Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BY6273

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
AWB 12/1363
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Beslissing over het beëindigen van c.q. een beslissing tot het niet toelaten tot schuldhulpverlening na 1 juli 2012 is besluit. Geen dossiervorming in het kader van schuldhulpverlening. Bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de schuldhulpverlening moet worden hervat.

De wetgever heeft blijkens de Memorie van Toelichting bij de wet uitdrukkelijk niet beoogd in de Wgs een aanspraak op schuldhulpverlening in de zin van die wet voor een inwoner jegens zijn gemeente te creëren (Kamerstukken II, 2009/2010, 32 291, nr. 3, p. 10, en nr. 4, p. 6). Wel heeft de wetgever in artikel 2 van de Wgs de verplichting voor de raad opgenomen een plan op te stellen en daarin de hoofdzaken op te nemen van het door de gemeente te voeren beleid betreffende integrale schuldhulpverlening (hierna: het plan) en in artikel 3 het college verantwoordelijk gesteld voor de uitvoering van dat plan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vordert de wetgever hiermee regeling en bestuur als bedoeld in artikel 108, tweede lid, van de Gemeentewet voor het bieden door een gemeente aan haar inwoners van een voorziening in de vorm van de nader in artikel 1 van de Wgs omschreven schuldhulpverlening. De bevoegdheid om op basis van het aldus opgestelde plan beslissingen te nemen in het individueel geval berust op grond van artikel 147, derde lid, van de Gemeentewet, gelezen in samenhang met voormeld artikel 3, bij het college. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is een concrete beslissing van het college op grond van dit plan om een inwoner op diens verzoek al dan niet tot die voorziening van schuldhulpverlening toe te laten, gericht op rechtsgevolg. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet alleen omdat daarmee al dan niet de betrokkene aanspraak wordt gegeven op een zekere dienstverlening onder verantwoordelijkheid van de gemeente, maar ook omdat aan het uitsluiten van een betrokkene van die voorziening van schuldhulpverlening zwaarwegend gewicht toekomt in het eventueel daarna te volgen wettelijk traject op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Een beslissing van het college tot toekenning van of niet toelaten tot de voorziening moet dan ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb waartegen bezwaar en beroep in de zin van de Awb open staat.

De bevoegdheid om een besluit tot toekenning van een voorziening te nemen houdt naar heersende opvatting tevens de bevoegdheid in om dat besluit te wijzigen. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen grond om de beslissing om toegekende schuldhulpverlening te beëindigen anders te beoordelen dan de beslissing over het al dan niet toekennen van schuldhulpverlening. Ook een dergelijke beslissing moet daarom worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb waartegen bezwaar en beroep in de zin van de Awb open staat.

De schuldhulpverlening aan verzoekers is door verweerder beëindigd op de grond dat sprake is van bedreiging van de betrokken schuldhulpverlener. De voorzieningenrechter stelt in deze voorop dat naar zijn opvatting bedreiging een ernstige vorm van wangedrag betreft, die in beginsel aanleiding geeft de schuldhulpverlening te beëindigen. Naar de (kennelijke) opvatting van verzoekers is er echter reden om af te wijken van dit beginsel omdat er geen sprake is van bedreiging in die zin, dat een dergelijke wijze van zich uitlaten van verzoeker voordien vanwege zijn persoon werd geaccepteerd door de medewerker van verweerder met wie hij veelal contact had. De voorzieningenrechter stelt vast dat de stukken over wat precies is voorgevallen in het dossier ontbreken. Verweerder heeft aangegeven dat verdere stukken niet kunnen worden overgelegd, omdat in het kader van schuldhulpverlening geen dossiers worden aangelegd. Gelet daarop kan de voorzieningenrechter niet uitsluiten dat verweerder het besluit over de beëindiging van schuldhulpverlening aan verzoekers ook in bezwaar niet genoegzaam met stukken zal kunnen staven. Derhalve komt de voorzieningenrechter toe aan een belangenafweging, die gelet op het voorgaande in het voordeel van verzoekers uitvalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2013/57

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 12/1363

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[naam 1] en [naam 2], wonende te [woonplaats], verzoekers,

gemachtigde: mr. drs. A. de Raad, advocaat te Dordrecht,

en

het Drechtstedenbestuur, verweerder,

gemachtigde: mr. T. Franssen, werkzaam bij de Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: SDD).

