Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BX1331

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
97295 / FA RK 12-7472
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Aanhouding verzoek (gedwongen) ontheffing voor nader onderzoek.

Onderbouwing verzoek is onvoldoende nu geen onderzoek is gedaan naar opvoedingscapaciteiten van de moeder en evenmin haar -verbeterde- thuissituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

Zaaknummer: 97295 / FA RK 12-7472

beschikking van de meervoudige familiekamer van 27 juni 2012

op verzoek van

Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Rijnmond, locatie Rotterdam,

gevestigd te (3012 EN) Rotterdam, Lijnbaan 109,

verzoeker,

hierna te noemen: de raad,

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige] (hierna: [minderjarige]),

geboren op [geboortedatum+plaats minderjarige],

verblijvende op een geheim adres.

Belanghebbenden zijn:

­ [moeder] (hierna: de moeder),

wonende [adres moeder],

advocaat mr. V.K.S. Deetman (Dordrecht),

­ [vader] (hierna: de vader),

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

­ William Schrikker Jeugdbescherming (hierna: de WSJ),

gevestigd te Diemen, Dalsteindreef 69.

1. Het procesverloop

1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

- het verzoekschrift van de raad, met onderzoeksrapport en andere bijlagen, ingekomen ter griffie op 13 maart 2012;

- de reactie van de moeder op het raadsrapport, verzonden door de raad, ingekomen ter griffie op 14 maart 2012;

- het verweerschrift van de vrouw, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 3 april 2012;

- het faxbericht van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op 3 april 2012;

- de openbare oproep in het dagblad “AD De Dordtenaar” van 21 april 2012;

- de brief van de advocaat van de vrouw, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 16 mei 2012.

1.2. De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzitting met gesloten deuren van 24 mei 2012.

1.3. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw T. Philippart;

- de WSJ, vertegenwoordigd door mevrouw E. Revet en de heer D. Kamer.

1.4. De vader is -ondanks dat hij daartoe behoorlijk is opgeroepen- niet verschenen.

2. De vaststaande feiten

Uit de overgelegde stukken is het navolgende gebleken.

2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2. [minderjarige] is met ingang van 28 juli 2009 onder toezicht gesteld van het BJZ Stadsregio Rotterdam. De uitvoering van de ondertoezichtstelling is opgedragen aan de WSJ. De termijn van de ondertoezichtstelling is sindsdien steeds verlengd, laatstelijk tot 28 juli 2012.

2.3. [minderjarige] is vanaf 30 december 2009 uit huis geplaatst in een crisispleeggezin. Zij verblijft sinds maart 2010 in een gezinswoonvorm van stichting Zonnehuizen. De machtiging tot uithuisplaatsing hiertoe is laatstelijk verlengd tot 28 juli 2012.

3. Het verzoek

3.1. De raad verzoekt de moeder primair te ontheffen, subsidiair gedwongen te ontheffen, van het ouderlijk gezag over [minderjarige]. De raad verzoekt voorts het Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam te belasten met de voogdij over [minderjarige] en daarbij de uitvoering van de maatregel op te dragen aan de WSJ.

3.2. Ter onderbouwing van het verzoek stelt de raad dat de moeder ongeschikt en onmachtig is om de plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. Gedurende de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing is de relatie tussen de moeder en [minderjarige] niet verbeterd. Het opstellen en coördineren van de bezoekregeling is het hoogst haalbare gebleken. De raad concludeert naar aanleiding van haar onderzoek dat de moeder, althans tegenover de raadsonderzoeker, de problematiek van [minderjarige] ontkent. De moeder lijkt geen verantwoording te nemen voor de oorspronkelijke zorgen in de opvoedingssituatie waarin [minderjarige] heeft verbleven en zij heeft geen inzicht in de gedragsproblematiek van [minderjarige]. De moeder acht zichzelf in staat om de verzorging van [minderjarige] weer op zich te nemen en zij meent dat de plaatsing in het gezinshuis onzinnig is. De raad twijfelt niet aan de intenties, maar aan de mogelijkheden van de moeder. Hierdoor bestaat er geen perspectief op terugplaatsing.

3.3. Het belang van [minderjarige] verzet zich niet tegen een ontheffing van het gezag van de moeder. De opvoeding van [minderjarige] vereist bovengemiddelde opvoedingsvaardigheden. [minderjarige] laat een groot scala aan zorgwekkende gedragingen op sociaal-emotioneel en cognitief gebied zien. De complexe problematiek maakt zelfs dat haar huidige opvoeders, die hierin geschoold zijn, moeite ondervinden om [minderjarige] te verzorgen. De verstandelijke beperking van de moeder, in combinatie met de problematiek van de minderjarige, maakt dat de moeder het benodigde niet kan bieden.

3.4. Terugplaatsing behoort naar mening van de raad op dit moment en in de toekomst niet tot de gewenste mogelijkheden. De minderjarige heeft recht op een stabiele en veilige verzorgings- en opvoedingssituatie. Een ontheffing van de moeder zal haar de duidelijkheid verschaffen dat haar toekomstperspectief niet bij de moeder ligt en tevens recht doen aan de feitelijke situatie.

4. Het verweer

4.1. De moeder voert verweer tegen het verzoek van de raad en verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair het verzoek van de raad af te wijzen en subsidiair de raad een nieuw gedegen en onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren, waarbij ook de door de vrouw overgelegde stukken in het onderzoek worden betrokken; kosten rechtens.

