omdat in het contract niet duidelijk is aangegeven dat het een bedrijfsobligatie betreft.

Verdachte heeft weliswaar aangegeven dat hij medeverdachte [medeverdachte] erop heeft gewezen dat de producten ten onrechte als spaarproducten werden verkocht, maar hij heeft nagelaten te controleren of de polissen naderhand daadwerkelijk werden aangepast. Bovendien heeft verdachte, zoals hiervoor vermeld, nadien ook zelf nog spaarpolissen opgemaakt en/of toegestuurd, waarvan hij aangeeft dat deze dat niet waren.

Uit de e-mails die verdachte en medeverdachte [medeverdachte] over en weer naar elkaar stuurden kan voorts worden afgeleid dat zij veelvuldig gedetailleerd overlegden over de wijze waarop gestorte geldbedragen van nieuwe polissen moesten worden besteed. Daarbij wordt overwegend besloten om de ingelegde gelden te besteden aan het betalen van rente van andere inleggers waarbij 'de grootste probleemgevallen' het eerste aan de beurt zijn.

Een en ander brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat kan worden vastgesteld dat verdachte - als bestuurder van [S.A.] en [B.V. 1] en tevens als ondertekenaar van het contract tussen voornoemde rechtspersonen - ervan op de hoogte was dat de gelden die door [S.A.] en [B.V. 1] werden aangetrokken bestemd waren om door [B.V. 1] te worden geïnvesteerd in andere bedrijven. Eveneens kan worden vastgesteld - zoals hiervoor overwogen - dat verdachte er van op de hoogte was dat de 'funding' voor deze investeringen, de [financieel product 1], aan de inleggers werden verkocht als spaarproduct. Daarbij werd door [S.A.] en (in sommige gevallen) [B.V. 1] een rendement van 4,5% tot 18% geboden aan de inleggers terwijl [S.A.] op de door haar aan [B.V. 1] uitgeleende gelden een rendement van 8% kreeg.

Daarnaast is vastgesteld dat de ingelegde bedragen voor een groot gedeelte werden aangewend voor privé-uitgaven, managementfees en het betalen van rentes aan andere inleggers (waardoor deze gelden niet meer konden worden geïnvesteerd in bedrijven en daarop geen rente-inkomsten konden worden gegenereerd). Door deze manier van handelen moet het verdachte en medeverdachte [medeverdachte] duidelijk zijn geweest dat [S.A.] zijn verplichtingen ten aanzien van de inleggers (op termijn) niet meer kon nakomen en kan om die reden aannemelijk worden geacht dat er zowel bij verdachte als bij medeverdachte [medeverdachte] sprake was van een noodzakelijkheidsbewustzijn dat de rechtspersonen [S.A.] en [B.V. 1] onrechtmatig bevoordeeld zou worden. Aldus was er sprake van een oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat het product [financieel product 2] buiten het tenlastegelegde valt omdat verdachte daarmee geen bemoeienis had en dit voorts een spaarproduct was overweegt de rechtbank dat uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen genoegzam blijkt dat de met de [financieel product 2] verkregen gelden niet op spaar- of depositirekeningen terecht zijn gekomen.

Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat door de aangevers prematuur aangifte is gedaan omdat de afgesloten polissen nog niet aan hun einddatum toe waren en mitsdien ook de inleggelden nog niet terugbetaald hoefden te worden, overweegt de rechtbank dat zij dat verweer verwerpt omdat het moment van oplichting ligt vóór de door de raadsman bedoelde einddatum, te weten op het moment van het aanbieden van de financiële producten als spaarpolissen terwijl deze in feite iets anders inhielden.

Ten aanzien van feit 2

Onder verwijzing naar hetgeen door de rechtbank ten aanzien van feit 1 is overwogen, is de rechtbank voorts van oordeel dat vaststaat dat verdachte, tezamen met medeverdachte [medeverdachte], de rechtspersonen [S.A.] en [B.V. 1] heeft beschikt over het geld dat door de oplichting gepleegd door [S.A.] en [B.V. 1] is verkregen. Uit de diverse processen-verbaal betreffende de besteding van ingelegde gelden alsmede de e-mailwisseling tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] kan tevens worden afgeleid dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] deze gelden hebben gebruikt, overgedragen en voorhanden hebben gehad door het ingelegde geld - nadat het door de inleggers op een bankrekening van medeverdachte [medeverdachte] en/of de rechtspersonen was gestort - onder meer te gebruiken om rentes van eerdere inleggers mee te betalen en/of privéuitgaven te doen.

