Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BX5073

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
30-07-2012
Datum publicatie
20-08-2012
Zaaknummer
300649 CV EXPL 12-811
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verhuurder van een bedrijfspand vordert achterstallige huurtermijnen van huurder. Huurder (een vennootschap onder firma) stelt zich op het standpunt dat niet hij maar zijn rechtsopvolger (een besloten vennootschap) als huurder is aan te merken en de achterstallige huur dient te voldoen. Geen contractsoverneming als bedoeld in artikel 6:159 BW. Evenmin indeplaatsstelling als bedoeld in artikel 7:307 BW. Vennootschap onder firma (en vennoten) veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur met kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2012/271
WR 2012/135
JONDR 2012/1385
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector kanton

Locatie Gorinchem

kenmerk: 300649 CV EXPL 12-811

vonnis van de kantonrechter te Gorinchem van 30 juli 2012

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Delta Lloyd Vastgoed Winkels B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde mr. R.A.M. Breij, Bureau Breij B.V.,

tegen:

1. de vennootschap onder firma VOF Brakband Klein Warenhuis,

gevestigd te [adres],

gedaagde sub 1,

gemachtigde dhr. G.L. Kalkman,

2. [naam], gewezen vennoot in gedaagde sub 1,

wonende te [adres],

gedaagde sub 2,

gemachtigde dhr. G.L. Kalkman,

3. [naam], gewezen vennoot in gedaagde sub 1,

wonende te [adres],

gedaagde sub 3,

in persoon procederende,

4. [naam], gewezen vennoot in gedaagde sub 1,

wonende [adres],

gedaagde sub 4,

gemachtigde dhr. G.L. Kalkman.

Eiseres wordt hierna aangeduid als “Delta Lloyd” en gedaagden gezamenlijk als “gedaagden”. Gedaagde sub 1 wordt ook aangeduid als “de V.O.F.”.

Verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

1. de dagvaarding van 5 april 2012;

2. de conclusie van antwoord;

3. het tussenvonnis van 21 mei 2012, waarin een comparitie van partijen is gelast;

4. de aantekening dat op 29 juni 2012 de comparitie van partijen heeft plaatsgevonden;

5. de overgelegde producties.

Omschrijving van het geschil

1. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de inhoud van de producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

1.1 De V.O.F. is met (de rechtsvoorgangster van) Delta Lloyd een huurovereenkomst aangegaan met betrekking tot het bedrijfspand aan het [adres]. De huurovereenkomst is met ingang van 19 november 2002 aangegaan voor de duur van vijf jaar (tot en met 18 november 2007) en is na ommekomst van deze termijn verlengd met opnieuw vijf jaar.

1.2 De huurprijs bedraagt thans € 6.314,76 per maand, welk bedrag bij vooruitbetaling dient te worden voldaan.

1.3 In een aan Delta Lloyd gerichte brief van Kalkman Damesmode Gorinchem B.V., gedateerd april 2006, wordt onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Bij deze willen wij u doorgeven dat per maart onze bedrijfsstructuur is gewijzigd. De V.O.F. Brakband Klein Warenhuis is beëindigd.

De nieuwe vorm is Kalkman Damesmode Gorinchem B.V. Deze neemt alle activiteiten over van de V.O.F. Brakband Klein Warenhuis. (…)

Wij hopen u voldoende te hebben geïnformeerd. Zijn er vragen dan horen wij dit graag.

Kalkman Damesmode Gorinchem B.V.

[adres]

(…)”

1.4 Nadien heeft Kalkman Damesmode Gorinchem B.V. (hierna: Kalkman Damesmode) de in het bedrijfspand uitgeoefende activiteiten op zich genomen. De verschuldigde huurtermijnen is Delta Lloyd aan de V.O.F. blijven factureren.

1.5 Bij brief van 18 november 2011, die is ondertekend door de drie vennoten, is namens de V.O.F. , de vennoten en Kalkman Damesmode de huurovereenkomst opgezegd. Bij brief van 5 december 2011 heeft (WPM Winkelcentrummanagement B.V. namens) Delta Lloyd de ontvangst van de opzeggingsbrief bevestigd en de opzegging van de huurovereenkomst geaccepteerd per 19 november 2012.

