Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BX0572

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
06-07-2012
Zaaknummer
95987 / FA RK 11-9164 en 95988 / FA RK 11-9165
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoekende partij (in deze zaak de man) doet een beroep op:

- nietigheid van het echtscheidingsconvenant en/of het ouderschapsplan;

- wijzigingsgrond ex artikel 1:401 lid 5 BW;

- wijzigingsgrond ex artikel 1:401 lid 1 BW.

De vrouw voert verweer.

Gelet op een deel van de inhoud van het ouderschapsplan wordt geconcludeerd dat sprake is van partiële nietigheid omdat partijen zijn overeengekomen in artikel 2.4. van het ouderschapsplan:

“ indien de man nalatig is in het betalen van de kinder-partneralimentatie, komt de

afgesproken omgangsregeling te vervallen. En de kinderen zullen bij de vrouw blijven”.

De rechtbank is van oordeel dat dit onderdeel van het ouderschapsplan in strijd met de goede zeden of openbare orde om het al dan niet voldoen van kinderalimentatie te relateren aan het al dan niet uitvoeren van een zorgregeling (“kinderalimentatie is geen kijkgeld”).

Er kan niet worden geconcludeerd dat het echtscheidingsconvenant en/of het ouderschapsplan waar het de hoogte van de overeengekomen alimentaties betreft, is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven ex artikel 1:401 lid 5 BW. Het gestelde treft geen doel.

Er is wel sprake van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW (de woonsituatie en de gezinssituatie van de man zijn gewijzigd).

De beoordeling van het aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen, de (aanvullende) behoefte van de vrouw, de draagkracht van de man en de draagkracht van de vrouw komen vervolgens in de beschikking aan de orde.

Tot slotsom: de hoogte van de kinderalimentatie wordt gewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2012/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummers: 95987 / FA RK 11-9164 en 95988 / FA RK 11-9165

beschikking van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2012

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [adres verzoeker],

verzoeker,

advocaat mr. M.H.O. Noomen-de Haas, kantoorhoudende te Gorinchem,

tegen

[verweerster],

wonende te [adres verweerster],

verweerster,

advocaat mr. G.C.B. Emmerik, kantoorhoudende te Leerdam.

Partijen worden hieronder aangeduid als de man respectievelijk de vrouw.

1. Het procesverloop

1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

- het verzoekschrift van de man, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 14 december 2011;

- het verweerschrift van de vrouw, met bijlagen, ingekomen ter griffie op

06 februari 2012;

- het F9-formulier, met bijlagen, van mr. M.H.O. Noomen-de Haas, ingekomen ter griffie

op 11 april 2012;

- het faxbericht, met bijlagen, van mr. G.C.B. Emmerik, ingekomen ter griffie op

11 april 2012.

1.2. De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzitting met gesloten deuren van 23 april 2012.

1.3. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

1.4. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man een kopie van de overeenkomst Rabo Opbouwspaarrekening overgelegd. De advocaat van de vrouw heeft een schriftelijke verklaring van de zus van de vrouw overgelegd.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

2.1. Partijen zijn op [huwelijksdatum+plaats] met elkaar gehuwd.

2.2. Uit hun huwelijk zijn geboren de thans nog minderjarige:

[kind1], (hierna: [roepnaam kind1]) op [geboortedatum+plaats kind1] (8 jaar);

[kind2], (hierna: [roepnaam kind2]) op [geboortedatum+plaats kind2] (5 jaar).

De kinderen verblijven thans bij de vrouw.

2.3. Bij beschikking van de rechtbank van Amsterdam van 9 maart 2011 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Voorts is bepaald dat de regeling, zoals tussen partijen is overeengekomen in het aan de beschikking gehechte convenant en ouderschapsplan, als herhaald en ingelast wordt beschouwd.

2.4. De echtscheidingsbeschikking is op 15 maart 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.5. In het echtscheidingsconvenant d.d. 9 februari 2011 zijn partijen -voor zover in deze zaak van belang- overeengekomen:

- dat de man met ingang van 1 januari 2011 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 587,-- voor beide kinderen (elke vier weken), (artikel 3.1.).

