Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BX6950

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
10-09-2012
Zaaknummer
12/312
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat - nu deze machtiging is verleend en de voorwerpen niet om baat zijn vervreemd - ingevolge artikel 134, tweede lid Sv, het beslag ten tijde van de behandeling in raadkamer is beƫindigd. Het voorgaande brengt ingevolge rechtspraak van de Hoge Raad (LJN AD5210) met zich mee, dat de rechtbank klager in zijn klaagschrift, strekkende tot teruggave van de in beslag genomen voorwerpen, niet-ontvankelijk dient te verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Strafrecht

Enkelvoudige raadkamer

Registratienummer: 12/312

Uitspraakdatum: 22 augustus 2012

Beschikking (artikel 552a Wetboek van Strafvordering)

1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 6 juni 2012 is op de griffie van de rechtbank Dordrecht ingekomen een klaagschrift van

mr. A.H.J. Raaijmakers, gemachtigde van:

[KLAGER],

geboren op [1964] te [plaats],

wonende te [adres en woonplaats].

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het daarop gelegde beslag, met last tot teruggave aan klager van:

- een slotentrekker/deukentrekker;

- een pijpsnijder.

Op 8 augustus 2012 is dit klaagschrift in openbare raadkamer behandeld. Klager is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Raaijmakers voornoemd. Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. J. Westerhof.

2. Beoordeling

Klager heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de doorzoeking onrechtmatig is geweest. Subsidiair heeft klager zich op het standpunt gesteld dat de betreffende goederen niet te kwalificeren zijn als inbrekerswerktuig.

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het klaagschrift niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu de goederen zijn vernietigd met inachtneming van artikel 117 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift gegrond dient te worden verklaard nu zij over onvoldoende stukken beschikt om aan te kunnen tonen dat de doorzoeking rechtmatig is geweest.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit e-mailcorrespondentie in het dossier blijkt dat de in beslag genomen voorwerpen in kwestie inmiddels zijn vernietigd. De officier van justitie heeft dit bij gelegenheid van de behandeling in raadkamer bevestigd, en voorts medegedeeld dat dit gebeurd is nadat een machtiging als bedoeld in artikel 117 van het Sv is verleend.

De rechtbank stelt vast dat - nu deze machtiging is verleend en de voorwerpen niet om baat zijn vervreemd - ingevolge artikel 134, tweede lid Sv, het beslag ten tijde van de behandeling in raadkamer is beƫindigd.

Het voorgaande brengt ingevolge rechtspraak van de Hoge Raad (LJN AD5210) met zich mee, dat de rechtbank klager in zijn klaagschrift, strekkende tot teruggave van de in beslag genomen voorwerpen, niet-ontvankelijk dient te verklaren.

Ten overvloede wijst de rechtbank op het volgende. Het voorgaande staat er in beginsel niet aan in de weg dat de strafrechter later ingevolge art. 353 Sv een beslissing over de inbeslaggenomen voorwerpen geeft en dat dan, indien alsnog de teruggave zou worden bevolen en dit feitelijk niet meer mogelijk is, art. 119, tweede lid, Sv van overeenkomstige toepassing is. De rechtbank stelt evenwel vast dat het in dit geval tot zo'n beslissing niet zal komen indien juist is dat - zoals bij de behandeling in raadkamer ter sprake kwam - de zaak is afgedaan met een reeds door klager betaalde geldboete. In dat geval zal klager zich alleen nog tot de burgerlijke rechter kunnen wenden.

Op grond van het vorenstaande dient met inachtneming van de betrekkelijke wetsartikelen te worden beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.

Deze beschikking is gegeven door:

mr. L.C. van Walree, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. H.E.M. Broeders, griffier,

en uitgesproken op 22 augustus 2012.