Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BX2203

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
20-07-2012
Zaaknummer
58328 / FA RK 05-7194 + 97056 / FA RK 12-7359
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

echtscheiding - alimentatie met terugwerkende kracht - afwikkeling huwelijksvoorwaarden en verdeling gemeenschap - verrekenbeding - overgespaarde inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2012/193
RFR 2012/124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 58328 / FA RK 05-7194 + 97056 / FA RK 12-7359

beschikking van de meervoudige kamer van 18 juli 2012

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [adres verzoekster],

verzoekster, tevens verweerster,

advocaat mr. W.M. Smeets,

tegen

[verweerder],

wonende te [adres verweerder],

verweerder, tevens verzoeker,

advocaat mr. A.C.M. Turner.

Partijen worden hieronder aangeduid als de vrouw respectievelijk de man.

1. Het verdere procesverloop

1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

- de (tussen-)beschikking van deze rechtbank van 9 mei 2007 en de daarin genoemde stukken;

- het faxbericht van de toenmalige procureur van de vrouw, met bijlage, ingekomen ter griffie op 20 augustus 2008;

- het faxbericht van de (nieuwe) advocaat van de vrouw, met bijlage, ingekomen ter griffie op 10 oktober 2008;

- het faxbericht van de advocaat van de vrouw, met bijlage, ingekomen ter griffie op 9 november 2010;

- het faxbericht van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op 6 december 2010;

- het faxbericht van de advocaat van de vrouw, met bijlage, ingekomen ter griffie op 7 april 2011;

- het faxbericht van de advocaat van de vrouw, met bijlage, ingekomen ter griffie op 2 mei 2011;

- het deskundigenrapport, met akte van depot van 5 december 2011;

- de brief van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op 9 december 2011;

- de brief van de advocaat van de man, met bijlage, ingekomen ter griffie op 30 januari 2012;

- de brief van de advocaat van de vrouw, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 30 januari 2012;

- de brief van de advocaat van de vrouw, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 14 mei 2012;

- de brief van de advocaat van de man, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 29 mei 2012.

1.2. Het geschil is behandeld op een nadere zitting van 4 juni 2012. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat,

- de man, bijgestaan door zijn advocaat,

- de door de rechtbank benoemde deskundige, drs. [deskundige benoemd door Rb],

Ook waren aanwezig ter zitting, zoals verzocht door partijen en met hun wederzijdse instemming:

-de financieel adviseur van de vrouw, [adviseur vrouw],

-de financieel adviseur van de man, [adviseur man].

2. Het geschil en de verdere beoordeling

2.1. Bij tussenbeschikking van 8 februari 2006 is de echtscheiding uitgesproken. De echtscheiding is op 3 juli 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In geschil zijn nog: de kinderalimentatie, de partneralimentatie, de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden/verdeling eenvoudige gemeenschap en de pensioenaanspraken.

De rechtbank heeft een deskundige benoemd onder meer ter berekening van de omvang van het te verrekenen vermogen.

kinderalimentatie en partneralimentatie.

standpunt vrouw

2.2. De vrouw verzoekt, na wijziging, een kinderalimentatie van € 750,- per maand voor het [kind X], voor de periode van 1 november 2006 tot aan [meerderjarigheidsdatm kind X], de datum waarop [kind X] meerderjarig is geworden, en te vermeerderen met de sindsdien opgekomen wettelijke indexering.

Ter zitting heeft de vrouw haar verzoek gewijzigd in die zin dat geen einddatum wordt bepaald voor de kinderalimentatie, zodat deze alimentatie van rechtswege doorloopt vanaf het moment dat [kind X] 18 jaar is geworden.

De vrouw stelt dat de rechtbank in de eerdere tussenbeschikking van 28 februari 2007 voor [kind X] slechts een voorlopige kinderalimentatie heeft opgelegd van € 450,- per maand. Dit bedrag was te weinig, zodat de vrouw heeft moeten interen op de - uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden - van de man verkregen voorschotten. Daarom verzoekt de vrouw voorts om veroordeling tot betaling door de man van een bedrag van

€ 16.217,45. Dit is het verschil tussen hetgeen de man in deze periode heeft betaald en hetgeen de man had moeten betalen ter zake de kinderalimentatie.

Voorts heeft de vrouw een partneralimentatie verzocht van € 6.000,- bruto per maand, met terugwerkende kracht vanaf 1 november 2006. De vrouw wijst er daarbij op dat de rechtbank in haar beschikking van 28 februari 2007 slechts een voorlopige partneralimentatie heeft opgelegd van € 650,- bruto per maand, hetgeen volgens de vrouw impliceert dat met terugwerkende kracht € 6.000,- bruto per maand kan worden toegekend.

De vrouw vordert betaling door de man van een bedrag van € 391.157,84 bruto. Dit is het verschil, inclusief wettelijke indexeringen, tussen het bedrag dat de vrouw thans verzoekt, en dat zij in overeenstemming acht met de wettelijke maatstaven van € 6.000,- bruto per maand, en het bedrag dat de man vanaf 1 november 2006 daadwerkelijk aan haar heeft betaald, berekend tot 1 juni 2012.

De vrouw stelt dat in het huwelijk sprake was een traditioneel rollenpatroon. De vrouw heeft een Havo-opleiding genoten en zij heeft daarna voor een korte periode gewerkt bij de politie. De vrouw heeft vervolgens lange tijd, en zonder vergoeding, in de onderneming van de man gewerkt. Zij heeft er aan bijgedragen dat de man zijn onderneming kon laten uitgroeien tot een zeer florerende onderneming. Partijen leefden zeer riant.

De vrouw heeft haar totale behoefte aanvankelijk becijferd op € 7.417,28 netto per maand. Dit bedrag bestaat uit:

- aan woning gerelateerde kosten ad € 3.134,19;

- ziektekosten en verzekering ad € 36,- + p.m.;

- kosten vervoer ad € 481,30;

- maandelijkse overige kosten ad € 1.741,79 (zoals boodschappen, kapper, loterijen);

- kosten paardensport ad € 574,-;

- kosten [kind X] en [kind X] ad € 1.450 + p.m.

Nadien heeft de vrouw een aanvullende behoeftelijst overgelegd. Daarin stelt de vrouw haar behoefte op € 8.334,32 bruto per maand.

Uiteindelijk heeft de vrouw gesteld dat zij circa € 10.000,- bruto per maand nodig heeft om van te leven.

De vrouw geniet slechts bescheiden inkomsten: een bedrag van € 650,- per maand ter zake voorlopige alimentatie en enige inkomsten uit werkzaamheden als pedicure, met een omzet van € 1.722,- bruto per jaar.