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 26 september 2012 heeft de SDD verzoekers bericht dat de schuldhulpverlening aan hen wordt beëindigd op de grond van hen op 14 september 2012 twee e-mailberichten zijn ontvangen met dreigende uitspraken.

Tegen dit bericht hebben verzoekers bij brief van 6 november 2012 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van eveneens 6 november 2012 hebben verzoekers een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 27 november 2012 ter zitting behandeld.

Verzoekers zijn in persoon verschenen, vergezeld van hun gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Uit artikel 8:1 van de Awb in samenhang gelezen met artikel 7:1 van de Awb volgt dat slechts bezwaar kan worden gemaakt bij het bestuursorgaan en beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter tegen een besluit in de zin van de Awb.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.1.2. Op 1 juli 2012 is de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (hierna: Wgs) in werking getreden.

Artikel 1 van de Wgs bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

- college: college van burgemeester en wethouders;

- schuldhulpverlening: het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg;

- verzoeker: persoon die zich tot het college heeft gewend voor schuldhulpverlening.

Artikel 2 van de Wgs bepaalt:

1. De gemeenteraad stelt een plan vast dat richting geeft aan de integrale schuldhulpverlening aan de inwoners van zijn gemeente.

2. De gemeenteraad stelt het plan telkens voor een periode van ten hoogste vier jaren vast. Het plan kan tussentijds gewijzigd worden.

3. Het plan bevat de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren beleid betreffende integrale schuldhulpverlening en het voorkomen dat personen schulden aangaan die ze niet kunnen betalen.

4. In het plan wordt in ieder geval aangegeven:

a. welke resultaten de gemeente in de door het plan bestreken periode wenst te behalen;

b. welke maatregelen de gemeenteraad en het college nemen om de kwaliteit te borgen van de wijze waarop de integrale schuldhulpverlening wordt uitgevoerd;

c. het maximaal aantal weken dat de gemeente nastreeft met betrekking tot de in artikel 4, eerste lid, genoemde periode, en

d. hoe schuldhulpverlening aan gezinnen met inwonende minderjarige kinderen wordt vormgegeven.

5. In het plan kan de gemeenteraad aangeven onder welke voorwaarden het college de verzoeker verplicht over een basisbankrekening te beschikken.

Artikel 3 van de Wgs bepaalt:

1. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 2, eerste lid.

2. Het college kan schuldhulpverlening in ieder geval weigeren in geval een persoon al eerder gebruik heeft gemaakt van schuldhulpverlening.

3. Het college kan schuldhulpverlening in ieder geval weigeren in geval een persoon fraude heeft gepleegd die financiële benadeling van een bestuursorgaan tot gevolg heeft en die persoon in verband daarmee onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld of een onherroepelijke bestuurlijke sanctie, die beoogt leed toe te voegen, is opgelegd.

4. Met betrekking tot een ingezetene zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is het college verantwoordelijk dat krachtens artikel 40 van de Wet werk en bijstand aangewezen is voor de verlening van bijstand.

5. Een vreemdeling kan voor het verlenen van schuldhulpverlening slechts in aanmerking komen indien hij een ingezetene is die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

2.1.3. Ingevolge artikel 108, tweede lid, van de Gemeentewet kunnen van het gemeentebestuur regeling en bestuur worden gevorderd bij of krachtens een andere dan deze wet ter verzekering van de uitvoering daarvan.

Ingevolge artikel 147, derde lid, van de Gemeentewet berusten de overige bevoegdheden, bedoeld in artikel 108, tweede lid, bij het college, voor zover deze niet bij of krachtens de wet aan de raad of de burgemeester zijn toegekend.

2.1.4. Op 8 maart 2006 hebben de raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van de gemeenten Alblasserdam, Dordrecht, 's-Gravendeel, Hendrik Ido Ambacht, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht de Gemeenschappelijke regeling Drechtsteden (hierna: Grd) vastgesteld. In de nu geldende Grd, versie 7.0, is het volgende bepaald.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Grd vervult het openbaar lichaam Drechtsteden de taken welke bij afzonderlijk eensluidend besluit van het (de) bevoegde bestuursorga(a)n(en) van alle gemeenten aan Drechtsteden zijn gedelegeerd en door de Drechtraad zijn aanvaard

Ingevolge artikel 6, tweede lid, aanhef en onder h, van de Grd vervult Drechtsteden als bevoegd gezag de volgende taken als bedoeld in artikel 5, eerste lid onder b: Schuldbemiddeling en budgetadvies.

