Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BX9118

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
19-09-2012
Datum publicatie
04-10-2012
Zaaknummer
97252 / FA RK 12-7455
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Primair is de stelling van de man dat de vrouw (door onder meer tijdsverloop) voldoende tijd heeft gekregen om thans in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien.

Subsidiair stelt de man onvoldoende draagkracht te hebben om de vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te blijven voldoen. Onder meer is als omstandigheid het ontslag van de man aangevoerd (verminderde inkomsten).

Het vraagstuk van het (meer) aanwenden van de verdiencapaciteit van de vrouw is ontkennend beantwoord. Er is thans nog aanvullende behoefte aan een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw.

Bij het vraagstuk van welk inkomensniveau bij de man dient te worden uitgegaan is geconcludeerd dat

de man redelijkerwijs in staat kan worden geacht zijn oorspronkelijke inkomen te verwerven en dat dit van hem kan worden gevergd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 97252 / FA RK 12-7455

beschikking van de enkelvoudige kamer van 19 september 2012

in de zaak van

[man],

wonende te [adres]

domicilie kiezende te [adres]

verzoeker,

advocaat mr. J. van de Kreeke, kantoorhoudende te Rozenburg,

tegen

[vrouw],

wonende te [adres],

domicilie kiezende te [adres]

verweerster,

advocaat mr. A. Harent, kantoorhoudende te Dordrecht.

Partijen worden hieronder aangeduid als de man respectievelijk de vrouw.

1. Het procesverloop

1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

- het verzoekschrift van de man, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 12 maart 2012;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op

30 maart 2012;

- het verweerschrift van de vrouw, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 4 mei 2012;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op

25 juni 2012;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op

26 juni 2012.

1.2. De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzitting met gesloten deuren van 6 juli 2012.

1.3. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

1.4. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

2.1. Partijen zijn op [datum] met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren. De kinderen zijn jongmeerderjarig (respectievelijk 21 en 19 jaar oud).

2.2. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 1 juli 2009 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is verder onder meer bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud dient te voldoen van € 1.600,-- per maand.

2.3. De echtscheidingsbeschikking is op 7 augustus 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3. Het verzoek en het verweer

3.1. Het verzoek

3.1.1. De man verzoekt (primair) de opgelegde alimentatieverplichting ten behoeve van de vrouw te wijzigen en met ingang van 3 februari 2011 op nihil te stellen. Subsidiair verzoekt de man de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te stellen op zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank in goede justitie juist acht.

3.1.2. De man stelt dat de grondslag voor een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw is komen te vervallen en dat de beschikking van Rotterdam van 1 juli 2009 door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

3.1.3. De man is van mening dat de vrouw in eigen levensonderhoud kan voorzien.

In de beschikking d.d. 1 juli 2009 van de rechtbank Rotterdam is overwogen dat van de vrouw mag worden verwacht dat zij alles in het werk zal stellen om ervoor te zorgen dat zij een gepaste baan vindt waaruit zij meer eigen inkomen ontvangt dan in haar huidige dienstbetrekking. De periode van afbouw van de behoefte zal mede afhankelijk zijn van het tempo waarin de arbeidsmarkt weer zal aantrekken en wordt in die beschikking niet nader gespecificeerd.

De advocaat van de man heeft de advocaat van de vrouw (bij brief d.d. 3 februari 2011 en brief d.d. 23 augustus 2011) om nadere informatie verzocht over de (ontstane) mogelijkheden van de vrouw op de arbeidsmarkt. Een inhoudelijke reactie van de vrouw is uitgebleven. De man acht een termijn van 2,5 jaar een redelijke termijn voor de vrouw om na de echtscheiding in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Althans de man meent dat de vrouw daartoe de nodige stappen heeft kunnen zetten.

3.1.4. Daarnaast stelt de man dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te kunnen blijven voldoen.

De man voert aan dat hij twee jaar geleden is hertrouwd en dat hij samen met zijn nieuwe partner en twee kinderen uit hun vorige huwelijken woont in een koopwoning gelegen aan [adres]. De man en zijn nieuwe partner dragen samen de woonlasten van die koopwoning, alsmede de kosten voor de huishouding en de kinderen.

De man betaalt nog altijd alle lasten van de voormalige echtelijke koopwoning gelegen aan de [adres].

