Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BX2170

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
04-01-2012
Datum publicatie
20-07-2012
Zaaknummer
92354 / FA RK 11-7621 en 94246 / FA RK 11-8404
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie, nieuw dienstverband man geldt als uitgangspunt. Afwikkeling huwelijkse voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT Sector civielrecht

zaaknummer / rekestnummer: 92354 / FA RK 11-7621 en 94246 / FA RK 11-8404

beschikking van de meervoudige kamer van 4 januari 2012

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te Vuren,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. M. Oparyk gevestigd te Leerdam,

tegen

[verweerder],

wonende te Leerdam,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. S. Meeuwsen gevestigd te Gorinchem.

1. De verdere procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de tussenbeschikking van deze rechtbank d.d. 14 september 2011;

- de brief d.d. 19 oktober 2011, met bijlagen, van mr. Oparyk, ter griffie ingekomen op 20 oktober 2011;

- de brief d.d. 16 november 2011, met bijlagen, van mr. Oparyk, ter griffie ingekomen op 17 november 2011, tevens houdend aanvullende verzoeken;

- de brief d.d. 17 november 2011, met bijlagen, van mr. Meeuwsen, ter griffie ingekomen op 18 november 2011;

- de brief d.d. 21 november 2011, met bijlagen, van mr. Oparyk, ter griffie ingekomen op 22 november 2011.

1.2. De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 28 november 2011. Ter zitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

1.3. Bij tussenbeschikking van 14 september 2011 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken en de zaak aangehouden ten aanzien van het vaststellen van een gebruikersvergoeding, door de man te betalen (het in voornoemde beschikking als sub c. aangeduide verzoek); de partneralimentatie (het als sub d. aangeduide verzoek); de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (de sub a., sub b., sub e., sub g., sub h., sub i., sub A., sub B., sub C. genoemde verzoeken) en de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen, tevens vaststelling van de vergoeding wegens overbedeling (de sub f. en sub E. genoemde verzoeken).

1.4. In de brief van 16 november 2011 is namens de vrouw aanvullend verzocht:

- de man te veroordelen tot het betalen van de premie(achterstand) en de eventuele kosten die voortvloeien uit de wanbetaling door de man totdat de vrouw ontslagen is uit de hoofdelijke aansprakelijkheid aangaande de hypothecaire verplichting;

- te bepalen dat de Renault Megane aan haar wordt toegedeeld, met veroordeling van de man tot betaling van de door de vrouw gemaakte kosten betreffende de Renault Megane en de Suzuki Alto.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in haar tussenbeschikking van 14 september 2011. De echtscheidingsbeschikking is op 14 november 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2. Partneralimentatie

2.2.1. De vrouw heeft, na wijziging van haar verzoek, verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) vast te stellen van:

primair:

- € 388,75 per maand met ingang van 8 oktober 2010 tot 1 februari 2011;

- € 603,93 per maand, steeds bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 1 februari 2011;

subsidiair:

- € 153,35 per maand vanaf 1 februari 2011.

2.2.2. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangevoerd dat zij niet in staat is om volledig in haar levensonderhoud te voorzien. De vrouw stelt dat haar behoefte aan partneralimentatie € 635,60 netto per maand bedraagt.

2.2.3. De man heeft de behoefte van de vrouw aan de verzochte bijdrage bestreden en gesteld dat van de vrouw verwacht kan worden dat zij haar betaalde werkzaamheden uitbreidt, zodat zij geheel in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De man voert voorts aan dat de vrouw de door haar gestelde behoefte niet heeft onderbouwd en dat deze lager is, onder meer vanwege de omstandigheid dat de vrouw nauwelijks woonlasten heeft. Ten slotte voert de man aan dat hij onvoldoende draagkrachtig is om de verzochte alimentatie te voldoen.

Behoefte

2.2.4. Als meest verstrekkende verweer zal allereerst ingegaan worden op het standpunt van de man dat er geen sprake is van behoeftigheid zijdens de vrouw. De man heeft aangevoerd dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij door het verrichten van meer werkzaamheden volledig in haar eigen behoefte kan voorzien. De vrouw heeft daarop aangevoerd dat zij, gelet op haar medische beperkingen, thans niet in staat is om meer dan 24 uur per week werkzaamheden te verrichten.

