Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BY7168

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
11/993002-10 en 11/992004-11 (ttzgev)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren voor het feitelijk leiding geven aan rechtspersonen die diverse personen hebben opgelicht door hen voor te spiegelen dat zij veilige spaarproducten kochten, terwijl er feitelijk sprake was van risicovolle bedrijfsobligaties. Tevens wordt verdachte veroordeeld wegens het maken van een gewoonte van het witwassen van de ingelegde gelden en het gebruik maken van een valse werkgeversverklaring, een valse loonstrook en een vals taxatierapport.

De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging ten aanzien van de dagvaarding en het gebruikte bewijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 11/993002-10 en 11/992004-11(ttzgev) [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1970],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres en woonplaats],

hierna: verdachte.

Raadsman mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 5, 6, 8 en 26 november 2012, waarbij de officier van justitie mr. C.E.J. Backer, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vorderingen van de benadeelde partijen. Het onderzoek is gesloten op de terechtzitting van

7 december 2012.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals deze op de regiezitting van 10 januari 2012 overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering is gewijzigd.

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat:

Feit 1: [S.A.] en/of [B.V. 1] en/of een of meer aanverwante rechtspersonen, in de periode van 15 september 2004 tot en met

26 januari 2010, te Rotterdam en/of Dordrecht en/of (elders) in Nederland samen met anderen, meermalen, personen heeft/hebben bewogen tot afgifte van geldbedragen door in strijd met de waarheid voor te wenden dat het geld zou worden gestort op een deposito/spaarrekening met een gegarandeerde dagrente en terugstorting van het ingelegde bedrag na einddatum van de polis, terwijl verdachte daar feitelijk leiding aan heeft gegeven (primair) danwel dat verdachte in voormelde periode en op voormelde plaatsen, samen met anderen, meermalen, personen heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen door in strijd met de waarheid voor te wenden dat het geld zou worden gestort op een deposito/spaarrekening met een gegarandeerde dagrente en terugstorting van het ingelegde bedrag na einddatum van de polis (subsidiair);

Feit 2: verdachte in de periode van 15 september 2004 tot en met

26 januari 2010, te Rotterdam en/of Dordrecht en/of (elders) in Nederland samen met anderen, een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van geldbedragen, tot een bedrag van € 2.164.020,00;

Feit 3: verdachte in de periode van 11 juli 2007 tot en met 31 augustus 2007, te Dordrecht en/of Nieuwe Tonge en/of Utrecht en/of Geleen en/of elders in Nederland, samen met anderen gebruik heeft gemaakt van een valse werkgeversverklaring, een valse loonstrook en een vals taxatierapport.

3 De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich - primair - op het standpunt gesteld dat de dagvaarding in zijn geheel nietig verklaard dient te worden wegens - ten aanzien van het tenlastegelegde feit 1 - innerlijke tegenstrijdigheid en de omstandigheid dat de dagvaarding te weinig specifiek en onvoldoende feitelijk is en voorts een conclusie in de dagvaarding ontbreekt. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de door hem gestelde omstandigheden leiden tot partiële nietigheid van de dagvaarding voor wat betreft feit 1.

De raadsman heeft betoogd dat de in het tenlastegelegde feit 1 opgenomen zinsnede "een groot aantal personen waaronder in ieder geval één of meer van voornoemde perso(o)n(en)", innerlijk tegenstrijdig is omdat de elementen 'een groot aantal' en 'waaronder in ieder geval één ...' niet samen kunnen gaan. Daarnaast is de tenlastelegging door het gebruik van het ondefinieerbare begrip 'een groot aantal' zo ruim en diffuus geformuleerd dat deze onvoldoende specifiek en onvoldoende feitelijk is. In de omschrijving van de oplichtingsmiddelen heeft het Openbaar Ministerie de volgende zinsnede opgenomen: ".... het storten van één of meer geldbedrag(en) op één of meer (deposito)- en/of (spaar)rekeningen. Uit het tussen haakjes plaatsen van de woorden 'spaar' en 'deposito' volgt dat deze woorden kunnen worden weggedacht en niet bewezen hoeven te worden om tot een strafbare gedraging te komen. Bij het weglaten van de woorden 'spaar' en 'deposito' blijft als oplichtingsmiddel over dat het geld op een rekening moet zijn gestort, hetgeen niet kan gelden als een voldoende feitelijke omschrijving van het tenlastegelegde. De raadsman heeft ten slotte betoogd dat er sprake is van een tenlastelegging met een open einde door het ontbreken van de zinsnede "waardoor voormelde personen werden bewogen tot bovenomschreven afgifte". Een en ander leidt ertoe dat niet kan worden vastgesteld óf en door welke gedragingen men zou zijn opgelicht.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is voldaan en aldus het beroep van de verdediging op (partiële) nietigheid van de tenlastelegging moet worden afgewezen. De verdediging heeft de (concept)tekst van de gewijzigde tenlastelegging enige tijd voor de regiezitting van 10 januari 2012 ontvangen en heeft er bij die gelegenheid blijk van gegeven de tenlastelegging te begrijpen. Voorts heeft het Openbaar Ministerie er bewust voor gekozen om de term 'een groot aantal' op te nemen in de tenlastelegging om de benadeelde partijen in de gelegenheid te stellen zich te voegen in het strafproces. Dit maakt de tenlastelegging niet onvoldoende feitelijk. De term 'een groot aantal' dient volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad te worden gelezen in samenhang met het dossier. De officier van justitie wijst erop dat de conclusie in de tenlastelegging is opgenomen in de derde alinea.

Oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 261, eerste lid, Sv behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.

Bij de uitleg van deze bepaling staat centraal of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. Ook voor de rechtbank moet de tenlastelegging begrijpelijk zijn en beperkt deze tegelijkertijd voor haar de beslissingsruimte tot hetgeen ten laste is gelegd. De eis van 'opgave van het feit' wordt zo uitgelegd dat het geheel in de eerste plaats duidelijk en begrijpelijk moet zijn, in de tweede plaats niet innerlijk tegenstrijdig en in de derde plaats voldoende feitelijk.

De rechtbank is van oordeel dat van een innerlijk tegenstrijdige dagvaarding, zoals de raadsman heeft gesteld, geen sprake is. In de tenlastelegging is - kort weergegeven - opgenomen dat een groot aantal personen (opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid) zou zijn bewogen tot de (girale) afgifte van een geldbedrag, waaronder een achttal met name genoemde personen (inclusief bedragen). Door gebruikmaking van het woord 'waaronder' wordt in de tenlastelegging tot uitdrukking gebracht dat de kleinere groep expliciet benoemde personen deel uitmaakt van de grotere groep. Elk van deze met name genoemde personen vormt een nadere precisering van de grotere groep, waarbij tegelijkertijd duidelijk is dat het om meer personen gaat dan de met met name genoemde. Er is van innerlijke tegenstrijdigheid geen sprake.

