Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BX6587

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
96076 / FA RK 11-9201
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Partijen hebben in de echtscheidingsprocedure in 2009 afspraken gemaakt over de hoogte van de partneralimentatie. De vrouw beroept zich op een wijziging van omstandigheden (artikel 1:401 Burgerlijk Wetboek) en verzoekt verhoging van de partneralimentatie. De man erkent dat hij samenwoont en zijn woonlasten kan delen, zodat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Niet gebleken is op welk bedrag de behoefte van de vrouw destijds becijferd is, zodat de rechtbank de behoefte berekent aan de hand van de inkomensgegevens over het jaar 2009. Het inkomen van de vrouw wordt op haar behoefte in mindering gebracht. Nu de vrouw niet over loonstroken beschikt, gaat de rechtbank op basis van het verhandelde ter zitting ervan uit dat de vrouw gemiddeld anderhalve dag per week werkt. De draagkracht van de man laat toe om in de behoefte van de vrouw te voorzien. Op verzoek van de man wordt een jusvergelijking gemaakt, maar deze leidt er niet toe dat een lagere partneralimentatie opgelegd dient te worden dan waartoe de man in staat is te betalen. De beschikking van 4 maart 2009 van de Rechtbank Dordrecht wordt gewijzigd en de man wordt opgelegd een alimentatie te betalen die zijn draagkracht toelaat.

De ingangsdatum wordt gesteld op de datum van de beschikking en niet op de door de vrouw verzochte datum van 1 juni 2010.

Het verzoek van de man te bepalen dat de verplichting tot betaling van partneralimentatie eindigt vanaf 1 juli 2013, zijnde de datum waarop de man met pensioen gaat, wordt afgewezen.

De omstandigheden die op dat moment van belang zullen zijn, zijn te onzeker om thans te bepalen dat de verplichting tot betaling van partneralimentatie zal eindigen per 1 juli 2013.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 96076 / FA RK 11-9201

beschikking van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2012

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [adres verzoekster],

verzoekster,

advocaat mr. C.E. Koopmans te Oud-Beijerland,

tegen

[verweerder],

wonende te [adres verweerder],

verweerder,

advocaat mr. J.C. Jaspers te Utrecht.

Partijen worden hieronder aangeduid als de vrouw respectievelijk de man.

1. Het procesverloop

1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

- het verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 21 december 2011;

- het verweerschrift van de man, tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 14 februari 2012;

- het verweerschrift van de vrouw tegen de zelfstandige verzoeken van de man, ingekomen ter griffie op 14 maart 2012;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op 26 juni 2012;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op 28 juni 2012.

1.2. De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzitting met gesloten deuren van 9 juli 2012.

1.3. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen

partijen vast.

2.1. Partijen zijn op [huw.datum+plaats] in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

2.2. Bij beschikking van deze rechtbank van [uitspraak echtscheiding] is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is onder meer bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een partneralimentatie aan de vrouw dient te betalen van € 1.161,-- bruto per maand. De echtscheidingsbeschikking is op [inschrijvingsdatum] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3. Krachtens wettelijke indexering bedraagt de partneralimentatie thans € 1.213,97 bruto per maand.

3. Het verzoek en het verweer

Het verzoek

3.1. De vrouw verzoekt na wijziging ter zitting, uitvoerbaar bij voorraad, de man te veroordelen met ingang van 1 juni 2010 bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 1.855,70 netto per maand, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen,

althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag met ingang van een datum door de rechtbank in goede justitie te bepalen.

3.2. De vrouw stelt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Enerzijds omdat de man is gaan samenwonen met zijn partner waardoor hij zijn woonlasten kan delen en anderzijds omdat de vrouw ten tijde van de echtscheiding veronderstelde haar inkomen te kunnen verhogen, hetgeen wegens medische redenen niet gelukt is.

Het verweer en de zelfstandige verzoeken

3.3. De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw en heeft verzocht dit af te wijzen.

3.4. De man voert hiertoe aan dat hij een hogere partneralimentatie heeft betaald dan dat zijn draagkracht toeliet en dat hij de aflossing van de huwelijkse schulden volledig voor zijn rekening heeft genomen, terwijl de vrouw hier niet in heeft bijgedragen.