2.2.5. Gelet op de huidige medische beperkingen van de vrouw, die nog medicatie gebruikt en onder regelmatige behandeling van een specialist is, kan op dit moment niet van haar worden gevergd dat zij haar werkzaamheden uitbreidt. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw in de toekomst niet meer verder zal herstellen, zodat van haar verlangd wordt dat zij op termijn haar werkzaamheden gaat uitbreiden teneinde volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

2.2.6. Uit de stellingen van partijen kan worden afgeleid dat zij beiden voor de berekening van de behoefte de zogenaamde “Hof”-norm - inhoudende dat de behoefte gelijkgesteld kan worden aan 60% van het netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk - als uitgangspunt nemen. Partijen verschillen over de hoogte van het netto gezinsinkomen.

2.2.7. Voor de bepaling van het netto gezinsinkomen wordt uitgegaan van het inkomen dat in 2010 door partijen is verdiend. Uit de jaaropgave 2010 van de man blijkt een bruto jaarinkomen van € 28.105,--. Rekening houdende met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting bedraagt de verschuldigde inkomensheffing € 6.766,--. Het netto besteedbaar inkomen van de man, waarop de door de werkgever ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage ZVW in mindering is gebracht, bedraagt € 19.488,--.

2.2.8. Uit de loonstrook van december 2010 volgt dat het bruto jaarinkomen van de vrouw in dat jaar € 22.887,41 bedroeg. Rekening houdende met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting bedraagt de verschuldigde inkomensheffing € 4.577,--. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw, waarop de door de werkgever ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage ZVW in mindering is gebracht, bedraagt € 16.803,--.

2.2.9. Het netto gezinsinkomen bedroeg in 2010 derhalve € 36.291,-- per jaar, oftewel € 3.024,-- per maand. De behoefte van de vrouw bedraagt 60% van dat bedrag, zijnde € 1.982,40 netto per maand. Rekening houdende met de heffingskortingen waarvoor de vrouw in aanmerking komt, bedraagt de bruto behoefte € 2.405,-- per maand. Op deze behoefte strekt het eigen inkomen van de vrouw nog in mindering. Uit de door haar in het geding gebrachte salarisspecificaties van de maanden augustus, september en oktober 2011, blijkt dat haar inkomen vrijwel gelijk is aan haar inkomen in 2010. Derhalve wordt uitgegaan van een bruto maandinkomen van € 1.907,--. De resterende behoefte kan dan worden berekend op € 498,-- bruto per maand.

2.2.10. Dat de woonlasten van de vrouw momenteel beperkt zijn omdat zij bij haar ouders woont en aan hen daarvoor maandelijks een vergoeding van € 450,-- betaalt, leidt niet tot een lagere dan de hiervoor berekende behoefte. De huidige woonsituatie van de vrouw heeft naar haar aard een tijdelijk karakter. De welstand van partijen tijdens het huwelijk in aanmerking genomen, moet er vanuit gegaan worden dat de vrouw binnen afzienbare tijd weer een zelfstandige woning zal bewonen, met de daarbij behorende woonlasten.

Draagkracht van de man

2.2.11. Uitgegaan wordt van de draagkrachtberekening die namens de man bij de brief van 17 november 2011 in het geding is gebracht. De rechtbank zal de bedragen afronden op hele euro's.

2.2.12. De man is momenteel werkloos en ontvangt een WW-uitkering. De draagkrachtberekening van de man is gebaseerd op 70% van het voor hem geldende dagloon. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van verwijtbare werkloosheid van de man, omdat de arbeidsovereenkomst van de man bij ASVZ is geëindigd wegens een dringende reden, die ook had kunnen leiden tot een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Daarom dient bij de bepaling van de draagkracht van de man volgens de vrouw worden uitgegaan van het inkomen dat de man verdiende tijdens zijn dienstverband bij ASVZ.

2.2.13. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken. De man heeft aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd wegens een verstoorde arbeidsrelatie. Deze stelling wordt ondersteund door de beëindigingsovereenkomst die door de man in het geding is gebracht. De vrouw heeft haar stelling, dat sprake is geweest van een dringende reden voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst, niet onderbouwd, zodat daaraan voorbij gegaan wordt. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van verwijtbaar, voor herstel vatbaar, inkomensverlies, zodat voor de bepaling van de draagkracht van de man wordt uitgegaan van zijn werkelijke inkomen.