De rechtbank is evenmin van oordeel dat het gebruik van het begrip 'een groot aantal' ertoe leidt dat sprake is van een onvoldoende feitelijke dagvaarding. Zoals reeds opgemerkt, zijn als onderdeel van 'een groot aantal' personen acht specifieke personen benoemd die door het handelen van verdachte zijn bewogen tot de afgifte van geld, waarbij de gebruikte methode nader is omschreven. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging, bezien in combinatie met het dossier voldoende feitelijk is. De rechtbank acht de tenlastelegging eveneens voldoende feitelijk ten aanzien van het onder het eerste gedachtestreepje opgenomen '(deposito) - en/of (spaar)rekening(en)'. Anders dan door de raadsman lijkt te worden aangenomen, dient de rechtbank de tenlastelegging te beoordelen in relatie tot de bewijsmiddelen en niet andersom. Zolang de haakjes om de woorden staan, is de tenlastelegging voldoende feitelijk omdat deze niet weggestreept hoeven te worden.

De rechtbank merkt ten slotte op dat de door de raadsman gestelde ontbrekende conclusie van het tenlastegelegde feit is opgenomen in de derde alinea en dat deze kan worden gelezen als uitleg van eerdere en latere opgenomen tekst. Dit maakt de tenlastelegging niet onbegrijpelijk.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de raadsman reeds op 16 december 2011 een concept van de wijziging van de tenlastelegging, gelijkluidend aan de later toegestane wijziging, is toegezonden en dat verdachte en zijn raadsman ter zitting van 10 januari 2012 er geen blijk van hebben gegeven dat zij de tenlastelegging onbegrijpelijk vonden.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de dagvaarding niet innerlijk tegenstrijdig is, voorts voldoende feitelijk is en dat ook de conclusie in de dagvaarding niet ontbreekt. De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging dienaangaande. Nu de dagvaarding ook overigens aan de eisen van artikel 261 Sv voldoet, is de dagvaarding daarom geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 1, primair ten laste gelegde alsmede de ten laste gelegde feiten 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Bewijsuitsluiting

De raadsman heeft betoogd dat het bewijs afkomstig van de laptop van verdachte onrechtmatig verkregen is omdat deze op 5 juli 2011 in beslag is genomen in het kader van een onderzoek naar [naam 1] (in wiens tuinhuis verdachte op het moment van de doorzoeking verbleef). Tegen verdachte liep op dat moment geen onderzoek. Uit de omstandigheid dat aan verdachte op 10 juli 2011 door een ambtenaar van de FIOD te kennen is gegeven dat hij zijn laptop kon ophalen, alsmede uit de omstandigheid dat het beslag is overgedragen, kan worden afgeleid dat het strafvorderlijk belang voor beslag van de laptop in de zaak [naam 1] niet meer aanwezig was. Daardoor hield het beslag in het onderzoek [naam 1] op te bestaan. Ten onrechte heeft het Openbaar Ministerie niet opnieuw onder verdachte beslag gelegd op de laptop (of het image). Dit leidt er naar de mening van de raadsman toe dat op grond van artikel 359a Sv, de informatie afkomstig van de laptop en alles wat daaruit is voortgevloeid (waaronder alle verhoren bij de FIOD van verdachte, medeverdachte [medeverdachte], [naam 3]), - als 'fruits of the poisonous tree' - dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] - naar de rechtbank begrijpt zoals afgelegd bij de rechter-commissaris op respectievelijk 16 en 29 augustus 2012 - niet kunnen worden verenigd met de vereisten als bepaald in artikel 342, eerste lid, Sv alsmede met het recht op een eerlijk proces zoals gestipuleerd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat twee bestuursleden van de [stichting gedupeerden] op enig moment inzage hebben gehad in het strafdossier. Niet valt uit te sluiten dat [getuige 2] vóór het verhoor bij de rechter-commissaris kennis heeft kunnen nemen van de stukken in het dossier. Voorts acht de raadsman het zo goed als zeker dat [naam 4] één van de bestuursleden is die inzage heeft gehad in het strafdossier en staat volgens de raadsman vast dat [naam 4] de partner is van getuige [getuige 1]. Een en ander leidt ertoe dat, volgens de raadsman, de gegronde vrees bestaat dat de bedoelde getuigen niet uit eigen waarneming hebben verklaard. Gebruik van de verklaringen van getuigen [getuige 2] en [getuige 1] zou onder deze omstandigheden strijdig zijn met het bepaalde in artikel 6 EVRM, zodat de verklaringen dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd:

Feit 1

Door de acht aangevers/vermeende gedupeerden zoals opgenomen in de tenlastelegging (A t/m H) is prematuur aangifte gedaan. Zij beschikten over een polis waarvan op het moment van aangifte de einddatum nog niet was verstreken, dan wel over een polis met een open einddatum. Er bestond derhalve nog geen verplichting tot uitbetaling van het ingelegde geld. Dit leidt ertoe dat geen sprake was van een civiele tekortkoming in de nakoming van de overeenkomsten (buiten een beperkte wanprestatie ten aanzien van de rentebetalingen) en evenmin van een strafrechtelijk laakbaar handelen.

Evenmin kan worden bewezen dat er ten aanzien van het handelen van verdachte sprake is van bedrieglijk of listiglijk handelen of een samenweefsel van verdichtsels. Van geen van de opgesomde aangevers kan in rechte worden vastgesteld dat is overeengekomen dat het ingelegde geld op een Luxemburgse spaarrekening zou worden gestort. Voor zover de onderscheiden verklaringen van de aangevers daartoe strekken worden deze verklaringen niet ondersteund door andere bescheiden. Daarnaast is aan geen van de aangevers een prospectus overhandigd waarin informatie is opgenomen die niet met de overeenkomsten correspondeert. Ten slotte hebben de aangevers verklaard dat zij gedurende een periode van jaren keurig netjes hun rente hebben ontvangen.

Niet kan worden bewezen dat de handelwijze van verdachte als noodzakelijk - en dus door hem gewild - gevolg had dat hij onrechtmatig bevoordeeld zou worden. Verdachte heeft altijd te goeder trouw een spaarproduct verkocht en vertrouwde vanaf het moment waarop medeverdachte [medeverdachte] zijn compagnon werd - gelet op diens fiscale achtergrond - zakelijk volledig op hem. [medeverdachte] verrichtte alle betalingen en nam alle beleidsbeslissingen. Verdachte was niet op de hoogte van het verschil tussen een spaarproduct en een obligatie en hoefde dit op grond van zijn (niet universitair geschoolde) achtergrond ook niet te weten. Op het moment dat [medeverdachte] hem voorspiegelde dat er geen wezenlijk verschil was tussen deze producten heeft verdachte deze uitleg plausibel geacht en heeft verdachte een brief aan de AFM - in reactie op door hen gestelde (kritische) vragen - blind ondertekend. Verdachte wist niet wat [medeverdachte] deed met de inleg van de polishouders. Daarnaast heeft verdachte zelf geld ingelegd zodat - nu het niet waarschijnlijk is dat verdachte de aanmerkelijke kans dat hij als gevolg van zijn gedraging zelf wordt gedupeerd op de koop toe heeft genomen - niet kan worden geoordeeld dat verdachte opzet dan wel voorwaardelijk opzet op het ten laste gelegde feit 1 heeft gehad.