- dat de man gedurende twaalf jaar met ingang van 1 januari 2011 aan de vrouw een bedrag

van € 175,-- per vier weken als bijdrage in haar levensonderhoud zal voldoen (artikel 5.1.).

- eigen inkomsten van de vrouw tot een bedrag van € 1.900,-- netto per maand (exclusief eventueel vakantiegeld) vormen geen grond voor vermindering van de partneralimentatie

(artikel 6.1.).

- indien de vrouw gaat samenleven met een ander als waren zij gehuwd of een geregistreerd partnerschap aangaat, eindigt de partneralimentatieplicht van de man eerst, nadat die samenleving/partnerschap tien jaar heeft geduurd. Gedurende deze periode is de man niet alimentatieplichtig. Indien de samenleving/het partnerschap van de vrouw binnen de genoemde periode eindigt, wordt de man vanaf het moment van beëindiging weer alimentatieplichtig conform het bepaalde in artikel 5 (artikelen 7.1. en 7.2.).

2.6. In het ouderschapsplan d.d. 9 februari 2011 zijn partijen -voor zover in deze zaak van belang- overeengekomen:

- indien de man nalatig is in het betalen van de kinder-partneralimentatie, komt de

afgesproken omgangsregeling te vervallen. En de kinderen zullen bij de vrouw blijven

(artikel 2.4.).

- de man zorgt elke woensdag voor de kinderen. De vrouw brengt de kinderen `s morgens

naar school en de man haalt de kinderen na schooltijd op, en brengt de kinderen om 18.30 uur bij de vrouw. In de even week zijn de kinderen op zondag bij de man. De kinderen worden op zaterdagavond om 19.00 uur opgehaald en op zondag om 18.00 uur thuisgebracht. In de oneven week zijn de kinderen op zaterdag bij de man. De man haalt de kinderen op om 10.00 uur en brengt ze weer thuis om 17.00 uur (artikel 3.1.).

- de kosten van de omgangs- en vakantieregeling komen ten laste van de man. De man is

niet gerechtigd deze in mindering te brengen op de door hem verschuldigde kinderalimentatie (artikel 3.2.).

3. Het verzoek

3.1. De man verzoekt:

a. voor recht te verklaren dat de door partijen verrichte rechtshandelingen, te weten het sluiten van het convenant d.d. 9 februari 2011, door inhoud in strijd is met een dwingende wetsbepaling en de rechtshandeling nietig is;

b. voor recht te verklaren dat de man vanaf 1 januari 2011 onverschuldigd de tussen partijen overeengekomen kinderalimentatie en partneralimentatie heeft betaald en de vrouw te veroordelen om het door de rechtbank vast te stellen onverschuldigd betaalde deel aan de man terug te betalen;

c. te bepalen dat ten aanzien van de bepaling van de behoefte van de vrouw en de kinderen alsmede de draagkracht van partijen, alsmede ten aanzien van de frequentie, duur en beëindiging van de alimentatie de geldende wettelijke regels en alimentatienormen van toepassing zijn;

d. de door de man aan de vrouw te bepalen kinderalimentatie met ingang van

1 januari 2011 dan wel 1 december 2011, dan wel met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, vast te stellen op een bedrag van

€ 215,-- per kind per maand, dan wel op een in goede justitie te bepalen bedrag;

e. de door de man te betalen partneralimentatie met ingang van 1 januari 2011 dan wel met ingang van een in goede justitie te bepalen datum, te beëindigen dan wel op nihil te stellen.

3.1.1. Hij stelt daartoe het volgende.

Nietigheid

In de eerste plaats stelt de man dat de rechtshandeling (het convenant) in strijd is met een dwingende wetsbepaling, de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding, met name artikel 1: 247 BW, als gevolg waarvan het convenant nietig is. Subsidiair is het convenant nietig omdat de inhoud in strijd is met de openbare orde. De nietigheid heeft rechtsgevolgen in de sfeer van de onverschuldigde betaling.

In ieder geval is hetgeen is overeengekomen in artikel 2.4. van het ouderschapsplan in strijd met de wet en zodoende is sprake van partiële nietigheid.