Voorts voert de man aan dat hij met ingang van 3 mei 2012 eervol is ontslagen uit zijn functie van coördinator Publiekzaken bij [werkgever] (de man is in bezwaar gegaan tegen het ontslagbesluit, de bezwaarprocedure loopt nog). Ook zijn functie bij [bedrijf] is geen zekere, gezien de reorganisatie van [bedrijf].

3.1.5. Ter onderbouwing heeft de man een tweetal draagkrachtberekening overgelegd. Het betreft een draagkrachtberekening van 2011 (uitgaande van het loon dat de man genereerde uit zijn twee dienstbetrekkingen) en een draagkrachtberekening vanaf mei 2012 (uitgaande van de WW-uitkering en het loon dat de man genereert bij zijn dienstbetrekking van [bedrijf]).

3.2. Het verweer

3.2.1. De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man. Zij verzoekt de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek althans dit verzoek af te wijzen.

3.2.2. Het standpunt van de vrouw is dat een termijn van 2,5 jaar geen redelijke termijn is om na de echtscheiding haar leven weer op de rails te zetten. De vrouw is nog niet toegekomen aan verwerking van de echtscheiding omdat partijen nog (teveel) betrokken zijn bij de afwikkeling van de echtscheiding zoals de verdeling van de gemeenschap van goederen. Daarnaast is de vrouw betrokken in twee procedures die zijn opgestart door haar jongmeerderjarige kinderen. De dochter en de zoon verzochten ieder afzonderlijk in een procedure een bijdrage in hun levensonderhoud en studie. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2010 is bepaald dat de vrouw met terugwerkende kracht aan haar dochter een bijdrage van € 318,-- per maand dient te voldoen. De zoon is begin 2011 een procedure gestart. In september 2011 is de man gestopt met het voldoen van de partneralimentatie. De vrouw was toen genoodzaakt het LBIO in te schakelen. Als gevolg van het uitblijven van voldoening van de partneralimentatie kon de vrouw de bijdrage ten behoeve van haar dochter niet meer voldoen. De dochter heeft beslag laten leggen op de auto van de vrouw. De vrouw heeft geld moeten lenen van familie en kennissen om de achterstallige bijdrage ten behoeve van haar dochter te kunnen voldoen. Dus ondanks dat de echtscheiding dateert uit 2009 zijn de onderlinge verhoudingen tussen partijen en tussen de vrouw en de kinderen onrustig en gespannen.

3.2.3. Voorts stelt de vrouw dat gezien de huidige economische situatie de vooruitzichten op uitbreiding van haar werkzaamheden (het gaat daarbij om ongeschoold werk) niet opportuun zijn. Ook al zou de vrouw haar werkzaamheden kunnen uitbreiden dan is er nog steeds aanvullende behoefte aan de zijde van de vrouw.

De aanvullende behoefte is destijds door de rechtbank Rotterdam (beschikking van

1 juli 2009) op € 1.600,-- bepaald. Rekeninghoudende met het eigen inkomen van de vrouw van ongeveer € 820,-- bruto per maand kan de totale behoefte worden gesteld op € 2.420,--, geïndexeerd komt dit neer op € 2.530,--. Het huidige uurloon van de vrouw bedraagt € 9,55. Stel dat de vrouw werkzaamheden verricht op fulltime basis waarmee zij ongeveer € 1.650,-- per maand zou kunnen verdienen, dan resteert nog aan aanvullende behoefte van € 880,-- per maand. Overigens zijn in de financiële situatie van de vrouw geen wijzigingen opgetreden, anders dan dat de vrouw een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de dochter van partijen voldoet. Van de financiële situatie van de vrouw is de man op de hoogte gelet op de gevoerde procedures.

4. De beoordeling

4.1. Bevoegdheid

4.1.1. Partijen hebben in onderhavige zaak gezamenlijk de rechtbank Dordrecht aangewezen als bevoegde rechter om kennis te nemen van het verzoekschrift.

4.1.2. De rechtbank acht zich bevoegd om deze zaak te behandelen op grond van de domiciliekeuze van de vrouw.

4.2. Wijziging van omstandigheden

4.2.1. Uit de stukken blijkt dat -in ieder geval- de gezinssituatie van de man (de man is opnieuw gehuwd) en de financiële situatie van de man (er loopt een ontslagprocedure) zijn gewijzigd sinds hetgeen is vastgesteld in de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 1 juli 2009.

Hieronder zal worden beoordeeld of de vastgestelde alimentatie voor wijziging vatbaar is, rekeninghoudend met alle omstandigheden.