Ten aanzien van het onder feit 1, primair, tenlastegelegde heeft de raadsman betoogd dat verdachte niet kan worden aangemerkt als feitelijk leidinggevende. Verdachte kon niet over het geld beschikken en was daarbuiten niet op de hoogte van het wederrechtelijk handelen van [medeverdachte] zodat er geen sprake was van beschikkingsmacht. Bovendien heeft verdachte de situatie niet aanvaard. Hij is immers met gedupeerden naar [medeverdachte] gegaan om inzage in de administratie te krijgen en daarnaast heeft hij aangifte gedaan tegen [medeverdachte].

Feit 2

De raadsman heeft - onder verwijzing naar het gestelde in verband met feit 1 - ten aanzien van feit 2 betoogd dat verdachte niet wist dat het betreffende geld afkomstig was van een misdrijf. Bovendien kon verdachte niet over het geld beschikken en heeft hij dit niet voorhanden gehad. Wanneer verdachte geld op zijn privérekening ontving dan stonden daar een schuld van de vennootschap of inleggen tegenover. Ten slotte heeft verdachte geen moeite gedaan om deze gedraging te verhullen zodat van enige opzet niet is gebleken.

Feit 3

Verdachte ontkent stellig dat in zijn opdracht valse stukken zijn opgemaakt en/of gebruikt. Verdachte heeft de valselijk opgemaakte bescheiden nimmer gebruikt en, voor zover hij dit wel heeft gedaan, wist hij niet dat deze valselijk waren opgemaakt.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Motivering bewezenverklaarde

Bij dit vonnis is als bijlage II een overzicht gevoegd van de bewijsmiddelen inhoudende de redengevende feiten en omstandigheden die tot het bewijs van de hierna weergegeven bewezenverklaring hebben bijgedragen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de tenlastegelegde feiten en de terzake gevoerde verweren het navolgende.

Het beroep op bewijsuitsluiting

De raadsman heeft - kort gezegd - betoogd dat het bewijs afkomstig van de laptop van verdachte (alsmede het nadien verkregen bewijs als verboden vrucht daarvan) onrechtmatig is verkregen en mitsdien op grond van artikel 359a Sv dient te worden uitgesloten van het bewijs.

Artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de rechtbank, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet zelf blijken, onder meer kan bepalen dat de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het ten laste gelegde feit.

De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat er op 5 juli 2011, in de strafzaak tegen [naam 1], op het adres [adres 1] te Notter, door de FIOD-ECD kantoor Zwolle, onder leiding van de rechter-commissaris, een doorzoeking ter inbeslagneming heeft plaatsgevonden. Bij deze doorzoeking is - onder meer - de laptop van verdachte in beslag genomen. Verdachte - die in (het tuinhuis van) de doorzochte woning aanwezig was - zou de opsporingsambtenaren daarbij uitdrukkelijk hebben laten weten dat de laptop niet aan [naam 1] maar aan hem, verdachte, toebehoorde. Uit de stukken is voorts af te leiden dat de opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD kantoor Rotterdam, in het strafrechtelijk onderzoek naar verdachte, dat reeds op 10 juni 2011 is aangevangen, op

12 juli 2011 een verzoek hebben gedaan aan de officier van justitie van het Functioneel Parket Zwolle tot overdracht van de in beslag genomen goederen, waaronder de laptop, welke overdracht op 19 juli 2011 daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel, dat uit de omstandigheid dat het beslag is overgedragen, niet kan worden afgeleid dat het strafvorderlijk belang voor beslag van de laptop niet meer aanwezig was. De raadsman is hierbij ten onrechte uitgegaan van de veronderstelling dat het strafvorderlijk belang beperkt zou zijn tot het onderzoek in de zaak [naam 1]. Als strafvorderlijk belang heeft hier te gelden het aan de dag brengen van de waarheid. In aanmerking genomen dat er op het moment van de overdracht van het beslag ten aanzien van verdachte sprake was van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid Sv, was er wel sprake was van een strafvorderlijk belang. De stelling van de raadsman, dat het beslag - bij het ontbreken van strafvorderlijk belang - van rechtswege - ophoudt te bestaan vindt naar het oordeel van de rechtbank overigens geen steun in het recht.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat niet gebleken is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek zodat artikel 359a Sv niet van toepassing is en het door de raadsman gestelde niet kan leiden tot bewijsuitsluiting. De rechtbank verwerpt het verweer.

De raadsman heeft voorts betoogd dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet mogen worden gebruikt voor het bewijs omdat gegronde vrees bestaat dat deze getuigen niet uit eigen waarneming hebben verklaard. De raadsman baseert dit op de door hem gestelde omstandigheid dat twee bestuursleden van de [stichting gedupeerden] inzage hebben gehad in het strafdossier en dat aan hen afschriften zijn verstrekt. Volgens de raadsman kan het niet anders zijn dan dat [naam 4] één van die bestuursleden was en volgens de raadsman staat tevens vast dat [naam 4] de partner is van getuige [getuige 1]. Daardoor zouden de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] mogelijk voor hun verhoor inzage hebben gehad in het dossier.

Getuige [getuige 1] is in 2010 summier door de politie gehoord en op 17 januari 2011 meer uitgebreid door de FIOD-ECD. In haar verklaring heeft zij onder meer gedetailleerd uiteengezet hoe zij verdachte heeft leren kennen, welke bedragen zij heeft ingelegd in het product van [S.A.] en onder welke overeengekomen voorwaarden zulks is gebeurd.

Op verzoek van de raadsman van verdachte is getuige [getuige 1] op 16 augustus 2012 bij de rechter-commissaris in deze rechtbank gehoord. Getuige [getuige 1] heeft aldaar opnieuw een verklaring afgelegd. Deze verklaring stemt overigens in grote mate overeen met de door [getuige 1] bij de FIOD-ECD afgelegde verklaring.

Getuige [getuige 2] heeft op 13 juli 2010 aangifte gedaan. In dat kader is hij gehoord en heeft hij onder meer een verklaring afgelegd met betrekking tot de door hem ingelegde bedragen in de producten van [S.A.] en hoe deze inleg tot stand is gekomen.

