Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BX0740

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
05-07-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
AWB 12/716
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking WIJ per 1 januari 2012. Bij besluit van 15 maart 2012 heeft verweerder het recht op bijstand van verzoeker per 1 juli 2012 beëindigd op grond van art. 13, lid 3, aanhef en onder c, WWB. Aan het bestreden besluit tot beëindiging van verzoekers recht op bijstand per 1 juli 2012 ligt ten grondslag dat uit onderzoek is gebleken dat verzoeker kan studeren en daarom aanspraak kan maken op studiefinanciering, zodat per 1 juli 2012 de uitsluitingsgrond van art. 13, lid 2, aanhef en onder c, van de WWB op hem van toepassing is en zijn recht op bijstand dient te worden beëindigd.

De wetgever heeft met de Wijzigingswet per 1 januari 2012 een actieve rol beoogd van zowel verweerder als de jonge bijstandsaanvrager. De jongere moet bij een aanvraag om bijstand aantonen geen betaald werk te kunnen krijgen en geen via studiefinanciering bekostigde opleiding te kunnen volgen, met een verscherping per 1 juli 2012 op dat laatste punt door onder meer de inwerkingtreding van de uitsluitingsgrond van art. 13, lid 2, aanhef en onder c, van de WWB. Indien de jongere dat heeft kunnen aantonen, dan mag het college slechts bijstand toekennen onder het gelijktijdig opleggen van een plan van aanpak met de jongere bindende afspraken.

De wetgever laat zich er niet over uit hoe deze wederzijdse plichten per 1 januari 2012 en de aanscherping per 1 juli 2012 moeten worden bezien in het geval van de jonge bijstandgerechtigde van wie de inkomensvoorziening op grond van de WIJ per 1 januari 2012 werd omgezet in een bijstandsuitkering. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel met zich brengen dat bij beëindiging van het recht op bijstand in deze gevallen op grond van de nieuw ingevoerde uitsluitingsgrond per 1 juli 2012, het aan het college is om aannemelijk te maken dat de uitsluitingsgrond van art. 13, lid 2, aanhef en onder c, van de WWB op de jongere van toepassing is en daarin reden is om de uitkering van de jongere te beëindigen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat noch uit het bestreden besluit zelf noch uit de verslaglegging van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek blijkt op basis waarvan verweerder van opvatting is dat verzoeker in staat is via studiefinanciering bekostigd onderwijs te volgen per 1 juli 2012. Het bestreden besluit is daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd en berust op onvoldoende onderzoek.

Daarnaast is het bestreden besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter onzorgvuldig voorbereid. Verweerder heeft immers noch voorafgaand aan het gesprek van 15 maart 2012 noch tijdens dat gesprek de opleidingsmogelijkheden van verzoeker in via studiefinanciering bekostigd onderwijs aan de orde gesteld of onderzocht. Verzoeker heeft zich bij het gesprek expliciet op het standpunt gesteld dat hij niet over de benodigde startkwalificatie beschikt voor het volgen van via studiefinanciering bekostigd onderwijs. Verweerder heeft dit standpunt bij het gesprek of in het beëindigingsbesluit niet weersproken en evenmin met verzoeker concrete afspraken gemaakt over het inventariseren van diens mogelijkheden in via studiefinanciering bekostigd onderwijs.

De voorzieningenrechter zal voorts onderzoeken of het bestreden besluit ondanks deze gebreken in bezwaar in stand zal kunnen blijven.

De voorzieningenrechter kan verweerder niet volgen in diens standpunt ter zitting dat, nu vaststaat dat verzoekers startkwalificatie in beginsel toelating geeft tot een via studiefinanciering bekostigde opleiding, de uitsluitingsgrond reeds daarom op verzoeker van toepassing is. De voorzieningenrechter begrijpt art. 13, lid 2, aanhef en onder c, van de WWB aldus, dat uitsluiting van een jongere pas dan aan de orde is, als voldoende vaststaat dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen. Verweerder dient dat in dit geval aannemelijk te maken. Verweerder heeft verzoekers betoog dat zijn leeftijd er in zijn algemeenheid aan in de weg staat om een opleidingsplaats binnen via studiefinanciering bekostigd onderwijs verkrijgen en hij alleen onder bijzondere omstandigheden zal worden toegelaten, niet weersproken. De voorzieningenrechter concludeert dat verweerder daardoor vooralsnog niet aannemelijk heeft gemaakt dat het geval van verzoeker voldoende feitelijke grondslag biedt voor het van toepassing zijn van de uitsluitingsgrond van art. 13, lid 2, aanhef en onder c, van de WWB.