4.3. De behoefte van de vrouw

4.3.1. De man stelt dat de vrouw in haar eigen behoefte kan voorzien. Hij verwijst onder meer naar de arbeidsmarktprognose 2011-2012 van het UWV Werkbedrijf waarin is vermeld dat de nationale werkgelegenheid in 2011 en 2012 zal toenemen.

4.3.2. De vrouw betwist de stellingen van de man. De vrouw voert aan dat zij weinig scholing heeft gehad (zij heeft de Mavo-opleiding afgerond en heeft 1 jaar Meao gevolgd). Zij is niet in het bezit van diploma’s van recente data. Voorts voert zij aan weinig werkervaring te hebben. De vrouw is vóór het huwelijk van partijen in 1989 gestopt met werken. Partijen zijn in 1990 gehuwd. De twee kinderen van partijen zijn geboren in 1991 en 1992. De vrouw heeft de zorg van de twee kinderen voor haar rekening genomen tijdens het huwelijk en de man was kostwinner van het gezin. Er was een traditioneel huwelijk, aldus de vrouw.

Sinds eind augustus 2008 participeert de vrouw op de arbeidsmarkt (op parttime basis). Zij is werkzaam bij [bedrijf] voor 15 uur per week. Dit betreft een ongeschoolde baan.

4.3.3. De enkele verwijzing van de man naar de arbeidsmarktprognose 2011-2012 en het tijdsverloop is onvoldoende onderbouwing van zijn stelling dat de vrouw thans in haar eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien. Althans dat op basis hiervan dient te worden aangenomen dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

De vrouw verwijst naar haar geringe opleidingsniveau, haar geringe werkervaring, alsmede de huidige economische situatie en daarmee haar (on)mogelijkheden op de arbeidsmarkt als redenen waarom uitbreiding van haar werkzaamheden thans nog niet is geslaagd.

Nog afgezien daarvan wordt voldoende aannemelijk geacht -indien wel sprake is van het uitbreiden van de werkzaamheden van de vrouw op fulltime basis en ongeschoold werk betreffende- dat de vrouw nog steeds een aanvullende behoefte heeft.

Het primair gestelde van de man over de behoefte van de vrouw treft derhalve geen doel. Het verzoek tot nihilstelling zal worden afgewezen.

In hoeverre de draagkracht van de man (al dan niet) toereikend is om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te voldoen, zal hieronder worden beoordeeld.

4.4. De draagkracht van de man

De rechtbank zal de bedragen afronden op hele euro's.

4.4.1. De man [geboortedatum] stelt dat hij met ingang van 3 mei 2012 eervol zal worden ontslagen uit zijn functie van coördinator Publiekszaken bij [werkgever]. Ter onderbouwing heeft hij een afschrift van de brief d.d. 1 november 2011 van [werkgever] betreffende het eervol ontslag overgelegd.

Voorts voert de man aan dat zijn functie bij [bedrijf] geen zekerheid biedt omdat er een reorganisatie plaatsvindt. De man heeft een afschrift van een brief d.d. 13 april 2011 van [bedrijf] overgelegd betreffende de toekomst bij [bedrijf]. De man weet dat zijn dienstbetrekking bij [bedrijf] zal worden beëindigd, daarom heeft hij zich ingespannen om via interne sollicitaties bij [bedrijf] een andere functie te kunnen betrekken. Deze sollicitatie is niet geslaagd, ter onderbouwing heeft hij een afschrift van een brief d.d. 8 december 2009 van [bedrijf] overgelegd.

4.4.2. De vrouw stelt dat de man voor de draagkrachtberekening veel, irrelevante stukken heeft overgelegd. Echter relevante stukken over het ontslag van de man ontbreken. Voorts ontbreken stukken over de overwegingen die aan het ontslagvoornemen ten grondslag liggen. Evenmin zijn er stukken over de maatwerkregeling en het re-integratieplan overgelegd. Overigens blijkt uit de overgelegde stukken dat de man een alternatief voor het ontslagvoornemen heeft geweigerd. Omtrent de werkzaamheden bij [bedrijf] is er geen duidelijkheid verschaft, althans geen duidelijkheid over wat de gevolgen voor de man zouden kunnen zijn.