De thans in voorbereiding zijnde wijzing van de Grd zal naar verwachting van kracht worden op 1 januari 2013. Daarmee zal de Grd vanaf 1 januari 2013 het volgende bepalen.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, aanhef en onder g, van de Grd vervult Drechtsteden als bevoegd gezag de volgende taken als bedoeld in artikel 5, eerste lid onder b:

Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.

2.1.5. Op 12 juni 2012 heeft de Drechtraad het Regionaal beleidsplan schuldhulpverlening Drechtsteden 1 juli 2012 - 1 juli 2016 vastgesteld (hierna: het Regionaal beleidsplan).

In paragraaf 2.5 van het Regionaal beleidsplan is het volgende bepaald:

"Iemand kan tot de schuldhulpverlening van de Sociale dienst Drechtsteden worden

toegelaten als hij/zij

a. inwoner is van de Drechtsteden, 18 jaar of ouder is en (problematische) schulden

heeft;

b. beschikt over een inkomen;

c. in staat is een schuldhulpverleningstraject te volgen (of, als dit vanwege in de persoon

gelegen factoren niet mogelijk is, dat de aanvullende ondersteuning die hiervoor nodig is

geregeld is);

d. bereid is zich aan afspraken in het kader van het schuldhulpverleningstraject te houden

de beschikbare afloscapaciteit in te zetten ter aflossing van zijn schulden;

e. zich niet misdraagt ten opzichte van medewerkers die belast zijn met werkzaamheden

die voortkomen uit het schuldhulpverleningstraject;

f. geen schulden heeft waarvan de aard ervan een aanbod tot schuldhulpverlening in de

weg staat;

g. geen zelfstandig ondernemer is met een nog functionerende onderneming;

h. direct voorafgaand aan de melding voor een periode van maximaal 10 jaar niet eerder

gebruik gemaakt heeft van schuldhulpverlening.

Uitzondering voor gezinnen met kinderen en hardheidsclausule:

a. als er sprake is van een dreigende huisuitzetting van gezinnen met kinderen wordt,

ongeacht bovengenoemde voorwaarden, altijd een schuldhulpverleningstraject opgestart.

Deze hulpverlening is per definitie integraal en wordt geregisseerd door de GGD-ZHZ;

b. in individuele gevallen kan middels de hardheidsclausule van deze regels worden

afgeweken."

In paragraaf 2.6 van het Regionaal beleidsplan is bepaald:

"De vorm waarin het Drechtstedenbestuur schuldhulpverlening aanbiedt, de voorwaarden

waaronder dit gebeurt en de duur van het traject worden op individueel niveau per

(privaatrechtelijke) overeenkomst geregeld."

2.1.6. Op 12 april 2012 heeft verweerder de beleidsregels "Toelating tot de schuldhulpverlening in de Drechtsteden" vastgesteld, hierna: de Beleidsregels. Deze zijn per 1 juli 2012 in werking getreden.

Artikel 2 van de Beleidsregels bepaalt:

Binnen de Drechtsteden staat schuldhulpverlening open voor alle inwoners van 18 jaar en ouder.

Artikel 3 van de Beleidsregels bepaalt:

Een inwoner meldt zich voor schuldhulpverlening bij het Drechtstedenbestuur en verzoekt haar om tot de schuldhulpverlening te worden toegelaten. Het Drechtstedenbestuur laat de verzoeker toe tot de schuldhulpverlening tenzij een van de in artikel 4 genoemde weigeringsgronden van toepassing is.

Artikel 4 van de Beleidsregels bepaalt:

Onverminderd de criteria genoemd in artikel 3 van de wet en de overige bepalingen in deze beleidsregels, kan het Drechtstedenbestuur besluiten tot het weigeren van de schuldhulpverlening indien:

a. verzoeker niet over inkomen beschikt;

b. verzoeker vanwege in de persoon gelegen factoren niet in staat is een schuldhulpverleningstraject te volgen;

c. uit houding en gedragingen van verzoeker ondubbelzinnig blijkt dat hij zijn beschikbare middelen niet wil gebruiken ter delging van zijn schulden, dan wel op andere wijze niet wil meewerken aan het schuldhulpverleningstraject;

d. verzoeker zich ten opzichte van de medewerkers, belast met werkzaamheden die voortkomen uit het schuldhulpverleningstraject, misdraagt;

e. de aard van de schulden een aanbod tot schuldhulpverlening in de weg staat;

f. verzoeker zelfstandig ondernemer is met een nog functionerende onderneming;

g. de voor schuldhulpverlening in te zetten producten, bedoeld in artikel 5, zijn uitgenut.

