Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BX9134

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
19-09-2012
Datum publicatie
04-10-2012
Zaaknummer
98916 - FA RK 12-8220
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het verzoek voor recht te verklaren dat de man heeft ingestemd met de voorgenomen vehuizing van de vrouw met het kind wordt afgewezen. Niet is komen vast te staan dat de man onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig heeft ingestemd met de verhuizing. Bovendien geldt in het familierecht,anders dan in het verbintenissenrecht, een minder stringente plicht tot nakoming.

Vervangende toestemming tot verhuizing eveneens afgewezen nu niet gebleke is van een noodzaak voor de vrouw om te verhuizen. Belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van

de minderjarige dient te prevaleren boven de wens van de vrouw om te verhuizen. De thans bestaande zorgregeling blijft in stand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 98916 / FA RK 12-8220

beschikking van de enkelvoudige kamer van 19 september 2012

in de zaak van

[vrouw],

wonende te [adres],

verzoekster, tevens verweerster,

advocaat mr. C. Verfuurden te Eindhoven,

tegen

[man],

wonende te [adres]

verweerder, tevens verzoeker,

advocaat mr. G.J.J. van Dam-Lolkema te Rotterdam.

Partijen worden hieronder aangeduid als de vrouw respectievelijk de man.

1. Het procesverloop

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

- het verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 03 juli 2012;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op 10 juli 2012;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 08 augustus 2012.

De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzitting met gesloten deuren van 09 augustus 2012.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat, die ter zitting pleitaantekeningen heeft overgelegd.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

Partijen zijn op [datum] met elkaar gehuwd.

Uit hun huwelijk is geboren de thans nog minderjarige [dochter] [geboortedatum]

Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 6 juli 2011 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken.

Partijen hebben de gevolgen van hun echtscheiding in onderling overleg geregeld. In het onder meer door partijen overeengekomen ouderschapsplan zijn partijen een zorgverdeling overeengekomen die inhoudt dat [dochter] in de even weken bij de man is en in de oneven weken bij de vrouw, met dien verstande dat [dochter] alle woensdagen, ook in de even weken, bij de vrouw is en alle vrijdagen (inclusief die in de oneven weken) bij de man. Partijen zijn voorts ten aanzien van de verdeling van de zorgtaken overeengekomen dat de regeling jaarlijks zal worden geëvalueerd en zo nodig in overleg zal worden gewijzigd. De regeling zal in ieder geval opnieuw bekeken worden op het moment dat [dochter] naar de basisschool zal gaan.

3. Het verzoek

De vrouw verzoekt:

I. Primair: voor recht te verklaren dat de man heeft ingestemd met de verhuizing van [dochter] naar Apeldoorn, inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie van [dochter] op het adres van de vrouw in Apeldoorn, inschrijving van [dochter] op de basisschool [naam] in Apeldoorn alsmede op de buitenschoolse opvang in Apeldoorn;

Subsidiair: vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing van [dochter] naar Apeldoorn, inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie van [dochter] op het adres van de vrouw in Apeldoorn, inschrijving van [dochter] op de basisschool [naam] in Apeldoorn alsmede op de buitenschoolse opvang in Apeldoorn;

II. de huidige verdeling van de zorgtaken te wijzigen in die zin dat [dochter] met ingang van 20 augustus 2012 eenmaal per veertien dagen van donderdagmiddag tot zondagavond 18.00 uur bij de man verblijft en de overige dagen bij de vrouw en vanaf het moment dat [dochter] niet meer op vrijdag vrij is van school, dat [dochter] eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 18.00 uur bij de man verblijft en de overige dagen bij de vrouw, waarbij de man gehouden is [dochter] te halen en te brengen en deze kosten voor zijn rekening komen althans een zodanige regeling als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

De vrouw heeft haar wens om met haar nieuwe partner en [dochter] in Apeldoorn te gaan samenwonen, besproken met de man. Tevens heeft de vrouw bij de man aangegeven met hem te willen spreken over de invulling van de zorgregeling vanaf het moment dat [dochter] naar de basisschool gaat.