Voorts dient verweerder te motiveren waarom in dat geval 1 juli 2012 als datum van uitsluiting van verzoeker van het recht op bijstand dient te worden bepaald.

Verzoek om voorlopige voorziening toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 12/716

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[naam], wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. drs. A. de Raad, advocaat te Dordrecht,

en

het Drechtstedenbestuur, verweerder,

gemachtigde: M.M. Berkhoudt, werkzaam bij de Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: SDD).

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 15 maart 2012 heeft verweerder het recht op bijstand van verzoeker per 1 juli 2012 beëindigd op grond van artikel 13, derde lid, aanhef en onder c, van de Wet Werk en Bijstand (hierna: WWB).

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 10 april 2012 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van 20 juni 2012 heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 28 juni 2012 ter zitting behandeld.

Verzoeker is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.2. Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (hierna: Wijzigingswet) is de Wet investeren in jongeren (hierna: WIJ) ingetrokken per 1 januari 2012.

Ingevolge artikel 78t, eerste lid, van de WWB gelden door het college op grond van de WIJ genomen besluiten als door hem genomen besluiten op grond van deze wet.

Ingevolge het bepaalde in artikel 78t, tweede lid, van de WWB brengt het college de in het eerste lid bedoelde besluiten binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de Wijzigingswet in overeenstemming met deze wet, voor zover die besluiten afwijken van deze wet.

Ingevolge artikel 78t, derde lid, van de WWB blijft, in afwijking van het tweede lid, het besluit, inhoudende dat een jongere een werkleeraanbod wordt gedaan, gelden voor de duur van het werkleeraanbod doch niet langer dan zes maanden na de inwerkingtreding van de Wijzigingswet.

Ingevolge artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB, zoals die bepaling geldt per 1 juli 2012 heeft geen recht op algemene bijstand degene die jonger is dan 27 jaar en uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen 1° in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000, dan wel 2° in verband daarmee geen aanspraak heeft op studiefinanciering en dit onderwijs niet volgt.

Ingevolge artikel 41, vijfde lid, van de WWB, zoals die bepaling luidt vanaf 1 juli 2012, worden in geval van een aanvraag van algemene bijstand van een alleenstaande jonger dan 27 jaar, documenten verstrekt die het college kunnen helpen bij de beoordeling of die persoon nog mogelijkheden heeft binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs.

Ingevolge artikel 44, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB, zoals die bepaling luidt per 1 januari 2012, wordt bij een besluit tot toekenning van algemene bijstand voor zover dat ziet op alleenstaanden jonger dan 27 jaar, in een bijlage een plan van aanpak opgenomen als bedoeld in artikel 44a.

Artikel 44a van de WWB bepaalt per 1 januari 2012:

1. Het plan van aanpak bevat: a. indien van toepassing de uitwerking van de ondersteuning; b. de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling en de gevolgen van het niet naleven van die verplichtingen.

2. Het college begeleidt een persoon die recht heeft op algemene bijstand bij de uitvoering van het plan van aanpak en evalueert, in samenspraak met die persoon, periodiek het plan van aanpak en stelt dit zonodig bij.

Ingevolge artikel 53a van de WWB bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de voortzetting van de bijstand door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van de gegevens plaatsvindt.

2.2. Het bestreden besluit

Aan het bestreden besluit tot beëindiging van verzoekers recht op bijstand per 1 juli 2012 ligt ten grondslag dat uit onderzoek is gebleken dat verzoeker kan studeren en daarom aanspraak kan maken op studiefinanciering, zodat per 1 juli 2012 de uitsluitingsgrond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB op hem van toepassing is en zijn recht op bijstand dient te worden beëindigd. Daarbij is bepaald dat als verzoeker kan aantonen dat de opleiding later start dan 1 juli 2012, verweerder eventueel de beëindigingsdatum hierop kan afstemmen.

