Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BX9919

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
11-10-2012
Datum publicatie
11-10-2012
Zaaknummer
11-870288-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zaak Galjoen. Verdachte schiet op 12 mei 2011 te Helmond zijn ex-vriendin dood. Op 16 mei 2011 schiet hij te Zwijndrecht eerst in het portiek van de woning de zus van een andere ex-vriendin dood (error in persona). Vervolgens gaat verdachte de woning van zijn ex-vriendin binnen en schiet haar en haar moeder daar dood. Ten slotte schiet verdachte op de vader van zijn ex-vriendin. Deze wordt wel geraakt, maar overleeft het. Error in persona staat niet aan voorbedachte raad in de weg. Bij het doden van de beide ex-vriendinnen voorbedachte raad aangenomen op basis van een bekennende verklaring, welke wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, waaronder een zgn. afscheidsbrief. Geen aanleiding voor het gelasten van TBS. Opleggen levenslange gevangenisstraf niet in strijd met artikel 3 en artikel 5, vierde lid, van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Zitting houdende te Rotterdam

Sector strafrecht

parketnummer: 11/870288-11 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 oktober 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] ([land]) op [1985],

thans gedetineerd in de PI Dordrecht te Dordrecht,

hierna: verdachte.

Raadslieden: mr. K. Karakaya en mr. M.J. van Weerden, advocaten te Almere.

1 Het onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 25 en 26 september 2012.

Op de terechtzitting hebben het Openbaar Ministerie (mr. D. van der Sluis (woordvoerder) en mr. A.L. Hoekstra) en de verdediging hun standpunten kenbaar gemaakt.

Ter terechtzitting zijn als deskundigen gehoord:

drs. B.Y. van Toorn (psycholoog) en drs. H.A. Gerritsen (psychiater).

Voorts heeft de rechtbank ter terechtzitting kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en van haar ter zitting afgelegde verklaring als nabestaande van het slachtoffer [slachtoffer 5].

De rechtbank heeft de schriftelijke slachtofferverklaringen van [benadeelde partij] en [slachfoffer 4] voorgelezen.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is ter terechtzitting van 25 september 2012 gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1) op 16 mei 2011 te Zwijndrecht [slachtoffer 1] (geboren [1981]) heeft vermoord;

2) op 16 mei 2011 te Zwijndrecht [slachtoffer 2] (geboren [1988]) heeft vermoord;

3) op 16 mei 2011 te Zwijndrecht [slachtoffer 3] (geboren [1953]) heeft vermoord;

4) op 16 mei 2011 te Zwijndrecht heeft geprobeerd [slachfoffer 4] (geboren [1947]) te vermoorden;

5) op 12 mei 2011 te Helmond [slachtoffer 5] (geboren [1990]) heeft vermoord;

6) in de periode van 12 mei 2011 tot en met 20 mei 2011, al dan niet samen met een of meer anderen, een vuurwapen van categorie III, voorzien van een geluiddemper, en munitie voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1, 2, 3 en 4.

De officier van justitie acht telkens het primair ten laste gelegde feit (1, 2 en 3 telkens: moord en 4 poging tot moord) wettig en overtuigend bewezen. In de visie van de officier van justitie heeft verdachte telkens gehandeld met voorbedachten rade.

Zij baseert zich daarbij onder andere op de volgende bewijsmiddelen:

- de verklaringen van verdachte (pagina's 371-372, 373, 374 en 382)

- een proces-verbaal van bevindingen (pagina 1029)

- de verklaring van [slachfoffer 4] (pagina's 882-884, 885 en 886)

- de verklaring van [getuige 1] (pagina's 1071 en 1074)

- een proces-verbaal van bevindingen (pagina's 769-770)

- een proces-verbaal van bevindingen (pagina 708)

- een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) betreffende [slachtoffer 1] (pagina 845)

- een proces-verbaal van bevindingen (pagina 643)

- een rapport van het NFI betreffende [slachtoffer 2] (pagina's 856 en 857)

- een rapport van het NFI betreffende [slachtoffer 3] (pagina 821)

Feit 5.

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit (moord) wettig en overtuigend bewezen. Ook hier heeft verdachte in de visie van de officier van justitie gehandeld met voorbedachten rade.

Zij baseert zich daarbij onder andere op de volgende bewijsmiddelen:

- de verklaring van verdachte (pagina 368-370)

- een uitdraai van een MSN bericht (pagina 1421)

- de verklaring van [benadeelde partij] (pagina 1311)

- een afschrift van een brief van [slachtoffer 5] (pagina 1182)

- een proces-verbaal van bevindingen (pagina's 1139 en 1140)

- de verklaring van [getuige 2] (pagina 322 ev)

- de verklaring van [medeverdachte 1] (pagina's 489 en 450)

- de verklaring van [getuige 3] (pagina's 1417 en 1418)

- de verklaring van [getuige 4] (pagina's 1253 en 1254)

- een proces-verbaal van sporenonderzoek (blad 28 en 29 van bijlage 21 forensisch dossier)

- een rapport van het NFI met voorlopige bevindingen (pagina 1217)

Feit 6.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Zij baseert zich daarbij onder andere op de volgende bewijsmiddelen:

- bijlage 19 van het forensisch dossier (map 2)

- een proces-verbaal van bevindingen (pagina 784 en 785)

- een proces-verbaal van bevindingen (pagina 790)

- een proces-verbaal van bevindingen (pagina 735)

- een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 25 oktober 2011

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van feit 1, 2, 3 en 5 primair (telkens: moord) en van feit 4 primair (poging tot moord) en heeft ter onderbouwing van haar standpunt de hierna te noemen verweren gevoerd.

De verdediging is van mening dat verdachte wel kan worden veroordeeld voor de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag (feit 1, 2, 3 en 5) en poging tot doodslag (feit 4).

In de visie van de verdediging was er geen sprake van voorbedachte raad of van planmatig handelen, maar heeft verdachte telkens gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

In het kader van de vraag of al dan niet sprake was van handelen met voorbedachten rade, heeft de verdediging gewezen op een arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2012 (LJN: BR2342). De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vereiste tijdspanne, het moment waarop verdachte zich rustig kon beraden op de aard van zijn daden en de gevolgen daarvan, in alle gevallen heeft ontbroken en subsidiair dat, zelfs als al een kort moment zou kunnen worden aangewezen waarop objectief gezien tijd bestond voor een dergelijk beraad, verdachte op dat moment geestelijk niet in een toestand was waarin hij zich daadwerkelijk kon beraden.

Ten aanzien van feit 6 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Verweren strekkende tot bewijsuitsluiting

De verdediging heeft ter terechtzitting, overeenkomstig de aan de rechtbank overgelegde pleitnota, de volgende verweren gevoerd.

A. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de resultaten van het onderzoek naar de mobiele telefoon van verdachte niet gebruikt kunnen worden voor het bewijs, nu de resultaten - samengevat - laat en chaotisch zijn aangeleverd. Zo waren gegevens gedeeltelijk niet te openen op de aangeleverde dvd en konden de resultaten van het onderzoek niet met verdachte besproken worden. Een en ander is in strijd met de beginselen van een behoorlijke rechtspleging.

B. De verdediging heeft voorts verzocht om de verklaring van [getuige 5] niet te gebruiken voor het bewijs. Hiertoe heeft de verdediging samengevat aangevoerd dat diens verklaring, inhoudende dat hij van zijn dochter [slachtoffer 5] enkele dagen voor haar dood had vernomen dat zij door verdachte werd achtervolgd en bedreigd, in het licht van andere bewijsmiddelen onbetrouwbaar is.

C. Ten aanzien van de verklaringen van [getuige 6] heeft de verdediging bepleit dat die uitgesloten dienen te worden van het bewijs nu die verklaringen in de visie van de verdediging leugenachtig zijn.

D. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaringen van "medeverdachte"

[medeverdachte 1] onbetrouwbaar zijn en eveneens uitgesloten moeten worden van het bewijs. Samengevat heeft de verdediging in dit verband aangevoerd dat de hersenbeschadiging waar [medeverdachte 1] aan lijdt, zulks reeds met zich meebrengt, maar dat het daarnaast de-auditu verklaringen betreft die innerlijk tegenstrijdig en onaannemelijk zijn.

E. De verdediging heeft verzocht om de "afscheidsbrief" die verdachte schreef niet te bezigen voor het bewijs omdat verdachte die brief heeft geschreven om zijn familie en de politie op een dwaalspoor te brengen.

F. Ten slotte heeft de verdediging verzocht om het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant], opgenomen op pagina 187 in het "Amsterdamse vermissingsdossier", als kennelijk onjuist buiten beschouwing te laten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ad A.

De resultaten van het onderzoek aan de mobiele telefoon van verdachte.

Nu de rechtbank de resultaten van het onderzoek aan de mobiele telefoon van verdachte niet voor het bewijs zal gebruiken, behoeft het verweer voor zover het ziet op die resultaten, geen bespreking.

Ad B, C en D.

De verklaringen van [getuige 5], [getuige 6] en [medeverdachte 1].

Nu de rechtbank de verklaring van [getuige 5], voor zover betrekking hebbend op voorafgaand aan haar dood door hem met [slachtoffer 5] gevoerde gesprekken, niet voor het bewijs zal gebruiken, behoeft ook dit verweer geen bespreking.

Ten aanzien van de door [getuige 6] en [medeverdachte 1] tegenover de politie afgelegde verklaringen geldt hetzelfde.

Ad E.

De rechtbank zal het verweer ten aanzien van de "afscheidsbrief" bespreken bij de voorbedachte raad.

Ad F.

Ten slotte is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de historische gegevens van verdachtes telefoon zoals vermeld op pagina 187 van het "Amsterdamse vermissingsdossier" onjuist zijn. De rechtbank zal die gegevens daarom buiten beschouwing laten.

4.3.2 De feiten

Inleiding.

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Verdachte heeft op 12 mei 2011 in zijn woning te Helmond met een vuurwapen dat was voorzien van een geluiddemper, meerdere malen op [slachtoffer 5] geschoten. [slachtoffer 5] is hierbij tweemaal door en eenmaal in haar hoofd geschoten en voorts eenmaal in haar rug geraakt. Als gevolg van voormelde schoten is zij overleden.

Op 16 mei 2011 heeft verdachte in het portiek van een woning te Zwijndrecht met een vuurwapen, wederom voorzien van een geluiddemper, tweemaal op [slachtoffer 1] geschoten. [slachtoffer 1] is hierbij tweemaal door haar hoofd geschoten, ten gevolge waarvan zij is overleden.

Verdachte is daarna de woning van de familie [slachtoffers] binnengegaan en heeft daar meerdere malen op [slachtoffer 2] geschoten, waarbij [slachtoffer 2] onder andere eenmaal in haar hoofd en eenmaal in haar borst werd geraakt, als gevolg waarvan zij is overleden.

In voormelde woning heeft verdachte voorts (eenmaal) in het achterhoofd van [slachtoffer 3] geschoten, ten gevolge waarvan deze is overleden, en hij heeft tweemaal geschoten op [slachfoffer 4]. Laatstgenoemde is hierbij geraakt in het lichaam en aan het hoofd, maar heeft het overleefd.

Mede naar aanleiding van de door de verdediging gevoerde verweren en de inhoud van het requisitoir van de officier van justitie, ligt thans de vraag voor of verdachte in alle vijf genoemde gevallen al dan niet heeft gehandeld met voorbedachten rade.

Voorbedachte raad.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel met "voorbedachten rade" moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

De rechtbank zal in dit kader allereerst ingaan op de verklaringen van verdachte van 17 augustus 2011. Uit die verklaringen kan worden afgeleid dat verdachte het besluit om [slachtoffer 5] om het leven te brengen reeds had genomen toen zij na lange tijd weer met elkaar in contact kwamen. Uit die verklaringen kan voorts worden afgeleid dat verdachte, nadat hij op 12 mei 2011 [slachtoffer 5] van het leven had beroofd, een dergelijk besluit eveneens had genomen ten aanzien van [slachtoffer 2]. Beide vrouwen waren ex-vriendinnen van verdachte.

De verdediging heeft een en ander weliswaar erkend, maar heeft erop gewezen dat verdachte nadien is teruggekomen op dat deel van zijn verklaringen, in die zin dat verdachte nadien heeft gesteld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling te hebben gehandeld. Ter terechtzitting heeft verdachte dienaangaande verklaard dat hij de verklaringen van 17 augustus 2011 slordig heeft afgelegd, dat hij ten tijde van het afleggen van die verklaringen in de war en boos was en dat hij zich verplicht voelde om op alle vragen antwoord te geven.

De rechtbank hecht, anders dan de verdediging, meer waarde aan de verklaringen die verdachte op 17 augustus 2011 heeft afgelegd, dan aan zijn later afgelegde verklaringen.

De verklaringen van 17 augustus 2011 komen de rechtbank authentiek voor. De rechtbank licht dit als volgt toe.

