Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BX6389

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
04-09-2012
Zaaknummer
97368 - FA RK 12-7506
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

partneralimentatie alimentatieovereenkomst eigen inkomsten gebrek aan draagkracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 97368 / FA RK 12-7506

Beschikking van 29 augustus 2012

in de zaak van

[Verzoeker]

wonende te Dordrecht,

verzoeker,

advocaat mr. M.G. Hoogerwerf,

tegen

[Verweerster]

wonende te Roermond,

verweerster,

advocaat mr. J. Dongelmans.

1. Het procesverloop

1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

- het verzoekschrift van de man, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 19 maart 2012;

- het verweerschrift van de vrouw, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 09 mei 2012;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op 17 juli 2012.

1.2. De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzitting met gesloten deuren van 27 juli 2012. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de advocaat van de vrouw.

2. De vaststaande feiten

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

2.2. Partijen zijn voormalige echtelieden. Zij zijn gehuwd op 6 november 1979. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren:

-[kind 1], op [geboortedatum];

-[kind 2], op [geboortedatum]

2.3. Bij beschikking van deze rechtbank van 7 augustus 2002 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 23 augustus 2002 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hebben een echtscheidingsconvenant gesloten dat onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking.

2.4. In het echtscheidingsconvenant is onder meer vastgelegd dat de man de vrouw een partneralimentatie zou betalen van € 664,- bruto per maand. Partijen hebben dit bedrag in onderling overleg verlaagd naar € 600,80 bruto per maand per 1 januari 2008. Door wettelijke indexering is dit bedrag thans € 651,93.

2.5. In art. 1.5 van het echtscheidingsconvenant staat:

“1.5 De vrouw is voornemens meer uren te gaan werken dan de uren die zij in januari 2002 werkte. De man is voornemens zich in 2002 vanuit zijn besloten vennootschap een hoger salaris toe te kennen, ten opzichte van het door de man in 2001 uit zijn besloten vennootschap genoten salaris, teneinde de financiële

afspraken die in dit convenant zijn opgenomen te kunnen nakomen.

Partijen spreken uitdrukkelijk af dat de hier bedoelde salarisverhogingen, dus zowel aan de zijde van de vrouw als aan de zijde van de man, geen reden zijn tot een aanpassing, op welke wijze dan ook, van de in artikel 1,1 bedoelde alimentatie, en evenmin een bestanddeel mogen vormen van de gegevens die van belang worden geacht voor (mogelijke) toekomstige alimentatieberekeningen. Eventuele toekomstige alimentatieberekeningen dienen derhalve te worden gemaakt zonder

rekening te houden met de hier omschreven verhogingen van inkomen zowel aan de zijde van de man als aan de zijde van de vrouw.”

2.6. De rechtbank Dordrecht heeft bij beschikking van 8 december 2003 een verzoek van de man afgewezen om de partneralimentatie op nihil te stellen, subsidiair te verlagen. De man is in hoger beroep gekomen van deze beschikking. Het Gerechtshof te

’s-Gravenhage heeft bij beschikking van 2 maart 2005 de uitspraak van de rechtbank Dordrecht bekrachtigd.

2.7. De rechtbank Dordrecht heeft bij vonnis van 1 februari 2006 een vordering van de man tot betaling door de vrouw van € 10.812,50, afgewezen.

3. Het verzoek en het verweer

Het verzoek

3.1. De man verzoekt het echtscheidingsconvenant te wijzigen en te bepalen dat de partneralimentatieplicht van de man is geëindigd, dan wel, subsidiair te bepalen dat de partneralimentatie op nihil wordt gesteld.

De man stelt daartoe dat de vrouw geen behoefte meer heeft aan partneralimentatie omdat haar inkomen is gestegen. Ten tijde van het sluiten van het echtscheidingsconvenant was de vrouw werkzaam als poliassistente bij een KNO-arts in een ziekenhuis in Dordrecht. Inmiddels drijft de vrouw een eigen onderneming genaamd de Oorzaak Hoorkliniek. De vrouw geniet nu meer inkomen. De bedoeling van art. 1.5 van het echtscheidingsconvenant was slechts om een inkomensstijging uit hoofde van de functie van de vrouw als poliassistente niet mee te tellen. Een inkomensstijging uit hoofde van een andere inkomstenbron is volgens de man wel van invloed op de behoefte van de vrouw. Bovendien zijn de kinderen, die destijds 18 en 14 jaar oud waren, inmiddels volwassen, zodat de vrouw geen zorg meer heeft voor hen.