1.6 Kalkman Damesmode is op 6 december 2011 in staat van faillissement verklaard.

2. De vordering

2.1 Delta Lloyd vordert (samengevat) dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad :

I voor recht wordt verklaard dat de huuropzegging van 18 november 2011 van de V.O.F. (en haar vennoten) niet eerder werkt dan tegen de expiratiedatum van de huurovereenkomst, in casu 18 november 2012;

II gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van in totaal

€ 33.795,48, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over een bedrag van € 31.093,73 vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

III gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van:

a) een bedrag van € 6.314,76 per maand vanaf 1 april 2012 tot het tijdstip waarop Delta Lloyd het gehuurde aan een derde heeft verhuurd, echter ten hoogste tot 18 november 2012, te verhogen met de wettelijk toegestane huurverhogingen, primair vermeerderd met de contractueel bedongen boeterente van € 113,45 voor iedere maand dat het verzuim voortduurt tot aan de dag van algehele voldoening en subsidiair vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW telkens vanaf de eerste dag van de maand tot aan de dag van voldoening;

b) een bedrag dat overeenkomt met het verschil tussen de met gedaagden laatstelijk overeengekomen betalingsverplichting en de met de opvolgende huurder lagere overeengekomen betalingsverplichting, ingaande na de daadwerkelijke wederverhuur aan een derde tot 18 november 2012, primair vermeerderd met de contractueel bedongen boeterente van € 113,45 voor iedere maand dat het verzuim voortduurt tot aan de dag van algehele voldoening en subsidiair vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW telkens vanaf de eerste dag van de maand tot aan de dag van voldoening;

IV gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien de proceskosten niet zijn voldaan binnen 14 dagen na aanschrijving.

2.2 Delta Lloyd legt nakoming van de met de V.O.F. gesloten huurovereenkomst aan haar vordering ten grondslag. Het onder 2.1 onder II gevorderde bedrag bestaat uit een huurachterstand tot 1 april 2012 van € 31.093,73, vermeerderd met een bedrag van

€ 1.701,75 aan bedongen boeterente en een bedrag van € 1.000,-- aan buitengerechtelijke incassokosten.

3. Het verweer

3.1 Gedaagden concluderen tot afwijzing van de vordering en voeren daarbij - samengevat - het volgende aan. Doordat in maart 2006 de bedrijfsstructuur is gewijzigd, is de door de V.O.F. gedreven onderneming verder gegaan als Kalkman Damesmode (de B.V.) en is de V.O.F. beëindigd. In april 2006 is aan Delta Lloyd (vgl. onder 1.3) meegedeeld dat alle activiteiten van de V.O.F. door Kalkman Damesmode zijn overgenomen. Omdat een reactie van Delta Lloyd uitbleef, is ervan uitgegaan dat Delta Lloyd akkoord was met Kalkman Damesmode als huurder, hetgeen in 2007 ook mondeling door de heer [naam] (werkzaam bij WPM Winkelcentrummanagement B.V.) is bevestigd. Nadien is de huur ook altijd door Kalkman Damesmode betaald. Kalkman Damesmode is in plaats van de V.O.F. huurder van het pand geworden.

Beoordeling van het geschil

4. De centrale vraag is of ten tijde van de wijziging van de bedrijfsstructuur in maart 2006 of daarna sprake is geweest van contractsoverneming als bedoeld in artikel 6:159 BW, in die zin dat niet langer de V.O.F. maar Kalkman Damesmode (de B.V.) als huurder van de bedrijfsruimte aan het [adres] moet worden aangemerkt. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5. Blijkens artikel 6:159 BW is voor contractsoverneming in de eerste plaats nodig een akte waarbij de overdrager zijn rechtsverhouding tot een derde aan de overnemer overdraagt. Gedaagden hebben een (notariële) inbrengakte van 28 maart 2006 in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat de oorspronkelijk door de V.O.F. gedreven onderneming in Kalkman Damesmode (de B.V.) is ingebracht. Uit deze akte (Nadere Bedingen artikel 1) kan met enige welwillende lezing voorts worden afgeleid dat alle met de onderneming verband houdende overeenkomsten (waaronder de huurovereenkomst) ten bate van Kalkman Damesmode zullen strekken. In zoverre is aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 6:159 BW voldaan. Voor contractsoverneming is echter ook nodig dat de derde (in casu Delta Lloyd) aan de overdracht van de rechtsverhouding (de huurovereenkomst) haar medewerking heeft verleend. Die medewerking behoeft niet in schriftelijke vorm te worden gegeven maar moet wel ondubbelzinnig vaststaan.