A. Verdachte heeft op 17 augustus 2011 een verklaring afgelegd omdat hij de dag ervoor een krantenartikel had gelezen waarin verdachte werd beschreven als een loverboy. In het proces-verbaal (pagina 371) is zelfs opgenomen dat, indien verdachte het bewuste krantenartikel niet had gelezen, hij die dag (wederom) geen verklaring zou hebben afgelegd. Verdachte heeft aldus op 17 augustus 2011 op eigen initiatief zijn verklaring afgelegd. Op de vraag van de verbalisanten na afloop van voormeld verhoor wat verdachte ervan vond dat hij had verklaard, antwoordde verdachte (pagina 374):

- Ik ben wel een beetje opgelucht dat ik het heb verteld, ook nadat ik de leugens in de krant heb gelezen. ... Ik heb rechtgezet wat fout was en door de verklaring vandaag wil ik de leugens rechtzetten.

B. Hier komt bij dat uit de processen-verbaal van verhoor noch uit de ter terechtzitting getoonde beelden van die verhoren volgt, dat verdachte ten tijde van het afleggen van zijn verklaring in de war was of zijn verklaring slordig heeft afgelegd. In tegenstelling tot het standpunt van de verdediging dat verdachte zich verplicht voelde op alle vragen antwoord te geven, is de rechtbank van oordeel dat uit het proces-verbaal en de getoonde beelden naar voren komt dat verdachte vrijelijk heeft verklaard, waarbij door de verbalisanten overwegend open vragen zijn gesteld op het niveau van 'en toen?'. Sterker nog: verdachte had min of meer de regie in handen tijdens de verhoren. De rechtbank wijst in dit verband op de keren dat verdachte (ook op 17 augustus 2011) opmerkt op bepaalde onderwerpen later terug te zullen komen.

C. Hetgeen verdachte op 17 augustus 2011 tegenover de politie heeft verklaard, strookt voorts met de door hemzelf geschreven zogenaamde afscheidsbrief. Daarin staat immers dat hij het hernieuwde contact met [slachtoffer 5] accepteerde om wraak te kunnen nemen, dat hij zijn wraak genomen had en dat ook Zwijndrecht voor zijn, verdachtes, eer was.

Over deze brief heeft verdachte in zijn tweede verklaring op 17 augustus 2011 verklaard:

"Ik schreef de waarheid, ik heb het gedaan, dit is mijn reden".

En:

"Ik loog over mijn zelfmoord, want ik wilde mijn ouders en de politie doen geloven dat ik dood was en er niet meer was".

Verdachte heeft desgevraagd ook verklaard waarom hij in zijn brief meer schreef over [slachtoffer 5] dan over Zwijndrecht:

"Het ging me meer om [slachtoffer 5], dat was mijn doel."

De verdediging heeft verzocht de bedoelde brief niet voor het bewijs te bezigen en heeft in dit verband aangevoerd dat volgens de verklaring van verdachte hij deze brief had geschreven met de bedoeling zijn familie en de politie op een dwaalspoor te brengen en hen ertoe te bewegen hem niet te zoeken. Anders dan de verdediging ziet de rechtbank hierin geen aanleiding om de brief buiten beschouwing te laten. Verdachte heeft immers zelf verklaard dat hij in de brief had gelogen over zijn zelfmoord, maar de waarheid had geschreven omtrent wat hij had gedaan en waarom.

Met betrekking tot de verklaringen die verdachte nadien heeft afgelegd, geldt dat deze in grote lijnen overeen komen met die van 17 augustus 2011, behoudens op het punt dat verdachte al enige tijd het plan zou hebben gehad om [slachtoffer 5] respectievelijk [slachtoffer 2] om het leven te brengen. Daar waar verdachte onderbouwt dat van een plan geen sprake was en dat hij (telkens) handelde in een onmiddellijke opwelling, zijn zijn verklaringen niet consistent zoals mag blijken uit het volgende.

D. Zo verklaart verdachte ten aanzien van [slachtoffer 5] tegenstrijdig over het moment waarop [slachtoffer 5] ter sprake zou hebben gebracht dat zij verdachtes dreigmail van 19 oktober 2006 nog altijd in haar bezit had en eventueel tegen hem zou kunnen gebruiken: op 24 augustus 2011 verklaart verdachte dat [slachtoffer 5] deze dreigmail ter sprake heeft gebracht tijdens hun ontmoeting in Amsterdam in april 2011 en dat het leek alsof zij hem in haar macht wilde krijgen; ter zitting heeft verdachte verklaard dat dit pas ter sprake kwam in Helmond op 12 mei 2011, (onder andere) als gevolg waarvan zij ruzie zouden hebben gekregen.

E. Eveneens op 24 augustus 2011 verklaart verdachte dat het op 12 mei 2011 in hem barstte toen hij zich bedacht dat [slachtoffer 5] hem opnieuw kwaad wilde doen nadat zij al eerder zijn leven had verpest. Op 27 september 2011 verklaart verdachte hierover dat het de laatste maanden goed met hem ging en dat hij na vierenhalf jaar eindelijk zijn huisje op orde had en een garagebedrijf had in Oss. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet goed te rijmen met het gegeven dat verdachte reeds voor 12 mei 2011 (onder andere) zijn garagebedrijf te koop heeft gezet op marktplaats.nl.

Zijn verklaring ter zitting hierover (inhoudende dat hij het garagebedrijf te koop had gezet omdat er sprake was van huurachterstand), acht de rechtbank niet geloofwaardig: uit het dossier vloeit voort dat twee maanden huur vooruit was betaald en dat de huur per 1 april 2011 was ingegaan; voorts bleek verdachte bij zijn aanhouding op 20 mei 2011 over voldoende contant geld te beschikken om een maand huur te kunnen betalen.

F. Met betrekking tot [slachtoffer 2] stelt verdachte in zijn na 17 augustus 2011 afgelegde verklaringen niet meer te weten waarom hij op haar geschoten heeft en verklaart hij wisselend over de reden waarom hij op 16 mei 2011 naar Zwijndrecht is afgereisd (respectievelijk: om verhaal te halen en excuses te krijgen van de gehele familie, om [slachtoffer 2] te zien en/of te spreken, om de vader van [slachtoffer 2] in een intimiderend gesprek tot excuses te bewegen, enzovoort).

CONCLUSIE.

Gelet op al het voorgaande gaat de rechtbank uit van de verklaringen die verdachte op 17 augustus 2011 heeft afgelegd.

Hierna worden per feit de overige omstandigheden besproken, waarbij de rechtbank het gewicht zal bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

Feit 5: Helmond 12 mei 2011.

De rechtbank is het met de verdediging eens dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat [slachtoffer 5] bang was voor verdachte. De rechtbank is echter van oordeel dat dit geen omstandigheid is die pleit tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad.