2.2.14. Ter zitting heeft de man verklaard twee of drie sollicitaties per week te verrichten, en dat één van deze sollicitaties ertoe heeft geleid dat de man bij wijze van proef gedurende een dag werkzaamheden mag verrichten bij een gehandicapteninstelling. De man heeft daarbij aangegeven dat deze proefdag mogelijk resulteert in een dienstverband. Dit betekent dat er mogelijk op (zeer) korte termijn een wijziging optreedt in de inkomenssituatie van de man. Om proceseconomische redenen wordt de beslissing over de verzochte partneralimentatie daarom aangehouden. De man wordt in de gelegenheid gesteld om de rechtbank uiterlijk op 31 januari 2012 te informeren over het resultaat van zijn sollicitaties en zijn eventuele nieuwe dienstverband, zoveel mogelijk vergezeld van inkomensgegevens zoals salarisspecificaties en de arbeidsovereenkomst. Voor zover de man er (nog) niet in is geslaagd om een nieuwe baan te vinden, wordt de man verzocht om, ter bepaling van zijn draagkracht, uiterlijk op voornoemde datum een drietal recente uitkeringsspecificaties en de jaaropgaven 2011 in het geding te brengen.

2.2.15. De berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man wordt aangehouden tot de informatie, zoals hiervoor in r.o. 2.2.14. beschreven, van de man is ontvangen. Omdat ook voor de berekening van het draagkrachtloos inkomen van de man zijn actuele inkomen relevant is, onder andere ter bepaling van zijn recht op zorgtoeslag, wordt ook de beslissing ten aanzien van het draagkrachtloos inkomen aangehouden. Wel wordt reeds nu reeds overwogen dat voor de bepaling van het draagkrachtloos inkomen van de man slechts de helft van de woonlasten in aanmerking zullen worden genomen. De man heeft ter zitting verklaard dat een collega van hem met haar gezin bij hem in de woning woont en dat zij geregeld een financiële bijdrage levert door de boodschappen te betalen. Deze huisgenoot moet derhalve in staat geacht worden een bijdrage te leveren in de woonlasten, gelijk aan de helft van de netto hypothecaire rentelasten.

2.3. Gebruiksvergoeding echtelijke woning

2.3.1. De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 250,-- per maand, dan wel een ander in goede justitie te bepalen bedrag, vanaf 8 oktober 2010, danwel de datum van indiening van het echtscheidingsverzoekschrift, tot de dag waarop de (voormalig) echtelijke woning zal zijn verkocht en geleverd. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangevoerd dat zij de woning op 8 oktober 2010 heeft moeten verlaten, en dat zij sinds die datum niet meer de vrije toegang tot deze woning heeft. Volgens de vrouw vertegenwoordigt de woning een overwaarde van € 150.000,--. Aan de hand van deze overwaarde heeft de vrouw de door haar verzochte gebruiksvergoeding berekend.

2.3.2. De man heeft tegen het verzoek verweer gevoerd. De man stelt zich op het standpunt dat de woning geen overwaarde vertegenwoordigt, zodat er geen grond bestaat voor toewijzing van het verzoek van de vrouw.

2.3.3. Het verzoek van de vrouw vindt zijn grondslag in artikel 1:165 lid 1 BW voor de periode van zes maanden na de echtscheiding. Voor de periode voorafgaand aan de echtscheiding kan een wettelijke grondslag voor het verzoek van de vrouw worden gevonden in het bepaalde in artikel 3:169 BW.

2.3.4. Vast is komen te staan dat de vrouw sedert 8 oktober 2010 geen gebruik meer heeft kunnen maken van de woning, terwijl zij tot de eigendom daarvan voor de helft gerechtigd was. Weliswaar heeft het verzoek van de vrouw deels betrekking op de periode vóór de echtscheiding, en is er in onderhavige procedure in beginsel geen plaats voor toekenning van voorzieningen die betrekking hebben op de periode voorafgaand aan en tijdens de echtscheidingsprocedure, maar in de omstandigheid dat het verzoek van de vrouw in de voorlopige voorzieningenprocedure is afgewezen zonder inhoudelijke beoordeling, wordt aanleiding gezien om in onderhavige procedure tevens een oordeel te geven over de verschuldigdheid van een gebruiksvergoeding over de periode voorafgaand aan de echtscheiding.