Op verzoek van de raadsman van verdachte is getuige [getuige 2] op 29 augustus 2012 bij de rechter-commissaris in deze rechtbank gehoord. Getuige [getuige 2] heeft aldaar opnieuw een verklaring afgelegd. Deze verklaring stemt overigens in grote mate overeen met de door [getuige 2] bij de FIOD-ECD afgelegde verklaring.

Het is de rechtbank niet gebleken dat de getuigen [getuige 1] en/of [getuige 2] voorafgaande aan hun verhoor bij de rechter-commissaris in deze rechtbank kennis hadden van het dossier. Deze veronderstelling zijdens de verdediging is gebaseerd op veronderstellingen en speculatie. Overeenkomstig artikel 51b Sv zijn eerst na 24 augustus 2012 stukken verstrekt aan benadeelde partij [naam 6], niet aan [getuige 1] en/of [getuige 2]. Van de andere door de raadsman gestelde verbanden is de rechtbank evenmin gebleken.

De verdediging heeft bovendien verzuimd om aan te geven op welk onderdeel de getuigen [getuige 1] en/of [getuige 2] niet uit eigen waarneming hebben verklaard en hoe dit gerelateerd is aan hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de bedoelde getuigenverklaringen uit te sluiten van het bewijs.

Het verweer van de raadsman treft derhalve geen doel.

Ten aanzien van feit 1

Op grond van de in de bewijsmiddelen weergegeven feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel, dat voldoende vast is komen te staan dat door de rechtspersonen [S.A.], [B.V. 1] en [adviesgroep] in de periode van 15 september 2004 tot en met 26 januari 2010 financiële producten onder de naam [Financieel product 2] en [financieel product 2] zijn aangeboden aan diverse personen, waaronder de 8 personen die specifiek in de tenlastelegging worden aangeduid. De polissen werden in de meeste gevallen door verdachte aan de inleggers verkocht. Verdachte kwam als assurantie- en hypotheekadviseur van de [adviesgroep], vaak al jaren bij de inleggers over de vloer en genoot in die hoedanigheid het vertrouwen van deze personen. Uit de diverse getuigenverklaringen is af te leiden dat [naam 7] en [naam 8] - eveneens werkzaam bij de [adviesgroep] - ook polissen hebben verkocht.

De rechtbank is op grond van de verklaringen van de getuigen, alsmede de door hen overgelegde polissen, van oordeel dat voldoende vaststaat dat door, onder meer, verdachte, [naam 7] en [naam 8], daarbij is gepretendeerd dat het om inleg in een spaarproduct ging. De getuigen verklaren zonder uitzondering dat aan hen mondeling (en in een enkel geval tevens per e-mail) is voorgehouden - vaak nadat zij uitdrukkelijk te kennen hadden gegeven dat zij hun geld niet (risicovol) wilden beleggen - dat het geld zou worden gestort op een spaarrekening dan wel in een deposito bij een bank in Luxemburg. Ook de aan de inleggers afgegeven polissen bevestigen dit beeld door opneming van de termen 'opening spaarrekening', 'nieuw afgesloten spaarrekening', 'spaargegevens' en/of 'spaarbedrag'. Op enkele polissen is vermeld dat het gaat om een gelabeld product van [bank]. Ten slotte heeft verdachte ter terechtzitting bevestigd dat hij de producten (GA en BA) altijd als spaarpolissen heeft verkocht waarbij de intentie was - na overleg met medeverdachte [medeverdachte] - het geld weg te zetten op een depositorekening bij onder andere Luxemburgse banken.

Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de inleggers uiteindelijk een spaarovereenkomst zijn aangegaan met [S.A.] en/of [B.V. 1] waarbij rentepercentages zijn overeengekomen variërend van 4,5 % tot 18%. Op de polissen/overeenkomsten is vermeld dat er sprake is van een gegarandeerde dagrente en dat het ingelegde bedrag 30 dagen na einddatum van de polis wordt teruggestort op de tegenrekening. De inleggers hebben het door hen ingelegde geld gestort op de rekening van voornoemde rechtspersonen, dan wel op de privérekening van verdachte.

Op grond van de bewijsmiddelen kan voorts het volgende worden vastgesteld.

[S.A.] is op 28 november 2003 als vennootschap opgericht in Luxemburg en fungeerde als tussenpersoon voor verzekeraars en beleggingsinstellingen.

Naast verdachte en medeverdachte [medeverdachte] werd de vennootschap bestuurd door [getuige 3] en [getuige 4].

[B.V. 1] is een in Nederland gevestigde investeringsmaatschappij. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn (indirect) bestuurder van deze rechtspersoon via de volgende constructie:

[B.V. 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van [B.V. 1] [B.V. 3] en [B.V. 4] waren in de periode van 16 februari 2006 tot en met 16 maart 2010 telkens aandeelhouder en bestuurder van [B.V. 2] [B.V. 3] heeft als enig aandeelhouder de [stichting 1] . Verdachte is bestuurder van de [stichting 1] en van [B.V. 3]

De [stichting 2]]is enig aandeelhouder van [B.V. 4] Medeverdachte [medeverdachte] is bestuurder van de [Stichting 2].

[S.A.] heeft op 6 oktober 2006 een overeenkomst gesloten met [B.V. 1] Deze overeenkomst is namens [S.A.] ondertekend door [getuige 4] en namens [B.V. 1] door medeverdachte [medeverdachte]. In deze overeenkomst is vastgelegd dat [S.A.] obligaties uitgeeft onder de naam [B.V. 1] en dat [S.A.] geld - afkomstig van deze obligaties - ter beschikking stelt aan [B.V. 1], welke het geld zal investeren in binnen- en buitenlandse bedrijven. [B.V. 1] is op grond van de overeenkomst rente verschuldigd aan [S.A.] over het beschikbaar gestelde geld, welk percentage voor het jaar 2006 is vastgesteld op 8%.

De rechtbank leidt uit het vorenstaande af dat de [Financieel product 1]] feitelijk obligaties waren waarvan de ingelegde gelden door (de bestuurders van) de rechtspersonen [S.A.] en [B.V. 1] waren voorbestemd om te dienen als investering in andere bedrijven.

De rechtbank stelt voorts op grond van de bewijsmiddelen vast dat het geld van de inleggers feitelijk niet op spaardeposito's (al dan niet in Luxemburg) terecht is gekomen. Uit de diverse processen-verbaal betreffende inleg en besteding komt naar voren dat de door de inleggers gestorte bedragen onder meer zijn aangewend om (rente)betalingen te verrichten aan andere inleggers, dan wel aan, aan verdachte en medeverdachte [medeverdachte] gelieerde, bedrijven zoals [bedrijf 1], [bedrijf 2], [bedrijf 3] en [B.V. 2]. Ook zijn gedeeltes van de ingelegde bedragen aan managementfee doorgestort aan [B.V. 2] en [B.V. 3] of zijn deze aangewend voor privé-uitgaven dan wel (achtereenvolgens) doorgestort naar de privérekening van verdachte en zijn partner [naam 2].