2.3. Standpunt verzoeker

In bezwaar betwist verzoeker dat hij kan studeren, in die zin dat hij zich kan inschrijven voor een opleiding die aanspraak geeft op studiefinanciering. Verzoeker wijst erop dat hij alleen de lagere school heeft afgerond en sindsdien geen vervolgonderwijs meer heeft gevolgd. Verzoeker mist daarom de benodigde startkwalificaties van een HAVO-, VWO- of MBO-2-niveau voor een opleiding die aanspraak geeft op studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000 (hierna: Wsf 2000). Verzoeker is druk bezig om, in weerwil van zijn opleidingsniveau, zich ingeschreven te krijgen voor een opleiding waarmee hij deze startkwalificatie kan behalen.

Aan het verzoek om voorlopige voorziening ligt ten grondslag dat verzoeker inmiddels is gebleken dat hij mogelijk alleen in aanmerking komt voor een opleiding voor arbeidsmarktgekwalificeerd assistent (een zogenoemde AKA-opleiding) die aanspraak geeft op studiefinanciering op grond van de Wsf 2000. De school die verzoeker daarvoor heeft benaderd, heeft tot op heden vanwege verzoekers uitzonderlijke situatie ondanks aandringen van verzoeker geen uitsluitsel willen geven over toelating. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder telefonisch op 20 juni 2012 bij monde van een medewerker van de SDD heeft geweigerd de beëindigingsdatum van zijn bijstand te verlengen tot de datum van toelating voor deze AKA-opleiding. Als reden voor die weigering is volgens verzoeker meegedeeld dat verweerder van opvatting is dat hij in het tijdvak voorafgaand aan de beëindiging van de bijstand ervoor had kunnen zorgen per 1 juli 2012 voor deze AKA-opleiding bij de desbetreffende school ingeschreven te staan.

Ter zitting heeft verzoeker in aanvulling hierop nog aangevoerd dat hij van opvatting is dat verweerder niet bevoegd was zijn recht op bijstand te beëindigen op grond van een uitsluitingsgrond die nog niet in werking is getreden, dan wel dat verweerders bevoegdheid daartoe ontbrak omdat deze bepaling kennelijk is bedoeld voor alleen nieuwe aanvragen om bijstand die worden ingediend vanaf 1 juli 2012. Voor zover verweerder al bevoegd was, heeft verweerder volgens verzoeker ter zitting onzorgvuldig gebruik gemaakt van die bevoegdheid. Verzoeker wijst erop dat er sprake is van een lopend recht op bijstand, in welk geval het volgens verzoeker aan verweerder is om aannemelijk te maken dat de door verweerder aangehaalde uitsluitingsgrond van toepassing is. Het betoog van verweerder dat die bewijslast bij verzoeker ligt, geldt volgens verzoeker alleen in het geval van een aanvraag om bijstand. Voor zover niet hier van toepassing, dan toch had verweerder de overgang naar het nieuwe regime zorgvuldig moeten voorbereiden door verzoeker voorafgaand aan de beëindiging uit te nodigen om bewijs te leveren dat hij niet in aanmerking kwam voor een via studiefinanciering bekostigde opleiding. Nu verweerder dat heeft nagelaten en verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat hij er alles aan doet om zo spoedig mogelijk in aanmerking te komen voor via studiefinanciering bekostigde opleiding maar niet duidelijk is of dat gaat lukken, kon verweerder in redelijkheid niet besluiten de bijstand per 1 juli 2012 te beëindigen, aldus verzoeker ter zitting.

2.4. Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.4.1. Verweerder heeft met ingang van 1 juli 2012 het recht op bijstand van verzoeker beëindigd. Eind juni 2012 is de bijstandsuitkering over de maand juni 2012 aan verzoeker uitgekeerd. Dit houdt in dat verzoeker feitelijk eind juli 2012 niet meer over inkomsten beschikt. Ter zitting is komen vast te staan dat op dat moment nog niet door verweerder op zijn bezwaar zal zijn beslist. Verder is geen zicht op een concrete datum dat door de door verzoeker aangezochte school over diens toelating zal zijn beslist, waarmee duidelijkheid ontstaat over verzoekers recht op studiefinanciering. Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter, anders dan verweerder, een spoedeisend belang aanwezig bij een oordeel over het door verzoeker in bezwaar bestreden besluit.