2.3.5. De vrouw heeft haar verzoek gebaseerd op de omstandigheid dat de woning een overwaarde vertegenwoordigt van circa € 150.000,--. Tussen partijen is in confesso dat de waarde van de woning € 300.000,-- bedraagt. Dit bedrag is hoger dan de op de woning rustende hypothecaire lening. Echter, hierna zal worden overwogen dat de man in verband met een investering vanuit zijn privé vermogen nog een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap. De vrouw heeft in haar berekening van de overwaarde dit vergoedingsrecht ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Omdat, dit vergoedingsrecht mede in aanmerking genomen, niet gebleken is van een overwaarde en de vrouw geen andere omstandigheden aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd, ontbreekt een redelijke basis voor de verzochte gebruikersvergoeding. Het verzoek van de vrouw zal derhalve worden afgewezen.

2.4. Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

2.4.1. Partijen hebben beiden verzocht voorzieningen te treffen ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen. De huwelijkse voorwaarden bevatten de volgende, voor onderhavige procedure relevante, bedingen:

“(…)

Uitsluiting

Artikel 1

De echtgenoten sluiten elke gemeenschap van goederen uit.

(…)

Geschil met betrekking tot goederen

Artikel 3

Tussen de echtgenoten kan een geschil bestaan met betrekking tot de vraag aan wie van hen roerende zaken of rechten aan toonder toebehoren, die niet onder de werking van een bewijsovereenkomst vallen. Indien geen van hen zijn rechten op die goederen kan bewijzen, worden deze geacht aan ieder van de echtgenoten voor de helft toe te behoren.

Vergoedingsrechten

Artikel 4

Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot, indien een bedrag of waarde ten behoeve van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken. De vergoeding is gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de onttrekking en is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen die opeisbaarheid verzetten.

(…)

Kosten van de huishouding

Artikel 7

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden door de echtgenoten gedragen naar evenredigheid van ieders inkomen. Zijn de inkomens onvoldoende, dan worden de kosten gedragen naar evenredigheid van ieders vermogen. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

(…)

Aanbreng

Partijen verklaarden dat de gehele inboedel die wordt aangebracht toebehoort aan de comparante sub 2.” (Met comparante sub 2 wordt de vrouw bedoeld.)

(…)

2.4.2. Partijen, althans één van hen, hebben c.q. heeft de volgende geschilpunten ter zake van de afwikkeling van de tussen hen geldende huwelijkse voorwaarden genoemd:

a. eigendom van de diverse (inboedel)goederen en afgifte van administratieve bescheiden;

b. eigendom van de Renault Megane;

c. afgifte van en vergoedingsrecht betreffende de Suzuki Alto;

d. vergoedingsrecht woning aan de [woning].

a. eigendom van de diverse (inboedel)goederen en afgifte van administratieve bescheiden

2.4.3. Ter zitting hebben partijen verklaard in onderling overleg de tussen hen bestaande geschilpunten betreffende de eigendom van diverse (inboedel)goederen op te willen lossen. In verband daarmee wordt de zaak aangehouden tot 31 januari 2012.

b. eigendom van de Renault Megane

2.4.4. Tussen partijen is in geschil wie de eigenaar van de Renault Megane is. De man stelt zich op het standpunt dat de auto zijn eigendom is, omdat hij de auto heeft betaald en de onderhoudsfacturen op zijn naam staan. Het kentekenbewijs stond bovendien tot oktober 2010 op zijn naam. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de auto haar eigendom is, omdat zij de koopprijs van de auto heeft voldaan door de inruil van twee andere auto’s. Bovendien staan het kentekenbewijs en de verzekeringspolis op haar naam.

2.4.5. Voor goederen niet op naam heeft te gelden dat degene aan wie het goed geleverd is, eigenaar is. Tenaamstelling op het kentekenbewijs of de verzekeringspolis geeft derhalve geen uitsluitsel over de eigendom van het goed. Desgevraagd heeft de vrouw ter zitting verklaard dat zij destijds samen met de man de Renault Megane in ontvangst heeft genomen.

2.4.6. Uit de stellingen van partijen en de door hen overgelegde bescheiden kan niet worden afgeleid wie eigenaar van de Renault Megane is. Aangezien partijen op dit punt geen aanbod tot bewijslevering hebben gedaan, worden zij daartoe niet in de gelegenheid gesteld. Vastgesteld moet worden dat niet is komen vast te staan wie eigenaar van de auto is, zodat op grond van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden ieder voor de helft geacht wordt eigenaar te zijn.

