Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BX7272

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
13-09-2012
Zaaknummer
98248 / FA RK 12-7878; 98625 /FA RK 12-8066 en 98698 / FA RK 12-8103
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming tot verhuizen wordt afgewezen wegens het ontbreken van de noodzaak om naar Emmeloord of 150 kilometer van de woonplaats van de man te verhuizen.

- Verruiming van de zorgregeling zoals door de man verzocht wordt toegewezen.

- Vasttellen van een omgangsregeling tussen de grootouders (ouders man) en de kinderen wordt afgewezen wegens het ontbreken van een nauwe persoonlijke betrekking of een band die als family life kan worden aangemerkt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2013/39 met annotatie van P. Vlaardingerbroek

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 98248 / FA RK 12-7878; 98625 /FA RK 12-8066 en 98698 / FA RK 12-8103

beschikking van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2012

in de zaak met de nummers 98248 / FA RK 12-7878; 98625 /FA RK 12-8066 van

[verzoeker],

wonende te [adres verzoeker],

verblijvende te Lienden,

verzoeker,

advocaat mr. J.P. Snoek te Utrecht,

tegen

[verweerster],

wonende te [adres verweerster],

verweerster,

advocaat mr. E.M. Putters-van Veen.

en in de zaak met nummer 98698 / FA RK 12-8103 van

[grootouders],

echtelieden, beiden wonende te [adres grootouders],

verzoeker,

advocaat mr. J.P. Snoek te Utrecht,

tegen

[verweerster],

wonende te [adres verweerster],

verweerster,

advocaat mr. E.M. Putters-van Veen.

Partijen worden hieronder aangeduid als de man, de vrouw, respectievelijk de grootouders.

1. Het procesverloop

De rechtbank heeft in de zaak met de nummers 98248 / FA RK 12-7878 en 98625 /FA RK 12-8066 kennisgenomen van de volgende processtukken:

- het verzoekschrift van de man, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 16 mei 2012;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 18 juni 2012;

- het faxbericht, met bijlagen, van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op 22 juni 2012.

De rechtbank heeft in de zaak met nummer 98698 / FA RK 12-8103 kennisgenomen van de volgende processtukken:

- het verzoekschrift van de grootouders, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 22 juni 2012;

- het faxbericht van de advocaat van de moeder, ingekomen ter griffie op 22 juni 2012;

- het faxbericht van de advocaat van de grootouders, ingekomen ter griffie op 22 juni 2012;

- het verweerschrift, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen ter griffie op 26 juni 2012.

De mondelinge behandeling van de gevoegde zaken heeft plaatsgevonden op de terechtzitting met gesloten deuren van 28 juni 2012.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat, die ter zitting pleitaantekeningen heeft overgelegd;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, die ter zitting pleitaantekeningen heeft overgelegd;

- de grootouders, bijgestaan door hun advocaat, die ter zitting pleitaantekeningen heeft overgelegd.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben samengewoond in de periode juni 2002 tot 23 oktober 2011.

Tijdens die relatie zijn uit de vrouw geboren de thans nog minderjarige:

[minderjarige1] op [geboortedatum+plaats mj1];

[minderjarige 2] op [geboortedatum+plaats mj2].

De kinderen zijn door de man voor de geboorte erkend.

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

De kinderen verblijven thans bij de vrouw.

Grootouders zijn de ouders van de man.

Bij kort geding vonnis van deze rechtbank van 26 april 2012 is een voorlopige verdeling van de zorgtaken bepaald, inhoudende dat de minderjarigen om het weekend van vrijdagmiddag 17.30 uur tot zondagavond 17.30 uur, alsmede iedere woensdag vanaf 17.30 uur tot de volgende ochtend bij de man verblijven, alsmede de helft van de zomervakantie.

3. De verzoeken en het verweer

Het verzoek van de man

De man verzoekt vaststelling van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hem en de vrouw als volgt:

- eenmaal per twee weken van vrijdag 17.30 uur tot maandagochtend waarbij de kinderen op vrijdagmiddag door de vrouw bij hem worden gebracht en hij de kinderen maandagochtend ofwel naar de vrouw terugbrengt ofwel (vanaf februari 2013) naar school;

- gedurende doordeweekse dagen vanaf woensdagmiddag 15.00 uur tot vrijdagmiddag 17.30 uur waarbij de vrouw de kinderen op woensdag bij de man brengt en de man de kinderen op vrijdag (als hij de kinderen niet aansluitend het weekend heeft) op vrijdag naar de vrouw brengt. Bij deze regeling wordt de huidige donderdag invulling (als de kinderen naar de kinderopvang gaan) gecontinueerd totdat de kinderen naar school gaan;

- de helft van alle vakanties, in onderling overleg nader af te stemmen.