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat er sprake is van een samenweefsel van verdichtsels waardoor een aantal personen is bewogen tot de afgifte van gelden.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman ertoe strekkende dat er geen sprake is van bedrieglijk of listiglijk handelen of een samenweefsel van verdichtsels, omdat van geen van de opgesomde aangevers kan worden vastgesteld dat is overeengekomen dat het ingelegde geld op een Luxemburgse spaarrekening zou worden gestort. Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank hiervoor te dien aanzien heeft overwogen acht de rechtbank op grond van de verklaringen van de getuigen, in samenhang bezien met de overgelegde polissen en de verklaring van verdachte ter terechtzitting voldoende aannemelijk dat aan de inleggers is voorgehouden dat de door hen ingelegde gelden op een (Luxemburgse) spaarrekening zouden worden gestort.

Het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling

De raadsman heeft betoogd dat verdachte altijd te goeder trouw een spaarproduct heeft verkocht en aldus niet kan worden bewezen dat de handelwijze van verdachte als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg had dat hij onrechtmatig bevoordeeld zou worden.

De rechtbank overweegt het volgende.

Volgens vaste jurisprudentie is er niet alleen sprake van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling als verdachte heeft gehandeld met als enig of primair doel zich te verrijken door inleggers moedwillig te misleiden. Het oogmerk kan ook blijken uit feitelijke omstandigheden, waaronder de bedrijfsvoering, op grond waarvan verdachte wist of kon weten dat hij de jegens de inleggers aangegane verplichtingen niet zou kunnen nakomen. Voldoende voor een bewezenverklaring is het zogeheten noodzakelijkheidsbewustzijn: de handelwijze van verdachte had, naar hij besefte, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg dat hij onrechtmatig bevoordeeld zou worden, ook al was zijn handelen primair op een ander doel gericht. Niet beslissend is het bij hem bestaande motief voor zijn handelen.

Verdachte heeft verklaard dat hij voor [S.A.] spaarpolissen verkocht en dat hij er van uitging dat zijn zakenpartner en medeverdachte [medeverdachte] het ingelegde geld op de deposito's in Luxemburg zou storten. Hij zou daarbij volledig hebben vertrouwd op zijn compagnon en medeverdachte [medeverdachte] die over de betalingen en beleidsbeslissingen ging en niet hebben geweten wat er daadwerkelijk met het geld gebeurde.

De rechtbank stelt vast dat het beeld dat door verdachte is geschetst niet strookt met hetgeen uit de bewijsmiddelen naar voren komt.

Zo heeft [S.A.] op 24 oktober 2007 - naar aanleiding van door de AFM gestelde vragen over het product [Financieel product 1]] - een brief verstuurd aan de AFM waarin wordt aangegeven dat [S.A.] middels de [financieel product 2] zelf obligaties uitgeeft welke in het bedrijf of bij [B.V. 1] worden uitgezet. De brief is ondertekend door verdachte.

In een brief van 28 februari 2008 aan De Nederlandse Bank heeft [S.A.] eveneens gesteld dat zij obligaties uitgeeft. Ook deze brief is ondertekend door verdachte. De rechtbank acht de stelling van verdachte ter terechtzitting, dat de brieven zijn opgesteld door medeverdachte [medeverdachte] en hij - verdachte - de brieven 'blind' heeft ondertekend, niet aannemelijk. Zulks gelet op de verklaringen van de bestuurders [getuige 4] en [getuige 3] waarin deze hebben gesteld dat er naar aanleiding van de brief van de AFM een overleg heeft plaatsgehad met verdachte en dat verdachte aldaar op vragen van [getuige 4] en [getuige 3] over het product Blue Account heeft aangegeven dat het om bedrijfsobligaties ging. De rechtbank merkt daarbij tevens op dat zij de stelling van verdachte - dat hij het verschil tussen een spaarproduct en een obligatie niet kende - op grond van zijn werkzaamheden, zijn opleiding en arbeidsverleden volstrekt onaannemelijk acht.

Uit de e-mails die verdachte en medeverdachte [medeverdachte] over en weer naar elkaar stuurden, kan voorts worden afgeleid dat zij veelvuldig en gedetailleerd overlegden over de wijze waarop gestorte geldbedragen van nieuwe polissen moesten worden besteed. Daarbij wordt overwegend besloten om de ingelegde gelden te besteden aan het betalen van rente van andere inleggers waarbij 'de grootste probleemgevallen' het eerste aan de beurt zijn.

Een en ander brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat kan worden vastgesteld dat verdachte wel degelijk wist dat de door [S.A.] en (in sommige gevallen) [B.V. 1] aangetrokken gelden werden aangewend voor bedrijfsobligaties alsmede dat hij actief betrokken was bij de besteding van die gelden, anders dan het storten in een spaardeposito.

Zoals eerder overwogen en vastgesteld, werd door [S.A.] en (in sommige gevallen) [B.V. 1] een rendement van 4,5% tot 18% geboden aan de inleggers terwijl door [S.A.] op de door haar aan [B.V. 1] uitgeleende gelden een rendement van 8% werd ontvangen. Daarnaast is vastgesteld dat de ingelegde bedragen voor een groot gedeelte werden aangewend voor privé-uitgaven, managementfees en het betalen van rentes aan andere inleggers (waardoor deze gelden niet meer konden worden geïnvesteerd in bedrijven en daarop geen rente-inkomsten konden worden gegenereerd). Door deze manier van handelen moet het verdachte duidelijk zijn geweest dat [S.A.] zijn verplichtingen ten aanzien van de inleggers (op termijn) niet meer kon nakomen en kan om die reden minstgenomen aannemelijk worden geacht dat er bij verdachte sprake was van een noodzakelijkheidsbewustzijn dat hij als bestuurder van de onderneming onrechtmatig bevoordeeld zou worden. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Feitelijk leidinggeven

De raadsman heeft betoogd dat verdachte niet kan worden aangemerkt als feitelijk leidinggevende ten aanzien van het door de rechtspersoon [S.A.] gepleegde strafbare feit omdat verdachte niet over het geld kon beschikken en hij voorts niet op de hoogte was van het wederrechtelijk handelen van [medeverdachte] zodat er geen sprake was van beschikkingsmacht. Bovendien zou verdachte de situatie niet hebben aanvaard, getuige de omstandigheid dat verdachte met gedupeerden naar [medeverdachte] is gegaan om inzage in de administratie te krijgen en hij daarnaast aangifte tegen [medeverdachte] heeft gedaan.