2.4.7. Thans ligt voor op welke wijze de Renault Megane tussen partijen dient te worden verdeeld. De rechtbank acht zich op dit punt onvoldoende door partijen geïnformeerd om een beslissing te nemen. Partijen dienen op 31 januari 2012 de rechtbank te informeren over de door hen voorgestane wijze van verdeling, alsmede over de waarde van de Renault Megane. Partijen dienen zich voorts uit te laten over de verdeling van de kosten van de Renault Megane, zoals de verzekeringspremies en de wegenbelasting, welke door de vrouw zijn betaald.

c. afgifte van en vergoedingsrecht betreffende de Suzuki Alto

2.4.8. Tussen partijen is in confesso dat de Suzuki Alto eigendom van de man is. Het verzoek van de man tot afgifte van de Suzuki Alto met de bijbehorende autopapieren en autosleutels ligt derhalve voor toewijzing gereed. Voor toewijzing van de verzochte dwangsom wordt onvoldoende grond aanwezig geacht. Gesteld noch gebleken is dat er gegronde vrees bestaat dat de vrouw de aan haar opgelegde verplichting tot afgifte niet zal nakomen.

2.4.9. De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen tot vergoeding van de door haar betaalde onderhoudskosten en verzekeringspremies van de Suzuki Alto. Omdat zowel de betaalde verzekeringspremies als de onderhoudskosten, gelet op de hoogte van deze kosten, gedefinieerd kunnen worden als gebruikskosten en gemaakt zijn in de periode waarin de vrouw het daadwerkelijke gebruik van de auto heeft gehad, wordt het verzoek van de vrouw afgewezen.

d. vergoedingsrecht woning aan de [woning]

2.4.10. Primair heeft de vrouw verzocht haar vorderingsrechten met betrekking tot de opbrengst uit de woning vast te stellen en te bepalen dat de man het vastgestelde bedrag aan de vrouw dient te betalen binnen twee weken na de datum van de beschikking. Subsidiair heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man aan haar binnen twee weken na de datum van de beschikking de nominaal door haar geïnvesteerde bedragen, zijnde in totaal € 18.900,--, dient terug te betalen.

2.4.11. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft de vrouw aangevoerd dat zij voorafgaand aan en tijdens het huwelijk investeringen in de woning van de man heeft gedaan. Met de verkoop van de woning in 2006 is een overwaarde gerealiseerd. De vrouw maakt aanspraak op vergoeding van de door haar in de woning gerealiseerde bedragen, primair tegen een waarde waarbij rekening wordt gehouden met de gerealiseerde waardestijging van de onroerende zaak, subsidiair tegen de nominale waarde.

2.4.12. De man heeft tegen het verzoek van de vrouw verweer gevoerd. De man heeft weersproken dat er vanuit het privévermogen van de vrouw investeringen in zijn woning zijn gedaan. De betalingen waar de vrouw op doelt, betreffen haar bijdragen in de kosten van de huishouding. Dergelijke bijdragen kunnen niet worden aangemerkt als een investering en leiden derhalve niet tot een vergoedingsrecht, temeer niet omdat de hypothecaire lening die op de woning rustte, tijdens het huwelijk niet is afgelost. De man heeft daarbij aangevoerd dat de vrouw evenmin een bijdrage heeft geleverd aan de betaling van de premies van de aan de hypothecaire lening verbonden levensverzekering.

2.4.13. De door de vrouw overgelegde betalingsbewijzen vormen onvoldoende onderbouwing van haar stelling dat zij investeringen in de woning van de man heeft verricht. De vrouw heeft slechts aangetoond dat zij maandelijks een bedrag van € 500,-- overmaakte naar de gezamenlijke bankrekening van partijen. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de man lag het op de weg van de vrouw om haar stelling, dat sprake is geweest van investeringen in de onroerende zaak van de man omdat de maandelijkse bijdrage van de vrouw tevens voorzag in een bijdrage in de aflossing van de op de woning rustende hypothecaire lening, nader te onderbouwen. Dit heeft de vrouw nagelaten, zodat niet is komen vast te staan dat de vrouw vanuit haar privévermogen investeringen in de onroerende zaak van de man heeft gedaan, op grond waarvan zij thans gerechtigd zou zijn op een vergoeding door de man. Het verzoek van de vrouw zal derhalve worden afgewezen.