Ter onderbouwing van zijn verzoek stelt de man dat partijen na het uiteengaan waren overeengekomen dat zij voorlopig samen met de kinderen hun hoofdverblijf zouden houden in de gezamenlijke woning in Gorinchem. De man heeft voorlopig zijn intrek genomen in een woning in Lienden.

Daarnaast werd een verdeling van de zorgtaken afgesproken inhoudende dat de kinderen om het weekend van vrijdagmiddag tot zondagavond bij zich heeft, alsmede gedurende iedere woensdagavond vanaf 17.00 /17.30 uur tot donderdagochtend. De man heeft aangegeven de regeling te willen uitbreiden en partijen hebben hiertoe bij een mediator gesprekken gevoerd.

Deze gesprekken hebben niet tot het door de man nagestreefde ouderschapsplan geleid.

Thans is de man ter ore gekomen dat de vrouw vergevorderde plannen heeft om naar Emmeloord te verhuizen. Hierdoor zou het voor de man vrijwel onmogelijk worden de bestaande zorgregeling te continueren, laat staan uit te breiden. De man wenst in het belang van de kinderen te komen tot een gedeelde zorgregeling.

Na de mondelinge behandeling van het kort geding op 10 april 2012 heeft de man de vrouw verzocht vrijwillig mee te werken aan een uitbreiding van de huidige zorgregeling. In het daarop volgend viergesprek zijn partijen er niet in geslaagd om afspraken over een uitbreiding te maken.

Het verweer

De vrouw betwist dat partijen in goed onderling overleg de samenleving hebben beëindigd en besloten hebben voorlopig samen met de kinderen hun hoofdverblijf in de gezamenlijke woning te behouden. De man heeft de vrouw medegedeeld dat zij de gezamenlijke woning op 23 april 2012, doch uiterlijk 1 mei 2012 verlaten zal dienen te hebben, opdat hij er wederom zijn intrek in zal kunnen nemen.

De vrouw kan zich met uitzondering van de verzochte helft van de vakanties, niet verenigen met de door de man verzochte uitbreiding van de zorgregeling. De kinderen verblijven bij de vrouw en de vrouw draagt het merendeel van de zorg. Anders dan de man stelt gaan de kinderen slechts één dag in de week naar de kinderopvang, zorgt een au pair voor hen als de vrouw werkt en is de zorg door de ouders van de man gestopt in oktober 2011.

De door de man verzochte verdere uitbreiding van de zorgregeling acht de vrouw niet in het belang van de kinderen. Zij zijn nog jong en maken veel mee. Zij zijn inmiddels gewend aan de huidige regeling. De vrouw werkt niet op woensdag en vrijdag, terwijl de man dan wel moet werken. Thuiswerken door de man acht de vrouw niet te combineren met de zorg voor een driejarige tweeling. Mede gezien de veelvuldige reizen voor zijn werk naar het buitenland voorziet de vrouw dat de man niet zelf uitvoering kan geven aan de door hem verzochte uitgebreide regeling en dat de zorg veelal zal neerkomen op de nieuwe partner van de man.

De door de man verzochte regeling komt in feite neer op een co-ouderschap hetgeen de vrouw, gezien de slechte communicatie tussen partijen, niet haalbaar acht.

Daarbij komt dat de man zich in de huidige regeling ook vaak niet aan de afspraken houdt.

De vrouw acht de regeling zoals vastgelegd bij vonnis in kort geding het meest in het belang van de kinderen. Wel stemt de vrouw er mee in dat degene die de kinderen bij zich heeft de kinderen naar de andere ouder brengt.

Het zelfstandig verzoek

De vrouw verzoekt vervangende toestemming om met de minderjarigen te mogen verhuizen naar Emmeloord, subsidiair, te mogen verhuizen tot een straal van 150 kilometer gerekend vanaf de uiteindelijke woonplaats van de man.