De vrouw solliciteert wel, bijvoorbeeld onlangs nog bij supermarkt Lidl, maar haar verdiencapaciteit is beperkt vanwege haar fysieke en geestelijke klachten. De vrouw teert in op haar vermogen, dat bestaat uit van de man ontvangen voorschotten op de vermogensrechtelijke afwikkeling en een door de vrouw ontvangen erfenis van

€ 13.000,. Het resterende vermogen van de vrouw bedraagt per 18 april 2012 € 13.332,- .

standpunt man

2.3. De totale behoefte van de vrouw bedraagt volgens de man € 3.889,50 netto per maand, berekend aan de hand van de “Hofformule” met de cijfers over het jaar 2004. De jaren 2001 en 2002 waren in financieel opzicht niet representatief. Er zijn toen uitzonderlijk hoge uitgaven gedaan omdat de voormalige echtelijke woning door partijen werd betrokken. Op de behoefte strekken in mindering de inkomsten uit arbeid die de vrouw kan genereren en de inkomsten uit vermogen die zij verkrijgt na afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden. Gelet op de huidige economische omstandigheden acht de man het redelijk om uit te gaan van een rendement op vermogen van 2 % netto.

De man heeft uiteindelijk een draagkrachtberekening overgelegd waarin hij heeft berekend dat hij in staat is om een partneralimentatie te betalen van € 5.799,- bruto per maand, inclusief belastingvoordeel.

oordeel rechtbank

alimentatie [kind X]

2.4. De rechtbank zal als eerste het verzoek om kinderalimentatie beoordelen. De rechtbank zal slechts oordelen over de periode totdat [kind X] 18 jaar is geworden. Slechts tot aan dat moment is de vrouw vorderingsgerechtigd voor de - toen nog - minderjarige [kind X]. Ter zitting erkende de vrouw desgevraagd dat zij geen machtiging heeft om voor de meerderjarige [kind X] te procederen.

2.5. De man heeft gesteld bereid te zijn een kinderalimentatie te voldoen van € 250,- per maand. Voor zover de man hiermee impliciet de behoefte van [kind X] betwist, wordt overwogen dat voor de bepaling van de behoefte aansluiting zal worden gezocht bij de tabel ‘eigen aandeel kosten kinderen’, gevoegd bij het Tremarapport. Deze tabel geeft aan dat bij een netto gezinsinkomen van € 5.000,- per maand, het ouderlijk aandeel in de kosten van een kind als [kind X] € 780,- per maand bedraagt. Gelet op dit normbedrag kan de door de vrouw verzochte kinderbijdrage niet als bovenmatig worden beschouwd.

2.6. Geen reden bestaat te oordelen dat de vrouw heeft bij te dragen in voormelde kosten van [kind X] nu dit slechts een behoefteverhogend effect zal hebben op de kosten van haar levensonderhoud.

2.7. De man heeft voldoende draagkracht tot betaling van de verzochte kinderalimentatie. Dit blijkt uit de door de man overgelegde draagkrachtberekening en is voorts door de man ter zitting erkend. De rechtbank zal de verzochte kinderalimentatie toewijzen.

2.8. In de tussenbeschikking van 28 februari 2007 is een alimentatiebedrag bepaald met de uitdrukkelijke toevoeging dat dit voorlopig is geschied, waarna de zaak is aangehouden. In de financiële omstandigheden van partijen en de vastgestelde behoefte ziet de rechtbank aanleiding om, zoals verzocht, het bedrag van de kinderalimentatie vast te stellen zowel voor de toekomst als voor de periode voor het verleden. De alimentatie wordt derhalve, met terugwerkende kracht ingaande 1 november 2006, vastgesteld op € 750,- per maand.

2.9. De rechtbank zal geen wettelijke rente toekennen over de verschuldigde kinderalimentatie nu eerst thans de kinderalimentatie definitief wordt vastgesteld. De man is derhalve niet in verzuim geweest.

2.10. Wel is van rechtswege de wettelijke indexering toepasselijk, en wel met ingang van 2007.

2.11. Hetgeen de man al aan kinderalimentatie heeft betaald ten behoeve van [kind X] strekt in mindering op hetgeen thans wordt toegewezen.

2.12. Een beslissing over de betaling van de reeds verschenen termijnen is niet nodig, omdat de betalingsplicht voor deze termijnen besloten ligt in de beslissing om de alimentatie met terugwerkende kracht op te leggen.

behoefte van de vrouw

2.13. De rechtbank relateert de behoefte aan partneralimentatie aan de welstand waarin partijen hebben geleefd gedurende de laatste jaren van het huwelijk. Ook de omstandigheid dat in de huwelijkse periode vermogen is opgebouwd kan bijdragen aan het oordeel dat sprake was van een zekere welstand tijdens het huwelijk. De vraag of, en in welke mate, de vrouw zelf in haar levensonderhoud kan voorzien met inkomsten uit arbeid en/of vermogen, is voor de bepaling van de (aanvullende) behoefte van de vrouw eveneens van belang.

2.14. Partijen zijn feitelijk uit elkaar gegaan in september 2004.

2.15. De rechtbank heeft de deskundige ten aanzien van de partneralimentatie de volgende vragen voorgelegd:

a. Hoe hoog is de behoefte van de vrouw aan een bijdrage in de kosten van levensonderhoud gelet op de welstand van partijen tijdens het huwelijk?

b. In hoeverre moet de vrouw in staat worden geacht door middel van eigen inkomsten in haar levensonderhoud te voorzien?

c. Hoe hoog is de draagkracht van de man?

2.16. De rechtbank tekent ten aanzien van vraag a. aan, dat het aan de rechtbank is om de behoefte van de vrouw vast te stellen, aangezien dit (mede) een juridisch weging van de omstandigheden vergt. Slechts de bevindingen van de deskundige over de financiële situatie in het gezin van partijen voorafgaand aan hun feitelijk uiteengaan, zullen derhalve worden betrokken bij de beoordeling van de behoefte van de vrouw.

2.17. De deskundige antwoordt in zijn rapport op vraag a., dat de vrouw stelt dat zij een behoefte heeft van € 4.974,- netto per maand. De deskundige baseert dit op de door de vrouw opgestelde behoeftelijst met een totaal bedrag ad € 8.334,- bruto per maand. De deskundige heeft dit bedrag gecorrigeerd met de verschuldigde inkomstenbelasting. Voorts bericht de deskundige dat hij van de accountant van de man heeft begrepen dat de gezamenlijke kosten van de huishouding van partijen sinds 2001, toen partijen de woning aan de [toenmalige echtelijke woning] betrokken, aanzienlijk zijn gestegen.

2.18. Het deskundigenrapport is ten aanzien van vraag a. over de mate van welstand tijdens huwelijk niet gebaseerd op objectieve gegevens, maar met name op hetgeen de deskundige heeft vernomen van de (accountant van de) man. Bovendien wordt de mate van welstand niet alleen bepaald door de omvang van de gezamenlijke kosten van de huishouding. Zoals reeds opgemerkt kan ook de mogelijkheid van vermogensvorming bijdragen aan het oordeel dat sprake is geweest van een zekere mate van welstand.