De rechtbank acht aldus bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen. Gelet op de ruime periode waarin een en ander zijn beslag heeft gekregen, de frequentie van de gepleegde handelingen en de intentie van verdachte en de medeverdachten, acht de rechtbank voorts bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten daarvan een gewoonte hebben gemaakt.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank is op grond van de in de bewijsmiddelen weergegeven feiten en omstandigheden van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat verdachte in de periode van 12 april 2007 tot en met 15 augustus 2007, op verzoek van medeverdachte [medeverdachte], ter zake van een aanvraag om een hypothecaire lening bij de [hypotheekbank] een salarisstrook en een werkgeversverklaring op naam van [getuige 4] heeft opgesteld als ware die [getuige 4] werkzaam bij [bedrijfsnaam 1], terwijl voorts op grond van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat [getuige 4] nimmer bij [bedrijfsnaam 1] in dienst is geweest en verdachte daarvan op de hoogte was.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander meermalen valselijk een geschrift heeft opgemaakt met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen bewezen dat

1. (primair)

[S.A.] en/of [B.V. 1]en/of

een aanverwante rechtspersoon,

op één of meer tijdstippen, gelegen in of omstreeks de periode van 15

september 2004 tot en met 26 januari 2010,

in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met één of meer ander(en),

(telkens) met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te

bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels,

een (groot aantal) personen heeft bewogen en/of

door een ander heeft doen bewegen tot de (girale) afgifte van een of

meer (na te noemen) geldbedragen, waaronder

[benadeelde partijen 1 tot en met 8]

immers hebben [S.A.] en/of [B.V. 1]. en/of een aanverwante rechtspersoon, en/of één (of meer) mededaders met voornoemd

oogmerk

-zakelijk weergegeven - opzettelijk in strijd met de waarheid een groot aantal personen

waaronder in ieder geval voornoemde personen

- benaderd en/of geïnteresseerd in de deelname aan en het storten van een

of meer geldbedragen op een of meer deposito- en/of spaarrekeningen,

bij welke gelegenheden verdachte en of zijn mededaders hebben

voorgewend dat

-het geld zou worden gestort op een deposito- en/of spaarrekening,

en

-er een gegarandeerde dagrente was en-het ingelegde bedrag 30 dagen na einddatum polis zou worden teruggestort op

de tegenrekening,

aan welke bovenomschreven verboden

gedragingen verdachte (telkens) tezamen en vereniging met een ander,

(telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

verdachteop tijdstippen, gelegen in of omstreeks de periode van 15 september 2004 tot

en met 26 januari 2010,

in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en/of [S.A.] en/of [B.V. 1] ,

(telkens) voorwerpen

te weten geldbedragen,

tot een totaal van (ongeveer) € 2.164.020,00, heeft

verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen of van genoemde geldbedragen gebruik heeft gemaakt,

terwijl verdachte en/of zijn mededaders wisten, dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

hebbende hij, verdachte en of zijn mededaders van het plegen van witwassen een gewoonte gemaakt;

3.

verdachte in of omstreeks de periode van 12 april

2007 tot en met 15 augustus 2007,

in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander,

A) een werkgeversverklaring d.d.12 april 2007 (3-D-04) en

B) een loonstrook over de periode juni 2007 (3-D-05)

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen -

valselijk heeft opgemaakt ,

immers heeft hij,verdachte, valselijk,

ad A) in die werkgeversverklaring vermeld dat [getuige 4] sedert

1 december 2005 in dienst is bij [bedrijfsnaam 1] te Nieuwe Tonge in de

functie van Accountmanager en een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd

heeft bij [bedrijfsnaam 1] en is aangesteld in vaste dienst bij [bedrijfsnaam 1] [getuige 4] in werkelijkheid nooit heeft gewerkt voor [bedrijfsnaam 1] en

ad B) op die loonstrook vermeld dat [getuige 4] 21 dagen heeft

gewerkt bij [bedrijfsnaam 1] te Nieuwe Tonge en een netto loon heeft

ontvangen van euro 3206,07 op rekeningnummer [rekeningnummer] terwijl [getuige 4] in

werkelijkheid nooit heeft gewerkt voor [bedrijfsnaam 1] en geen

rekeningnummer [rekeningnummer] heeft,

(telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken

of door anderen te doen gebruiken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

1. primair

FEITELIJK LEIDING GEVEN AAN MEDEPLEGEN VAN OPLICHTING, GEPLEEGD DOOR EEN RECHTSPERSOON, MEERMALEN GEPLEEGD;

2.