Ter onderbouwing van haar verzoek stelt de vrouw dat zij afkomstig is uit Emmeloord. Zij heeft daar familie en vrienden die zij ook tijdens de relatie regelmatig bezocht. De vrouw voelt zich erg ongelukkig in Gorinchem en voelt zich voortdurend geconfronteerd door onprettige herinneringen, mede omdat de man uit deze omgeving afkomstig is.

Verhuizing naar Emmeloord is niet tegen het belang van de kinderen. De landelijke omgeving is geschikt voor hen en er zijn voldoende mogelijkheden voor kinderopvang en scholen. Gezien hun jeugdige leeftijd zal het hen niet moeilijk vallen te wennen. Een eventuele verhuizing is door de vrouw goed voorbereid.

De financiële situatie van de vrouw is door het uiteengaan van partijen verslechterd. Dit maakt het voor haar onmogelijk de gezamenlijke woning in Gorinchem over te nemen of de woning van de man in Lienden te huren. Het woonaanbod in de regio Gorinchem is beduidend lager dan in de regio Emmeloord en bovendien zijn de prijzen in Emmeloord aantrekkelijker.

De huidige zorgregeling komt door de verhuizing niet in het gedrang. De vrouw is niet van plan de contacten tussen de man en de kinderen te beperken of te frustreren.

Het verzoek van de grootouders

Grootouders verzoeken een omgangsregeling met de minderjarigen voornoemd vast te stellen, inhoudende dat de kinderen iedere maandag bij hen verblijven.

Ter onderbouwing van het verzoek stellen grootouders dat zij reeds tijdens de samenleving van de man en de vrouw structureel één of meerdere dagen op de kinderen pasten. Vanaf juni 2011 tot heden, is dit één dag in de week, met daarnaast oppas in de vakanties, weekends en avonden. Ook na de komst van de au pair werd de opvang van de kinderen door de grootouders voortgezet.

Recent heeft de vrouw de grootouders meegedeeld dat zij niet langer hoeven op te passen; dit zal door de moeder van de vrouw worden overgenomen.

Door het jarenlange oppassen, maken de grootouders een belangrijk deel uit van het leven van de kinderen. Zij achten het in het belang van de kinderen dat zij de gebruikelijke opvang op maandag kunnen continueren.

Het verweer

De vrouw stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van family life tussen de grootouders en de kinderen, zodat de grootouders niet ontvankelijk verklaard dienen te worden in hun verzoek, althans dat hun verzoek dient te worden afgewezen.

Hoewel de grootouders in het verleden structureel op de kinderen pasten is dit gestopt met de komst van de au pair in oktober 2011.

De vrouw wil de grootouders geenszins het contact met de kinderen ontzeggen en heeft daar in de achterliggende periode ook blijk van gegeven.

De oppascontacten in het verleden waren echter niet van een zodanige aard dat er gesproken kan worden van opvoeden door de grootouders, de contacten waren de gebruikelijke, in het dagelijks verkeer plaatsvindende contacten tussen grootouders en kleinkinderen.

Voor zover er wel een omgangsregeling opgelegd wordt kan dat niet de verzochte regeling zijn omdat dit in de nabije toekomst, in verband met de schoolgang van de kinderen en de daarmee gepaard gaande verandering van hun dagelijks ritme, praktische problemen op zal leveren.

4. De beoordeling

De rechtbank ziet aanleiding om eerst het zelfstandig verzoek van de vrouw te beoordelen.

De vervangende toestemming tot verhuizing

Partijen hebben samen het ouderlijk gezag over de minderjarigen. Dit brengt mee dat de vrouw voor het wijzigen van de woonplaats van de minderjarigen in beginsel toestemming van de man nodig heeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden, kan het geschil, op grond van artikel 1:253a BW worden voorgelegd aan de rechter.

De man verzet zich tegen de door de vrouw voorgenomen verhuizing met de minderjarigen naar Emmeloord of binnen een straal van 150 km gerekend vanaf de uiteindelijke woonplaats van de man en heeft hiervoor zijn toestemming onthouden. Ter zitting is gebleken dat de standpunten van partijen over die verhuizing nog steeds haaks op elkaar staan. Een vergelijk op de voet van artikel 1:253a, vijfde lid, BW is dan ook niet mogelijk gebleken.