Artikel 5 van de Beleidsregels bepaalt:

Het Drechtstedenbestuur kan plafonds vaststellen voor: 1. de verschillende producten binnen het schuldhulpverleningsaanbod; 2. het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifiek product.

Artikel 6 van de Beleidsregels bepaalt:

Indien aan verzoeker, voorafgaande aan de dag waarop het verzoek om schuldhulpverlening wordt ingediend, eerder een aanbod tot schuldhulpverlening is gedaan wordt de toegang tot schuldhulpverlening voor een periode van maximaal 5 jaar geweigerd, met dien verstande dat hiervan kan worden afgeweken als a. er sprake is van "plotselinge onvoorziene omstandigheden met inkomensachteruitgang als gevolg"; b. er sprake is van schulden die ontstaan zijn door in de persoon gelegen factoren, waarbij duidelijk is dat de zich eerder voorgedane situatie zich niet meer kan voordoen doordat de klant in tegenstelling tot eerdere situatie maatregelen heeft getroffen waardoor een nieuwe terugval voorkomen wordt.

Artikel 7 van de Beleidsregels bepaalt:

De vorm waarin het Drechtstedenbestuur schuldhulpverlening aanbiedt, de

voorwaarden waaronder dit gebeurt en de duur van het traject, zoals bedoeld in artikel

4, lid 3 van de wet, worden bij overeenkomst geregeld.

Artikel 8 van de Beleidsregels bepaalt:

1. Het Drechtstedenbestuur handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen;

2. In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het Drechtstedenbestuur.

2.2. Het rechtskarakter van een beslissing over schuldhulpverlening

De wetgever heeft blijkens de Memorie van Toelichting bij de wet uitdrukkelijk niet beoogd in de Wgs een aanspraak op schuldhulpverlening in de zin van die wet voor een inwoner jegens zijn gemeente te creëren (Kamerstukken II, 2009/2010, 32 291, nr. 3, p. 10, en nr. 4, p. 6). Wel heeft de wetgever in artikel 2 van de Wgs de verplichting voor de raad opgenomen een plan op te stellen en daarin de hoofdzaken op te nemen van het door de gemeente te voeren beleid betreffende integrale schuldhulpverlening (hierna: het plan) en in artikel 3 het college verantwoordelijk gesteld voor de uitvoering van dat plan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vordert de wetgever hiermee regeling en bestuur als bedoeld in artikel 108, tweede lid, van de Gemeentewet voor het bieden door een gemeente aan haar inwoners van een voorziening in de vorm van de nader in artikel 1 van de Wgs omschreven schuldhulpverlening. De bevoegdheid om op basis van het aldus opgestelde plan beslissingen te nemen in het individueel geval berust op grond van artikel 147, derde lid, van de Gemeentewet, gelezen in samenhang met voormeld artikel 3, bij het college. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is een concrete beslissing van het college op grond van dit plan om een inwoner op diens verzoek al dan niet tot die voorziening van schuldhulpverlening toe te laten, gericht op rechtsgevolg. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet alleen omdat daarmee al dan niet de betrokkene aanspraak wordt gegeven op een zekere dienstverlening onder verantwoordelijkheid van de gemeente, maar ook omdat aan het uitsluiten van een betrokkene van die voorziening van schuldhulpverlening zwaarwegend gewicht toekomt in het eventueel daarna te volgen wettelijk traject op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (hierna: WSNP). Een beslissing van het college tot toekenning van of niet toelaten tot de voorziening moet dan ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb waartegen bezwaar en beroep in de zin van de Awb open staat.

De bevoegdheid om een besluit tot toekenning van een voorziening te nemen houdt naar heersende opvatting tevens de bevoegdheid in om dat besluit te wijzigen. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen grond om de beslissing om toegekende schuldhulpverlening te beëindigen anders te beoordelen dan de beslissing over het al dan niet toekennen van schuldhulpverlening. Ook een dergelijke beslissing moet daarom worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb waartegen bezwaar en beroep in de zin van de Awb open staat.