2.5. Verdeling van de eenvoudige gemeenschap

2.5.1. Tijdens het huwelijk hebben partijen samen een woning gekocht, gelegen aan de [echtelijke woning]. De koopprijs van deze woning bedroeg € 324.000,--. De koopprijs is deels gefinancierd uit de overwaarde van de eerste echtelijke woning, welke woning eigendom van de man was. Ten aanzien van de woning bestaat tussen partijen een (eenvoudige) gemeenschap. Daarnaast hebben partijen een gezamenlijke bankrekening.

Woning

2.5.2. De vrouw wenst te komen tot verdeling van de woning, door deze aan (een) derde(n) te verkopen en te leveren, waarna de opbrengst van de verkoop, na aftrek van de kosten, tussen partijen kan worden verdeeld, rekening houdende met de inbreng door de man. Daartoe verzoekt de vrouw gemachtigd te worden tot het te gelde maken van de woning, alsmede te bepalen dat de beschikking in de plaats komt van de voor de eigendomsoverdracht van de woning noodzakelijke toestemming c.q. wilsverklaring c.q. handtekening van de man. De vrouw voert daartoe aan dat de man zijn medewerking aan de door de vrouw gewenste verkoop van de woning heeft onthouden, terwijl niet verwacht kan worden dat de man de overname van haar deel van de woning kan financieren. Voorts wenst de vrouw dat de woning spoedig verkocht wordt, zodat zij ontslagen kan worden uit haar hoofdelijke verbondenheid jegens de hypothecaire geldleningsverstrekker.

2.5.3. Ten aanzien van de aan de woning verbonden lasten heeft de vrouw verzocht de man te veroordelen tot het betalen van de premie(achterstand) en de eventuele kosten die voortvloeien uit de wanbetaling door de man totdat de vrouw zal zijn ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid aangaande de hypothecaire verplichting.

2.5.4. Ten aanzien van de gezamenlijke woning stelt de man zich op het standpunt dat hij vanuit zijn privévermogen een bedrag van € 148.064,-- in de woning heeft geïnvesteerd. De man heeft verzocht de vrouw te veroordelen tot betaling van de helft van het verlies dat de man lijdt op zijn inbreng in de gezamenlijke woning, zowel bij toedeling van deze woning aan hem als bij verkoop van deze woning aan (een) derde(n).

2.5.5. Tussen partijen is in confesso dat de woning momenteel een waarde vertegenwoordigt van € 300.000,--.

2.5.6. Ter zitting heeft de man zijn wens kenbaar gemaakt om de woning volledig in eigendom te verwerven. Alleen indien de man erin slaagt een nieuw dienstverband te vinden, kan hij deze wens verwezenlijken. In verband daarmee heeft de man verzocht de zaak voor de duur van twee maanden aan te houden. De vrouw heeft met dit aanhoudingsverzoek ingestemd. Mocht de man de woning niet binnen deze termijn volledig in eigendom kunnen verwerven, dan zal getracht worden de woning aan (een) derde(n) te verkopen.

2.5.7. De man dient op 31 januari 2012 de rechtbank te informeren of hij erin geslaagd is de eigendom van de woning volledig te verwerven. Mocht de man daartoe geen mogelijkheid hebben, dan zal als wijze van verdeling worden bepaald dat de woning aan (een) derde(n) verkocht en geleverd dient te worden. In verband daarmee wordt ten aanzien van de verdeling van de netto-opbrengst reeds nu het volgende overwogen.

2.5.8. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 januari 1992 (NJ 1992, 651) geoordeeld dat tussen echtgenoten die bij hun huwelijkse voorwaarden elke gemeenschap hebben uitgesloten, vergoedingsrechten kunnen ontstaan doordat de goederen die gedurende het huwelijk op naam van de een zijn verkregen, geheel of gedeeltelijk met geld van de ander zich gefinancierd en dat zo een vergoedingsrecht in beginsel strekt tot terugbetaling van een gelijk bedrag als destijds ten laste van de ene echtgenoot voor de financiering van het goed op naam van de andere echtgenoot is gebezigd. Ook in een situatie als onderhavige - de echtgenoten verkrijgen gezamenlijk, ieder voor de helft, een woning, terwijl deze in overwegend mate door één van de echtgenoten is gefinancierd - kan er plaats zijn voor een vergoedingsrecht.