4.2. De moeder stelt dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat zij ongeschikt of onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van [minderjarige] te vervullen. Zij acht zich daartoe voldoende geschikt. Daarnaast geeft de ondertoezichtstelling voldoende waarborg om de gestelde bedreiging van de gezondheid van [minderjarige] af te wenden. De moeder beseft dat [minderjarige] specifieke zorg nodig heeft. Zij is echter van mening dat zij met hulp - van mevrouw [mevrouwX] en eventueel de gezinsvoogd - [minderjarige] de zorg kan bieden die zij nodig heeft. Het verslag van het forensisch gedragswetenschappelijk onderzoek, verricht door drs. G.J. Postma, geeft een duidelijk beeld van de moeder. Samengevat geeft drs. Postma aan dat er bij de moeder geen sprake is van een persoonlijkheidsstoornis of psychopatiforme ontwikkeling. De draagkracht van moeder is voldoende vanwege haar gemiddelde intelligentieniveau. Daarbij heeft moeder inmiddels zelfstandige woonruimte in een kindvriendelijke buurt, heeft zij sinds mei 2011 een stabiele relatie en ontvangt zij professionele hulp van mevrouw [mevrouwX]. De moeder is van mening dat de WSJ nooit heeft gewerkt aan een thuisplaatsing of onderzoek heeft gedaan naar de thuissituatie van de moeder. Aan de moeder is onvoldoende kans gegund om de band met haar dochter weer op te bouwen.

4.3. Voorts acht de moeder het gezin waar [minderjarige] woont niet geschikt. [minderjarige] heeft een professioneel, zeer gestructureerd opvoedklimaat nodig. De partner van de gezinsmedewerkster en medeopvoeder van [minderjarige] is echter bijna elke dag dronken.

4.4. Tot slot is de moeder van mening dat er geen onafhankelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, maar dat er is toegeschreven naar een doel, namelijk de moeder te ontheffen van het ouderlijk gezag. Het onderzoek is alleen gebaseerd op de mening van de gezinshuismedewerkster, de gezinsvoogd en de gedragswetenschapper. De stukken die de moeder heeft ingediend, zijn niet betrokken bij het onderzoek.

5. Het standpunt van de WSJ

Het WSJ stelt dat uit diagnostisch onderzoek is gebleken dat [minderjarige] een specifieke benadering nodig heeft. Uit de observaties van de begeleide bezoeken is naar voren gekomen dat de moeder onvoldoende inzicht heeft in de wensen en de behoefte van [minderjarige]. Zij is hierin niet leerbaar gebleken.

6. De beoordeling

Ontheffing van het gezag

6.1. [minderjarige] is sinds 28 juli 2009 onder toezicht gesteld en sinds 30 december 2009 uit huis geplaatst. Sindsdien is de termijn van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing steeds verlengd. De rechtbank stelt vast dat [minderjarige] langer dan één jaar en zes maanden middels een machtiging tot uithuisplaatsing uit huis is geplaatst.

6.2. Voorts dient beoordeeld te worden of de moeder al dan niet ongeschikt of onmachtig is om de ouderlijke plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. In het onderzoek ter beantwoording van deze vraag dienen alle omstandigheden meegenomen te worden. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting kan onvoldoende worden opgemaakt of moeder over (on)voldoende opvoedingscapaciteiten beschikt om [minderjarige] de opvoeding te geven die zij nodig heeft. Het verzoek van de raad tot ontheffing van de moeder uit het ouderlijk gezag is gebaseerd op de gedane observaties tijdens de begeleide bezoeken. De moeder heeft onweersproken gesteld dat de begeleide bezoekmomenten goed verlopen en dat zij hierin de nodige vrijheid krijgt. Daarbij is de thuissituatie van de moeder niet onderzocht, terwijl de moeder aangeeft haar leven nu op orde te hebben.

6.3. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank zich, gelet op het ingrijpende karakter van de maatregel van ontheffing van het gezag, thans onvoldoende voorgelicht ten aanzien van de huidige situatie van de moeder om een beslissing te kunnen nemen. Nader onderzoek is geboden. Het is van groot belang dat zowel de moeder als [minderjarige] op een zo kort mogelijke termijn duidelijkheid krijgen over het perspectief van [minderjarige]. De zaak zal dan ook worden aangehouden voor de duur van zes maanden. De rechtbank draagt de raad op in deze periode een aanvullend (onafhankelijk) nader onderzoek uit te (laten) voeren (bijvoorbeeld door het Nederlands Instituut voor Forensische psychiatrie en psychologie) naar de (thuis)situatie van de moeder, waarbij met name gekeken zal moeten worden naar de pedagogische vaardigheden en capaciteiten van de moeder in combinatie met de problematiek en behoefte van [minderjarige].

6.4. De raad zal na zes maanden in de gelegenheid worden gesteld de rechtbank te informeren omtrent de stand van zaken van het onderzoek. Voor zover de raad na deze zes maanden het verzoek handhaaft zal er nieuwe mondelinge behandeling worden gepland.

7. De beslissing

De rechtbank:

7.1. stelt de stukken in handen van de Raad voor de Kinderbescherming, met het verzoek een aanvullend (onafhankelijk) nader onderzoek uit te (laten) voeren naar de (thuis)situatie van de moeder, waarbij met name gekeken zal moeten worden naar de pedagogische vaardigheden en capaciteiten van de moeder in combinatie met de problematiek en behoefte van [minderjarige];

7.2. houdt de beslissing voor de duur van zes maanden aan en verwijst de zaak naar de schriftelijke rolzitting familiezaken van woensdag 20 december 2012, met aan de Raad voor de Kinderbescherming het verzoek als dan de rechtbank te informeren omtrent de stand van zaken van het onderzoek en andere op dat moment van belang zijnde informatie.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, voorzitter, mr. A. Eerdhuijzen en mr. F.F.A.J.M. Haerkens-Wouters, allen rechter en tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 27 juni 2012.