Wijziging op grond van artikel 1:401 lid 5 BW

Voorts stelt de man dat de overeenkomst tussen partijen is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (wijziging ex artikel 1:401 lid 5 BW).

De afgesproken alimentatiebedragen komen niet overeen met de behoefte van de kinderen, de behoefte van de vrouw en de draagkracht van partijen. Ook de afspraak die partijen hebben gemaakt ten aanzien van het eigen inkomen alsmede de afwijkende regeling ten aanzien van artikel 1:160 BW acht de man in strijd met de wettelijke maatstaven. Partijen, althans de man, hebben/heeft zich in het geheel niet gerealiseerd wat de gevolgen waren van deze afspraken.

Wijziging op grond van artikel 1:401 lid 1 BW

Subsidiair verzoekt de man wijziging van de kinder- en partneralimentatie op grond van 1:401 lid 1 BW. Er hebben zich wijzigingen van omstandigheden voorgedaan, die maken dat het convenant niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

Deze omstandigheden zijn: het samenwonen van de man, de koop van een woning en de hogere woonlasten.

Naast het verweer van de man dat hij geen draagkracht heeft, voert hij aan dat de vrouw geen behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud. Bovendien woont de vrouw samen, waardoor de alimentatieplicht van de man van rechtswege is geëindigd.

4. Het verweer

4.1. De vrouw verzoekt alle verzoeken van de man af te wijzen.

4.1.1. Zij voert daartoe het volgende aan.

Nietigheid

Partijen, met name de man, hebben/heeft zeer bewust meegewerkt aan het vastleggen van de afspraken zoals opgenomen in het convenant en het ouderschapsplan. Met name de man wilde snel en efficiënt handelen en heeft de advocaat voorgedragen, die het verzoek met als bijlage het convenant en het ouderschapsplan, namens partijen bij de rechtbank heeft ingediend. Bij totstandkoming van de afspraken is de man wel degelijk bijgestaan en geïnformeerd door een advocaat. Het echtscheidingsconvenant is pas, na diverse onderlinge besprekingen en het maken van een aantal aanpassingen, door partijen getekend. Partijen hebben voldoende gelegenheid gehad om de uiteindelijke inhoud van het convenant en het ouderschapsplan te laten toetsen en zich te laten adviseren door hun advocaat (of een derde deskundige) over de consequenties van de afspraken.

Op 31 oktober 2011 heeft de man de vrouw voor het eerst aangesproken over het feit dat de man zich niet kan vinden in de hoogte van de vastgestelde alimentatiebedragen. De man heeft niets vermeld over de nietigheid van het convenant dan wel het ouderschapsplan. Ook heeft de man niets vermeld over het feit dat de afspraken met grove miskenning van de wettelijke maatstaven zouden zijn aangegaan.

Voor zover de rechtbank van oordeel is dat sprake is van strijd met een dwingende wetsbepaling dan wel strijd met de openbare orde dan geldt dit slechts voor een gedeelte van het convenant en het ouderschapsplan, namelijk artikel 7 van het convenant en/of artikel 2.4 van het ouderschapsplan. Het overige kan in stand blijven.

Onverschuldigde betaling

De vrouw verzoekt dit onderdeel van het verzoek van de man af te wijzen. De vrouw mocht erop vertrouwen dat de afspraken zoals deze zijn overeengekomen in het convenant in overeenstemming waren met de wensen van partijen. Zij heeft niet de financiële ruimte om voorzieningen te treffen en had geen reden om met een eventuele terugbetalingsverplichting rekening te houden.

Wijziging op grond van artikel 1:401 lid 5

Zoals reeds uiteen gezet hebben partijen zich wel degelijk gerealiseerd wat de gevolgen waren van de afspraken zoals deze zijn opgenomen in de beschikking van 9 maart 2011.

Partijen, en dus ook de man, werden bijgestaan en geadviseerd door hun advocaat. De afspraken zijn genoegzaam getoetst, waarbij zowel de behoefte van de kinderen en de vrouw, alsmede de draagkracht van zowel de vrouw als de man zijn meegewogen.