2.19. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt van een aanzienlijke welstand tijdens het huwelijk. Hoe hoog deze welstand precies was, valt echter niet goed vast te stellen. Dit is toerekenbaar aan de man. De man heeft in eerste instantie aanzienlijke inkomsten verzwegen en in de gehele procedure geen goed inzicht gegeven in de financiële positie van partijen tijdens huwelijk. Zo heeft de man onvoldoende duidelijkheid verschaft over, in het bijzonder, zijn inkomen in box II en box III. Dit klemt te meer nu de man een aanzegging van de rechtbank om aanslagen Inkomstenbelasting (hierna: IB) over te leggen heeft genegeerd en hij voorts zeer incomplete versies van zijn aangiftes IB 2002 en 2003 heeft overgelegd. Tot slot is gebleken dat de man aanzienlijke netto huurinkomsten heeft genoten, waarvan geen verificatoire bescheiden zijn overgelegd. Hiermee heeft de man de stellingen van de vrouw aangaande de welstand tijdens het huwelijk onvoldoende betwist. De rechtbank gaat daarom af op de stelling van de vrouw dat haar behoefte kan worden gesteld op € 10.000,- bruto per maand. De verzochte partneralimentatie van € 6.000,- bruto per maand kan, gelet op haar beperkte verdiencapaciteit, niet als uitstijgend boven haar (aanvullende) behoefte worden beschouwd. Onweersproken is immers dat de vrouw een beperkt arbeidsverleden heeft. Zij heeft gedurende het huwelijk in de onderneming van de man gewerkt.

Draagkracht van de man

2.20. De man erkent eerst thans, in 2012, dat zijn draagkracht (veel) hoger is dan aanvankelijk door hem betoogd. De vrouw verzoekt een partneralimentatie van € 6.000,- bruto per maand en volgens de meest recente draagkrachtberekening die zijdens de man is overgelegd is de man in staat een partneralimentatie betalen van € 5.799,- per maand. De man baseert dit op een inkomen in box I van € 99.703,- bruto per jaar en een inkomen in box III van € 64.873,-. In zijn draagkrachtberekening heeft de man echter verzuimd zijn inkomen uit box II (inkomen uit aanmerkelijk belang) op te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte, omdat uit de aangiftes IB blijkt dat de man in de afgelopen jaren steeds een inkomen uit aanmerkelijk belang heeft genoten. In 2008 bedroeg dit € 60.000,-, in 2009

€ 112.500,- en in 2010 € 495.000,-. Ter zitting heeft de man voorts desgevraagd bevestigd ook in 2011 een dergelijk inkomen te hebben ontvangen in de omvang van de daaraan voorafgaande jaren. Vastgesteld kan worden dat dit inkomen over de jaren 2008-2010 gemiddeld € 222.500,- per jaar was, terwijl gesteld noch gebleken is dat de prognoses, en de daaruit voortvloeiende vrije geldstromen zoals deze blijken uit tabel 17 van het deskundigenrapport voor de jaren na 2011 in negatieve zin moeten worden bijgesteld.

2.21. Op grond van het voorgaande is duidelijk dat een toename van het jaarinkomen van de man met een bedrag van gemiddeld € 225.000,- , of zelfs met een deel van dit bedrag, zijn draagkracht van (gesteld) € 5.799,- per maand doet stijgen tot ver boven de verzochte € 6.000,- bruto per maand, ook indien rekening wordt gehouden met een vastgestelde kinderalimentatie van € 750,- per maand.

Nu de verzochte partneralimentatie niet uitstijgt boven de behoefte van de vrouw en evenmin boven de draagkracht van de man, zal deze worden vastgesteld op € 6.000,- bruto per maand.

2.22. De vrouw verzoekt de ingangsdatum van de partneralimentatie te bepalen op 1 november 2006. Dit verzoek zal worden toegewezen.Verwezen wordt naar hetgeen te dien aanzien is overwogen bij de vaststelling van de kinderalimentatie.

2.23. Op de partneralimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing met ingang van 1 januari 2007.

2.24. De man is geen wettelijke rente verschuldigd over de thans toe te kennen partneralimentatie nu deze eerst bij deze beschikking wordt vastgesteld en de man deswege niet in verzuim is.

2.25. Hetgeen de man reeds aan partneralimentatie heeft betaald aan de vrouw strekt in mindering op hetgeen hem thans wordt opgelegd.

2.26. Een beslissing over de betaling van de reeds verschenen termijnen is niet nodig, omdat de betalingsplicht voor deze termijnen besloten ligt in de beslissing om de alimentatie met terugwerkende kracht op te leggen.

de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden/ verdeling van de eenvoudige gemeenschap/ vaststelling verrekeningsvordering

2.27 Partijen zijn gehuwd geweest op huwelijksvoorwaarden onder meer inhoudende:

- uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen;

- een overwaarde van een onroerend goed dat bestemd is voor gemeenschappelijke bewoning zal bij helfte verrekend worden na echtscheiding, ongeacht op wiens of wier naam dit goed staat;

- overgespaarde netto-inkomsten uit arbeid worden bij helfte verrekend (zogenaamd Amsterdams Verrekenbeding). Volgens de huwelijksvoorwaarden valt onder zodanige overgespaarde inkomsten ook winst uit onderneming, te berekenen door het belastbaar inkomen voor de heffing van de inkomstenbelasting te verminderen met de daarover betaalde inkomstenbelasting (artikel 10 lid 5).

Daarnaast bestaat tussen partijen een eenvoudige gemeenschap bestaat, van de voormalig echtelijke woning en van het woon-/ winkelpand [woon/winkelpand].

2.28. De rechtbank heeft reeds geoordeeld dat peildatum voor de bepaling van hetgeen verrekend dient te worden is: de datum van indiening van het verzoekschrift, zijnde 8 februari 2005.

2.29. De man heeft (uiteindelijk) aangevoerd dat hij krachtens het verrekenbeding aan de vrouw verschuldigd is een bedrag van € 70.008,-. Het te verrekenen vermogen stelt de man daarbij vast op € 140.016,-.

2.30. De vrouw heeft (uiteindelijk) gesteld dat haar verrekenvordering op grond van het niet uitgevoerde periodieke verrekenbeding € 1.309.902,- + p.m. bedraagt.

Ten aanzien van de onderneming van de man, [bedrijfsnaam vd man]

2.31. Tussen partijen is in geschil de wijze waarop de ten name van de man staande onderneming in de afwikkeling van de door partijen overeengekomen huwelijksvoorwaarden moet worden betrokken.

De eenmanszaak [eenmanszaak X] is ten huwelijk aangebracht door de man. Deze zaak is zeven jaar later, in 1989, door de man ingebracht in [bedrijfsnaam vd man]

De vrouw stelt dat geen van partijen bij aanvang van het huwelijk enig vermogen bezat en dat partijen gezamenlijk, pas net voor het huwelijk, de bakkerij-onderneming zijn gestart. De vrouw verbindt hieraan de conclusie dat aan haar de helft van de waarde van de aandelen in het kapitaal van [bedrijfsnaam vd man] toekomt.