In het hartbloed van [slachtoffer 5] is ethanol (rechtbank: ook wel alcohol) aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij en [slachtoffer 5] alcohol hadden gedronken. Naar de mening van de verdediging kan die omstandigheid hebben bijgedragen aan het uit de hand lopen van het gesprek, hetgeen een aanwijzing kan zijn dat verdachte in een opwelling heeft gehandeld.

Wat daar ook van zij: in het omtrent het toxicologisch onderzoek uitgebrachte rapport (bijlage 6 WDS) staat beschreven dat bij postmortaal toxicologisch onderzoek bloed uit een centraal gelegen deel van het lichaam (zoals hartbloed) minder geschikt is voor dergelijk onderzoek. Omdat er geen femoraalbloed voor toxicologisch onderzoek beschikbaar was, is het onderzoek uitgevoerd in hartbloed.

Een exacte bijdrage van postmortale alcoholvorming aan het gemeten ethanolgehalte is niet nauwkeurig vast te stellen.

De rechtbank is mede om die reden van oordeel dat de veronderstelling van de verdediging feitelijke grondslag mist en derhalve geen omstandigheid oplevert die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad kan pleiten.

De verdediging heeft voorts naar voren gebracht dat verdachte geen voorbereidingen had getroffen om zich van het lichaam van [slachtoffer 5] te ontdoen.

De rechtbank is van oordeel dat dit op zichzelf genomen een aanwijzing kan zijn die pleit tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad. Uit de verklaringen van verdachte die voor het bewijs zijn gebezigd, volgt echter al dat verdachte het plan had om [slachtoffer 5] van het leven te beroven. Tegelijkertijd is niet genoegzaam komen vast te staan dat verdachte het plan had om [slachtoffer 5] in zijn eigen woning om het leven te brengen. Dit laat de mogelijkheid open dat verdachte zijn plan elders ten uitvoer wilde brengen waardoor hij niet genoodzaakt zou zijn om zich van haar lichaam te ontdoen.

Daar komt bij dat, gelet op de "afscheidsbrief" en de verklaring van verdachte die hij daarover heeft afgelegd (pagina 378-379), verdachte kennelijk wilde vluchten, waardoor de noodzaak om zich te ontdoen van het lichaam van [slachtoffer 5] er niet (meer) was.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat dit geen aanwijzing van doorslaggevend gewicht vormt die pleit tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat:

- verdachte op 12 mei 2011 zijn ex-vriendin [slachtoffer 5] heeft opgehaald in IJmuiden en dat zij uiteindelijk in de woning van verdachte te Helmond terecht zijn gekomen;

- verdachte die dag [slachtoffer 5] in zijn woning heeft gedood;

- dit is geschied door meerdere schoten door dan wel in haar hoofd en één schot in haar rug;

- zij de woonkamer uitliep toen verdachte op haar schoot;

- het vuurwapen van verdachte voorzien was van een geluiddemper;

- het vuurwapen, volgens verdachte, doorgeladen op een stoel van de eetkamertafel in de woonkamer lag;

- verdachte heeft verklaard dat hij het besluit om [slachtoffer 5] dood te schieten al had genomen de eerste keer dat zij weer contact hadden (februari 2011);

- verdachte zijn vuurwapen, dat hij volgens hem al enige tijd in bezit had, voor 12 mei 2011 heeft getest;

- verdachte een brief heeft geschreven waaruit volgt dat hij het contact met [slachtoffer 5] weer accepteerde om wraak te kunnen nemen.

CONCLUSIE.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen is de rechtbank, anders dan de verdediging, van oordeel dat de daad van verdachte op 12 mei 2011 te Helmond het gevolg is geweest van een tevoren door verdachte genomen besluit. Hij heeft in het tijdsverloop tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering daarvan kunnen nadenken over, en zich rekenschap kunnen geven van, de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad.

De stelling dat verdachte op 12 mei 2011 heeft geschoten in een opwelling wordt derhalve als onaannemelijk terzijde geschoven.

Feit 1, 2, 3 en 4: Zwijndrecht 16 mei 2011.

Zoals eerder vermeld heeft de verdediging zich ook ten aanzien van deze feiten op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van voorbedachte raad en dat verdachte telkens heeft gehandeld in een opwelling.

Ten aanzien van feit 1 ([slachtoffer 1]) heeft de verdediging gesteld dat verdachte heeft geschoten in een reflex en dat uit de gemoedstoestand van verdachte (verdachte zou onder invloed van drank zijn geweest, cocaïne hebben gebruikt en de voorafgaande dagen tekort aan slaap hebben gehad) volgt dat verdachte geen plan had en niet wist wat hij deed.

Ten aanzien van feit 2 ([slachtoffer 2]) heeft de verdediging gewezen op citaten van verdachtes verklaringen van ná 17 augustus 2011, die in samenhang met de bevindingen van de psychiater over de persoon van verdachte, de conclusie rechtvaardigen dat verdachte in een opwelling heeft gehandeld.

Ten aanzien van feit 3 en 4 ([slachtoffer 3] en [slachfoffer 4]) heeft de verdediging gesteld dat verdachte heeft gehandeld in paniek en dat er geen moment van bezinning is geweest.

Ten slotte heeft de verdediging aangevoerd dat de omstandigheid dat verdachte zo lang in zijn auto voor de woning in Zwijndrecht heeft staan wachten, contra-indicatief is voor het aannemen van voorbedachte raad. Verdachte heeft immers verklaard dat hij zichzelf niet was omdat hij had gedronken, cocaïne had gesnoven en twee dagen niet had geslapen. Verdachte wist niet meer of hij moest wachten op [slachtoffer 2] om met haar te praten, of dat hij weg moest gaan.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Hierboven is reeds overwogen dat en waarom de rechtbank uit gaat van de juistheid van de verklaringen die verdachte op 17 augustus 2011 heeft afgelegd.

Verdachte heeft toen verklaard:

Ik had op 12 mei 2011 een fout hersteld in Helmond en ben daarna naar Zwijndrecht gegaan om te gaan voor [slachtoffer 2]. Ik ging alleen voor [slachtoffer 2], niet voor de rest van de familie. Dat haar moeder en zus dood zijn is een ongeluk, het ging mij om [slachtoffer 2], zij was de reden dat alles mis ging.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt verder dat:

- verdachte op 16 mei 2011 omstreeks 06.00 uur buiten bij de woning van de familie [slachtoffers] te Zwijndrecht heeft staan wachten;

- verdachte omstreeks 10.00 uur heeft besloten om naar binnen te gaan;

- verdachte toen uit een lesauto een persoon zag komen die volgens hem erg op [slachtoffer 2] leek;

- die persoon naar het portiek van de woning liep en verdachte die persoon iets wilde aandoen omdat hij dacht dat het [slachtoffer 2] was;