Volgens de vrouw zou de man tijdens een van de gesprekken (meer specifiek op 13 februari 2012) hebben ingestemd met de verhuizing van de vrouw en [dochter] naar Apeldoorn. Hiervan uitgaand is de vrouw diverse praktische zaken rondom de verhuizing gaan regelen.

Op verzoek van de man heeft de vrouw een aangepast ouderschapsplan opgesteld.

Ook gezien de daarop volgende mailwisseling met de man, mocht de vrouw er op vertrouwen dat de man instemde met de verhuizing, zij het dat partijen over een aantal feitelijke voorwaarden nog overeenstemming dienden te bereiken.

Per mail van 29 mei 2012 heeft de man de vrouw laten weten (alsnog) niet in te kunnen stemmen met de voorgenomen verhuizing.

De vrouw acht de opstelling van de man laakbaar. De vrouw heeft zeer tijdig haar voornemen om te willen verhuizen, en haar bereidheid tot overleg hierover, aan de man aangegeven. De man heeft zijn reactie op de voorstellen van de vrouw keer op keer uitgesteld. Na de in haar ogen hiertoe gegeven toestemming van de man, heeft de vrouw allerlei stappen genomen om de overstap voor [dochter] te regelen en heeft zij afspraken gemaakt met haar werkgever over werktijden die aansluiten bij de (nieuwe) schooltijden van [dochter]. [dochter] is inmiddels ook volledig op de hoogte van de voorgenomen verhuizing en verheugt zich op haar nieuwe school.

Los van de voorgenomen verhuizing behoeft de huidige co-ouderschapregeling, in verband met de schoolgang van [dochter], aanpassing.

Partijen hebben hieromtrent in het ouderschapsplan reeds een bepaling opgenomen, te weten dat partijen jaarlijks evalueren over de regeling en dat deze in ieder geval bekeken zal dienen te worden wanneer [dochter] naar de basisschool gaat.

De vrouw werkt al sinds 2001 in Zutphen.

De regeling die partijen in het ouderschapsplan zijn overeengekomen werkt sowieso niet voor de vrouw gezien haar lange reistijd.

Ook voor het welzijn van [dochter] acht de vrouw wijziging van de huidige regeling noodzakelijk. Verhuizing naar Apeldoorn biedt de vrouw meer mogelijkheden om zelf de zorg voor [dochter] op zich te nemen en meer praktisch voor haar beschikbaar te zijn. Zij kan haar onder meer iedere maandag en eenmaal per twee weken op vrijdag zelf uit school ophalen en kan meer betrokken zijn bij buitenschoolse activiteiten van [dochter].

Als alternatief voor de huidige zorgregeling heeft de vrouw de man voorgesteld dat [dochter] eenmaal per twee weken van donderdag tot zondag bij de man verblijft.

Het verweer en het zelfstandige verzoek

De man betwist dat het belang van [dochter] gediend is met een verhuizing naar Apeldoorn. De vrouw laat na dit nader te onderbouwen. De huidige regeling loopt inmiddels twee en een half jaar en [dochter] vaart hier wel bij. Continuatie van deze regeling is het meest in het belang van [dochter].

De man verzoekt daarom het primaire en subsidiaire verzoek van de vrouw af te wijzen en voor recht te verklaren dat de huidige zorgregeling tussen partijen blijft gelden.

Verklaring voor recht toestemming verhuizing

De man betwist dat hij de bespreking van het verzoek van de vrouw keer op keer heeft uitgesteld, althans moedwillig heeft vertraagd. De aanhoudende rappèlen van de vrouw heeft de man als grote druk ervaren en belemmerde de man in het nemen van een beslissing. De vrouw ging en gaat er aan voorbij dat de man grote moeite heeft met de voorgenomen verhuizing van [dochter] en de consequenties die dit heeft voor de huidige zorgregeling.