3.5. De man heeft als zelfstandige verzoeken, uitvoerbaar bij voorraad, verzocht:

a. te bepalen dat de verplichting tot betaling van partneralimentatie definitief eindigt vanaf het moment waarop de man met pensioen gaat, alsmede:

b. primair:

te bepalen dat deze beschikking in de plaatst treedt van de toestemming van de vrouw, zodat de man met deze beschikking kan overgaan tot verdeling van de aandelen in die zin dat partijen ieder de helft van de aandelen verkrijgt en de vrouw met uitsluiting van de man het huidige rekeningnummer behoudt en de man de helft van de aandelen verkrijgt op een door WestUtrechtBank aan te wijzen rekening;

subsidiair:

te bepalen dat de vrouw binnen tien dagen na betekening van deze beschikking haar medewerking dient te verlenen aan uitvoering van de verdeling in dier voege dat de vrouw de huidige rekening geheel op haar naam verkrijgt met uitsluiting van de man en dat de helft van de aandelen wordt overgeschreven naar een door WestUtrechtBank aan te wijzen rekening.

3.6. Ter onderbouwing van het sub a. vermelde verzoek voert de man aan dat hij over in ieder geval anderhalf jaar met pensioen zal moeten gaan. Na ontvangst van het partnerpensioen heeft de vrouw mogelijk meer inkomen dan de man. Om een nieuwe rechtsgang binnen afzienbare tijd te voorkomen, wenst de man thans een beslissing ten aanzien van de verschuldigde partneralimentatie.

De man stelt, ten aanzien van zijn vordering onder sub b., dat partijen er nog niet in geslaagd zijn om tot een volledige afwikkeling ten aanzien van het huwelijksvermogen te komen.

Het verweer tegen de zelfstandige verzoeken

3.7. De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de man en heeft ten aanzien van het sub a. vermelde verzoek verzocht dit af te wijzen, althans te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van levensonderhoud dient te voldoen totdat de vrouw eveneens de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, te weten 29 oktober 2014.

Ten aanzien van het sub b. vermelde verzoek heeft de vrouw verzocht de man

niet-ontvankelijk te verklaren, omdat reeds overeenstemming is bereikt en het aan de man te wijten is dat een en ander nog niet geëffectueerd is.

4. De beoordeling

4.1. Blijkens de beschikking van deze rechtbank van [uitspraak echtscheiding] hebben partijen afspraken gemaakt over (de hoogte van) de partneralimentatie. Welke uitgangspunten aan deze afspraak ten grondslag hebben gelegen, blijkt niet uit deze beschikking. Wel staat vast en blijkt uit voormelde beschikking dat het bedrag aan partneralimentatie is gebaseerd op de draagkrachtberekening die de advocaat van de man destijds heeft gemaakt. Op grond van deze berekening had de man een draagkracht van € 1.161,--, met welk bedrag de vrouw heeft ingestemd.

Wijziging van omstandigheden

4.2. Op grond van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

Vereist voor wijziging of intrekking van hetgeen betreffende de onderhoudsverplichting door de rechter is vastgesteld of door partijen is overeengekomen, is een wijziging van de omstandigheden zoals die door de rechter ten tijde van diens beslissing zijn vastgesteld respectievelijk van de omstandigheden waarbij partijen bij het sluiten van de overeenkomst zijn uitgegaan. Er moet zich derhalve nadien een wijziging van omstandigheden hebben voorgedaan, die meebrengt dat die uitspraak niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

Alleen wijzigingen waardoor het aanvankelijk overeengekomen bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet, zijn rechtens relevant.

4.3. Volgens de vrouw is sprake van een tweetal wijzigingen van omstandigheden.

De ene wijziging bestaat uit de omstandigheid dat de man inmiddels is gaan samenwonen met zijn partner en de woonlasten kan delen. De andere omstandigheid wordt gevormd doordat de vrouw er bij het totstandkomen van de afspraak in 2009 vanuit is gegaan dat zij haar inkomen zou kunnen verhogen, hetgeen wegens medische redenen niet gelukt is.

De man heeft erkend dat hij is gaan samenwonen en zijn woonlasten kan delen, zodat sprake is van een wijziging van omstandigheden.

Nu sprake is van een wijziging van omstandigheden, kan de beoordeling van de vraag in hoeverre de psychische en fysieke klachten die de vrouw momenteel ervaart eveneens een wijziging van omstandigheden opleveren in het midden blijven. Overigens heeft de man de gestelde lichamelijke en psychische klachten van de vrouw niet betwist.

De behoefte

4.4. Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat thans niet duidelijk is op welk bedrag de behoefte van de vrouw in 2009 is gesteld. De rechtbank zal de behoefte van de vrouw daarom bepalen.