2.32. De stellingen van de vrouw kunnen niet leiden tot het oordeel dat van de huwelijksvoorwaarden dient te worden afgeweken in die zin dat de – inmiddels in een besloten vennootschap ingebrachte – eenmanszaak niet behoort tot het door de man aangebrachte voorhuwelijks vermogen. Immers, de eenmanszaak is bij oprichting niet gefinancierd met overgespaarde inkomsten genoten tijdens het huwelijk. De stelling van de vrouw dat beide partijen voor het huwelijk geen vermogen bezat, mist feitelijke grondslag.

Voor zover de vrouw betoogt dat partijen niet de bedoeling hebben gehad die zaak bij het aangaan van de huwelijksvoorwaarden aan te merken als ten huwelijk aangebracht vermogen van de man, kan zij daarin niet worden gevolgd. Door haar zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die haar stelling onderbouwen, terwijl het korte tijdsverloop van slechts enkele maanden tussen de start van de zaak en het aangaan van de huwelijksvoorwaarden juist doet veronderstellen dat partijen welbewust de net opgestarte zaak als vermogensbestanddeel van de man hebben aangemerkt en slechts de winst uit die zaak hebben willen verrekenen.

2.33. De man stelt dat “winst uit onderneming,” voor zover overgespaard, wel onder het verrekenbedingsbeding valt, maar dat daarvan geen sprake is. Volgens de man is sprake van “niet-uitgekeerde ondernemingswinsten,” die niet verrekend hoeven te worden. De man wijst er daarbij op dat volgens de huwelijksvoorwaarden slechts de netto overgespaarde inkomsten verrekend moeten worden, en dat zijn per definitie slechts inkomsten waarop het regime van de Wet op de Inkomstenbelasting is toegepast. Daarvan is volgens de man nog geen sprake zolang de winst niet door de besloten vennootschap is uitgekeerd.

2.34. Partijen verschillen van mening over de uitleg van het begrip inkomen in de huwelijkse voorwaarden, meer in het bijzonder is aan de orde wat moet worden verstaan onder “netto inkomsten uit arbeid” genoemd in artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden en meer specifiek of daaronder ook niet uitgekeerde ondernemingswinsten vallen. Die vraag moet worden beantwoord niet alleen aan de hand van de bewoordingen van de huwelijksvoorwaarden, maar ook aan de hand van de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten. Hierbij spelen de redelijkheid en billijkheid een rol.

2.35. De rechtbank volgt in haar oordeel dienaangaande het standpunt van de vrouw. In dit oordeel betrekt de rechtbank het volgende.

Volgens artikel 10 lid 1 van de huwelijksvoorwaarden valt onder het te verrekenen overgespaarde inkomen: netto inkomen uit arbeid. Artikel 10 lid 5 van de huwelijksvoorwaarden bepaalt dat daar ook onder valt: winst uit onderneming.

De vrouw verklaarde ter zitting desgevraagd dat partijen de bedoeling hadden de vermogensvooruitgang die zij door beider inzet en arbeid zouden behalen, met elkaar te delen.

De man verklaarde ter zitting dat het doel van omzetting van zijn onderneming (slechts) was: risicobeperking en een gunstiger fiscaal regime. Het doel was dus niet: de vrouw beperken in het recht op verrekening zoals dat al met haar was overeengekomen in de huwelijksvoorwaarden.

De onderneming van de man was bij aanvang van het huwelijk een eenmanszaak. Dit impliceert dat destijds alle winst viel aan te merken als “winst uit onderneming”. De onderneming is later door de man ingebracht in een besloten vennootschap. Dat had de fiscale consequentie dat de winst in deze vennootschap niet meer automatisch onder het regime van de Wet op de Inkomstenbelasting viel, maar pas nadat de winst door de vennootschap zou worden uitgekeerd. Niet-uitgekeerde winsten werden bruto winsten, waar voorheen steeds sprake was van netto winsten. De wijziging van de rechtsvorm van de onderneming is echter niet relevant voor de strekking van het in de huwelijksvoorwaarden opgenomen verrekenbeding. De vrouw behoefde immers redelijkerwijs niet te verwachten dat een wijziging van de rechtsvorm van de onderneming ten name van de man, consequenties zou hebben voor de afgesproken verrekening. Een ander oordeel zou betekenen dat de man (eenzijdig) door wijziging van de ondernemingsvorm zich zou kunnen onttrekken aan de bij huwelijksvoorwaarden overeengekomen verplichting tot verrekening van de winst uit onderneming. In verband met de aard van het beding en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid die de onderlinge rechtsverhouding van partijen beheerst, is deze consequentie niet aanvaardbaar.

2.36. Niet in geschil is dat de man in overwegende mate bij machte is (geweest) om te bepalen dat de winsten hem rechtstreeks ten goede komen. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:141 leden 3 en 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dient bij de vaststelling van de verrekenplicht uitgegaan te worden van de niet uitgekeerde winsten uit de onderneming voor zover in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd.

De door de rechtbank benoemde deskundige heeft ten aanzien van de niet uitgekeerde winsten gerapporteerd dat aan dividend kan worden uitgekeerd € 750.000,- netto

(€ 1.000.000,- bruto minus 25 % belasting uit aanmerkelijk belang). Dan resteert volgens de deskundige een solvabiliteit van 25 %, hetgeen volgens de deskundige de minimaal vereiste solvabiliteit van de onderneming is. De rechtbank neemt deze bevinding over en maakt ze tot de hare. Namens de man is ter zitting nog gesteld dat een solvabiliteit van 35 % beter zou zijn voor zijn onderneming, maar de rechtbank hecht meer waarde aan de verklaring van de onafhankelijke deskundige dan aan die van de man, temeer nu deze stelling van de man niet nader is onderbouwd. Een valide reden om een percentage van 25 % niet in overeenstemming te achten met de beginselen van goed koopmanschap is gesteld noch gebleken.

Ten aanzien van de niet uitgekeerde winsten dient de man de vrouw derhalve een bedrag uit te keren van € 375.000,-.

2.37. Volgens de deskundige kan vanwege de inbreng van de onderneming in de besloten vennootschap het geplaatste kapitaal ad € 18.249,- per peildatum worden beschouwd als overgespaard inkomen, zij het eerst na aftrek van de kapitaalrekening ad

€ 5.134,- bij aanvang van het huwelijk. Het overgespaarde inkomen bedraagt dan € 13.115,- (netto). Partijen weerspreken deze bevinding niet, zodat daar van zal worden uitgaan.

Ten aanzien van de deelname van de man in de scheeps-CV (commanditaire vennootschap)

2.38. De vrouw heeft gesteld dat tot het te verrekenen vermogen behoort de waarde van de deelname van de man in een scheeps-CV. Van het bestaan hiervan blijkt uit het fiscaal rapport 2003 van de man en uit de rekening-courant van [bedrijfsnaam man] per 1998. Op basis van de financiële gegevens kan volgens de vrouw de waarde per 17 december 2005 worden gesteld op € 23.625,-.