De man betwist dat hij onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig heeft ingestemd met het verzoek van de vrouw om te verhuizen. In een gesprek met de vrouw heeft de man hooguit aangegeven het op dat moment op hoofdlijnen wel eens te zijn met het voorstel van de vrouw, evenwel onder voorbehoud van een definitieve en onvoorwaardelijke instemming, aangezien de man er ernstig aan twijfelde of hij de juiste keuze maakte.

Indien en voor zover de vrouw uit de opmerkingen van de man zou hebben mogen opmaken dat hij toestemming heeft gegeven voor de verhuizing van [dochter], dan mocht de vrouw hieruit niet afleiden dat de man ook onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig zou instemmen met een gewijzigde zorgregeling.

Het is juist dat de invulling van de zorgregeling, gelet op de schoolgang van [dochter], opnieuw tussen partijen bezien moest worden. De man heeft de vrouw voorstellen gedaan voor een basisschool en buitenschoolse opvang in Zwijndrecht. Ook heeft de man de vrouw om een nieuw concept ouderschapsplan verzocht. Uit het handelen van de man kan echter geenszins worden afgeleid dat hij zou instemmen met verhuizing van [dochter] naar Apeldoorn.

De man heeft zijns inziens voldoende aannemelijk gemaakt dat hij nimmer heeft ingestemd dan wel heeft berust in de verhuizing van [dochter] naar Apeldoorn. Evenmin kon en mocht de vrouw uit zijn terughoudende houding te snel afleiden dat de man had ingestemd met haar verzoek.

Gelet op de grote gevolgen die het verzoek van de vrouw heeft voor de huidige zorgregeling, voor [dochter] en de man, mocht de vrouw niet lichtzinnig uitgaan van de instemming van de man. Gelet op het voorgaande verzoekt de man het primaire verzoek van de vrouw af te wijzen.

Geheel subsidiair stelt de man dat, voor zover geoordeeld wordt dat sprake is van een onvoorwaardelijke en ondubbelzinnige instemming aan de zijde van de man, hij pas nadien de gevolgen van zijn besluit heeft overzien en daar op goede gronden op is teruggekomen.

Vervangende toestemming tot verhuizing

De man betwist dat er voor de vrouw noodzaak bestaat om naar Apeldoorn te verhuizen. De vrouw werkt sinds 2001 in Zutphen en overnachtte daarbij met regelmaat in de omgeving van haar werk. Ook na de geboorte van [dochter] heeft de vrouw haar werkzaamheden in Zutphen gecombineerd en kunnen combineren met de huidige zorgregeling.

De vrouw laat na te onderbouwen waarom de voortzetting van de bestaande zorgregeling, gezien de reisafstand, ineens niet meer vol te houden is en niet langer te combineren valt met haar huidige werk. De vrouw heeft de mogelijkheden haar werk zelf te plannen in het westen van het land, zoals zij in voorgaande jaren ook heeft gedaan.

Evenmin onderbouwt de vrouw welke mogelijkheden zij heeft ondernomen om een baan in de omgeving van de man te vinden.

De vrouw stelt voorts dat haar nieuwe partner gebonden is aan Apeldoorn. De reden hiervan is vooralsnog niet gebleken. Bovendien wordt door de vrouw niet nader onderbouwd waarom de verkoop van de woning van deze partner lang zal duren en een groot verlies zal geven. Van pogingen tot verkoop van de woning is vooralsnog niets gebleken.

De man betwist dat de huidige zorgregeling onrustig voor [dochter] zou zijn en, als [dochter] naar de basisschool gaat, nog onrustiger voor haar wordt. In de afgelopen vier jaar is [dochter] naar de crèche gegaan en daarnaast opgevangen door naaste familieleden van beide partijen. Als [dochter] in augustus naar de basisschool en BSO gaat, verandert er niet veel voor haar.

Naar de overtuiging van de man hebben partijen in de huidige regeling een manier gevonden waarbij op gelijkwaardige wijze invulling aan het ouderlijk gezag en ouderschap wordt gegeven. De voorgenomen verhuizing zal de veilige stabiele omgeving van [dochter] drastisch wijzigen.