- verdachte nog even heeft getwijfeld, maar hij toch met zijn vuurwapen, dat was voorzien van een geluiddemper, zijn auto heeft verlaten;

- verdachte heeft aangebeld en heeft gezegd dat hij van de rijschool was en dat ze haar pasje was vergeten;

- verdachte een vrouw naar beneden zag komen en hij ervan overtuigd was dat het [slachtoffer 2] was;

- de persoon de deur open deed en verdachte vervolgens twee keer op haar heeft geschoten;

- verdachte zag dat het niet [slachtoffer 2] was;

- verdachte zag dat de voordeur van de woning nog openstond en vervolgens naar boven is gelopen en de woning van de familie [slachtoffers] is binnengegaan;

- verdachte [slachtoffer 2] in de woonkamer zag staan en hij haar ongeveer 5 seconden heeft aangekeken;

- verdachte vervolgens diverse malen op [slachtoffer 2] heeft geschoten;

- verdachte in de woonkamer eenmaal in het hoofd van de moeder van [slachtoffer 2] ([slachtoffer 3]) heeft geschoten;

- de vader van [slachtoffer 2] ([slachfoffer 4]) vervolgens de woonkamer in kwam;

- verdachte vervolgens tweemaal op hem heeft geschoten;

- uit de "afscheidsbrief" volgt dat Zwijndrecht voor zijn (verdachtes) eer was.

CONCLUSIE.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen is de rechtbank, anders dan de verdediging, van oordeel dat het schieten op [slachtoffer 2] (feit 2) door verdachte op 16 mei 2011 te Zwijndrecht het gevolg is geweest van een tevoren door verdachte genomen besluit. Hij heeft in het tijdsverloop tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering daarvan kunnen nadenken over, en zich rekenschap kunnen geven van, de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad.

De stelling dat verdachte op haar heeft geschoten in een opwelling wordt derhalve als onaannemelijk terzijde geschoven.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte ook met betrekking tot [slachtoffer 1] (feit 1) heeft gehandeld met voorbedachten rade. Zoals hiervoor overwogen, had verdachte het besluit genomen om [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Aan het aannemen van voorbedachte raad staat niet in de weg dat er een vergissing heeft plaatsgevonden ten aanzien van de persoon van het slachtoffer: een zogenaamde "error in persona".

Onder deze omstandigheden kan ook ten aan zien van [slachtoffer 1] worden gesproken van het handelen met een vooropgezet plan.

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte met betrekking tot [slachtoffer 3] (feit 3) heeft gehandeld met voorbedachten rade. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat verdachte zich had voorgenomen om ook haar van het leven te beroven.

Hoewel de verklaring van verdachte niet (helemaal) lijkt te rijmen met foto nr. 36 en 37 uit bijlage 3 van het forensisch dossier, valt op basis van de processtukken niet met zekerheid te reconstrueren of de moeder van [slachtoffer 2] reeds in de woonkamer was of dat zij binnenkwam op het moment dat verdachte [slachtoffer 2] doodschoot. Evenmin valt te reconstrueren op welke wijze en/of op welk moment verdachte op haar ([slachtoffer 3]) heeft geschoten. Derhalve kan de rechtbank niet komen tot het oordeel dat er sprake is geweest van een moment van kalm beraad en rustig overleg voorafgaand aan het moment waarop verdachte op haar heeft geschoten.

Dit neemt niet weg dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag.

De rechtbank is van oordeel dat zulks eveneens geldt met betrekking tot [slachfoffer 4] (feit 4). Ook in dit geval kan uit de bewijsmiddelen niet volgen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade.

Wel kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.

De verwijzing naar het woord "Zwijndrecht" in zijn afscheidsbrief is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om voorbedachte raad bij feit 3 en 4 aan te nemen.

Tot slot is de subsidiaire stelling van de verdediging, dat zelfs als er al een kort moment zou kunnen worden aangewezen waarop objectief gezien tijd bestond voor een dergelijk beraad, verdachte op dat moment geestelijk niet in een toestand verkeerde waarin hij zich daadwerkelijk kon beraden, onvoldoende aannemelijk geworden zodat ook dit verweer door de rechtbank wordt verworpen. De verdediging heeft deze stelling niet nader onderbouwd.

4.3.3 Partiële vrijspraak

Zoals hierboven is omschreven komt de rechtbank niet toe aan de bewezenverklaring van het bestanddeel met "voorbedachten rade" bij de feiten 3 en 4. Derhalve zal verdachte bij deze feiten van dit bestanddeel worden vrijgesproken.

4.3.4 Motivering bewezenverklaarde

De rechtbank heeft acht geslagen op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in bijlage II, die aan dit vonnis is gehecht.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vermelde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 16 mei 2011 te Zwijndrecht,

opzettelijk, en met voorbedachten rade,

- [slachtoffer 1] (geboren op [1981])

van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet, en na kalm beraad en rustig overleg,

meerdere malen, op die

- [slachtoffer 1] (geboren op [1981])

geschoten met een vuurwapen, waarbij hij, verdachte, haar heeft geraakt in haar

hoofd, ten gevolge waarvan die

- [slachtoffer 1] (geboren op [1981])

is overleden;

2.

op 16 mei 2011 te Zwijndrecht,

opzettelijk, en met voorbedachten rade,

- [slachtoffer 2] (geboren op [1988])

van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet, en na kalm beraad en rustig overleg,

meerdere malen, op die

- [slachtoffer 2] (geboren op [1988])

geschoten met een vuurwapen, waarbij hij, verdachte, haar heeft geraakt in haar hoofd

en in haar borst,

ten gevolge waarvan die

- [slachtoffer 2] (geboren op [1988])

is overleden;

3.

op 16 mei 2011 te Zwijndrecht,

opzettelijk,

- [slachtoffer 3] (geboren op [1953])

van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet,

eenmaal op die

- [slachtoffer 3] (geboren op [1953])

geschoten met een vuurwapen, waarbij hij, verdachte, haar heeft geraakt in haar

hoofd, ten gevolge waarvan die

- [slachtoffer 3] (geboren op [1953])

is overleden;

4.

op 16 mei 2011 te Zwijndrecht,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk,

-[slachfoffer 4] (geboren op [1947]) van het leven te beroven, met dat opzet, meerdere malen, met een vuurwapen heeft geschoten op, die

-[slachfoffer 4] (geboren op [1947]) (waarbij, hij, verdachte, hem heeft geraakt aan zijn hoofd en in zijn buik, )

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.

op 12 mei 2011, te Helmond, opzettelijk, en met voorbedachten rade,

-[slachtoffer 5] (geboren op [1990]) (blijkens haar naar het Nederlands vertaalde geboorteakte genaamd [naam]).

van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet, en na kalm beraad en rustig overleg, meerdere malen, op die

-[slachtoffer 5] (geboren op [1990]) (blijkens haar naar het Nederlands vertaalde geboorteakte genaamd [naam])

geschoten met een vuurwapen, waarbij hij, verdachte, haar heeft geraakt in haar hoofd en in haar rug, ten gevolge waarvan die

-[slachtoffer 5] (geboren op [1990]) (blijkens haar naar het Nederlands vertaalde geboorteakte genaamd [naam])

is overleden;

6.