Om een beslissing te kunnen nemen in het kader van voornoemd artikel dienen de belangen van de minderjarigen een eerste overweging van de rechtbank te vormen. Echter, conform de vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige, met als uitgangspunt gelijkwaardig ouderschap, alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle belangen af te wegen. Hieronder vallen onder meer het recht en belang van de verhuizende ouder om te verhuizen en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten; de noodzaak om te verhuizen; de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de kinderen en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren en de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg. Ook spelen een rol de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg alsmede de frequentie van het contact tussen de kinderen en de andere ouder voor en na de verhuizing.

In deze zaak gaat het om de afweging van het belang van de kinderen om in een veilige en rustige omgeving en gezinssituatie op te groeien en daarbij contact te houden met de niet verzorgende ouder, het belang van de vrouw om te verhuizen naar haar geboorteplaats Emmeloord, althans binnen een straal van 150 kilometer gerekend vanaf de uiteindelijke woonplaats van de man, en het belang van de man om onderdeel te blijven uitmaken van het dagelijkse leven, en de verzorging en opvoeding van de kinderen.

Ten aanzien van de vrouw

De vrouw heeft er in beginsel recht op haar leven in vrijheid te kunnen inrichten.

Dit recht vindt evenwel zijn begrenzing in de belangen van de minderjarigen en die van de man.

Hoewel te begrijpen valt dat de vrouw wenst te verhuizen naar de plaats waar zij oorspronkelijk vandaan komt en waar haar familie en kennissen wonen, waarmee zij tevens beoogt uit de invloed- en levenssfeer van de man te raken zodat zij een eigen toekomst kan opbouwen, is de rechtbank van oordeel dat met die redenen de noodzaak van en het belang bij de verhuizing voor de vrouw onvoldoende is komen vast te staan.

Niet gesteld of gebleken is dat en waarom de wijze waarop de vrouw op dit moment contacten met haar familie en kennissen in Emmeloord onderhoudt niet volstaat. Te meer daar de vrouw zelf stelt, ook tijdens de relatie immer intensief contact met familie en kennissen in Emmeloord te hebben gehouden.

De werkgever van de vrouw biedt de vrouw weliswaar de mogelijkheid vanuit een vestiging in de omgeving te werken doch een noodzaak is dit niet.

Verder is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat de vrouw zoals zij stelt geen of nauwelijks binding heeft met Gorinchem. De vrouw is sinds 1998 niet meer woonachtig in Emmeloord en is, voor zij met de man in 2002 ging samenwonen, in meerdere plaatsen woonachtig geweest. Uit de stukken die de vrouw in het geding heeft gebracht blijkt niet anders.

De vrouw heeft nog aangevoerd dat zij op korte termijn de gemeenschappelijke woning dient te verlaten. De vrouw stelt dat woonaanbod in Emmeloord veel groter is dan in de regio Gorinchem en dat de prijzen in de regio Emmeloord aanzienlijk lager zijn. Los van het feit dat de man tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding de vrouw heeft voorgesteld dat zij voorlopig nog met de kinderen hetzij in de woning in Lienden, hetzij nog in de woning in Gorinchem kan verblijven, toont de vrouw met het voorgaande niet aan dat zij serieuze pogingen heeft ondernomen om in Gorinchem en omgeving naar een voor haar passende woonruimte te zoeken en dat deze pogingen op niets zijn uit gelopen. Op deze door de vrouw aangevoerde gronden kan derhalve evenmin een noodzaak tot verhuizing worden aangenomen.

Ten aanzien van de man

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de kinderen sinds het uiteengaan van partijen op 23 oktober 2011, hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben gehad.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of en in welke mate de man tijdens de relatie een bijdrage aan de verzorging en opvoeding van de kinderen heeft geleverd. Uit de huidige contactregeling blijkt echter dat de man meer is dan een ‘weekendvader’ en dat hij ook door de week tijd met de kinderen doorbrengt.

De rechtbank stelt vast dat de man bij meerdere gelegenheden bij de vrouw heeft aangedrongen op een uitbreiding van de bestaande contactregeling. Ook in de huidige procedure ligt een verzoek van de man voor tot een uitbreiding van de zorgregeling, de uiteindelijke regeling die de man voor ogen heeft behelst een gelijkwaardig verdeling in tijd van de zorgtaken.

Ingeval van een verhuizing van de vrouw naar Emmeloord, dan wel binnen een straal van 150 kilometer van de uiteindelijke woonplaats van de man, heeft een verzoek van de man tot uitbreiding van de contactregeling geen kans van slagen.