2.4.2. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder niet bevoegd was de beëindiging van verzoekers recht op bijstand per 1 juli 2012 te baseren op een bepaling die pas op 1 juli 2012 in werking treedt. De bevoegdheid tot beëindiging komt immers op dezelfde dag tot stand als de beëindiging van de bijstandsuitkering. De voorzieningenrechter ziet evenmin grond voor het oordeel dat de uitsluitingsgrond alleen ziet op nog in te dienen aanvragen om bijstand. Het karakter van een uitsluitingsgrond is immers dat in het geval deze bepaling van toepassing is, het recht op bijstand aan de betrokkene moet worden ontzegd, ongeacht of dat is aangevraagd of al loopt.

2.4.3. Verzoeker is jonger dan 27 jaar. Aan verzoeker werd door verweerder vóór 1 januari 2012 een inkomensvoorziening toegekend op grond van de WIJ. Ingevolge artikel 78t, eerste lid, van de WWB is die inkomensvoorziening per 1 januari 2012 van rechtswege omgezet in een bijstandsuitkering ingevolge de WWB.

2.4.4. De wetgever heeft met de Wijzigingswet per 1 januari 2012 een actieve rol beoogd van zowel verweerder als de jonge bijstandsaanvrager. De jongere moet bij een aanvraag om bijstand aantonen geen betaald werk te kunnen krijgen en geen via studiefinanciering bekostigde opleiding te kunnen volgen, met een verscherping per 1 juli 2012 op dat laatste punt door onder meer de inwerkingtreding van de uitsluitingsgrond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB. Indien de jongere dat heeft kunnen aantonen, dan mag het college slechts bijstand toekennen onder het gelijktijdig opleggen van een plan van aanpak met de jongere bindende afspraken.

De wetgever laat zich er niet over uit hoe deze wederzijdse plichten per 1 januari 2012 en de aanscherping per 1 juli 2012 moeten worden bezien in het geval van de jonge bijstandgerechtigde van wie de inkomensvoorziening op grond van de WIJ per 1 januari 2012 werd omgezet in een bijstandsuitkering. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel met zich brengen dat bij beëindiging van het recht op bijstand in deze gevallen op grond van de nieuw ingevoerde uitsluitingsgrond per 1 juli 2012, het aan het college is om aannemelijk te maken dat de uitsluitingsgrond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB op de jongere van toepassing is en daarin reden is om de uitkering van de jongere te beëindigen.

2.4.5. Bij brief van 7 maart 2012 heeft verweerder verzoeker uitgenodigd voor een gesprek op 15 maart 2012. In de uitnodiging heeft verweerder vermeld dat verzoekers positie en mogelijkheden op de arbeidsmarkt in samenhang met de nieuwe wetgeving zullen worden besproken en dat verzoekers recht op uitkering opnieuw zal worden beoordeeld, waarvoor hij bankafschriften, een identiteitsbewijs en kopieën van sollicitatiebrieven dient mee te nemen.

Blijkens de rapportage van het gesprek op 15 maart 2012 heeft verzoeker meegedeeld alleen de basisschool te hebben doorlopen, vanaf zijn 13e jaar niet meer naar school te zijn geweest en ook verder niet over diploma's te beschikken. In reactie daarop is door de betrokken medewerkers van de SDD meegedeeld "dat de regels dusdanig hard zijn dat hij gewoon naar school moet met WSF of anders aan het werk moet zijn". Vervolgens zijn blijkens de rapportage de sollicitatie-activiteiten van verzoeker doorgenomen en is geïnventariseerd voor welk werk verzoeker, gelet op diens opleidingsniveau en persoonlijke omstandigheden, in aanmerking zou kunnen komen. Blijkens de rapportage hebben de betrokken medewerkers van de SDD direct na het gesprek nog met verzoeker contact opgenomen om hem te verwijzen naar een vacature voor een beveiligingsmedewerker. Diezelfde dag is het bestreden besluit naar verzoeker verzonden.

2.4.6. De voorzieningenrechter stelt vast dat noch uit het bestreden besluit zelf noch uit de verslaglegging van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek blijkt op basis waarvan verweerder van opvatting is dat verzoeker in staat is via studiefinanciering bekostigd onderwijs te volgen per 1 juli 2012. Het bestreden besluit is daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd en berust op onvoldoende onderzoek.