6. Gedaagden hebben gerefereerd aan de onder 1.3 geciteerde brief aan Delta Lloyd van april 2006 en aangevoerd dat Delta Lloyd daar niet op heeft gereageerd, waardoor zij ervan zijn uitgegaan dat Delta Lloyd Kalkman Damesmode als huurder accepteerde. Los van het feit dat Delta Lloyd ter comparitie heeft verklaard de brief van april 2006 niet te kennen, heeft hier te gelden dat het ontbreken van een reactie van Delta Lloyd niet betekent dat Delta Lloyd met de door de V.O.F. mogelijk beoogde overdracht van de huurovereenkomst heeft ingestemd. Te minder nu Delta Lloyd, naar onweersproken vaststaat (en uit de producties ook blijkt), de periodieke huurtermijnen ten name van de V.O.F. is blijven factureren. Voor zover de huurtermijnen, zoals gedaagden hebben aangevoerd, ten laste van de bankrekening van Kalkman Damesmode zijn betaald (waarvan Delta Lloyd overigens heeft verklaard dat aan de betalingen niet te kunnen zien) betekent dat evenmin dat Delta Lloyd met een overdracht van de huurovereenkomst heeft ingestemd. De B.V. kan immers verplichtingen van de V.O.F. voldoen zonder dat dat een overdracht van een rechtsverhouding impliceert. Uit een en ander blijkt dus niet, anders dan gedaagden menen, dat Delta Lloyd aan een overgang van de huurovereenkomst haar medewerking heeft verleend.

7. Gedaagden hebben nog aangevoerd dat de heer [naam] (WPM Winkelcentrummanagement B.V.) mondeling heeft bevestigd dat Delta Lloyd met Kalkman Damesmode als huurder akkoord was. Uit de door Delta Lloyd overgelegde gedetailleerde verklaring van de heer [naam] blijkt echter het tegendeel. Hij verklaart dat nimmer een officieel verzoek is gedaan om de huurrechten over te dragen en dat van een mondelinge instemming daarmee dan ook geen sprake kan zijn. Hij verklaart voorts dat de V.O.F. altijd als huurder is beschouwd getuige de verzonden facturen, gevoerde correspondentie en ook het handhaven van de op naam van de V.O.F. gestelde bankgarantie. Tegenover deze gemotiveerde betwisting van de kant van Delta Lloyd hebben gedaagden hun stelling dat de heer [naam] mondeling heeft bevestigd dat Delta Lloyd akkoord was niet nader onderbouwd. Aan deze stelling zal daarom voorbij worden gegaan.

8. Uit het bovenstaande volgt dat van contractsoverneming geen sprake is. Evenmin is sprake van indeplaatsstelling (artikel 7:307 BW) nu ook daar de medewerking van verhuurder voor nodig is of, bij gebreke daarvan, machtiging van de rechter. Gesteld noch gebleken is dat indeplaatsstelling op basis van een dergelijke machtiging heeft plaatsgevonden.

9. De vordering tot betaling van de achterstallige huur zal dan ook worden toegewezen. Gedaagden hebben het bedrag van de huurachterstand (€ 31.093,73 tot 1 april 2012) en het bedrag van de huur (€ 6.314,76 per maand) niet betwist zodat van die bedragen zal worden uitgegaan. De vordering tot betaling van de contractuele boeterente acht de kantonrechter disproportioneel (naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aanvaardbaar) en zal worden afgewezen. Daarentegen zal de (subsidiair) gevorderde wettelijke handelsrente over de openstaande bedragen wel worden toegewezen.

10. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.000,-- zullen worden toegewezen. Deze zijn niet betwist en overigens in overeenstemming met het gangbare kantonrechterstarief.

11. Namens gedaagden is ter comparitie bevestigd dat de einddatum van de huurovereenkomst 18 november 2012 is (zie ook onder 1.5). Voor de door Delta Lloyd gevorderde verklaring voor recht (dat de huuropzegging van 18 november 2011 niet eerder werkt dan tegen de expiratiedatum van de huurovereenkomst ofwel 18 november 2012) is daarom geen aanleiding.

12. Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld zoals hierna bepaald.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, in die zin dat als de één heeft betaald de anderen in zoverre zullen zijn bevrijd, om aan Delta Lloyd € 31.093,73 te betalen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW daarover vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele betaling;

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, in die zin dat als de één heeft betaald de anderen in zoverre zullen zijn bevrijd, om aan Delta Lloyd te rekenen vanaf 1 april 2012 tot 18 november 2012 € 6.314,76 per maand te betalen, te verhogen met de wettelijk toegestane huurverhogingen, onder aftrek van de betalingsverplichting van een eventuele opvolgende huurder van het bedrijfspand in de periode 1 april 2012 - 18 november 2012, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW telkens vanaf de eerste dag van de betreffende maand tot de dag van betaling;

veroordeelt gedaagden, wederom hoofdelijk, om aan Delta Lloyd als vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten € 1.000,-- te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van betaling;

veroordeelt gedaagden, hoofdelijk, in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Delta Lloyd bepaald op:

aan explootkosten € 82,37

aan griffierecht € 873,--

aan salaris gemachtigde € 800,--

totaal € 1.755,37

deze kosten te voldoen binnen 14 dagen nadat Delta Lloyd daar schriftelijk om heeft verzocht, bij gebreke waarvan de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover is verschuldigd;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Langeler, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juli 2012, in aanwezigheid van de griffier.