De behoefte wordt gerelateerd aan de welstand tijdens huwelijk. Het netto gezinsinkomen van partijen in 2009 vormt hierbij het uitgangspunt. Ter bepaling van haar behoefte wenst de vrouw uit te gaan van de zogenaamde Hof-norm, inhoudende dat de behoefte gelijk is aan 60% van het netto gezinsinkomen in 2009. De man heeft zich niet verzet tegen deze berekeningsmethode.

Hoewel partijen van mening verschillen over wie welk bedrag aan inkomen genereerde, is tussen partijen niet in geschil dat het totale netto gezinsinkomen € 3.400,-- per maand bedroeg. De behoefte kan gesteld worden op 60% hiervan, te weten € 2.040,--. Geïndexeerd naar 2012 bedraagt de behoefte € 2.133,08 per maand.

4.5. Het inkomen van de vrouw dient in mindering te worden gebracht op haar behoefte. De man heeft het standpunt van de vrouw, dat zij medische klachten heeft die haar beperken in de omvang van haar werkzaamheden, niet dan wel onvoldoende weersproken.

Gebleken is voorts dat de vrouw in 2009 twee vaste dagen per week werkzaam is geweest en, doordat zij regelmatig opgeroepen werd, in totaal drie tot vier dagen per week werkzaam was. Sinds 2010 is de vrouw minder gaan werken. Nu de frequentie van de werkzaamheden van de vrouw sinds 2009 is afgenomen en haar inkomen dientengevolge is gedaald, acht de rechtbank het redelijk het huidige inkomen in aanmerking te nemen bij de berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw. De vrouw heeft geen loonstroken overgelegd, omdat zij hierover niet beschikt. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij € 110,-- bruto per dag verdient. De vrouw heeft voorts onweersproken gesteld dat zij in augustus 2012 drie tot vier dagen extra werkt. Niet gebleken is dat dit zodanig incidenteel is, dat met deze extra dagen geen rekening dient te worden gehouden bij het bepalen van het inkomen van de vrouw.

De rechtbank acht het redelijk de werkzaamheden van de vrouw vast te stellen op gemiddeld anderhalve dag per week. Dit leidt tot een bruto inkomen van € 8.580,-- op jaarbasis. Rekening houdende met de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van de werkgever, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de heffing van inkomstenbelasting in box 1 heeft de vrouw een besteedbaar inkomen van € 644,-- per maand.

De aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt derhalve € 2.133,08 minus € 644,-- =

€ 1.489,08 netto. Het door de vrouw verzochte bedrag van € 1.855,70 netto per maand overstijgt derhalve haar aanvullende behoefte.

De draagkracht van de man

4.6. Voor berekening van de draagkracht van de man dient van de volgende financiële gegevens te worden uitgegaan. De tarieven van 2012, periode 2 worden gehanteerd. De bedragen worden afgerond op hele euro’s.

- Het inkomen van € 52.286,--, bestaande uit een salaris van € 3.769,-- bruto per maand en acht procent vakantietoeslag. Voorts is een bedrag van € 3.440,-- in aanmerking genomen als inkomen uit overwerk en meerwerk. Uit de salarisstrook van december 2011 blijkt dat de man dit bedrag in 2011 heeft gegenereerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat zijn arbeidsvoorwaarden in 2012 gelijk zijn gebleven aan die in 2011 en dat de man soms op zaterdag overwerkt. Nu niet gebleken is dat het inkomen uit over- en meerwerk in 2011 niet representatief is voor dat in 2012, wordt aangesloten bij het bedrag zoals verworven in 2011.

- De premie voor reparatie ANW hiaat van € 701,--.

- De inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 3.555,--.

- De algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

- De inkomensheffing in box 1.

De man heeft een besteedbaar inkomen van € 2.869,-- per maand.

In zijn draagkrachtberekening heeft de man een bedrag van € 5.076,-- opgevoerd als belaste bijdrage in de ziektekosten (post 58). Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man onweersproken verklaard dat met dit bedrag niet langer rekening gehouden hoeft te worden.

4.7. Op het besteedbaar inkomen van de man worden de volgende maandelijkse bedragen in mindering gebracht:

- Het op de Wet Werk en Bijstand gebaseerde normbedrag, inclusief vakantiegeld, voor een alleenstaande van € 936,--.

- De woonlasten van € 239,--, bestaande uit de huur van € 904,-- per maand verminderd met de gemiddelde basishuur van € 213,-- en met de bijdrage van de partner in de woonlasten van € 452,--.

Nu de man met zijn partner samenwoont en de woonlasten kan delen, wordt met de helft van de huur die de man met ingang van 1 juli 2012 verschuldigd is, rekening gehouden.