De man heeft ter terechtzitting meegedeeld dat de scheeps-CV voor de peildatum is geliquideerd, maar dat de uitkering pas is gevolgd na de peildatum.

De mededelingen van de man kunnen niet worden beschouwd als een weerlegging van het bewijsvermoeden dat voortvloeit uit het bepaalde in artikel 1:141 derde lid BW, zodat het vorderingsrecht van de man, zoals dit bestond op de peildatum, in de verrekening dient te worden betrokken.

Omdat de man – ondanks herhaalde verzoeken daartoe van de vrouw – geen nadere gegevens heeft verstrekt ten aanzien van de waarde van de scheeps-CV, zal worden uitgegaan van het door de vrouw genoemde bedrag van € 23.625,- nu de man dit onvoldoende heeft weersproken.

Ten aanzien van de onroerende zaak aan de [adres woon/winkelpand]

2.39. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat de waarde van het (in 2006 verkochte) woon-/ winkelpand [adres woon/winkelpand] tot het te verrekenen vermogen behoort. Het pand (althans: het recht van erfpacht) is niet aangeschaft met overgespaarde inkomsten, maar is blijkens de Staat van Aanbrengsten, aangehecht aan de huwelijksvoorwaarden, door de man ten huwelijk aangebracht terwijl evenmin is gebleken dat tijdens het huwelijk overgespaard inkomen is aangewend ten behoeve van deze onroerende zaak. Ook is geen sprake van een onroerend goed dat bestemd is voor gemeenschappelijke bewoning ex artikel 2 lid 1 van de huwelijksvoorwaarden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man weerlegd het bewijsvermoeden zoals volgt uit het bepaalde in artikel 1:141 derde lid BW.

Ten aanzien van de polissen Nationale Nederlanden en de polis Reaal Verzekeringen

2.40. Ter terechtzitting heeft de man onweersproken gesteld dat de polis, afgesloten bij Reaal Verzekeringen, een risicoverzekering betreft die geen waarde vertegenwoordigt en inmiddels is beëindigd. Deze polis zal derhalve niet in de verrekening worden betrokken.

Tussen partijen is voorts niet in geschil dat de overige polissen, afgesloten door de man bij Nationale Nederlanden onder de nummers 8520285, 8934219 en 03631680, zijn aangeschaft met aanwending van overgespaard inkomen. Zij dienen daarom te worden aangemerkt als te verrekenen vermogen.

2.41. In het deskundigenrapport is de waarde van deze polissen opgenomen als een p.m.-post. De deskundige heeft ter terechtzitting toegelicht dat de man hem – ondanks een verzoek daar toe – geen inzage heeft gegeven in de waarde van deze polissen. De vrouw heeft gesteld dat de man evenmin op haar herhaalde verzoek om inzage in de polissen, is ingegaan.

Zij verzoekt de rechtbank:

- te verklaren voor recht dat de vrouw gerechtigd is tot de helft van de waarden van alle polissen die de man heeft afgesloten bij Nationale Nederlanden;

- de man te veroordelen om aan de vrouw uiterlijk drie dagen na de datum van de beschikking, gedocumenteerd opgave te doen van de waarden per 8 februari 2005 van de desbetreffende polissen;

- een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat de man daarmee in gebreke blijft;

- de man te veroordelen om aan de vrouw vervolgens de helft van die waarden te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2005.

Ter terechtzitting heeft de man geen enkele verklaring gegeven waarom hij de vrouw, de door de rechtbank benoemde deskundige en de rechtbank niet van de voor het vaststellen van de verrekenvordering benodigde informatie heeft voorzien. In deze proceshouding van de man en voorts in aanmerking nemende het grote tijdsverloop sinds het uiteengaan van partijen in relatie tot de duur van de procedure, wordt aanleiding gezien de verzoeken van de vrouw, die overigens ook niet zijn weersproken door de man, toe te wijzen met dien verstande dat de termijn waarop de man aan de veroordeling zal dienen te voldoen zal worden gesteld op één maand en de dwangsom tot een maximum zal worden beperkt.

Ten aanzien van de bankrekening Rabobank 1602.42.495

2.42. Het saldo van deze rekening, die op naam staat van de vrouw, bedraagt op de peildatum € 79.259,-, zo blijkt uit de bevindingen van de deskundige die worden erkend door de vrouw. De vrouw stelt echter dat hierin begrepen is een bedrag van

€ 77.688,-, afkomstig van een bankrekening van de besloten vennootschap [naam vennootschap] B.V., en dat dit bedrag net ná de peildatum, op 22 maart 2005, weer aan deze vennootschap is terugbetaald. Het betrof bedrijfsvermogen dat tijdelijk was “gestald “ op de rekening van de vrouw.

Ter zitting erkende de man de juistheid van de stellingname van de vrouw. Dit betekent dat het saldo op deze rekening daalt met € 77.688,-. Het saldo van de desbetreffende rekening zal derhalve in de verrekening worden betrokken voor een bedrag van € 1.571,-.

2.43. De vrouw stelt overigens nog een vorderingsrecht op de besloten vennootschap [naam vennootschap] B.V. te hebben voor dit bedrag van € 77.688,-. Zij stelt dat dit bedrag verband hield met een onttrekking van de man in 2004 van een bedrag van

€ 155.376,- aan de privé-rekening onder gelijktijdige overmaking van dit bedrag naar één van de rekeningen van [naam vennootschap] B.V. Volgens de vrouw bestond er op de peildatum een vorderingsrecht van partijen op deze vennootschap van € 155.376,- waarvan de helft, € 77.688,- aan de vrouw toekomt.

De stelling en de gevolgtrekking van de vrouw kunnen zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden gevolgd. Met betrekking tot dit bedrag op haar bankrekening stelde zij immers nog dat het bedrag bedrijfsvermogen betrof dat tijdelijk op haar rekening stond en juist niet als overgespaard inkomen moest worden verrekend. Nu ook de deskundige bij het onderzoek naar de omvang van het te verrekenen vermogen niet op dit vorderingsrecht is gestuit, wordt deze vermeende vordering niet in aanmerking genomen bij de bepaling van het te verrekenen vermogen.

Ten aanzien van de inboedel

2.44. Vastgesteld wordt dat partijen – ook niet toen daarnaar is gevraagd op de terechtzitting – op geen enkele wijze inzicht hebben gegeven hebben in samenstelling, aanschafwaarde of ouderdom van de inboedel. Partijen hebben pas voor het eerst een standpunt ingenomen ten aanzien van de inboedel ten overstaan van de deskundige. De man verklaarde slechts dat de woning van partijen groot was (met 4 slaapkamers) en dat er dus veel inboedel in stond. De vrouw verklaarde dat zij een deel van de inboedel inmiddels al had verkocht omdat zij na verhuizing kleiner moest gaan wonen. Taxatie van de inboedel is derhalve niet (goed) mogelijk meer.