Een meer evenwichtige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals de man die voorstaat, inhoudende dat hij een rol in het dagelijkse leven van de kinderen kan spelen, zou daarmee op voorhand uitgesloten zijn.

Een verhuizing buiten de regio waar de man woont zou voor de man en de kinderen betekenen dat een continuering van de huidige contactregeling - gezien de reisafstand en het filegevoelige traject - problematischer, zo niet onmogelijk zal worden.

Er zal in ieder geval minder frequent contact met de kinderen mogelijk kunnen zijn dan op dit moment het geval is - immers de contacten op woensdag komen te vervallen - en de door de man gewenste uitbreiding in de toekomst zal onmogelijk worden. Beurtelingse aanwezigheid van de ouders bij school, sporten, zwemles en andere sociale activiteiten die de kinderen met het ouder worden zullen gaan ondernemen, zal evenmin mogelijk zijn.

Ten aanzien van de kinderen

Door een verhuizing zoals de vrouw voor ogen staat zullen de kinderen op grote afstand van hun huidige woonplaats komen te wonen. Hiermee komt een einde aan hun leven in een voor hen vertrouwde omgeving met naaste familie, kinderopvang en vriendjes. Het is een feit van algemene bekendheid dat verbreking van de continuïteit van woon- en sociale leefomgeving voor een kind ingrijpend is.

Door de reistijd is opvang in geval van ziekte of andere incidenten door de ander ouder niet mogelijk

Belangenafweging

Alle hierboven genoemde omstandigheden en belangen wegende is de rechtbank van oordeel dat de belangen van de minderjarigen en de man dienen te prevaleren boven het belang van de vrouw bij een verhuizing naar Emmeloord, althans binnen een straal van 150 kilometer gerekend vanaf de uiteindelijke woonplaats van de man. Dit mede gezien het feit dat de vrouw de noodzaak van een dergelijke verhuizing niet heeft kunnen aantonen. De wens van de vrouw om te willen verhuizen ver uit de nabijheid van de man, lijkt meer voort te komen uit het eigen belang van de vrouw dan dat haar het belang van de kinderen voor ogen staat.

Ter zitting heeft de man verklaard in te kunnen stemmen met een verhuizing van de vrouw en de kinderen naar een woonplaats binnen een straal van 45 tot 50 kilometer, gerekend vanuit Gorinchem.

Gelet op het voorgaande zal het verzoek van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming tot verhuizen naar Emmeloord, althans buiten een straal van 50 kilometer gerekend vanuit Gorinchem, worden afgewezen.

De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

De man heeft in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken verzocht om een uitgebreidere contactregeling vast te stellen tussen hem en de kinderen.

De vrouw heeft ingestemd met het verzoek van de man voor zover dit ziet op de verdeling van de vakanties.

Ten aanzien van de overige verzochte uitbreidingen meent de vrouw dat deze niet in het belang van de kinderen zijn. De kinderen zijn gewend aan de huidige regeling en de gebrekkige communicatie staat er aan in de weg dat deze regeling verder wordt uitgebreid.

Partijen zijn het er over eens dat hun huidige communicatie gebrekkig is.

Hoewel partijen er goed aan zouden doen in het belang van hun nog jonge kinderen te werken aan de verbetering van hun communicatie, vormt een moeizame communicatie op zich geen beletsel voor de uitbreiding van de huidige contactregeling.

Het verzoek van de man de geldende regeling voor het weekend uit te breiden tot maandagochtend zal worden toegewezen.

Ten aanzien van de door de man verzochte uitbreiding voor de doordeweekse contacten wordt het volgende overwogen.

De kinderen verblijven thans iedere donderdag - tot zij in februari 2013 naar de basisschool gaan, in de kinderopvang. Vanaf hun verjaardag in februari 2013, zullen zij op donderdag en vrijdag naar school gaan.

Tot de kinderen in 2013 naar de basisschool gaan blijft de huidige regeling voor de woensdag bestaan. Vanaf februari 2013 zal de regeling zoals door de man wordt verzocht gaan gelden. Door de schoolgang zal er een aanzienlijke verandering in het leven van de kinderen optreden waarvan de wijziging in de zorgregeling slechts een (gering) onderdeel uitmaakt. Gezien de, ook door de vrouw bij de kinderen aanwezig veronderstelde flexibiliteit, zal deze uitbreiding niet te diep ingrijpen in hun leven. De hieronder nader te bepalen regeling wordt het meest in het belang van de kinderen geacht.