De rechtbank overweegt het volgende.

Van feitelijk leidinggeven aan een strafbaar feit gepleegd door een rechtspersoon is sprake indien de verdachte maatregelen ter voorkoming van die strafbare gedraging achterwege laat, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden was én hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de strafbare gedraging zich zal voordoen.

Zoals eerder is vastgesteld was verdachte bestuurder van de rechtspersoon [S.A.] In die hoedanigheid was hij bevoegd om maatregelen te nemen ter voorkoming van de verboden gedraging maar heeft verdachte dit nagelaten. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte enerzijds - door zijn actieve rol als commercieel medewerker van [S.A.] - ervan op de hoogte was dat door [S.A.] spaarpolissen werden 'verkocht' terwijl verdachte voorts heeft geweten dat het niet ging om een spaarproduct maar een obligatie en dat de ingelegde gelden niet in een spaardeposito werden gestort maar onder meer werden aangewend voor privé-uitgaven van verdachte en medeverdachte [medeverdachte], investeringen in andere - gelieerde - bedrijven en rentebetalingen aan andere inleggers. Anders dan door de raadsman betoogd is de rechtbank van oordeel dat verdachte aldus wel op de hoogte was van het wederrechtelijk handelen van de rechtspersoon [S.A.] en hij zelfs per mail aan medeverdachte [medeverdachte] opdracht gaf tot het betalen van geldbedragen ten behoeve van de hiervoor opgesomde doelen. Aldus kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte opzet had op de oplichting gepleegd door [S.A.] en [B.V. 1] Uit de omstandigheid dat verdachte - na afloop van de tenlastegelegde periode - inzage in de administratie heeft gevraagd en aangifte heeft gedaan tegen [medeverdachte] volgt niet - anders dan door de raadsman betoogd - dat verdachte de situatie niet zou hebben aanvaard. De rechtbank verwerpt het verweer.

Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat door de aangevers prematuur aangifte is gedaan omdat er geen sprake is geweest van een civielrechtelijke tekortkoming en aldus ook geen sprake kan zijn van strafrechtelijk laakbaar handelen overweegt de rechtbank dat zij dat verweer verwerpt, omdat ten aanzien van het civielrechtelijk kader - wat hier verder ook van zij - een ander toetsingskader van toepassing is. De overwegingen ten aanzien van het strafbaar handelen van verdachte zijn hiervoor genoegzaam weergegeven, waarbij de rechtbank van oordeel is dat het moment van oplichting ligt op het moment van het aanbieden van de financiële producten als spaarpolissen terwijl deze in feite iets anders inhielden.

Ten aanzien van feit 2

Onder verwijzing naar hetgeen door de rechtbank ten aanzien van feit 1 is overwogen is de rechtbank voorts van oordeel dat vaststaat dat verdachte, tezamen met medeverdachte [medeverdachte] en de rechtspersonen [S.A.] en [B.V. 1] heeft beschikt over het geld dat door de oplichting gepleegd door [S.A.] en [B.V. 1] is verkregen. Uit de diverse processen-verbaal betreffende de besteding van ingelegde gelden alsmede de e-mailwisseling tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] kan tevens worden afgeleid dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] deze gelden hebben gebruikt, overgedragen en voorhanden hebben gehad door het ingelegde geld - nadat het door de inleggers op een bankrekening van verdachte en/of zijn medeverdachten was gestort - onder meer te gebruiken om rentes van eerdere inleggers mee te betalen en/of privé-uitgaven te doen.

De rechtbank acht aldus bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen.

Gelet op de ruime periode waarin een en ander zijn beslag heeft gekregen, de frequentie van de gepleegde handelingen en de intentie van verdachte en de medeverdachten acht de rechtbank voorts bewezen dat verdachte en de medeverdachten daarvan een gewoonte hebben gemaakt.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank is op grond van de in de bewijsmiddelen weergegeven feiten en omstandigheden van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat verdachte in de periode van 11 juli 2007 tot en met 31 augustus 2007, in zijn functie als adviseur van de [B.V. 6], terzake van een aanvraag van een hypothecaire lening bij de BGL Hypotheekbank N.V. een aantal bescheiden heeft ingediend waaronder een salarisstrook en een werkgeversverklaring op naam van [getuige 4] alsmede een taxatierapport van een pand aan de [adres 2] te Rotterdam.

Uit de verklaring van [medeverdachte] kan worden afgeleid dat hij op verzoek van verdachte een werkgeversverklaring en een salarisstrook ten name van [getuige 4] heeft opgesteld als ware die [getuige 4] werkzaam bij [bedrijfsnaam], terwijl [medeverdachte] voornoemd op de hoogte was van het feit dat [getuige 4] nimmer bij dat bedrijf in dienst is geweest. Een en ander wordt bevestigd door [getuige 4] zelf.

Ten aanzien van het door verdachte ingediende taxatierapport, waarin wordt vermeld dat het pand aan de [adres 2] te Rotterdam wordt gewaardeerd op een onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van € 395.000,00 en op een executiewaarde vrij van huur en gebruik van € 355.000,00, kan op grond van de verklaring van [getuige 5], ertoe strekkende dat hij niet de opsteller van het taxatierapport is, alsmede op grond van het taxatierapport van [makelaar 1] (opgesteld in opdracht van [bedrijfsnaam 2]) d.d. 29 juni 2010 waarin ten aanzien van het pand voornoemd een onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van euro € 260.000,00 en een executiewaarde vrij van huur en gebruik van € 210.000,00 wordt vastgesteld, worden vastgesteld dat dit in strijd met de waarheid is opgesteld.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat verdachte meermalen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften als ware die geschriften echt en onvervalst.

De enkele omstandigheid dat verdachte, zoals door de raadsman gesteld, ontkent dat hij gebruik heeft gemaakt van vorenbedoelde documenten doet aan dit oordeel niet af.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vermelde bewijsmiddelen bewezen dat

1.