- De ziektekosten van € 132,--, bestaande uit de premie voor de basis- en aanvullende verzekering van € 158,-- en het verplicht eigen risico van € 23,--, verminderd met het reeds in de bijstandsnorm begrepen deel van de ziektekosten van € 49,--.

De premie die de man in 2012 verschuldigd is wordt in aanmerking genomen. Het eigen risico is door de vrouw niet weersproken, zodat ook hiermee rekening wordt gehouden.

Er wordt geen rekening gehouden met de premie levensverzekering van € 56,-- per maand.

De man heeft verklaard dat dit de premie voor een overlijdensrisicoverzekering betreft, welke ertoe dient dat de partner van de man na zijn overlijden in de huurwoning kan blijven wonen. De vrouw heeft betwist dat met deze premie rekening moet worden gehouden, omdat de verzekering vrijwillig door de man is afgesloten, aangezien de man zijn woning niet in eigendom heeft.

De rechtbank is van oordeel dat de betaling van de premie geen voorrang dient te hebben op de verplichting van de man tot betaling van partneralimentatie, zodat met de premie geen rekening wordt gehouden. De man wordt geacht de premie uit zijn vrije ruimte te betalen.

4.8. De man heeft een draagkrachtruimte van € 1.562,--, waarvan € 937,-- (60%) beschikbaar is voor partneralimentatie. Gebruteerd is dit € 1.615,--.

4.9. Uit hetgeen is overwogen onder r.o. 4.5. en 4.8. blijkt dat de vrouw een hogere aanvullende behoefte heeft dan de draagkracht van de man toelaat aan partneralimentatie te betalen. Nu de behoefte van de vrouw (€ 1.489,08 netto per maand) de draagkracht van de man (€ 937,-- netto en € 1.615,-- bruto per maand) overstijgt, zou in beginsel een partneralimentatie worden opgelegd ter hoogte van de draagkracht van de man. Echter, de man heeft verzocht een zogenaamde jusvergelijking te maken, hetgeen inhoudt dat de financiële situatie van partijen op basis van ieders inkomen en lasten wordt vergeleken. Aan de hand van de vergelijking kan worden bezien of er reden is een lagere bijdrage vast te stellen dan de berekende maximale draagkracht bij de onderhoudsplichtige.

Teneinde een jusvergelijking te kunnen maken, dient de draagkracht van de vrouw te worden berekend.

De draagkracht van de vrouw

4.10. Voor berekening van de draagkracht van de vrouw dient van de volgende financiële gegevens te worden uitgegaan. De tarieven van 2012, periode 2 worden gehanteerd. De bedragen worden afgerond op hele euro’s.

- Het inkomen van € 8.580,--.

Zoals reeds is overwogen in r.o. 4.5. wordt het inkomen van de vrouw gesteld op € 110,-- per dag en wordt ervan uitgegaan dat zij gemiddeld anderhalve dag per week werkzaam is.

Overeenkomstig de berekening van de vrouw, die op dit punt niet is weersproken door de man, wordt geen rekening gehouden met vakantietoeslag en pensioenpremie.

- De inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 609,--.

- De algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

- De inkomensheffing in box 1.

De vrouw heeft een besteedbaar inkomen van € 644,-- per maand.

4.11. Op het besteedbaar inkomen van de vrouw worden de volgende maandelijkse bedragen in mindering gebracht:

- Het op de Wet Werk en Bijstand gebaseerde normbedrag, inclusief vakantiegeld, voor een alleenstaande van € 936,--.

- De woonlasten van € 332,--, bestaande uit de huur van € 895,-- per maand verminderd met de gemiddelde basishuur van € 213,-- en de bijdrage van de meerderjarige dochter van partijen in de woonlasten van € 350,--.

De dochter van partijen woont met haar twee kinderen bij de vrouw. De dochter is afgekeurd en heeft een borderline persoonlijkheidsstoornis. Het inkomen van de dochter (ongeveer

€ 1.000,-- netto per maand) bestaat uit een WW-uitkering en voor een gedeelte uit een aanvulling vanuit de Sociale Dienst. De man stelt zich op het standpunt dat de dochter de helft van de huurlasten voor haar rekening dient te nemen, evenals wanneer sprake zou zijn van een partner. De man weerspreekt de situatie van de dochter weliswaar niet, maar stelt dat haar omstandigheden niet zodanig zijn dat rekening moet worden gehouden met een lagere bijdrage dan de helft.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden waaronder de dochter bij de vrouw woont ertoe dienen te leiden dat rekening wordt gehouden met het bedrag dat de dochter feitelijk bijdraagt, te weten € 350,-- per maand en dat op basis van de gestelde omstandigheden niet van haar verlangd kan worden dat ze meer bijdraagt.