A.

in de periode van 12 mei 2011 tot en met 20 mei 2011 te Helmond ,

tezamen en in vereniging met een ander ,

een vuurwapen van categorie III onder 1, te weten een pistool (merk: FN-Herstal, model: 1910/22, kaliber: 7.65 mm, voorzien van een geluiddemper), voorhanden heeft gehad;

en

B.

in de periode van 12 mei 2011 tot en met 20 mei 2011 te Zwijndrecht en te Helmond en en te 's-Hertogenbosch, ,

een vuurwapen van categorie III onder 1, te weten een pistool (merk: FN-Herstal, model: 1910/22, kaliber: 7.65 mm, voorzien van een geluiddemper), en munitie van categorie III, te weten meerdere kogelpatronen (merk: Sellier en Bellot, kaliber: 7.65 mm), voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

1, 2 en 5 telkens:

MOORD;

3

DOODSLAG;

4

POGING TOT DOODSLAG;

6

A

MEDEPLEGEN VAN HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE EN HET FEIT BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN VUURWAPEN VAN CATEGORIE III;

en

B

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE EN HET FEIT BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN VUURWAPEN VAN CATEGORIE III;

en

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE.

6 De strafbaarheid van de verdachte

6.1 De rapporten van de deskundigen

Uit het door drs. B.Y. van Toorn, psycholoog, over verdachte uitgebrachte rapport van

24 oktober 2011 komt naar voren dat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het psychologisch onderzoek. Zij heeft geadviseerd verdachte op te laten nemen in het Pieter Baan Centrum voor een klinische observatie.

Ook psychiater drs. H.A. Gerritsen heeft op 1 november 2011 in verband met de onvolledigheid van het onderzoek geadviseerd verdachte te laten observeren in het Pieter Baan Centrum.

Vervolgens heeft verdachte van 2 februari 2012 tot 22 maart 2012 ter observatie verbleven in het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum (hierna: het PBC). Verdachte werd onderzocht door een multidisciplinair team dat bestond uit een psychiater, een psycholoog, een forensisch milieuonderzoeker en een groepsleider. Volgens het rapport van 16 augustus 2012 heeft verdachte meegewerkt aan het milieuonderzoek, de groepsobservatie en het psychiatrisch onderzoek, maar heeft hij zijn medewerking geweigerd aan het psychologisch onderzoek.

Uit het rapport van het PBC komt onder meer naar voren:

Onderzochte is lijdende aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin

van een pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO (niet anderszins omschreven) en cocaïnemisbruik. Daarnaast is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de

geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met vooral narcistische

trekken.

Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde leed betrokkene aan de ziekelijke

stoornis en de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens zoals hierboven

beschreven.

De aard van de bij betrokkene vastgestelde stoornissen, die zich op alle levensgebieden

manifesteren en zijn functioneren in brede zin beïnvloeden, alsook de ernst van deze

problematiek, maken het waarschijnlijk dat betrokkenes pathologie in de aanloop tot de

ten laste gelegde feiten - indien bewezen - op enigerlei wijze een rol heeft gespeeld.

Alhoewel doorwerking van de stoornis en de gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens

in het ten laste gelegde voor de hand ligt, is de mate waarin deze doorwerking

heeft plaatsgevonden tijdens het voorliggende onderzoek onduidelijk gebleven. De reden

hiervan is dat niet goed te bepalen is in welke mate betrokkene planmatig heeft gehandeld

(pistool met munitie en geluiddemper en de vraag in hoeverre een tekort aan geld

een rol heeft gespeeld) en welk deel van zijn handelen bepaald is door zijn psychopathologie.

Onduidelijk is ook welke invloed het gebruik van alcohol en cocaïne heeft gehad en

welke rol betrokkenes vluchtplannen en het gebrek aan financiële middelen hebben

gespeeld in de aanloop tot de feiten in Zwijndrecht.

Er kan geen eenduidig advies worden gegeven over de mate van toerekeningsvatbaarheid van betrokkene voor de ten laste gelegde feiten. Op basis van de beschikbare informatie kan niet concreet worden onderbouwd op welke momenten, op welke wijze en in welke mate sprake kan zijn geweest van meer pathologisch bepaalde elementen bij de totstandkoming van de aan betrokkene ten laste gelegde levensdelicten.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het strafdossier en het rapport van het Pieter Baan Centrum, er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten niet aan verdachte zouden kunnen worden toegerekend.

Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor de door hem gepleegde strafbare feiten.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een levenslange gevangenisstraf.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) niet zou moeten gelasten.

De verdediging is van mening dat niet is voldaan aan de formele en materiële voorwaarden om een TBS te kunnen gelasten.

De verdediging heeft zich, zoals eerder vermeld, op het standpunt gesteld dat verdachte kan worden veroordeeld voor doodslag, meermalen gepleegd, een poging tot doodslag en overtreding van de Wet wapens en munitie. De verdediging meent dat de voor deze feiten maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf aangewezen is, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren.

Voor het geval de rechtbank één of meer feiten als moord kwalificeert, heeft de verdediging aangevoerd dat een levenslange gevangenisstraf, zoals die in Nederland ten uitvoer wordt gelegd, strijdig is met het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), in het bijzonder met artikel 3 en artikel 5, vierde lid, van dit Verdrag.

De verdediging heeft in het kader van de strafmaat gewezen op de jonge leeftijd van verdachte en op het ontbreken van eerdere veroordelingen van wezenlijke aard.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in een periode van enkele dagen schuldig gemaakt aan vijf levensdelicten en een overtreding van de Wet wapens en munitie. De misdrijven tegen het leven gericht vallen in de zwaarste categorie misdrijven die ons strafrecht kent.

Verdachte heeft op 12 mei 2011 zijn ex-vriendin [slachtoffer 5], met wie hij na lange tijd weer in contact was gekomen, opgehaald en is met haar naar zijn woning in Helmond gegaan. Verdachte heeft haar in zijn woning omgebracht door haar meerdere keren in het hoofd te schieten en eenmaal in de rug.