De huwelijksvoorwaarden bepalen dat de inboedel geacht wordt gemeenschappelijk eigendom te zijn, tenzij een partij kan bewijzen dat enig goed aan hem/ haar in eigendom toebehoort (artikel 3 lid 3). Partijen stellen niet dat enig inboedelgoed privé-eigendom is. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de gehele inboedel gemeenschappelijk eigendom is. Als zodanig zijn partijen deelgenoten en hebben zij recht op de helft van de (waarde van de) gemeenschap.

Indien de deelgenoten in een gemeenschap geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken kan de rechter de verdeling daarvan op de voet van artikel 3:185 eerste lid BW vaststellen. Daarbij dient, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te worden gehouden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en hij behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren. (HR 17 april 1998, NJ 1999, 550).

De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat de inboedel € 5.000,- waard is. Dit valt niet te rijmen met haar standpunt dat haar een hoge partneralimentatie toekomt omdat partijen tijdens het huwelijk in een ruime mate van welstand leefden.

De rechtbank begroot de waarde van de inboedel in billijkheid op € 10.000,-, inclusief tuigage voor de paarden. Daarbij wordt in acht genomen dat de peildatum voor de waarde het moment van (feitelijke) verdeling is.

De rechtbank zal de inboedel in zijn geheel toedelen aan de vrouw, zoals zij verzoekt. De vrouw is de man € 5.000,- verschuldigd wegens overbedeling. Om proceseconomische redenen zal dit bedrag in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de verrekenvordering.

Ten aanzien van de rekening-courant [bedrijfsnaam man]

2.45. Voor wat betreft de passiva is in geschil de rekening-courant schuld bij [bedrijfsnaam vd man]

Deze schuld wordt in het deskundigenrapport op de peildatum gesteld op € 127.804,-. De accountant van de man heeft aan de deskundige verklaard dat ten laste van de rekening-courant, het pand aan de [adres woon/winkelpand] aan de man is overgedragen vanuit [bedrijfsnaam man] voor een bedrag van € 81.818,-, nadat dit pand eerst, bij de omzetting van de eenmanszaak door de man, was ingebracht in de besloten vennootschap. De op dit pand rustende hypothecaire geldlening van f 130.000,- (€ 58.991,-) is afgelost door [bedrijfsnaam man] Voorts is door de man aangekocht een naastgelegen stuk grond voor een bedrag van € 111.176,-. Ook deze aankoop is volgens de accountant van de man gefinancierd vanuit [bedrijfsnaam man] De deskundige gaat ervan uit dat de man hiervoor in de rekening-courant is belast.

2.46. Eerder is vastgesteld dat het pand aan de [adres woon/winkelpand] niet tot het te verrekenen vermogen behoort nu het niet is gefinancierd met overgespaard inkomen. Hetzelfde geldt voor het later bijgekochte stuk grond waarvan de aankoopsom ten laste van de rekening-courant in gebracht.

Als gevolg van deze mutaties dient de rekening-courant schuld niet te worden verminderd met € 170.167,- (€ 58.991,- + € 111.176,-) zoals de man stelt in zijn brief van 26 januari 2012, maar met een bedrag van € 192.994,- (€ 81.818,- + € 111.176,-). De vrouw heeft niet betwist dat de rekening-courantschuld dient te worden verlaagd met de financiering voor deze onroerende zaken zodat de rechtbank de rekening-courant schuld zal verlagen met het totaalbedrag waarvoor de rekening-courant ten behoeve van de verwerving in privé door de man is belast. Het gevolg hiervan is dat in het kader van de vaststelling van het te verrekenen vermogen, de rekening-courant schuld geacht moet worden teniet te zijn gegaan.

2.47. Met de correctie van de rekening-courant schuld in bovengenoemde zin is eveneens het negatieve vermogen bij aanvang van het huwelijk (fl. 115.000,-) in aanmerking genomen bij de berekening van het te verrekenen vermogen.

2.48. De man stelt voorts dat de vrouw hem € 77.873,10 moet vergoeden. Partijen zijn buiten gemeenschap van goederen gehuwd en zij hebben in gemeenschappelijke eigendom verworven de voormalig echtelijke woning en het woon-/winkelpand [adres woon/winkelpand]. Kosten als hypotheeklasten, zakelijke lasten (OZB) en schulden zijn betaald vanuit de besloten vennootschap en verrekend in rekening-courant. De man is het niet eens met de bevinding van de deskundige dat een vergoeding door de vrouw van dit bedrag aan de man zou leiden tot een dubbeltelling. De vrouw heeft zich verzet tegen deze vordering van de man.

2.49. Voor vergoedingsrechten zoals de man stelt, is geen plaats bij de vaststelling van het te verrekenen vermogen bij een niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:141 eerste lid BW strekt de verplichting tot verrekening zich uit over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan. Dit heeft tot gevolg dat indien de man de door hem gestelde uitgaven, niet zijnde kosten van de huishouding, uit zijn inkomen heeft voldaan, deze geacht worden te zijn gedaan uit middelen die vallen onder het regiem van het verrekenbeding. De vordering van de man zou in dat geval wegvallen tegen de verrekenvordering van de vrouw. Indien deze uitgaven daarentegen zijn voldaan vanuit de rekening-courant verhouding betreft de vordering van de man een schuld aan zijn vennootschap die dient te worden afgetrokken van zijn vermogen dat onder het verrekenbeding valt, zodat zijn te verrekenen vermogen wordt verminderd. In dat geval wordt zijn vordering op de vrouw gecompenseerd door een lagere verrekenvordering van de vrouw op de man. Zoals hierboven is overwogen zal de gehele rekening-courant schuld in mindering worden gebracht op het te verrekenen vermogen. Hiermee is de man geheel gecompenseerd voor zijn vordering op de vrouw. Dat deze schuld feitelijk door een correctie in verband met de financiering van het pand en het bijgekochte perceel grond geen passief meer vormt, doet aan het bovenstaande niet af. De bevindingen van de deskundige dat het aannemen van een vergoedingsrecht van de man op de vrouw zou leiden tot een dubbeltelling is een juiste gevolgtrekking.

De vordering van de man zal worden afgewezen.

De vordering van de man voor zover deze betrekking heeft op kosten van de gemeenschappelijke onroerende zaken, over de periode na de peildatum, 8 februari 2005, die zijn voldaan door de besloten vennootschap en waarvoor de man in rekening courant is belast, wijst de rechtbank eveneens af nu (dit deel van) de vordering onvoldoende is gespecificeerd en onderbouwd.

Ten aanzien van de niet in geschil zijnde bezittingen en schulden

2.50 De navolgende activa en passiva zijn niet in geschil en worden, zoals partijen voorstaan, voor de vermelde waarden in de verrekening opgenomen dan wel, in het geval van gezamenlijke eigendom, worden ze aan één van partijen toegedeeld, onder verrekening van de helft van de waarde.