4.4.3. Uit het verhandelde ter zitting en de stukken blijkt dat de man door [werkgever] in kennis is gesteld van het voorgenomen besluit de man met ingang van

1 maart 2012 eervol ontslag te verlenen onder vaststelling van een maatwerkregeling en een re-integratieplan. De [werkgever] heeft de man als alternatief voor het ontslagvoornemen een functie van “regisseur Werk” op basis van detachering aangeboden bij de gemeente Ridderkerk. Dit voorstel is door de man afgewezen. De stelling van de man dat dit aanbod met de daaraan verbonden voorwaarden voor hem niet acceptabel was, is verder niet (met verifieerbare stukken) onderbouwd. Ook de stukken van de maatwerkregeling en het re-integratieplan ontbreken.

Voorts blijkt de man gesolliciteerd te hebben naar de functie van productieteamleider bij [bedrijf]. Uit de overgelegde brief d.d. 8 december 2009 van [bedrijf] blijkt tewerkstelling in deze functie in strijd met het gestelde in ATW omdat de man (toen nog) een fulltime baan had bij [werkgever].

4.4.4. Er kan zich een situatie voordoen dat de onderhoudsplichtige door zijn gedragingen zelf een vermindering in zijn inkomen teweegbrengt.

Of een dergelijke vermindering bij het bepalen van zijn draagkracht buiten beschouwing moet blijven, zal in de eerste plaats afhangen van de vraag of de onderhoudsplichtige redelijkerwijs in staat moet worden geacht zich opnieuw het oorspronkelijk inkomen te gaan verwerven (vraag 1) en de onderhoudsgerechtigde dit ook van de man kan vergen (vraag 2). Voor beantwoording van deze twee vragen dient de rechtbank te kunnen nagaan of de gedragingen die tot de inkomensvermindering hebben geleid tegenover de onderhoudsgerechtigde onaanvaardbaar zijn. De door de man overgelegde stukken zoals deze hierboven onder punt 4.4.1. zijn vermeld verschaffen onvoldoende inzicht voor beoordeling van de (on)aanvaardbaarheid van de gedragingen van de man inzake zijn inkomensvermindering en hoe zich dit verhoudt tot de onderhoudsgerechtigde. Dit komt voor rekening en risico van de man. Nu de man heeft nagelaten relevante gegevens ter onderbouwing van zijn inkomensvermindering over te leggen, is door hem niet aangetoond dat hij niet redelijkerwijs in staat kan worden geacht zijn oorspronkelijke inkomen te verwerven en dat dit niet van hem kan worden gevergd.

De man wordt dus redelijkerwijs in staat geacht het door hem genoten inkomen bij [werkgever] te kunnen (blijven) genereren. Met dit inkomen wordt dan ook rekening gehouden bij het bepalen van zijn draagkracht.

4.4.5. Voor wat betreft de financiële omstandigheden van de man wordt verwezen naar de draagkrachtberekening, die is overgelegd bij voormelde brief ingekomen ter griffie op

26 juni 2012. De man heeft bij de draagkrachtberekening als onderbouwing de salarisspecificaties van de maanden 10, 11 en 12 van 2011 van [werkgever] en de salarisspecificaties van de maanden 10, 11, 12 van 2011 van [bedrijf] als uitgangspunt gebruikt. Blijkens de berekening van de man bedraagt het belastbaar inkomen uit arbeid van de man € 66.162,-- per jaar, inclusief vakantietoeslag en belaste eindejaarsuitkering.

Echter in de overgelegde voorlopige aanslag IB 2011 van de man is vermeld dat zijn lonen respectievelijk € 54.408,-- en € 15.628,-- bedragen. Dit komt neer op een totaal van

€ 70.036,-- op jaarbasis. Het laatst vermelde bedrag kan niet worden vergeleken met de jaaropgaven 2011 van [werkgever] en [bedrijf] omdat deze stukken niet zijn overgelegd. Wel zijn de laatste salarisspecificaties van 2011 van [werkgever] en [bedrijf] met vermelding van cumulatieven overgelegd.

Deze twee specificaties worden als uitgangspunt gehanteerd. Uit de daarin vermelde heffingslonen in de cumulatieven blijkt bij de salarisspecificatie van [werkgever] een “fiscaal loon” van € 54.408,--. Bij de salarisspecificatie van de [bedrijf] blijkt een “loon loonheffing” van € 15.628,--. Dit loon vermeld bij de cumulatieven is gelijk aan het loon dat op een jaaropgaaf staat vermeld. Bij elkaar opgeteld is het loon van de man in 2011 € 70.036,-- op jaarbasis.