MEDEPLEGEN VAN GEWOONTEWITWASSEN;

3.

MEDEPLEGEN VAN VALSHEID IN GESCHRIFT, MEERMALEN GEPLEEGD.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij het bepalen van de strafmodaliteit rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het ontbreken van strafrechtelijke documentatie. Eveneens dient te worden meegewogen dat verdachte vanaf het begin heeft meegewerkt met het onderzoek en openheid van zaken heeft gegeven en voorts dat hij - als gevolg van het fiasco in deze zaak - zelf grote nadelige, financiële gevolgen heeft ondervonden. Ten slotte is in dit kader van belang dat verdachte en zijn gezin meermalen (fysiek) zijn bedreigd en dit bij hen diep heeft ingegrepen.

De raadsman heeft voorts betoogd dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel omdat de feitelijke verkopers van de [financieel product 2]polissen (naast medeverdachte [medeverdachte]) niet in een strafrechtelijke procedure zijn betrokken. Een en ander dient naar de mening van de raadsman consequenties te hebben voor de aan verdachte op te leggen straf, in geval van een veroordeling.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om, bij een veroordeling in verband met feit 3, te volstaan met het opleggen van een werkstraf. Bij een veroordeling die tevens ziet op feit 1 en/of feit 2 heeft de raadsman verzocht te volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, eventueel aangevuld met een werkstraf.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan onder andere [S.A.] en [B.V. 1], welke rechtspersonen diverse personen hebben opgelicht. De medeverdachte (en een enkele keer ook verdachte zelf) verkocht hen - namens de rechtspersonen - spaarproducten die in het geheel geen spaarproducten bleken te zijn. De inleg werd onder meer uitgeleend aan kleine bedrijven wat een risicovolle belegging was, en besteed aan privé-uitgaven.

Daarnaast heeft verdachte zich met zijn mededader schuldig gemaakt aan het gewoonte-witwassen van de ingelegde gelden door ze uit te lenen en mede te gebruiken om rentes aan sommige inleggers van de spaarproducten te betalen. Ook werden er in privé betalingen mee gedaan.

De gevolgen voor de gedupeerden zijn enorm. Zij zijn hun spaargeld, overwaarde van hun woning of oudedagsvoorziening kwijtgeraakt. Het verdwenen geld loopt in de miljoenen.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij - als bestuurder van de rechtspersonen - wist dat zijn medeverdachte de producten namens deze rechtspersonen als spaarproducten verkocht en daar zijn ogen voor heeft gesloten terwijl hij - juist als bestuurder - in de positie was om een en ander te stoppen. De rechtbank overweegt hierbij nadrukkelijk dat zij de rol van verdachte in het geheel als minder zwaar aanmerkt dan de rol van zijn medeverdachte. Daar waar verdachte als bestuurder leiding heeft gegeven aan de door de rechtspersonen gepleegde oplichting heeft de medeverdachte zelf actief spaarpolissen verkocht en daarbij misbruik gemaakt van het vertrouwen van de inleggers die hij vaak al jaren kende. De rechtbank zal een en ander meewegen bij de aan verdachte op te leggen straf.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het opstellen van valse documenten. Hierbij zijn zowel de hypotheeknemer als de koper benadeeld.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben hun eigen financiële gewin voorop gesteld en de belangen van de inleggers daaraan ondergeschikt gemaakt.

Bij dergelijke ernstige feiten komen verdachten die daaraan feitelijk leiding geven in aanmerking voor een forse vrijheidsstraf.

Volgens het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 3 oktober 2012 is verdachte niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten. De rechtbank houdt hier bij het bepalen van de strafmaat rekening mee.

De rechtbank ziet geen aanleiding om in strafverlagende zin rekening te houden met de overige door de raadsman gestelde omstandigheden. Enerzijds omdat zij van oordeel is dat de financiële situatie waarin verdachte thans verkeert het resultaat is van zijn eigen strafrechtelijk verwijtbaar handelen, anderzijds omdat de rechtbank het verlagen van de strafmaat geen geëigende reactie vindt op de door verdachte en zijn gezin ondergane bedreigingen.

Alles afwegend, komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte.