Juist de gevolgen van het voornemen van de vrouw zullen voor [dochter] veel onrust met zich brengen. Naast een ingrijpende wijziging in de zorgregeling komt [dochter] in een voor haar nieuwe omgeving en in een andere gezinssamenstelling terecht, met daarnaast ook nog de start op de basisschool.

Ook de door de vrouw voorgestelde zorgregeling na de verhuizing naar Apeldoorn acht de man niet in het belang van [dochter]. Nog los van het gereduceerde contact met de man, komt de regeling er op neer dat [dochter] om het weekend 270 kilometer moet reizen op een filegevoelig traject. De reistijd gaat ten koste van de vrije tijd en ontspanning gedurende het weekend voor [dochter] en de man.

De afstand naar Apeldoorn beperkt de man in de mogelijkheden om deel uit te maken van het dagelijks leven van [dochter] waartoe ook het bijwonen van sporten, hobby’s en ouderavonden gerekend moeten worden. De man neemt thans voor de helft de verzorging en opvoeding van [dochter] voor zijn rekening, maar wordt door de door de vrouw voorgestelde regeling gereduceerd tot een “weekendvader”.

Ook de mogelijkheid contact te houden met de familie van partijen die altijd deel uitmaakten van het dagelijks leven van [dochter], wordt door de verhuizing sterk teruggebracht.

Het zelfstandige verzoek

De man verzoekt de hoofdverblijfplaats van [dochter] bij hem te bepalen met instandhouding van de bestaande zorgregeling.

Subsidiair, voor zover de bestaande zorgregeling niet in stand kan blijven, verzoekt de man een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen te bepalen, inhoudende

dat [dochter] zolang zij op vrijdag geen school heeft, een weekend in de veertien dagen van donderdagmiddag na school tot zondagavond 18.00 uur bij de vrouw verblijft en zodra [dochter] op vrijdag naar school gaat, van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 18.00 uur bij de vrouw verblijft, met bepaling dat de reiskosten voor rekening van de vrouw komen.

De man werkt in Dordrecht en is in staat zijn werk met de zorg voor [dochter] te combineren zoals hij de afgelopen jaren ook heeft gedaan. Hij kan daarbij een beroep doen op zijn moeder en een ander familielid die beiden vanaf de geboorte van [dochter] nauw betrokken zijn geweest bij haar opvoeding.

4. De beoordeling

Verklaring voor recht toestemming verhuizing

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting door partijen is verklaard, acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de vrouw op grond van de uitlatingen van de man en diens gedragingen mocht afleiden dat de man het op hoofdlijnen eens was met haar voornemen om met [dochter] te verhuizen naar Apeldoorn. Niet is echter vast komen te staan dat de man onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig heeft ingestemd met deze verhuizing van [dochter]. Bovendien, zo dit al zou zijn vast te stellen, dan geldt in het familierecht, anders dan in het verbintenissenrecht, een minder stringente plicht tot nakoming. Bij voortschrijdend inzicht in de consequenties van een verhuizing moet het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor de man mogelijk zijn om op goede gronden op een eerdere instemming terug te komen.

Het primaire verzoek van de vrouw zal worden afgewezen.

Vervangende toestemming tot verhuizing

Partijen hebben samen het ouderlijk gezag over de minderjarige. Dit brengt mee dat de vrouw voor het wijzigen van de woonplaats van de minderjarige in beginsel toestemming van de man nodig heeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden, kan het geschil, op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) worden voorgelegd aan de rechter.

De man verzet zich tegen de door de vrouw voorgenomen verhuizing met de minderjarige naar Apeldoorn en heeft hiervoor zijn toestemming onthouden. Ter zitting is gebleken dat de standpunten van partijen over die verhuizing nog steeds haaks op elkaar staan. Een vergelijk op de voet van artikel 1:253a vijfde lid BW is dan ook niet mogelijk gebleken.