Bezittingen

- de op naam van beide partijen staande voormalig echtelijke woning aan de [adres voormalige ew] zal voor een bedrag van € 640.000,- worden toegedeeld aan de man;

- het op naam van beide partijen staande woon-/ winkelpand aan de [adres woon/winkelpand], zal voor een bedrag van € 145.000,- worden toegedeeld aan de man;

- het perceel grond gelegen aan de [stuk grond], eigendom van de man, zal voor een bedrag van € 168.000,- worden betrokken in de verrekening;

- het pand, eigendom van de man, aan de [adres pand] zal voor een bedrag van € 330.000,- worden betrokken in de verrekening;

- de woning en manege aan de [adres woning+manege], eigendom van de man, zal voor een bedrag van € 970.000,- in de verrekening worden betrokken;

- het stamrecht van de man bij [bedrijfsnaam vd man] van

€ 94.693,- en de lijfrente bij deze vennootschap van € 71.479,- ;

- de op naam van de man staande bankrekening ING 66.29.51.476 voor een bedrag van

€ 16.351,-;

- de op naam van de man staande bankrekening ABN AMRO 61.54.54.232 voor een bedrag van € 7.172,-;

- de op naam van de man staande bankrekening Postbank 8184174, voor een bedrag van

€ 31,-;

- de teruggaaf Inkomstenbelasting 2004 ten name van de vrouw voor een bedrag van

€ 4.770,-;

- teruggaaf Inkomstenbelasting 2004 ten name van man voor een bedrag van € 12.674,-;

Schulden

- hypothecaire lening ABN AMRO 55.92.45.564 van € 544.536,- op naam van de man;

- middellange lening 47.08.10.424 van € 37.028,- op naam van de man;

- middellange lening 42.58.60.744 van € 757.045,- op naam van de man;

- rekening courant ABN AMRO 52.11.89.772, van € 2.928,- op naam van beide partijen, zal worden toegerekend aan de man;

- lening besloten vennootschap [bedrijfsnaam man] van € 450.000,- op naam van de man;

- latente belastingverplichting van de man met betrekking tot het stamrecht/de lijfrente van

€ 86.409,- .

2.51. Tussen partijen is niet in geschil dat voorts voor een bedrag van € 19.256,- belastingteruggaven in de verrekening moeten worden betrokken. Nu niet gebleken is aan wie de desbetreffende teruggaven zijn geschied, zal de rechtbank partijen gelasten de helft van de door ieder van hen ontvangen waarde met de ander te verrekenen.

2.52. Partijen zijn ter terechtzitting overeengekomen dat de drie kapitaalverzekeringen die de man via de besloten vennootschap [naam vennootschap] in 1998 heeft afgesloten voor de kinderen, met een looptijd van 20 jaar en die elk een waarde van € 45.000,- vertegenwoordigen, buiten de verrekening zullen worden gelaten. De vrouw meent te weten dat de kinderen zowel verzekeringnemer als begunstigde zijn. De man heeft ter terechtzitting toegezegd met de desbetreffende banken en met [bedrijfsnaam vd man] te zullen vastleggen dat de uitkeringen daadwerkelijk aan de kinderen ten goede zullen komen.

Gelet op deze overeenstemming zal de rechtbank ten aanzien van deze activa geen beslissing nemen.

Overige beslispunten ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogen

2.53. De rechtbank heeft aan de hand van een – uitgebreide – lijst de geschilpunten met partijen ter zitting doorgenomen en heeft hen daarbij, om en om, daarover het woord gegeven. Aan het eind van de zitting is vervolgens aan partijen gevraagd of er nog andere onderdelen waren waarover nog beslist zou moeten worden dan wel of er nog andere punten waren die bespreking behoefden. Partijen hebben deze vraag ontkennend beantwoord.

Berekening vordering op grond van verrekening en verdeling

2.54. Het voorgaande leidt tot de navolgende vermogensopstelling van het te verrekenen vermogen en de te betalen vergoeding wegens toedeling en overbedeling aan de zijde van beide partijen:

De man De vrouw

- netto uitkeerbare winsten € 750.000,- - Rabobank 1602.42.495 € 1.571,-

- wegens inbreng onderneming € 13.115,- - inboedel € 10.000,-

- deelname scheeps-CV € 23.625,- - teruggaaf IB 2004 € 4.770,-

- polissen Nationale Nederlanden p.m. - ½ teruggaaf andere jaren € 9.628,-

- [adres voormalige e.w.] € 640.000,-

- [adres woon/winkelpand] € 145.000,-

- [stuk grond] € 168.000,-

- [adres pand] € 330.000,-

- [adres woning+manege] € 970.000,-

- stamrecht [naam vennootschap] € 94.693,-

- lijfrente [naam vennootschap] € 71.479,-

- ING 66.29.51.476 € 16.351,-

- ABN AMRO 61.54.54.232 € 7.172,-

- Postbank 81.84.174 € 31,-

- teruggaaf IB 2004 € 12.674,-

- ½ teruggaaf IB andere jaren € 9.628,-

___________ __________

Totaal bezittingen € 3.251.768,- € 25.969,-

- hypotheek 55.92.45.564 € 544.536,-

- lening 47.08.10.242 € 37.028,-

- lening 42.58.60.744 € 757.045,-

- rekening courant 52.11.89.772€ 2.928,-

- lening [bedrijfsnaam man] € 450.000,-

- belastinglatentie stamrecht en

lijfrente € 86.409,-

___________

Totaal schulden € 1.877.946,-

___________

Bezittingen minus schulden € 1.373.822,- € 25.969,-

2.55. Het saldo, ontstaan uit belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan, en de niet uitgekeerde winsten uit de onderneming van de man, voor zover in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd, kan gelet op bovenstaande opstelling worden gesteld op € 1.399.791 ( 1.373.822,- + 25.969,- ) exclusief de waarde van de levensverzekeringen afgesloten bij Nationale Nederlanden. In dit bedrag is voorts opgenomen de vergoedingen wegens overbedeling die de man aan de vrouw is verschuldigd wegens toedeling van zaken die partijen gezamenlijk in eigendom bezitten.

In het kader van de verrekening en verdeling heeft de vrouw een vordering op de man van

€ 673.926,50 (1.399.791 / 2 - 25.969,- ) te vermeerderen met de helft van de poliswaarden Nationale Nederlanden en de helft van de teruggaven IB, voor zover nog niet door haar ontvangen.

Voorschotten

2.56. De vrouw heeft ter terechtzitting erkend dat de man voorschotten heeft betaald aan haar, in totaal ten bedrage van € 279.731,21, inclusief de betaling door de man van het aandeel van de vrouw in het aanvullende voorschot van de deskundige. Dit voorschot in aanmerking nemend zal de man worden veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 394.195,24.