Verdachte heeft deze 20-jarige vrouw, die in de bloei van haar leven was, haar kostbaarste bezit - het leven - ontnomen. De ouders van [slachtoffer 5] hebben hun dochter verloren en de heer [naam verloofde slachtoffer 5] zijn verloofde. In haar schriftelijke slachtofferverklaring heeft de moeder van [slachtoffer 5] verwoord hoeveel [slachtoffer 5] voor haar betekende en hoe diep het verlies heeft ingegrepen en nog altijd ingrijpt in haar leven.

In de vroege ochtend van 16 mei 2011 is verdachte vanuit 's-Hertogenbosch, waar hij na de moord op [slachtoffer 5] verbleef, naar de woning van een andere ex-vriendin, [slachtoffer 2], te Zwijndrecht gereden. Verdachte heeft daar enkele uren in zijn auto voor de woning gewacht. Toen een vrouw uit een lesauto stapte, dacht verdachte dat die vrouw zijn ex-vriendin was. Nadat de vrouw het portiek van de flat was binnengegaan, heeft verdachte aangebeld, zich voorgedaan als iemand van de autorijschool en gezegd dat zij haar pasje was vergeten. Even later zag verdachte een vrouw naar beneden komen lopen, waarvan hij dacht dat het zijn ex-vriendin was. Vrijwel direct nadat deze vrouw de portiekdeur opende, heeft verdachte haar tweemaal in het hoofd/gezicht geschoten, ten gevolge waarvan zij is overleden. Pas later zag verdachte dat het niet zijn ex-vriendin betrof die hij zojuist had doodgeschoten. In werkelijkheid was het haar oudere zus, de toen 29-jarige [slachtoffer 1], die hij had omgebracht.

Toen verdachte besefte dat hij de - in zijn visie - verkeerde persoon om het leven had gebracht, is hij niet weggegaan, maar is hij alsnog de woning binnengegaan op zoek naar [slachtoffer 2]. In de woonkamer trof verdachte haar aan. Verdachte heeft ook haar met pistoolschoten in het hoofd en lichaam omgebracht. Ten tijde van haar overlijden was [slachtoffer 2] slechts 23 jaar oud.

[slachtoffer 3], de moeder van onder andere [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], is met een pistoolschot in het achterhoofd door verdachte om het leven gebracht.

Ten slotte heeft verdachte tweemaal op [slachfoffer 4], de vader van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], geschoten, maar die heeft de aanslag op zijn leven overleefd.

Verdachte heeft aldus bijna een heel gezin omgebracht. Het ten tijde van de delicten 7-jarige dochtertje van [slachtoffer 1] zal het de rest van haar leven niet alleen zonder haar moeder moeten stellen, maar ook zonder haar oma en tante. Het slachtoffer [slachfoffer 4] heeft die dag zijn vrouw en twee van zijn drie kinderen verloren.

Dat deze feiten zich hebben afgespeeld in de eigen woning van de slachtoffers, een plek waar zij zich veilig waanden, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Verdachte heeft aan de nabestaanden van de slachtoffers onuitsprekelijk en onherstelbaar leed toegebracht. Voor de nabestaanden moet het bijzonder moeilijk zijn een dergelijk zwaar verlies te dragen.

Ook de rechtsorde is door de bewezen verklaarde feiten zeer ernstig geschokt.

De ernst van de onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde feiten en de onvoorspelbaarheid van het gedrag van verdachte nopen tot een reactie die moet uitsluiten dat verdachte in de toekomst wederom een dergelijk feit zal begaan.

Daarnaast dringen zich als strafdoel op: vergelding voor de inbreuk op de rechtsorde en voor het leed dat de nabestaanden van de slachtoffers is aangedaan alsmede afschrikking van anderen die zich geroepen zouden voelen dergelijke ernstige misdrijven te plegen.

Ten aanzien van de persoon van verdachte volgt uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 29 juni 2012 dat verdachte eerder met justitie in aanraking is gekomen, waaronder voor het in 2006 bedreigen van [slachtoffer 5] en voor overtreding van de Wet wapens en munitie. Desondanks heeft verdachte een vuurwapen met geluiddemper en munitie aangeschaft.

Omtrent verdachte is een pro justitia rapport opgemaakt naar aanleiding van verdachtes observatie in het Pieter Baan Centrum. Verdachte heeft grotendeels meegewerkt aan het onderzoek, behalve aan het onderzoek door de psycholoog.

Ten aanzien van de vraag naar de toerekeningsvatbaarheid van verdachte in relatie tot de aan de orde zijnde delicten, kunnen de deskundigen geen eenduidig advies geven over de mate van toerekeningsvatbaarheid. De deskundigen menen weliswaar dat het voor de hand ligt dat de bij verdachte geconstateerde pervasieve ontwikkelingsstoornis en zijn persoonlijkheidsstoornis een rol hebben gespeeld bij het begaan van de hem ten laste gelegde feiten, maar de mate waarin deze stoornissen daarin hebben doorgewerkt, is onduidelijk gebleven. De reden hiervan is dat niet goed te bepalen is in welke mate verdachte planmatig heeft gehandeld en welk deel van zijn handelen bepaald is door zijn psychopathologie.

De rechtbank neemt de in het rapport opgenomen conclusies, dat verdachte lijdt aan een pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO en aan een persoonlijkheidsstoornis, over en maakt deze tot de hare.

In navolging van de deskundigen kan ook de rechtbank niet vaststellen of en, zo ja, in welke mate de geconstateerde stoornissen verdachte zouden hebben beperkt in zijn mogelijkheden om anders te handelen dan hij gedaan heeft. Uit de omstandigheid dat ten tijde van het begaan van de feiten bij verdachte sprake was van een pervasieve ontwikkelingsstoornis en een persoonlijkheidsstoornis zoals omschreven in het rapport, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijkerwijs dat de bewezen verklaarde feiten niet of slechts in verminderde mate aan verdachte zouden kunnen worden toegerekend. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat verdachte volledig verantwoordelijk is voor hetgeen hij heeft gedaan.

Gelet op de doeleinden van de strafrechtspleging heeft de rechtbank zich voorts een oordeel gevormd over het gevaar voor herhaling. De deskundigen hebben hierover slechts in beperkte mate een uitspraak kunnen doen. Zij hebben in zijn algemeenheid gesteld dat de stoornissen van verdachte zijn functioneren op alle leefgebieden beïnvloeden en dat deze hem ook in de toekomst kwetsbaar zullen maken in relaties.

Gezien de meedogenloosheid waarmee en de wijze waarop verdachte op 12 en 16 mei 2011 heeft gehandeld, houdt de rechtbank het ervoor dat verdachte in staat is om ook in de toekomst een soortgelijk feit te begaan.