[S.A.] en/of [B.V. 1] en/of

een aanverwante rechtspersoon,

op één of meer tijdstippen, gelegen in of omstreeks de periode van 15

september 2004 tot en met 26 januari 2010,

in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met één of meer ander(en),

(telkens) met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te

bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels,

een (groot aantal) personen heeft bewogen en/of

door een ander heeft doen bewegen tot de (girale) afgifte van een of

meer (na te noemen) geldbedragen, waaronder

[BENADEELDE PARTIJEN 1 TOT EN MET 6]

immers hebben [S.A.] en/of [B.V. 1] en/of een aanverwante rechtspersoon, en/of één (of meer) mededaders met voornoemd

oogmerk

-zakelijk weergegeven - opzettelijk in strijd met de waarheid een groot aantal personen

waaronder in ieder geval voornoemde personen

- benaderd en/of geïnteresseerd in de deelname aan en het storten van een

of meer geldbedragen op een of meer deposito- en/of spaarrekeningen,

bij welke gelegenheden verdachte en of zijn mededaders hebben

voorgewend dat

-het geld zou worden gestort op een deposito- en/of spaarrekening,

en

-er een gegarandeerde dagrente was en-het ingelegde bedrag 30 dagen na einddatum polis zou worden teruggestort op

de tegenrekening,

aan welke bovenomschreven verboden

gedragingen verdachte (telkens) tezamen en vereniging met een ander,

(telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

verdachteop tijdstippen, gelegen in of omstreeks de periode van 15 september 2004 tot

en met 26 januari 2010,

in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en/of [S.A.] en/of [B.V. 1] ,

(telkens) voorwerpen

te weten geldbedragen,

tot een totaal van (ongeveer) € 2.164.020,00, heeft

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen of van genoemde

geldbedragen gebruik heeft gemaakt,

terwijl verdachte en/of zijn mededaders wisten, dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

hebbende hij, verdachte en of zijn mededaders van het plegen van witwassen een gewoonte gemaakt;

(parketnummer 11/992004-11)

3.

verdachte in of omstreeks de periode van 11 juli 2007 tot en met 31 augustus 2007 in Nederland,

meermalen,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse

geschriften,

als ware die geschriften (telkens) echt en onvervalst,

te weten

A) een werkgeversverklaring d.d.12 april 2007 (3-D-04) en

B) een loonstrook over de periode juni 2007 (3-D-05) en

C) een taxatierapport van [makelaar 2]] d.d. 11 december 2006 met

betrekking tot object [adres 2] te Rotterdam (3-D-07),

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen -

bestaande dat gebruik maken (telkens) hierin dat verdachte voornoemde werkgeversverklaring en loonstrook en taxatierapport heeft ingediend bij [hypotheekbank] ter verkrijging van een lening,

en bestaande die valsheid hierin dat

ad A) op die werkgeversverklaring is vermeld dat [getuige 4] sedert

1 december 2005 in dienst is bij [bedrijfsnaam] te Nieuwe Tonge in de

functie van Accountmanager en een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd

heeft bij [bedrijfsnaam] en is aangesteld in vaste dienst bij [bedrijfsnaam] terwijl [getuige 4] in werkelijkheid nooit heeft gewerkt voor [bedrijfsnaam]. en

ad B) op die loonstrook is vermeld dat [getuige 4] 21 dagen heeft

gewerkt bij [bedrijfsnaam] te Nieuwe Tonge en een netto loon heeft

ontvangen van euro 3206,07 op rekeningnummer [rekeningnummer] terwijl [getuige 4] in

werkelijkheid nooit heeft gewerkt voor [bedrijfsnaam] en geen

rekeningnummer [rekeningnummer] heeft, en

ad C) in het taxatierapport is vermeld dat de woning is geïnspecteerd

en gewaardeerd op een onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van

euro 395.000,00 en een executiewaarde vrij van huur en gebruik van euro 355.000,00

terwijl de woning volgens een taxatierapport van [makelaar 1] (opgesteld in opdracht van [bedrijfsnaam 2]) d.d. 29 juni 2010 een onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van euro 260.000,00 en executiewaarde vrij van huur en gebruik van euro 210.000,00 heeft.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

1. primair

FEITELIJK LEIDING GEVEN AAN MEDEPLEGEN VAN OPLICHTING, GEPLEEGD DOOR EEN RECHTSPERSOON, MEERMALEN GEPLEEGD;

2.

MEDEPLEGEN VAN GEWOONTEWITWASSEN;

3.

OPZETTELIJK GEBRUIK MAKEN VAN EEN VALS GESCHRIFT, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 225, EERSTE LID, VAN HET WETBOEK VAN STRAFRECHT, ALS WARE HET ECHT EN ONVERVALST, MEERMALEN GEPLEEGD.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet op zijn plaats is, en heeft daartoe gewezen op de omstandigheid dat verdachte geen strafrechtelijk verleden heeft en door dit gebeuren zelf ook alles is kwijtgeraakt. Bovendien heeft verdachte met zijn eigen geld geprobeerd om gedupeerden te helpen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan onder andere [S.A.] en [B.V. 1], welke rechtspersonen diverse personen hebben opgelicht. Verdachte verkocht hen spaarproducten die in het geheel geen spaarproducten bleken te zijn. De inleg werd onder meer uitgeleend aan kleine bedrijven, wat een risicovolle belegging, was, en besteed aan privé-uitgaven..

Daarnaast heeft verdachte zich met zijn mededader schuldig gemaakt aan het gewoonte-witwassen van de ingelegde gelden door ze uit te lenen en mede te gebruiken om rentes aan sommige inleggers van de spaarproducten te betalen. Ook werden er in privé betalingen mee gedaan.

De gevolgen voor de gedupeerden zijn enorm. Zij zijn hun spaargeld, overwaarde van hun woning of oudedagsvoorziening kwijtgeraakt. Het verdwenen geld loopt in de miljoenen.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij als actieve verkoper van de spaarproducten misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen van de inleggers die verdachte vaak al jaren kenden en hun een onjuiste voorstelling van zaken gaf. Toen het verdachte te heet onder de voeten werd, deed hij alsof hij ernstig ziek was, bleek hij veelal onbereikbaar en wendde hij voor dat ook hij slachtoffer was geworden van de malafide praktijken van zijn zakenpartner.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het gebruikmaken van valse documenten teneinde een appartement op naam van een ander te kunnen zetten, waardoor hij zelf van de hypotheekschuld die op het pand rustte zou zijn bevrijd. Hierbij zijn zowel de hypotheeknemer als de koper benadeeld. Ook hier speelde de vertrouwensband die verdachte gemakkelijk opbouwde een rol.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben hun eigen financiële gewin voorop gesteld en de belangen van de inleggers daaraan ondergeschikt gemaakt.

Bij dergelijke ernstige feiten komen verdachten die daaraan feitelijk leiding geven in aanmerking voor een forse vrijheidsstraf.

De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij van geen enkel inzicht in zijn handelen blijk heeft gegeven. Hij heeft in plaats daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting vooral met een beschuldigende vinger gewezen naar zijn zakenpartner en medeverdachte en betoogd dat hem - verdachte - vanwege zijn eenvoudige achtergrond en ziekelijke gesteldheid in het geheel geen verwijt valt te maken. Dit bevestigt het beeld dat uit de gepleegde misdrijven naar voren komt, namelijk van een calculerende man, die er slechts op uit is - ten koste van anderen - voordeel voor zichzelf te behalen.

Volgens het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 3 oktober 2012 is verdachte niet eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank houdt hier bij het bepalen van de strafmaat rekening mee.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte.