Om een beslissing te kunnen nemen in het kader van voornoemd artikel dienen de belangen van de minderjarige een eerste overweging van de rechtbank te vormen. Echter, conform vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige, met als uitgangspunt gelijkwaardig ouderschap, alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle belangen af te wegen. Hieronder vallen onder meer het recht en belang van de verhuizende ouder om te verhuizen en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten; de noodzaak om te verhuizen; de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor het kind en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren en de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg.

In deze zaak gaat het om de afweging van het belang van [dochter] om in een veilige en rustige omgeving en gezinssituatie op te groeien en daarbij contact te houden met de niet verzorgende ouder, het belang van de vrouw om te verhuizen naar Apeldoorn en het belang van de man om onderdeel te blijven uitmaken van het dagelijkse leven, en de verzorging en opvoeding van [dochter].

Ten aanzien van de vrouw

De vrouw heeft er in beginsel recht op haar leven in vrijheid te kunnen inrichten.

Dit recht vindt evenwel zijn begrenzing in de belangen van de minderjarige en die van de man.

Vast staat dat de vrouw al sinds 2001 voor haar huidige werkgever in Zutphen werkzaam is. Ook na de geboorte van [dochter] en na het uiteengaan van partijen heeft de vrouw haar werk kunnen combineren met de zorg voor [dochter] conform de huidige zorgregeling. De vrouw stelt dat het voor haar, gezien de reisafstand niet langer valt vol te houden om haar werk met de verzorging van [dochter] te combineren. De vrouw wil meer zelf voor [dochter] aanwezig zijn in plaats van deze zorg aan een BSO of anderen over te laten. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de man maakt de vrouw echter onvoldoende aannemelijk waarom een andere invulling van haar werktijden alleen mogelijk zou zijn in geval van een verhuizing naar Apeldoorn.

De vrouw laat voorts na aan te geven welke pogingen zij heeft ondernomen om in de huidige woonomgeving van [dochter], en daarmee ook in die van de man, een andere baan te vinden om zo op die manier een andere invulling aan de zorg voor [dochter] te kunnen geven.

De vrouw geeft voorts aan te willen gaan samenwonen met haar nieuwe partner. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw zeker een belang heeft bij de verhuizing, maar waarom een verhuizing hiervoor naar Apeldoorn noodzakelijk is, wordt door de vrouw niet althans onvoldoende nader onderbouwd. Het enkele feit dat de nieuwe partner een woning in Apeldoorn bezit acht de rechtbank ontoereikend ter onderbouwing van de stelling dat de nieuwe partner wegens zijn werk aan de regio rond Apeldoorn is gebonden.

Resumerend kan worden gesteld dat op de door de vrouw aangevoerde gronden geen noodzaak tot verhuizing kan worden aangenomen.

Ten aanzien van de man

Uit de overgelegde stukken en het verklaarde ter zitting blijkt dat er sinds het uiteengaan van partijen medio 2010, sprake is van een zogenaamd co-ouderschap waarin de man en de vrouw [dochter] om de week bij zich hadden. In het door partijen gesloten echtscheidingsconvenant d.d. 07 juni 2011 zijn partijen overeengekomen dat [dochter] op het adres van de man ingeschreven zal staan.

Een verhuizing buiten de regio waar de man woont, zou voor de man en [dochter] betekenen dat een continuering van de huidige zorgregeling - gezien de reisafstand en het niet weersproken filegevoelige traject - problematischer, zo niet onmogelijk zal worden.

Beurtelingse aanwezigheid van de ouders bij school, ouderavonden, sporten, zwemles en andere sociale activiteiten die [dochter] met haar ouder worden zal gaan ondernemen, zal evenmin mogelijk zijn.

Door de reistijd is opvang in geval van ziekte of andere incidenten door de andere ouder evenmin mogelijk.