4.4.6. De werkgeversbijdrage ZVW bedraagt respectievelijk € 2.590,-- ([werkgever]) en € 1.158,-- ([bedrijf]) op jaarbasis. Hierop wordt een correctie wegens maximale vergoeding van € 193,-- in mindering gebracht. De totale vergoeding inkomensafhankelijke bijdrage ZVW na correctie is € 3.555,--.

4.4.7. Het belastbare inkomen uit eigen woning (de woning gelegen aan de [adres]) van de man, waarbij de rechtbank uitgaat van WOZ-waarde van

€ 273.000,--, bedraagt € 13.710,-- per jaar negatief, zijnde het eigenwoningforfait van

€ 1.638,-- verminderd met de jaarlijkse hypothecaire rentelast van in totaal € 15.348,--. De hypothecaire rentelast betreft de bankspaarhypotheek met bruto rentelast van € 667,--, de aflossingsvrije hypotheek met bruto rentelast van € 175,-- en de aflossingsvrije hypotheek met rentebedrag van 437,-- per maand bij elkaar opgeteld en vermenigvuldigd met 12.

De vrouw stelt dat de man de woonlasten met zijn huidige partner kan delen. Over de huidige woning van de man met zijn huidige partner merkt de vrouw op dat het opmerkelijk is dat de WOZ-waarde van de [adres] € 273.000,-- bedraagt, terwijl er een totale hypothecaire geldlening is afgesloten voor een bedrag van € 374.000,--. De hypotheekschuld op de woning is € 100.000,-- hoger dan de WOZ-waarde. De vrouw vermoedt dat wellicht sprake is van herfinanciering van de oude hypotheek van de woning gelegen aan de [adres], bij het afsluiten van de hypothecaire geldlening van de huidige woning van de man en zijn partner.

Dit vermoeden van de vrouw wordt door de man betwist. Allereerst voert de man aan dat hij niet zelfstandig kan handelen betreffende de oude hypotheekschuld van partijen. Ten tweede voert de man aan dat de huidige woning een casco woning betrof. De extra hypotheekschuld is aangegaan ter financiering van de aankoop van een keuken, een badkamer en dergelijke.

De noodzaak van het aangaan van een hogere hypothecaire geldlening van € 374.000,-- voor de woning gelegen aan de [adres], wordt voldoende aannemelijk geacht en zal als uitgangspunt worden gehanteerd, althans de daaraan gekoppelde kosten en rente.

De partner van de man voorziet in haar eigen levensonderhoud. Uit de overgelegde stukken blijkt dat het inkomen uit werk en woning (box I) van de partner van de man € 31.038,-- bedraagt. Gelet op het grote inkomensverschil tussen de man en zijn huidige partner wordt de fiscale aftrek bij de man als meest verdienende partner meegenomen. Vervolgens zal de netto woonlast bij helfte tussen de partners worden gedeeld.

4.4.8. De premie voor lijfrente van € 612,-- op jaarbasis wordt meegenomen als post uitgaven voor inkomensvoorziening. De man heeft deze premie alleen aan de lastenzijde opgenomen. De vrouw betwist deze last niet, maar merkt wel op dat de premie voor lijfrente ook als aftrekpost “uitgaven voor inkomensvoorziening” dient te worden meegenomen.

Premies voor lijfrenten en bedragen die door de man worden betaald voor een lijfrentespaarrekening of -beleggingsrecht zijn onder bepaalde voorwaarden aftrekbaar. Er wordt vanuit gegaan dat de man aan deze voorwaarden voldoet en hiermee wordt dan ook rekening gehouden onder de post inkomensvoorziening.

4.4.9. Voor de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt de rechtbank rekening met de navolgende fiscale aspecten:

- algemene heffingskorting;

- arbeidskorting.

4.4.10. Op het netto besteedbaar inkomen wordt de totale vergoeding inkomensafhankelijke bijdrage ZVW -na correctie- van € 3.555,-- in mindering gebracht.