Ten overvloede benadrukt de rechtbank dat de thans vast te stellen regeling, in het belang van de minderjarigen, aan zo weinig mogelijk wijzigingen onderhevig dient te zijn.

Omgangsregeling met de grootouders

De ontvankelijkheid

Uitgangspunt is dat de minderjarigen op grond van artikel 1:377a, eerste lid, BW recht hebben op omgang met degenen die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hen staan. Ter toetsing van de ontvankelijkheid van de grootouders in hun verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling ligt de vraag voor of de grootouders in een nauwe persoonlijke betrekking tot de minderjarigen staan. Op grond van vaste jurisprudentie betekent dit dat de grootouders, naast het zijn van grootouders, bijkomende omstandigheden moeten stellen waaruit voortvloeit dat er tussen hen en de minderjarigen een nauwe persoonlijke betrekking bestaat of een band die kan worden aangemerkt als family life in de zin van artikel 8 EVRM.

Uit de stukken en de verklaringen ter zitting blijkt dat grootouders in de afgelopen drie jaar veel hebben opgepast, aanvankelijk twee dagen per week en uiteindelijk één dag in de week. Hoewel er nog steeds sprake is van een goede band tussen de grootouders en de minderjarigen, kan deze niet worden aangemerkt als een nauwe persoonlijke betrekking dan wel als family life in de zin van artikel 8 EVRM. Niet gebleken is dat de contacten tussen de grootouders en de minderjarigen qua frequentie en vorm meer hebben omvat dan het normale grootouder-kind contact en dat de zorg die de grootouders de kinderen hierbij gaven, valt gelijk te stellen met opvoeden.

De grootouders zijn er niet in geslaagd aan te tonen dan wel aannemelijk te maken dat sprake is van bijkomende omstandigheden waaruit kan worden geconcludeerd dat tussen de grootouders en de kleinkinderen een nauwe persoonlijke betrekking dan wel family life als hierboven bedoeld, heeft bestaan. Nu dit ook anderszins niet is gebleken, zullen de grootouders in hun verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hen en hun kleinkinderen, niet ontvankelijk verklaard worden.

Gezien de verklaring van de vrouw dat zij de contacten tussen grootouders en kinderen ook in de toekomst allerminst in de weg zal staan, wordt partijen ten overvloede in overweging gegeven om in onderling overleg te proberen tot afspraken te komen over contacten tussen de grootouders en hun kleinkinderen.

De proceskosten

De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen gezien hun onderlinge relatie compenseren.

5. De beslissing

De rechtbank:

in de zaak met de nummers 98248 / FA RK 12-7878; 98625 /FA RK 12-8066:

wijzigt het vonnis in kort geding van deze rechtbank van 26 april 2012;

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen betreffende de minderjarigen [minderjarige1] en [minderjarige 2], beiden geboren op [geboortedatum tweeling], als volgt:

- de kinderen verblijven eenmaal per twee weken van vrijdag 17.30 uur tot maandagochtend bij de man waarbij de kinderen op vrijdagmiddag door de vrouw bij de man worden gebracht en de man de kinderen maandagochtend ofwel naar de vrouw terugbrengt ofwel (vanaf februari 2013) naar school;

- tot 06 februari 2013 verblijven de kinderen iedere woensdag vanaf 17.30 uur tot de volgende ochtend bij de man, waarbij de vrouw de kinderen op woensdag bij de man brengt en de man de kinderen op donderdag naar de kinderopvang brengt;

- vanaf 06 februari 2013 verblijven de kinderen iedere woensdag vanaf 15.00 uur tot vrijdagmiddag 17.30 uur bij de man waarbij de vrouw de kinderen op woensdag bij de man brengt en de man de kinderen op vrijdag (als hij de kinderen niet aansluitend het weekend heeft) op vrijdag naar de vrouw brengt;

- de helft van alle vakanties, in onderling overleg nader af te stemmen;

wijst af het verzoek van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming tot verhuizen naar Emmeloord, althans tot verhuizing buiten een straal van 50 kilometer gerekend vanuit Gorinchem;

compenseert de proceskosten zodat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt;

in de zaak met nummer 98698 / FA RK 12-8103:

verklaart de grootouders niet ontvankelijk in hun verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hen en hun kleinkinderen;

compenseert de proceskosten zodat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. K. Bakker, tevens kinderrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 22 augustus 2012.