Wijziging op grond van artikel 1:401 lid 1

De vrouw bevestigt dat de man inmiddels een nieuwe woning heeft en dat hij samenwoont met zijn nieuwe partner. In die zin is er sprake van wijziging van omstandigheden. De vrouw staat open voor een herberekening van de draagkracht van de man om te bezien of de man zijn huidige onderhoudsverplichtingen kan blijven voldoen.

Echter de vrouw meent dat er geen gronden zijn om de huidige kinder- en partneralimentatie te wijzigen.

De vrouw heeft een inkomen van circa € 1.530,-- per maand. De lasten van de vrouw bestaan onder meer uit de huurlasten van € 620,-- per maand. Het is onjuist dat de vrouw haar huurlasten met haar nieuwe partner kan delen. De vriend van de man heeft een eigen koopwoning en woont ook aldaar. De vriend van de vrouw voert zijn eigen huishouding en draagt zijn eigen lasten.

Ook de vrouw draagt volledig haar eigen lasten. Gelet op de inkomsten en de lasten van de vrouw is duidelijk dat de vrouw draagkracht ontbeert om enig deel van de behoefte van de kinderen voor haar rekening te nemen.

Bij de draagkracht van de man kunnen de woonlasten gedeeld worden samen met de partner van de man (ieders bijdrage 50%). De kosten omgangsregeling kunnen worden gesteld op

€ 60,-- per maand (in plaats van € 95,--). De premie begrafenisverzekering dient buiten beschouwing te blijven (zoals in Trema wordt vermeld).

De vrouw meent dat de man een draagkracht heeft om € 752,--, exclusief het fiscaal voordeel, netto per maand aan kinderalimentatie voor twee kinderen te betalen. De hiervoor vermelde draagkracht stijgt uit boven hetgeen de man thans betaalt. Naast het hiervoor vermelde bedrag is er geen draagkracht om partneralimentatie te voldoen.

De man betaalt momenteel € 636,-- per maand aan kinderalimentatie, rekeninghoudende met het fiscaal voordeel komt dit neer op € 546,-- netto per maand. Voorts betaalt de man

€ 189,-- bruto per maand aan partneralimentatie. Dit komt ongeveer neer op € 132,-- netto per maand. Het totaal bedrag aan huidige onderhoudsverplichtingen van de man bedraagt ongeveer € 677,-- netto per maand. De onderhoudsverplichtingen zoals die volgen uit de beschikking van 9 maart 2011 zijn lager dan de huidige draagkracht van de man toelaat.

De vrouw wenst niet over te gaan tot een zelfstandig verzoek tot wijziging c.q. vermeerdering van de kinder- en partneralimentatie maar meent dat gelet op het hiervoor gestelde er geen reden is tot wijziging van onderhoudsverplichtingen. De verzoeken van de man dienen te worden afgewezen.

5. De beoordeling

Partiële nietigheid (ex artikel 3:41 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW)

5.1. Partijen zijn het er over eens dat de bepaling opgenomen in het ouderschapsplan onder punt 2.4. partieel nietig verklaard dient te worden.

Kinderalimentatie is gebaseerd op de plicht van ouders om voor hun kinderen te zorgen. Het is in strijd met de goede zeden of openbare orde om het al dan niet voldoen van kinderalimentatie te relateren aan het al dan niet uitvoeren van een zorgregeling (“kinderalimentatie is geen kijkgeld”).

Gelet op de inhoud van het convenant d.d. 9 februari 2011 en het ouderschapsplan d.d.

9 februari 2011 wordt geconcludeerd dat slechts hetgeen is overeengekomen in artikel 2.4. van het ouderschapsplan een nietig beding is in een overigens toelaatbare overeenkomst. De nietigheid blijft beperkt tot artikel 2.4. van het ouderschapsplan.

De partiële nietigheid van het ouderschapsplan zal niet tot een onverschuldigde betaling leiden aangezien de bepaling van het artikel 2.4. van het ouderschapsplan niet ziet op de hoogte van de betaling van alimentaties.