Wettelijke rente

2.57. De door de vrouw gevorderde wettelijke rente vanaf 8 februari 2005 zal worden toegewezen. Indien een partij een verrekeningsvordering heeft op de andere partij, dan is de andere partij daarover wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift (HR 2 december 2011, LJN: BU6591).

pensioenaanspraken

2.58 De vrouw verzoekt te verklaren voor recht dat de vrouw jegens de man recht heeft op standaardverevening van het tijdens huwelijk in eigen beheer bij [bedrijfsnaam vd man] opgebouwde ouderdomspensioen en op een premievrije omzetting van het tijdens huwelijk in eigen beheer bij deze vennootschap opgebouwde nabestaandenpensioen in een bijzonder nabestaandenpensioen. Voorts verzoekt de vrouw afstorting van een bedrag van € 33.775,50, onder een door de vrouw aan te wijzen levensverzekeringsmaatschappij, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2005, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat de man daarmee in gebreke blijft.

2.59. Zoals de deskundige heeft geconstateerd is op de balans van [bedrijfsnaam vd man] een pensioenvoorziening in eigen beheer gevormd ten behoeve van de directie van de vennootschap die moet worden aangemerkt als een pensioenregeling in de zin van de Wet Verevening pensioenrechten bij scheiding c.a. (hierna: Wet Verevening). De vrouw heeft derhalve van rechtswege recht op pensioenverevening.

De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij zowel de man, [bedrijfsnaam vd man] als Nationale Nederlanden in kennis heeft gesteld van de echtscheiding middels toezending van het modelformulier. De man heeft, zowel in zijn hoedanigheid van directeur van de vennootschap (uitvoeringsorgaan) als in persoon, nagelaten op verzoek van de vrouw gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van haar rechten. Nationale Nederlanden heeft de vrouw bericht dat de polissen van levensverzekering niet vallen onder het regiem van genoemde wet.

Ook ter terechtzitting kon de man desgevraagd geen inzicht geven in hetgeen hij aan pensioenaanspraken heeft opgebouwd noch waarom die niet verevend zouden moeten worden en/of premievrij omgezet zouden dienen te worden. Evenmin heeft de man weersproken dat de vrouw in het kader van pensioenverevening toekomt een bedrag van

€ 33.775,50, zijnde de helft van de waarde waarvoor het pensioen in eigen beheer op de peildatum op de balans stond van [bedrijfsnaam vd man]

Nu de man heeft nagelaten de vrouw te informeren, hetgeen hij wettelijk verplicht is op grond van het bepaalde in de artikel 3a vierde lid en artikel 9 van de Wet Verevening, zullen de verzoeken van de vrouw die voorts inhoudelijk niet weersproken zijn door de man, worden toegewezen als verzocht met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd.

2.60. De gevorderde wettelijke rente zal worden afgewezen omdat de verplichting tot afstorting thans wordt opgelegd en de man deswege niet in verzuim is.

proceskosten

2.61. De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen (ex-echtelieden) compenseren. Ieder der partijen zal daarom de helft van de kosten van de deskundigen hebben te dragen.

2.62. De kosten van de door de rechtbank benoemde makelaar zijn grotendeels al voldaan uit het depotbedrag en voor het meerdere is een bevelschrift uitgevaardigd. Hierover hoeft dus niet meer beslist te worden.

2.63. De kosten van de door de rechtbank benoemde accountant zullen eveneens bij helfte gedragen moeten worden. Over de redelijkheid van de hoogte van diens nota wordt niet in deze procedure beslist, maar in een separate uitspraak Begroting Schadeloosstelling (artikel 199 lid 1 Rv).

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van 1 november 2006 de vrouw ten behoeve van [kind X] een alimentatie dient te betalen van € 750,- (zevenhonderd en vijftig euro) per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

3.2. verstaat dat hierop in mindering strekt de alimentatie die de man heeft betaald aan de vrouw ten behoeve van [kind X] over deze periode;

3.3. bepaalt dat de man met ingang van 1 november 2006 ten behoeve van de vrouw een alimentatie dient te betalen van € 6.000,- (zesduizend euro) bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

3.4. verstaat dat hierop in mindering strekt al hetgeen de man ten titel van partneralimentatie heeft betaald aan de vrouw over deze periode;

3.5. verklaart voor recht dat de vrouw gerechtigd is tot de helft van de waarden van alle polissen die de man heeft afgesloten bij Nationale Nederlanden onder nummers

8520285, 8934219 en 03631680;

3.6. veroordeelt de man om aan de vrouw uiterlijk één maand na de datum van deze beschikking, gedocumenteerd opgave te doen van de waarden per 8 februari 2005 van de desbetreffende polissen bij Nationale Nederlanden, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat de man daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,-;

3.7. veroordeelt de man om aan de vrouw de helft van de afkoopwaarden van de polissen per peildatum afgesloten bij Nationale Nederlanden onder nummers 8520285, 8934219 en 03631680 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2005;

3.8. deelt de inboedelgoederen toe aan de vrouw;

3.9. bepaalt dat de navolgende onroerende zaken zullen worden toegedeeld aan de man:

- de woning aan de [adres voormalige ew];

- het woon-/ winkelpand aan de [adres woon/winkelpand];

een en ander onder de verplichting van de man, voor zover deze onroerende zaken zijn bezwaard met hypothecaire inschrijvingen, om zich ervoor in te spannen dat de vrouw deswege zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de voldoening van deze hypotheekschulden;

3.10. bepaalt dat de man de betaling van de rekening courant ABN AMRO 52.11.89.772, van € 2.928,- op naam van beide partijen, voor zijn rekening zal nemen onder de verplichting de vrouw te vrijwaren indien zij wordt aangesproken tot voldoening van deze schuld;

3.11. verklaart voor recht dat ieder der partijen gerechtigd is tot de helft van de belastingteruggaven, door partijen gewaardeerd op een bedrag van € 19.256,-, en gelast partijen de helft van de door ieder van hen ontvangen bedragen met de ander te verrekenen;

3.12. veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 394.195,24 (driehonderd vierennegentig duizend honderd vijfennegentig euro en vierentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 februari 2005;

3.13. verklaart voor recht dat de vrouw jegens de man recht heeft op verevening van het tijdens huwelijk in eigen beheer bij [bedrijfsnaam vd man] opgebouwde ouderdomspensioen en op een premievrije omzetting van het tijdens huwelijk in eigen beheer opgebouwde nabestaandenpensioen in een bijzonder nabestaandenpensioen;

3.14. veroordeelt de man om binnen een maand na de datum van deze beschikking af te zonderen en te storten onder een door de vrouw aan te wijzen levensverzekeringsmaatschappij een bedrag van € 33.775,50, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat de man hiermee in gebreke blijft, met een maximum van

€ 10.000,-;

3.15. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

3.16. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet toelaat;

3.17. wijst af het anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.M.J. Janssen, mr. F.F.A.J.M. Haerkens-Wouters en mr. V.L.M. Pabst-Thissen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 18 juli 2012.