Daarnaast is het bestreden besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter onzorgvuldig voorbereid. Verweerder heeft immers noch voorafgaand aan het gesprek van 15 maart 2012 noch tijdens dat gesprek de opleidingsmogelijkheden van verzoeker in via studiefinanciering bekostigd onderwijs aan de orde gesteld of onderzocht. Verzoeker heeft zich bij het gesprek expliciet op het standpunt gesteld dat hij niet over de benodigde startkwalificatie beschikt voor het volgen van via studiefinanciering bekostigd onderwijs. Verweerder heeft dit standpunt bij het gesprek of in het beëindigingsbesluit niet weersproken en evenmin met verzoeker concrete afspraken gemaakt over het inventariseren van diens mogelijkheden in via studiefinanciering bekostigd onderwijs.

2.4.7. De voorzieningenrechter zal voorts onderzoeken of het bestreden besluit ondanks deze gebreken in bezwaar in stand zal kunnen blijven.

Verzoeker stelt zich in bezwaar op het standpunt dat hem uit eigen onderzoek is gebleken dat zijn opleidingsniveau in beginsel voldoende is voor toelating tot een AKA-opleiding, zodat hij toch beschikt over een startkwalificatie die toegang geeft tot via studiefinanciering bekostigd onderwijs. Verzoeker betoogt echter dat het niet zeker is of hij, gelet op zijn leeftijd, redelijkerwijs in staat zal zijn een opleidingsplaats binnen een AKA-opleiding te verkrijgen.

De voorzieningenrechter kan verweerder niet volgen in diens standpunt ter zitting dat, nu vaststaat dat verzoekers startkwalificatie in beginsel toelating geeft tot een via studiefinanciering bekostigde opleiding, de uitsluitingsgrond reeds daarom op verzoeker van toepassing is. De voorzieningenrechter begrijpt artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB aldus, dat uitsluiting van een jongere pas dan aan de orde is, als voldoende vaststaat dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen. Verweerder dient dat, zoals overwogen in 2.4.4, in dit geval aannemelijk te maken. Verweerder heeft verzoekers betoog dat zijn leeftijd er in zijn algemeenheid aan in de weg staat om een opleidingsplaats binnen via studiefinanciering bekostigd onderwijs verkrijgen en hij alleen onder bijzondere omstandigheden zal worden toegelaten, niet weersproken. De voorzieningenrechter concludeert dat verweerder daardoor vooralsnog niet aannemelijk heeft gemaakt dat het geval van verzoeker voldoende feitelijke grondslag biedt voor het van toepassing zijn van de uitsluitingsgrond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB.

Voorts dient verweerder te motiveren waarom in dat geval 1 juli 2012 als datum van uitsluiting van verzoeker van het recht op bijstand dient te worden bepaald. Naar de voorzieningenrechter begrijpt uit het gevoerde telefoongesprek tussen verzoeker en verweerder op 20 juni 2012 is verweerder voornemens zich in dat verband in bezwaar op het standpunt te stellen dat verzoeker in redelijkheid per 1 juli 2012 een opleidingsplaats kon verkrijgen die aanspraak gaf op studiefinanciering, maar dat het aan verzoeker is te wijten dat dit niet is gerealiseerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal dit standpunt van verweerder in rechte geen stand kunnen houden, gelet op hetgeen hierboven onder 2.4.6 is overwogen.

2.4.8. Gelet op het voorgaande, zal naar verwachting het bestreden besluit in bezwaar geen stand houden. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om, na afweging van de betrokken belangen, het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na de te nemen beslissing op verzoekers bezwaar.

Nu het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, dient verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:82, vierde lid, van de Awb aan verzoeker het voor het verzoek betaalde griffierecht te vergoeden (€ 42,-).

De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:84, vierde lid, van de Awb, gelezen in samenhang met 8:75, eerste lid, van deze wet, te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,- en wegingsfactor 1). Van overige kosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit van 15 maart 2012 tot zes weken na de te nemen beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 42,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,-, welke kosten verweerder aan verzoeker moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, en door deze en mr. M. Lammerse, griffier, ondertekend.