Ten aanzien van [dochter]

De vrouw stelt dat een verhuizing naar de omgeving waar de vrouw haar werk heeft meer rust in het leven van [dochter] zal brengen. De dan bestaande korte afstand van het werk van de vrouw naar school, maakt het voor de vrouw mogelijk [dochter] zelf uit school op te halen en aanwezig te zijn bij (buiten) schoolse activiteiten van [dochter]. In het algemeen zal de vrouw in de nieuwe woonomgeving meer beschikbaar kunnen zijn voor [dochter].

De verhuizing komt voor [dochter] op een goed moment, namelijk op het moment dat zij voor het eerst naar de basisschool gaat. Gezien haar nog jonge leeftijd is zij niet tot nauwelijks geworteld in [wooonplaats]

De man stelt zich op het standpunt dat de overstap naar de basisschool voor [dochter] nauwelijks veranderingen met zich mee zal brengen. Thans is zij gewend op de crèche te zijn, vanaf augustus gaat zij naar school en daarna naar de BSO. Deze verandering zal zich sowieso voordoen. Ook in geval van verhuizing zal zij een aantal dagen na school naar de BSO moeten.

Door de voorgenomen verhuizing komt [dochter] op grote afstand van haar huidige woonplaats te wonen. Hiermee komt een einde aan haar leven in een voor haar vertrouwde omgeving met naaste familie, kinderopvang en vriendjes/vriendinnetjes. Het is een feit van algemene bekendheid dat verbreking van de continuïteit van woon- en sociale leefomgeving voor een jong kind ingrijpend is. [dochter] is gewend aan een zorgregeling waarin beide ouders een even groot aandeel in de zorg hebben. Partijen hebben hier ten tijde van het uiteengaan nadrukkelijk voor gekozen. Door de vrouw is niet eerder dan in het kader van de voorgenomen verhuizing aangegeven, dat deze regeling voor [dochter] niet zou functioneren. Duidelijk is dat het aandeel van de man in de zorg voor [dochter] na de voorgenomen verhuizing in de door de vrouw voorgestelde weekendregeling sterk gereduceerd zal worden. Dit zal ook op [dochter] zijn weerslag hebben. Dat de zorgregeling als [dochter] naar school gaat, ook in de bestaande situatie wellicht aanpassing behoeft, doet daaraan niet af.

Belangenafweging

Alle hierboven genoemde omstandigheden en belangen wegende en in onderlinge samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat het belang van de minderjarige bij een onverstoord contact met de man in een voor haar vertrouwde omgeving dient te prevaleren boven het belang en de wens van de vrouw bij een verhuizing naar Apeldoorn om daar haar nieuwe leven in te richten. Dit mede gezien het feit dat de vrouw de noodzaak van een dergelijke verhuizing niet heeft kunnen aantonen.

Gelet op het voorgaande zal het verzoek van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming tot verhuizen naar Apeldoorn, worden afgewezen.

De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Zoals uit het bovenstaande blijkt zal het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming tot verhuizing met [dochter] worden afgewezen. Nu voorts niet is gebleken dat de huidige zorgregeling in strijd is met de zwaarwegende belangen van [dochter], zal de rechtbank bepalen dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals door partijen in het aan het echtscheidingsconvenant gehechte ouderschapsplan zijn overeengekomen, vooralsnog in stand blijft. Het verzoek van de man zal worden toegewezen.

De proceskosten

De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen (ex-echtelieden) compenseren.

5. De beslissing

De rechtbank:

verklaart voor recht dat de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals door partijen in het aan het echtscheidingsconvenant gehechte ouderschapsplan zijn overeengekomen ten aanzien van de minderjarige [dochter] [geboortedatum] inhoudende dat de minderjarige voornoemd, in de even weken bij de man zal zijn en in de oneven weken bij de vrouw, met dien verstande dat [dochter] alle woensdagen, ook in de even weken, bij de vrouw is en alle vrijdagen (inclusief die in de oneven weken) bij de man, in stand blijft;

compenseert de proceskosten zodat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.F.A.J.M. Haerkens-Wouters, tevens kinderrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 19 september 2012.