2.5.9. Na verkoop van de woning dient uit de netto opbrengst - na voldoening van de verkoopkosten en aflossing van de hypothecaire lening - derhalve (voor zover mogelijk) het bedrag te worden vergoed dat de man uit zijn privé vermogen ten behoeve van de verkrijging van dat goed heeft besteed, zijnde € 148.064,--.

2.5.10. Ten aanzien van het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen tot het betalen van de (achterstallige) premies levensverzekering en de kosten die voortvloeien uit wanbetaling, wordt als volgt overwogen. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangevoerd dat in de voorlopige voorzieningenprocedure een bedrag aan premie levensverzekering bij het draagkrachtloos inkomen van de man is betrokken, zodat op de man de verplichting rust om de verschuldige premies volledig te voldoen. De vrouw heeft echter nagelaten om verificatoire bescheiden, zoals een polisblad, in het geding te brengen. Derhalve kan niet vastgesteld worden of het in de voorlopige voorzieningenprocedure bij het draagkrachtloos inkomen van de man in aanmerking genomen bedrag de volledige verschuldigde premie betreft, of slechts een deel daarvan. Ook kan niet worden vastgesteld wie op grond van artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden, dat voorschrijft dat premies uitsluitend worden gedragen door de echtgenoot die deze krachtens de polis is verschuldigd, gehouden is om de verschuldigde premies van de levensverzekering te voldoen. Omdat niet is komen vast te staan dat de man gehouden is de volledige premie van de levensverzekering te voldoen, wordt het verzoek van de vrouw afgewezen.

Gezamenlijke bankrekening

2.5.11. In haar verzoekschrift heeft de vrouw melding gemaakt van een gezamenlijke bankrekening en een verzoek ingediend betreffende de opheffing van deze bankrekening. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw de debetstand op de rekening en een bedrag van € 3.200,-- aan hem dient te vergoeden.

2.5.12. Ter zitting heeft de vrouw haar verzoek betreffende de gezamenlijke bankrekening ingetrokken, zodat dit verzoek geen nadere bespreking behoeft.

2.5.13. De man heeft ter onderbouwing van zijn verzoek aangevoerd dat door toedoen van de vrouw een debetstand op de gezamenlijke rekening is ontstaan en dat de vrouw na het uiteengaan van partijen in totaal € 3.200,-- van de bankrekening heeft opgenomen. De vrouw heeft de stellingen van de man weersproken. De man heeft nagelaten zijn stellingen deugdelijk te onderbouwen, terwijl dit, gelet op de betwisting door de vrouw, op zijn weg lag. Derhalve is het door de man gestelde recht op vergoeding niet komen vast te staan en wordt het verzoek afgewezen.

2.6. Ten uitvoerlegging met behulp van sterke arm van justitie en politie

2.6.1. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de door haar verzochte beslissingen met betrekking tot de afgifte van goederen ten uitvoer te kunnen leggen met behulp van de sterke arm van justitie en politie. Conform het verzoek van partijen wordt de beslissing over dit verzoek aangehouden. Partijen mogen zich op 31 januari 2012 over dit punt nader uitlaten.

Resumé

2.7. De zaak wordt verwezen naar de schriftelijke rol familiezaken van 31 januari 2012 voor schriftelijk bericht van de man als hiervoor omschreven in r.o. 2.2.14, 2.4.3, 2.4.7, 2.5.7. e n 2.6.1. en voor schriftelijk bericht van de vrouw als hiervoor omschreven in r.o. 2.4.3., 2.4.7. en 2.6.1.

2.8. Alle overige beslissingen worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1. verwijst de zaak naar de schriftelijke rol familiezaken van 31 januari 2012 voor schriftelijk bericht van de man als hiervoor in r.o. 2.2.14., 2.4.3., 2.4.7., 2.5.7. en 2.6.1. omschreven en voor schriftelijk bericht van de vrouw als hiervoor in r.o. 2.4.3., 2.4.7. en 2.6.1. omschreven;

3.2. houdt alle overige beslissingen aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.F.A.J.M. Haerkens-Wouters, mr. E. Keijzerwaard en mr. K. Bakker en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 4 januari 2012.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.