Wijziging op grond van 1:401 lid 5 BW

5.2. Een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan ook worden gewijzigd, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (artikel 1:401 lid 5 BW). Hiermee wordt bedoeld dat, uitgaande van dezelfde gegevens, er geen duidelijke wanverhouding mag bestaan tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het kan gaan om een situatie waarin partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken.

5.3. Uit het verhandelde ter zitting en de stukken is gebleken dat partijen in onderling overleg het concept van het echtscheidingsconvenant en het concept van het ouderschapsplan hebben opgesteld. Daarbij hebben partijen internet geraadpleegd, waaronder de website van “alimentatiewijzer” en de website van advocaat mr. M.C.J. Teurlings te Amsterdam, voor een “echtscheiding online”. Op de website van deze advocaat wordt onder meer uitleg gegeven en informatie verstrekt over de echtscheiding online, de echtscheiding in het algemeen, de alimentatie, het pensioen, een ouderschapsplan en de kinderen. Voorafgaand aan het opstellen van het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan hebben partijen de behoefte en de draagkracht van partijen berekend. Partijen hebben een welbewuste keuze gemaakt om via internet mr. M.C.J. Teurlings in te schakelen voor hun “echtscheiding online” en uiteindelijk voor het indienen van het echtscheidingsverzoek met nevenvoorziening bij de rechtbank te Amsterdam door mr. M.C.J. Teurlings.

Voorts is van belang, dat los van hetgeen partijen in het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan zijn overeengekomen, er kan worden afgeweken van hetgeen door het Rapport Werkgroep Alimentatienormen als richtlijn wordt gehanteerd voor het bepalen van de behoefte en de draagkracht. Dit geldt eveneens voor hetgeen in artikel 1:160 BW over het einde van de alimentatieplicht is geregeld. In het echtscheidingsconvenant kunnen partijen van de bepaling in artikel 1:160 BW afwijken.

5.4. Er kan gelet op het voorgaande niet worden geconcludeerd dat het echtscheidingsconvenant en/of het ouderschapsplan waar het de hoogte van de overeengekomen alimentaties betreft, is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven ex artikel 1:401 lid 5 BW. Het gestelde treft geen doel.

Wijziging op grond van 1:401 lid 1 BW

5.5. Op grond van artikel 1: 401 lid 1 BW kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij een latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd, wanneer de overeenkomst nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

5.6. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de woonsituatie van de man is gewijzigd (de man woonde in een pand van zijn werkgever en had toen geen woonlasten, thans woont hij in een koopwoning met de daaraan gekoppelde lasten). Ook is de gezinssituatie van de man gewijzigd (hij is samenwonend met zijn nieuwe partner mevrouw [naam nieuwe partner vd man]).

5.7. Er is sprake van een wijziging van omstandigheden sinds partijen in onderling overleg onderhoudsbijdragen ten behoeve van [roepnaam kind1], [roepnaam kind2] en de vrouw zijn overeengekomen.

5.8. De behoefte van [roepnaam kind1] en [roepnaam kind2]

5.8.1. De man stelt dat de behoefte van de kinderen kan worden gesteld op € 445,-- per kind per maand. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw ingestemd met

het gestelde door de man. De hiervoor vermelde behoefte zal als vaststaand tussen partijen worden beschouwd.

Alvorens het aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen te beoordelen zullen hieronder eerst de (aanvullende) behoefte van de vrouw, de draagkracht van de man en de draagkracht van de vrouw aan de orde komen.

Vervolgens zal de verdeling van de kosten over beide ouders worden berekend volgens de bekende formule “ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van het kind”.

5.9. De behoefte van de vrouw

5.9.1. In geschil is de vraag of de vrouw nog behoefte heeft aan partneralimentatie. De man heeft onder meer gesteld dat de vrouw door de week in haar woning en in het weekend in zijn woning samenwoont met haar nieuwe partner zodat zij geen aanspraak meer maakt op een bijdrage van de man, dan wel dat de man een periode niet alimentatieplichtig is conform de afwijkende regeling die partijen hierover zijn overeengekomen in het convenant d.d. 9 februari 2011. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

5.9.2. De vrouw heeft bevestigd dat zij een vriend heeft en stelt dat zij en haar huidige vriend ieder een eigen huishouden voeren. Zij stelt verder dat de huidige vriend van de vrouw is gescheiden en drie kinderen en een eigen woning heeft. Financieel staat de vrouw er alleen voor, stelt zij. De vrouw betwist dat deze situatie kan worden aangemerkt als een samenleving met een ander als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW.