4.4.11. De rechtbank brengt ter vaststelling van de draagkrachtruimte van de man de navolgende maandelijkse lasten op zijn besteedbaar inkomen in mindering:

- het op de Wet Werk en Bijstand gebaseerde normbedrag, inclusief vakantiegeld, voor een alleenstaande van € 936,-- wordt gehanteerd. Er wordt bij de vaststelling partneralimentatie geen aanleiding gezien af te wijken van het beginsel de bijstandsnorm van een alleenstaande te hanteren (conform het Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2012);

- de hypotheekrente van in totaal € 1.279,-- en het eigenaarslastenforfait van € 95,--, verminderd met de gemiddelde basishuur van € 213,-- en de bijdrage van de partner van de man in de helft van de netto woonlast van € 391,--;

Voor zover de vrouw heeft vernomen woont de jongmeerderjarige dochter van partijen, samen met haar vriendin, inmiddels in de voormalige woning van partijen. De vrouw gaat er vanuit dat de man hiervoor een vergoeding krijgt. De man heeft bevestigd dat de dochter van partijen in de voormalige echtelijke woning woont. De dochter is studerende en woont in de voormalige woning, die te koop staat, om deze woning een niet te verpauperde indruk te geven. De dochter betaalt de gebruikerslasten van de betreffende woning. Deze lasten worden door de man niet opgevoerd. Echter een vergoeding voor het gebruik van de woning wordt door de dochter niet betaald omdat daartoe de financiële middelen ontbreken als student. Gelet op het door de man aangevoerde wordt voldoende aannemelijk geacht dat hij geen gebruikersvergoeding ontvangt;

- de totale premie Zorgkostenverzekeringswet (inclusief aanvullende verzekeringen) van

€ 82,--, betreffende de nominale premie basisverzekering ZVW van € 100,--, de premie aanvullende ziektekostenverzekering van € 31,--, verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW van € 49,--;. Het eigen risico van € 18,-- wordt buiten beschouwing gelaten omdat niet is aangetoond dat dit eigen risico wordt gerealiseerd;

- de premie oudedagsvoorziening van € 51,--;

- de andere bijzondere kosten van in totaal € 152,--, bestaande uit de bijdrage Vereniging

van Eigenaren van € 23,--, de bijdrage evangelisatie van € 23,--, de bijdrage vereniging Stormvogel (bijdrage aan Vestia Rotterdam Hoogvliet voor herstructurering, beheer en leefbaarheid) en de extra kosten van de woning, zoals de opstalverzekering en dergelijke, van € 76,--. Deze bijdragen bij elkaar opgeteld komt neer op een totaal van € 152,--.

De vrouw betwist bij gebrek aan voldoende bewijsstukken de bijzondere kosten.

De bijdrage Vereniging van Eigenaren zal buiten beschouwing worden gelaten omdat uit de stukken en het verhandelde ter zitting onduidelijk blijft in hoeverre een deel van de bijdrage Vereniging van Eigenaren in het forfaitair bedrag van € 95,-- is verdisconteerd. Voorts blijkt niet welke kosten voor de woning in de bijdrage Vereniging van Eigenaren in rekening worden gebracht. De extra kosten woning worden niet meegenomen omdat onder overige eigenaarslasten onder meer de premie opstalverzekering vallen. Voorts is niet duidelijk geworden in hoeverre de overige extra kosten woning (al) verdisconteerd zijn in het forfaitair bedrag van € 95,--. Dat de bijdrage evangelisatie en de bijdrage vereniging Stormvogel dienen te worden beschouwd als noodzakelijke kosten van bestaan, is onvoldoende aangetoond en deze bijdragen blijven dan ook buiten beschouwing;

- de rente en de aflossing van de schuld afgesloten bij ING d.d. 20 januari 2010

betreffende een doorlopend krediet met een aflossing van € 70,-- wordt niet meegenomen. De man stelt dat hij genoodzaakt was een doorlopend krediet af te sluiten omdat de vrouw beslag had laten leggen op het inkomen van de man. De vrouw betwist deze stelling. Het afsluiten van de schuld heeft in 2010 plaatsgevonden, terwijl de beslaglegging in 2011 heeft plaatsgevonden. De man laat na inzage te verstrekken waarvoor deze schuld (betreffende een niet-huwelijkse schuld) is aangegaan.

Er kan met schulden na het tot stand komen van de alimentatieverplichting rekening worden gehouden, tenzij onnodig aangegaan dan wel anderszins onredelijk jegens de alimentatiegerechtigde. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet duidelijk geworden waarvoor deze schuld is aangegaan. Derhalve zal de rente en aflossing van de schuld buiten beschouwing worden gelaten.

4.5. Conclusie over de draagkracht van de man

4.5.1. Uit de financiële gegevens zoals die hiervoor zijn vermeld onder 4.4. blijkt dat de draagkracht van de man nog steeds toereikend is om de eerder vastgestelde partneralimentatie te voldoen. Het verzoek van de man zal derhalve worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst het verzoek van de man af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Eerdhuijzen, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 19 september 2012.