Nu de Wgs niet voorziet in overgangsrecht, is hetgeen in die wet is bepaald direct van toepassing. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet daarmee de schuldhulpverlening die bij wijze van voorziening werd geboden door gemeenten voor 1 juli 2012 geacht worden te vallen onder de werking van het plan als bedoeld in artikel 2 Wgs, tenzij in het plan anders is bepaald. Aldus bezien is er geen grond om de beëindiging van gemeentelijke schuldhulpverlening die een aanvang heeft genomen voor 1 juli 2012 maar onder werking van het plan als bedoeld in artikel 3 van de Wgs is beëindigd, niet eveneens aan te merken als een besluit in de zin van de Awb waartegen bezwaar en beroep in de zin van de Awb open staat.

2.3. Bevoegdheid beslissing over schuldhulpverlening

De voorzieningenrechter acht voldoende vast staan dat de raad en het college van de gemeente Dordrecht hun bevoegdheden ten aanzien van schuldbemiddeling en budgetadvies hebben overgedragen aan de Drechtsteden en dat dit per 1 januari 2013 tevens uitdrukkelijk voor de hen toekomende bevoegdheden op grond van de Wgs zal zijn gebeurd.

De Drechtraad heeft op 12 juni 2012 het Regionaal beleidsplan vastgesteld. Bedoeld is om met dit plan een plan vast te stellen als bedoeld in artikel 2 van de Wgs op grond van de aan de Drechtraad gedelegeerde bevoegdheden van de aan de gemeenschappelijke regeling deelnemende raden op het gebied van de schuldhulpverlening en vooruitlopend op de te delegeren bevoegdheden van de raad op grond van de Wgs.

Verweerder heeft op 12 april 2012 de Beleidsregels vastgesteld, kennelijk vooruitlopend op aan verweerder te delegeren bevoegdheden van de aan de gemeenschappelijke regeling deelnemende colleges op grond van de Wgs. Bedoeld is om hiermee beleidsregels vast te stellen ter uitwerking van het plan als bedoeld in artikel 2 van de Wgs in het kader van de taak van het college als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wgs

Gelet op het voorgaande acht de voorzieningenrechter voldoende vast staan dat de Drechtraad en verweerder bevoegd waren in plaats van de raad en het college van de gemeente Dordrecht het Regionaal beleidsplan en de Beleidsregels vast te stellen, althans dat eventuele gebreken op dat punt in bezwaar zullen worden hersteld.

Aldus bezien moet de in geding zijnde beslissing worden geacht onder verantwoordelijkheid van Drechtsteden en op grond van voornoemde beleidsstukken te zijn genomen. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding om de beslissing niet als appellabel besluit aan verweerder toe te schrijven. Voor zover de beslissing onbevoegd zou zijn genomen door de SDD, ziet de voorzieningenrechter daarin geen grond voor het oordeel dat dat besluit reeds daarom in bezwaar geen stand zou kunnen houden. Het ligt immers in de lijn der verwachting dat verweerder die beslissing in bezwaar als besluit zal bekrachtigen.

2.4. Het materiële geschil

In november 2011 is verzoekers op hun verzoek begeleiding door de SDD bij de sanering van hun schulden aangeboden, die zij hebben geaccepteerd. De SDD heeft een stabilisatietraject uitgezet, en vervolgens ook budgetbeheer voor verzoekers op zich genomen en het treffen van regelingen voor de schulden. Verzoekers is in het vooruitzicht gesteld dat als zij dit traject bij de SDD goed afronden, zij in aanmerking zullen worden gebracht voor een schuldsanering via de WSNP.

Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat verzoekers tot op heden goed hebben meegewerkt aan de schuldhulpverlening door de SDD maar van de SDD niet kon worden gevergd die schuldhulpverlening nog langer voort te zetten. Verweerder is van opvatting dat verzoekers zich bij herhaling tegenover medewerkers van de SDD ernstig hebben misdragen. Verweerder heeft erop gewezen dat hij eerder al op 27 juli 2012 wegens wangedrag jegens medewerkers van de SDD verzoekers tot 27 oktober 2012 de toegang tot de SDD heeft ontzegd en verder verzoeker heeft verboden met de SDD te telefoneren. Verzoekers wisten daarmee volgens verweerder dat enig verder wangedrag van hen door de SDD niet meer zou worden getolereerd. De twee e-mails met persoonlijke bedreigingen die verzoekers daarna op 14 september 2012 aan de medewerker van de SDD belast met de schuldhulpverlening hebben toegezonden, waren voor verweerder de druppel. De inhoud van deze e-mails blijkt voldoende duidelijk uit de brief die de SDD op 25 september 2012 aan verzoekers heeft verzonden. In die brief heeft verweerder vanwege deze e-mails, naast het beëindigen van de schuldhulpverlening, besloten het pandverbod van verzoekers te verlengen tot 1 oktober 2013 en aan beide verzoekers een telefoonverbod op te leggen tot 1 oktober 2013.