- De ziektekosten van € 32,--, bestaande uit de premie voor de basisverzekering van

€ 132,-- en het verplicht eigen risico van € 18,--, verminderd met het reeds in de bijstandsnorm begrepen deel van de ziektekosten van € 49,-- en de zorgtoeslag van € 69,--.

Deze bedragen zijn door de vrouw opgevoerd en door de man niet weersproken.

4.12. Het besteedbaar inkomen van de vrouw bedraagt € 644,--, terwijl het draagkrachtloos inkomen van de vrouw € 1.300,-- per maand is.

De jusvergelijking

4.13. Uit de jusvergelijking volgt dat indien de man aan de vrouw een partneralimentatie betaalt van € 1.615,-- bruto per maand (overeenkomstig de maximale draagkracht van de man, zoals blijkt uit r.o. 4.8.), de man een hogere vrije ruimte (€ 922,--) heeft dan de vrouw (€ 357,--). Er is derhalve geen aanleiding om een lagere partneralimentatie op te leggen dan de draagkracht van de man toelaat te betalen.

4.14. Nu sprake is van een wijziging van omstandigheden zal de beschikking van deze rechtbank van [uitspraak echtscheiding] worden gewijzigd en zal worden bepaald dat de man een partneralimentatie dient te betalen van € 1.615,-- bruto per maand.

De ingangsdatum

4.15. De vrouw heeft verzocht de alimentatieverplichting te wijzigen met ingang van 1 juni 2010, omdat zij vanaf dat moment fysieke problemen kreeg en de man met ingang van 1 juli 2010 is gaan samenwonen. De man heeft zich hiertegen verweerd en heeft aangevoerd dat hij op dat moment de huwelijkse schulden van partijen nog afloste en de verzoeken van de vrouw hem bovendien nooit hebben bereikt.

Voorts heeft de man aangevoerd dat hij zich bij een dergelijke ingangsdatum geconfronteerd ziet met een schuld, die hij niet kan betalen.

In het algemeen geldt dat de rechter van zijn bevoegdheid tot wijziging van de bijdrage over een periode in het verleden een behoedzaam gebruik dient te maken. Nu er anderhalf jaar is verstreken tussen het moment waarop de vrouw stelt dat de wijziging is ingetreden en het moment dat zij haar verzoek heeft ingediend, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de vrouw omtrent de ingangsdatum afgewezen dient te worden. De vrouw had haar verzoek immers eerder kunnen indienen. Bovendien zou de man bij een dergelijke ingangsdatum nu direct geconfronteerd worden met een achterstand, hetgeen niet wenselijk wordt geacht.

De rechtbank zal, gelet op het vorenstaande en op de belangen van partijen, de ingangsdatum in redelijkheid bepalen op de datum van deze beschikking.

Het eindigen van de partneralimentatie

4.16. De man heeft verzocht te bepalen dat de verplichting tot betaling van partneralimentatie definitief zal eindigen vanaf het moment waarop de man met pensioen gaat, te weten 1 juli 2013. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de omstandigheden die van belang zullen zijn aan de zijde van de man en aan de zijde van de vrouw aan te merken als onzekere toekomstige omstandigheden. Althans, deze zijn te onzeker om op dit moment reeds te bepalen dat de verplichting tot betaling van partneralimentatie per 1 juli 2013 eindigt.

Het verzoek van de man zal daarom worden afgewezen.

De rechtbank geeft partijen daarbij in overweging om, zodra alle omstandigheden omtrent het pensioen van de man duidelijk zijn, een en ander in onderling overleg te regelen.

Het verzoek van de man omtrent verdeling van de aandelenportefeuille

4.17. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man zijn verzoek omtrent verdeling en afwikkeling van de aandelenportefeuille, behorende tot de gemeenschap van goederen waarin partijen gehuwd waren, ingetrokken. Partijen zullen een en ander in onderling overleg regelen. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank terzake geen beslissing meer hoeft te nemen.

De proceskosten

4.18. De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen (ex-echtelieden) compenseren.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. wijzigt de bij beschikking van deze rechtbank van [uitspraak echtscheiding] aan de man ten behoeve van de vrouw opgelegde alimentatieverplichting;

5.2. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, de door de man te betalen alimentatie ten behoeve van de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking op € 1.615,-- (éénduizend zeshonderd vijftien euro) bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

5.3. compenseert de proceskosten zodat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt;

5.4. wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.F.A.J.M. Haerkens-Wouters en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 22 augustus 2012.