Nu de deskundigen niet kunnen komen tot een (behandel)advies om de kans op recidive terug te dringen en de rechtbank, zoals hiervoor overwogen, het ervoor houdt dat de bewezen verklaarde feiten geheel aan verdachte kunnen worden toegerekend, acht de rechtbank het gelasten van de maatregel van terbeschikkingstelling in het onderhavige geval niet aangewezen. Overigens is het gelasten van deze maatregel door de officier van justitie noch door de verdediging bepleit.

Naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie heeft de verdediging voorts aangevoerd dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf strijdig is met artikel 3 en artikel 5, vierde lid, van het EVRM.

Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 juni 2009 (LJN: BF3741) geoordeeld dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf niet onverenigbaar is met artikel 3 van het EVRM en evenmin met enige andere bepaling van dat Verdrag (artikel 5, vierde lid, van het EVRM daaronder begrepen), omdat aan de veroordeelde, ook na oplegging van een levenslange gevangenisstraf, gratie kan worden verleend, terwijl veroordeelde voorts het oordeel van de burgerlijke rechter kan inroepen omtrent de rechtmatigheid van de (verdere) tenuitvoerlegging van die straf.

Het betoog van de verdediging dat praktisch gezien een gratieverzoek nooit wordt ingewilligd, waardoor een perspectief op enige vorm van vrijlating feitelijk niet bestaat, hetgeen in strijd is met artikel 3 en artikel 5, vierde lid, van het EVRM, mist naar het oordeel van de rechtbank feitelijke grondslag.

Het is een feit van algemene bekendheid dat in 1986 en in 2009 gratie is verleend aan twee levenslang gestraften. Het in Nederland geldende gratiebeleid biedt derhalve de mogelijkheid dat op enig moment de duur van de gevangenisstraf opnieuw wordt beoordeeld. Van enige bijzondere omstandigheid waarom dat in het onderhavige geval anders zou zijn, is de rechtbank niet gebleken.

Ten slotte maakt ook de jonge leeftijd van verdachte zelf (verdachte is 27 jaar) niet dat oplegging van een levenslange gevangenisstraf niet aan de orde kan zijn.

Gelet op al het vorenstaande volstaat naar het oordeel van de rechtbank geen andere sanctie dan een levenslange gevangenisstraf. De rechtbank heeft in hetgeen naar voren is gekomen omtrent de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte noch in zijn opstelling tijdens het strafproces aanknopingspunten gevonden voor een andere beslissing.

8 Het beslag

8.1 De verbeurdverklaring

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor verbeurdverklaring.

Gebleken is dat het voorwerp tot het begaan van het misdrijf is vervaardigd of bestemd.

8.2 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen, aangezien de voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

9 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij], bijgestaan door gemachtigde [gemachtigde], [adresgegevens], vordert een bedrag van in totaal € 11.373,09 ter zake van als gevolg van feit 5 geleden schade.

9.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering kan worden toegewezen, met uitzondering van de post "kosten voor rechtsbijstand". De officier van justitie adviseert ten aanzien van deze post het liquidatietarief toe te passen en voor het overige deze niet-ontvankelijk te verklaren.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de post "herbegrafeniskosten" geen rechtstreekse schade betreft. De kosten zijn naar de mening van de verdediging geen noodzakelijke kosten en van een te ver verwijderd verband.

Voorts heeft de verdediging ten aanzien van de post "kosten rechtsbijstand" verzocht de kosten af te wijzen, dan wel te matigen.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

Zoals volgt uit de bespreking van de hierna te noemen schadeposten, is de rechtbank van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 9.730,-- (negenduizend zevenhonderddertig euro) een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht zij verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Ten aanzien van het resterende deel van de vordering (lees: de hieronder te bespreken kosten van rechtsbijstand voor zover betrekking hebbend op de aanvraag van de herbegrafenis) zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.

Herbegrafeniskosten.

Ten aanzien van deze post is de rechtbank, gelet op de aard van het misdrijf en de daardoor ontstane schade, van oordeel dat de kosten in een rechtstreeks verband staan met het door verdachte gepleegde misdrijf en daarom toewijsbaar zijn. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering voor dat deel (€ 4.230,--) zal worden toegewezen.

Begrafeniskosten c.q. kosten van lijkbezorging zijn kosten die naar het oordeel van de rechtbank rechtstreeks voortvloeien uit het bewezen verklaarde feit 5 (moord). Dit causaal verband wordt naar het oordeel van de rechtbank niet verbroken door de omstandigheid dat het lichaam van [slachtoffer 5] eerst elders was begraven en op een later moment, nadat de nabestaande(n) ter ore was gekomen dat [slachtoffer 5] met drie andere, vreemde mensen in een graf bleek te liggen, is herbegraven.

Grafsteen.

Ten aanzien van deze post heeft de verdediging geen verweer gevoerd.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering voor dat deel

(€ 5.500,--) zal worden toegewezen.

Kosten rechtsbijstand.

Deze post ziet blijkens bijlage 4 bij het voegingsformulier enerzijds op kosten in verband met de aanvraag (in samenwerking met ASKV) van de herbegrafenis bij de gemeenten Amsterdam en Helmond en anderzijds op kosten in verband met de voegingsaanvraag.

Ten aanzien van het deel dat betrekking heeft op de aanvraag van de herbegrafenis is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. In zoverre zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Voor zover de kosten betrekking hebben op de voegingsaanvraag, geldt dat de rechtbank verdachte zal veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, welke kosten de rechtbank tot op heden - aansluiting zoekend bij het liquidatietarief kantonzaken - zal begroten op € 200,--.

Met betrekking tot het ter zake van schadevergoeding toegekende bedrag zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toekenning van wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Uit het voegingsformulier blijkt echter niet dat de benadeelde partij wettelijke rente heeft gevorderd. De rechtbank komt daarom niet toe aan die beoordeling.

10 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregel berusten op de artikelen 10, 33, 33a, 24c, 36f, 45, 47, 57, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het tenlastegelegde bewezen op de wijze als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een levenslange gevangenisstraf;

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

1 1.00 STK Koffer

koffer met onderhoudsset vuurwapen;

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

39 1.00 STK Kentekenplaat

[kenteken]

122 1.00 STK Sleutel

649 1.00 STK Personenauto [kenteken]

MERCEDES BENZ 1998 Kl: grijs

827 1.00 STK Document

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] van een bedrag groot € 9.730,-- (negenduizend zevenhonderddertig euro), ter zake van materiële schade;

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het overige deel van de vordering;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij, tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op een bedrag van € 200,--;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], € 9.730,= te betalen, bij niet betaling te vervangen door 84 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele, voorzitter,

mr. G.J. Schiffers-Hanssen en mr. A.A.J. de Nijs, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van Andel, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 oktober 2012.

Parketnummer: 11/870288-11

Vonnis d.d. 11 oktober 2012