8 De benadeelde partij

De hierna te noemen benadeelde partijen hebben zich voorafgaande aan de zitting schriftelijk in het geding gevoegd en hebben gevorderd verdachte te veroordelen tot het betalen van de hierna te noemen bedragen, ter zake van schadevergoeding, in verband met feit 1:

[BENADEELDE PARTIJEN 1 TOT EN MET 61]

De hierna te noemen benadeelde partij heeft zich ter terechtzitting mondeling in het geding gevoegd en heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot het betalen van het hierna te noemen bedrag, ter zake van schadevergoeding, in verband met feit 1:

[BENADEELDE PARTIJ 62]

De benadeelde partijen onder 3 en 61 hebben tevens gevorderd verdachte te veroordelen tot het betalen van de wettelijke rente over het gevorderde bedrag en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen 1 tot en met 19 en 21 tot en met 62 - voor zover deze zien op schade door het ingelegde bedrag - voor toewijzing vatbaar zijn. Waar de vorderingen zien op schade door niet uitbetaalde rente over de inleg, kosten voor de [Stichting gedupeerden] of proceskosten acht de officier van justitie de vorderingen voor dat deel niet-ontvankelijk omdat de berekeningen een onevenredige belasting voor het strafproces vormen.

De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij onder 20 ([crediteur 1]) op grond van artikel 333 Sv niet ontvankelijk nu deze benadeelde partij de zaak reeds aanhangig heeft gemaakt bij de civiele rechter en in die zaak vonnis is gewezen.

De officier komt tot de conclusie dat de vorderingen van de benadeelde partijen uitsluitend voor wat betreft de door hen ingelegde bedragen kunnen worden toegewezen. De overige gevorderde bedragen waaronder rentes en immateriële schade vormen een onevenredige belasting van het strafproces.

Met betrekking tot de toe te wijzen vorderingen heeft de officier van justitie verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de ingediende vorderingen zich niet lenen voor behandeling in het strafproces omdat deze een onevenredige belasting vormen voor dit strafproces. De raadsman heeft hierbij verwezen naar de hoeveelheid vorderingen, de omstandigheid dat een aantal vorderingen ziet op polissen afgesloten voor de tenlastegelegde periode en tevens, zonder te beschikken over de administratie van de rechtspersonen, niet kan worden vastgesteld of een deel van de inleg is terugbetaald. Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [crediteur] heeft de raadsman erop gewezen dat er reeds een civiel vonnis is gewezen ten aanzien van de gevorderde schade.

De raadsman heeft voorts betoogd dat de rechtbank dient af te zien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel omdat toewijzing van die maatregel in concreto zou betekenen dat verdachte - gelet op de financiële situatie - de vervangende hechtenis moet ondergaan. De schadevergoedingsmaatregel is dan louter als punitief te kwalificeren. De raadsman heeft in verband hiermee subsidiair betoogd dat de schadevergoedingsmaatregel slechts kan worden opgelegd ten aanzien van de vorderingen van de op de tenlastelegging genoemde (8) personen omdat zij de enigen zijn die rechtstreeks schade hebben geleden van het bewezen verklaarde feit. Ten slotte leidt toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen in verband met de door de officier van justitie aangekondigde ontnemingsvordering tot 'dubbel plukken' van verdachte.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank levert behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen een onevenredige belasting van het strafgeding op.

De onevenredigheid in belasting voor het strafproces bestaat naar het oordeel van de rechtbank enerzijds in de grote hoeveelheid ingediende vorderingen. Daarnaast is op grond van de door de benadeelde partijen overgelegde stukken, in samenhang bezien met het dossier, niet eenvoudig inzichtelijk te maken in hoeverre de gevorderde schade voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit 1 aangezien aan sommigen door verdachte en zijn medeverdachte vooraf is voorgespiegeld dat het geld geïnvesteerd zou worden in een huizenproject in de VS. In het verlengde hiervan kan evenmin eenvoudig worden vastgesteld in hoeverre het handelen van de benadeelde partijen, in relatie tot de geboden rentepercentages op de polissen, civielrechtelijke weerslag heeft op de aan verdachte toe te rekenen schade. Tenslotte is op grond van de overgelegde stukken niet aanstonds inzichtelijk te maken wie en tot welke bedrag de benadeelden hun ingelegde geld (deels) hebben terugontvangen.

Het rechtbank zal dan ook bepalen dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

9 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straf berust op de artikelen 47, 51, 57, 225, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de dagvaarding geldig;

- verklaart het ten laste gelegde bewezen op de wijze als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) jaren;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- verklaart de hierna te noemen benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vordering en bepaalt dat deze vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht:

* [BENADEELDE PARTIJEN 1 TOT EN MET 62]

- veroordeelt deze benadeelde partijen in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Hello, voorzitter, mr. M.A.C. Prins en

mr. G.J. Schiffers-Hanssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2012.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Parketnummer: 11/993000-11

Vonnis d.d. 21 december 2012