8 De benadeelde partijen

De hierna te noemen benadeelde partijen hebben zich voorafgaande aan de zitting schriftelijk in het geding gevoegd en hebben gevorderd verdachte te veroordelen tot het betalen van de hierna te noemen bedragen, ter zake van schadevergoeding, in verband met feit 1:

[BENADEELDE PARTIJEN 1 TOT EN MET 62]

De hierna te noemen benadeelde partij heeft zich ter terechtzitting mondeling in het geding gevoegd en heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot het betalen van het hierna te noemen bedrag, ter zake van schade, in verband met feit 1:

[benadeelde partij 63]

De benadeelde partijen onder 3 en 61 hebben tevens gevorderd verdachte te veroordelen tot het betalen van de wettelijke rente over het gevorderde bedrag en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen 1 tot en met 61 en 63. Zij heeft daartoe gesteld dat verdachte persoonlijk failliet is gegaan. Op grond van artikel 26 van de Faillisementswet kunnen vorderingen tegen een gefailleerde alleen bij de curator worden ingediend.

Ten aanzien van de vordering van [curator] - curator in het faillissement van verdachte - acht de officier van justitie de vordering slechts toewijsbaar waar deze ziet op crediteuren in de failliete boedel van verdachte, ontstaan door 'inleg' in de producten van [S.A.] en [B.V. 1] waarbij het schadebedrag van deze crediteuren dient te worden beperkt tot de eenvoudig vast te stellen inleg. De vordering van de curator dient (ten aanzien van deze crediteuren) voor het daarboven gevorderde niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat het berekenen van de diverse rentepercentages en de daadwerkelijk uitgekeerde rentebedragen niet eenvoudig is en derhalve niet thuishoort in het strafproces. Het gedeelte van de vordering dat ziet op de crediteur [crediteur 1] is niet voor toewijzing vatbaar omdat deze crediteur reeds een civielrechtelijk vonnis heeft. Het gedeelte van de vordering dat ziet op de overige crediteuren in het faillissement, is volgens de officier van justitie eveneens niet-ontvankelijk. Deze crediteuren hebben wel schade geleden maar deze schade houdt geen direct verband met de onderhavige strafbare feiten. Dit verband ontbreekt eveneens ten aanzien van het gevorderde bedrag van € 25.000 in verband met de crediteuren [crediteur 2] en [credteur 3].

De officier van justitie heeft - samengevat - geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de curator [curator] tot de volgende bedragen:

[crediteuren 1 tot en met 8]

De curator dient in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Met betrekking tot de toe te wijzen vordering heeft de officier van justitie verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn wegens - naar de rechtbank begrijpt - het persoonlijk faillissement van verdachte. Subsidiair acht de raadsman de beoordeling van de vorderingen een te zware belasting voor het strafproces, hetgeen eveneens zou moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partijen. De raadsman stelt meer subsidiair dat slechts de vorderingen die betrekking hebben op de personen die uitdrukkelijk op de tenlastelegging worden genoemd kunnen worden behandeld. Ten slotte dient volgens de raadsman een keuze te worden gemaakt tussen toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen en de (toewijzing van de) op handen zijnde ontnemingsvordering omdat beide instrumenten leiden tot begunstiging van de gedupeerden.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de benadeelde partijen 1 tot en met 61 en 63

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte bij vonnis van 21 juni 2011 in staat van faillissement is verklaard.

Door de faillietverklaring verliest de gefailleerde de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorende vermogen ("de boedel"). Dit heeft ook gevolgen voor civiele procedures over dat vermogen, aangezien de Faillissementswet, met het oog op de paritas creditorum - de gelijkheid van schuldeisers -, een exclusieve regeling bevat voor gerechtelijke procedures tegen een gefailleerde, die strekken tot het verrichten van betalingen ten laste van de failliete boedel.

Artikel 26 van de Faillissementswet (hierna: Fw) luidt:

"Rechtsvorderingen, die voldoening ener verbintenis uit de boedel ten doel hebben, kunnen gedurende het faillissement ook tegen de gefailleerde op geen andere wijze ingesteld worden dan door aanmelding ter verificatie."

Op de voet van artikel 26 Fw kunnen rechtsvorderingen, die strekken tot het verrichten van betalingen ten laste van de failliete boedel, op geen andere wijze worden ingesteld dan door die vorderingen ter verificatie aan te melden bij de curator in het faillissement. Dit brengt mee dat een eiser die zijn vordering op andere wijze instelt, daarin niet ontvangen kan worden.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank de benadeelde partijen, als hiervoor opgesomd onder 1 tot en met 61 en 63, in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van de vordering van de curator [curator]

De curator [curator] heeft zich ter zake van een vordering tot schadevergoeding ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement van verdachte gevoegd in het strafproces. Hij vordert de vergoeding van materiële schade tot een totaalbedrag van

€ 4.592.482,00. De faillissementscurator is als vertegenwoordiger van de gezamenlijke schuldeisers bevoegd voor de belangen van die schuldeisers in rechte op te komen (HR 15 april 2003, LJN: AF4265) en dient in zoverre in beginsel te worden ontvangen in zijn vordering. De curator heeft zijn vordering onderbouwd door overlegging van een crediteurenlijst. Deze lijst omvat een aantal crediteuren (waaronder de Belastingdienst, Eneco Services B.V., Santander Comfort Card, etc.) waarvan de rechtbank niet kan vaststellen dat hun vordering verband houdt met de in dit geding aan de orde zijnde overtreden strafbepalingen. De rechtbank zal de curator [curator] voor dat gedeelte van de vordering dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

Voor zover de vordering van de curator ziet op gedupeerden in verband met de onderhavige overtreden strafbepalingen overweegt de rechtbank dat de curator ook voor dat deel van de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard nu er slechts een crediteurenlijst is overgelegd en een nadere onderbouwing van de diverse schadeposten ontbreekt. De beoordeling van de vordering levert derhalve een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Nu de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zal verklaren, komt zij niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen. De civielrechtelijke aansprakelijkheid en de eventuele omvang daarvan staat daardoor niet vast. Civielrechtelijke aansprakelijkheid is een voorwaarde voor het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffers. De rechtbank zal afzien van het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel.

9 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straf berust op de artikelen 47, 51, 57, 225, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de dagvaarding geldig;

- verklaart het ten laste gelegde bewezen op de wijze als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- verklaart de hierna te noemen benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vordering:

[BENADEELDE PARTIJEN 1 TOT EN MET 63]

- veroordeelt deze benadeelde partijen in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij curator [curator] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt deze benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Hello, voorzitter, mr. M.A.C. Prins en

mr. G.J. Schiffers-Hanssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2012.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te onderteken.

Parketnummers: 11/993002-10 en 11/992004-11 (ttzgev)

Vonnis d.d. 21 december 2012