Vlak voor de zitting heeft de man gesteld dat hij vanaf 1 september 2012 geen draagkracht meer zal hebben tot betaling van partneralimentatie, omdat zijn tweejarige arbeidsovereenkomst met Pro Rail per die datum zal eindigen.

Het verweer

3.2. De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man. De vrouw beroept zich op het bepaalde in art. 1.5 van het echtscheidingsconvenant. De man is bovendien niet meer alimentatieplichtig voor de kinderen, die financieel zelfstandig zijn. De vrouw stelt dat zoon [kind 1] zijn recht op kinderalimentatie heeft opgegeven om zodoende het contact met zijn vader te kunnen herstellen, maar dat contact kwam helaas niet tot stand.

De vrouw voert aan dat de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn stelling dat hij onvoldoende draagkracht heeft. Volgens de vrouw had de man veel eerder kunnen melden dat zijn arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. De beëindiging van de arbeidsovereenkomst staat in een brief van Pro Rail van 13 juni 2012, die de man pas heeft overgelegd bij zijn brief van 16 juli 2012.

4. De beoordeling

4.1. Ingeval van een alimentatieovereenkomst is sprake van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden, als zich een wijziging heeft voorgedaan in de gegevens die partijen bij het sluiten van deze overeenkomst tot uitgangspunt hebben genomen.

4.2. Het hogere inkomen van de vrouw is geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden. Partijen hebben in het echtscheidingsconvenant juist afgesproken dat een inkomensstijging van de vrouw niet van invloed zal zijn op de door de man te betalen partneralimentatie. De stelling van de man dat het echtscheidingsconvenant bepaalt dat winst uit onderneming, anders dan loon bij de voormalige werkgever van de vrouw, wél noopt tot verlaging van partneralimentatie volgt de rechtbank niet. De bewoordingen van het echtscheidingsconvenant onderschrijven het standpunt van de vrouw. De man heeft geen verklaringen of gedragingen gesteld die een andere bedoeling van het echtscheidingsconvenant kunnen rechtvaardigen.

4.3. De rechtbank verwerpt het verweer van de vrouw dat de man te laat heeft gesteld dat hij onvoldoende draagkracht zal hebben per 1 september 2012. De vrouw heeft voldoende tijd gehad om zich op deze nadere stellingname te kunnen verweren. De desbetreffende brief van de advocaat van de man dateert van elf dagen voor de zitting.

4.4. Of de man per 1 september 2012 onvoldoende draagkracht zal hebben is een onzekere toekomstige gebeurtenis. Er kan niet op voorhand worden uitgesloten dat de man tijdig een andere baan zal vinden. De rechtbank kan niet beoordelen of de man geen kansen heeft op de arbeidsmarkt. Daaromtrent is niets relevants gesteld. Daarbij komt dat de man in zijn brief van 16 juli 2012 weliswaar heeft gesteld dat hij niet in aanmerking kwam voor een

WW-uitkering, maar dat hij daar ter zitting al weer op terug was gekomen. Ter zitting verklaarde de man dat hij pas één maand voor 1 september 2012 een WW-uitkering kan aanvragen en eerst dan zal vernemen óf hij een WW-uitkering zal verkrijgen. De man werkt reeds sinds september 2010 in loondienst. Dat is een dermate ruim arbeidsverleden dat niet op voorhand mag worden uitgesloten dat de man recht heeft op een WW-uitkering. Mogelijk zal een WW-uitkering niet voldoende zijn tot betaling van de (volledige) partneralimentatie, maar in welke mate dat dan zal zijn valt nu nog niet vast te stellen. De hoogte en duur van de eventuele WW-uitkering van de man zijn onbekend en de man geniet ook nog neveninkomsten uit zijn besloten vennootschap. In 2011 waren deze inkomsten € 10.016,-. Derhalve kan thans niet worden vastgesteld dat de man met ingang van september 2012 onvoldoende draagkracht zal hebben om de alimentatie te (kunnen) voldoen.

4.5. Het verzoek zal derhalve worden afgewezen. De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen (ex-echtelieden) compenseren.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst het verzoek af;

5.2. compenseert de proceskosten zodat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Visser en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2012.?