Verzoekers stellen zich op het standpunt dat uit het dossier niet valt op te maken wat nu precies is gebeurd. Verzoekers betogen dat bij gebreke daarvan niet kan worden vastgesteld hoe het precies is gegaan en verder niet of het inderdaad in de e-mails van 14 september 2012 bedoeld is om persoonlijke bedreigingen te doen. Voor zover al sprake zou zijn van onbetamelijke uitlatingen, had verweerder rekening moeten houden met de omstandigheid dat verzoekers door in de persoon gelegen factoren een ongelukkige wijze van communiceren hebben. Voorts had verweerder moeten laten meewegen dat er ten tijde van de e-mails fouten waren gemaakt door de SDD als gevolg waarvan verzoekers een tijdlang zonder enige middelen waren en daardoor in ernstige problemen. Tot slot had verweerder moeten laten meewegen dat verzoekers zich bovengemiddeld veel moeite hebben getroost om het schuldhulpverleningstraject bij de SDD tot een goed einde te brengen.

De voorzieningenrechter stelt in deze voorop dat naar zijn opvatting bedreiging een ernstige vorm van wangedrag betreft, die in beginsel aanleiding geeft de schuldhulpverlening te beëindigen. Naar de (kennelijke) opvatting van verzoekers is er echter reden om af te wijken van dit beginsel omdat er geen sprake is van bedreiging in die zin, dat een dergelijke wijze van zich uitlaten van verzoeker voordien vanwege zijn persoon werd geaccepteerd door de medewerker van verweerder met wie hij veelal contact had. De voorzieningenrechter stelt in dit verband vast dat in het dossier de twee e-mails van 14 september 2012 ontbreken. Ook zijn er geen stukken die inzichtelijk maken wat voorafgaand aan deze e-mails is voorgevallen, zowel wat betreft gedrag van verzoekers als wat betreft handelen van verweerder. Gelet daarop kan thans niet worden vastgesteld of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat er geen redenen zijn om af te wijken van het beginsel dat bedreiging aanleiding geeft tot beëindiging van de schuldhulpverlening. Ter zitting heeft verweerder aangegeven thans geen verdere stukken te kunnen overleggen, omdat in het kader van schuldhulpverlening geen dossiers worden aangelegd. Gelet daarop kan de voorzieningenrechter niet uitsluiten dat verweerder het besluit van 6 november 2012 over de beëindiging van schuldhulpverlening aan verzoekers ook in bezwaar niet genoegzaam met stukken zal kunnen staven. Derhalve komt de voorzieningenrechter toe aan een belangenafweging, die gelet op het voorgaande in het voordeel van verzoekers uitvalt.

2.5. Te treffen voorziening

Gelet op het voorgaande, dient het verzoek om voorlopige voorziening te worden toegewezen. Het besluit van 26 september 2012 wordt geschorst tot 6 weken na verzending van de beslissing op het daartegen gerichte bezwaar. De voorzieningenrechter zal bij wijze van voorlopige voorziening bepalen dat verweerder de schuldhulpverlening aan verzoekers dient te hervatten.

Nu het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, dient verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:82, vierde lid, van de Awb het door verzoekers betaalde griffierecht te vergoeden (€ 42,-).

De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:84, vierde lid, van de Awb, gelezen in samenhang met 8:75, eerste lid, van deze wet, te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarbij is toegekend 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,- en wegingsfactor 1. Van overige kosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- schorst het besluit van 26 september 2012 tot 6 weken na verzending van de beslissing op het daartegen gerichte bezwaar;

- bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verweerder de schuldhulpverlening aan verzoekers dient te hervatten;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 42,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,-, welke kosten verweerder aan verzoekers moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzieningenrechter, en door deze en mr. M. Lammerse, griffier, ondertekend.