Voor samenleving in de zin van artikel 1:160 BW is vereist dat tussen de samenlevenden een affectieve relatie bestaat van duurzame aard die meebrengt dat de gescheiden echtgenoot en die ander elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Daarbij is voorts uitgangspunt dat artikel 1:160 BW restrictief moet worden uitgelegd. Voor de uitleg van artikel 1:160 BW dient aansluiting te worden gezocht bij de kenmerken van een als ‘normaal’ te beschouwen huwelijk.

Gebleken is dat de vrouw en haar nieuwe partner beiden een eigen huis hebben, dat zij ieder zelf de lasten van hun eigen huis dragen. Een en ander is ontoereikend om te concluderen dat sprake is van een samenleving in de zin van artikel 1:160 BW. De man heeft zijn stellingen in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende onderbouwd. De door de man overgelegde verklaring is hiertoe ontoereikend. Aan de stelling van de man wordt daarom voorbij gegaan.

5.9.3. Voorts stelt de man dat het netto besteedbaar inkomen ten tijde van het huwelijk

€ 1.761,-- per maand bedroeg (rekeninghoudend met de zogenaamde 60% norm en de kosten van de kinderen die hierop in mindering zijn gebracht). Zowel de man als de vrouw hebben een netto besteedbaar inkomen, waarmee zij in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien.

5.9.4. De vrouw stelt dat zij nog immer een (aanvullende) behoefte aan partneralimentatie heeft.

5.9.5. Voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw wordt het netto besteedbaar inkomen gehanteerd van partijen tijdens hun huwelijk (het jaar 2010). Uit de overgelegde jaaropgaaf van 2010 van de man is gebleken dat hij een loon van € 39.639,-- op jaarbasis had. De ingehouden bijdrage Zorgverzekeringswet bedroeg € 2.331,--. Uit correspondentie d.d. 31 oktober 2011 van de advocaat van de man is gebleken dat het inkomen van de vrouw ongeveer € 25.500,-- op jaarbasis bedroeg (waarbij de ingehouden bijdrage Zorgverzekeringswet kan worden berekend op € 1.798,--). Deze twee inkomens, zijnde omgerekend een netto besteedbaar inkomen van de man van € 2.336,-- en een netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 1.739,--, bij elkaar opgeteld, komt het netto besteedbaar gezinsinkomen neer op € 4.075,-- per maand.

Conform het Rapport Werkgroep Alimentatienormen is het mogelijk de netto behoefte van de vrouw te berekenen aan de hand van een vuistregel die er van uitgaat dat het besteedbaar gezinsinkomen, na aftrek van de kosten van kinderen, beschikbaar was voor de kosten van levensonderhoud van beide partijen. De behoefte van de vrouw kan dan gelijkgesteld worden aan 60% van het netto gezinsinkomen, verminderd met de kosten van de kinderen.

Onder punt 5.8.1. blijkt dat de kosten kinderen € 890,-- per maand voor twee kinderen bedragen.

De behoefte van de vrouw kan gelijk gesteld worden aan 60% van € 3.185,-- (het besteedbaar gezinsinkomen van € 4.075,-- verminderd met de kosten van de kinderen van

€ 890,--), derhalve € 1.911,-- netto per maand.

5.9.6. De vrouw is in de zorgsector werkzaam. Haar huidige netto besteedbaar inkomen bedraagt € 1.671,-- per maand, omgerekend aan de hand van haar jaaropgaaf van 2011. Zij heeft derhalve nog behoefte aan aanvullende alimentatie van (€ 1.911,-- verminderd met

€ 1.671,--) € 240,-- netto per maand.

5.9.7. Het gestelde door de man over de behoefte van de vrouw kan de rechtbank niet volgen. Er dient geconcludeerd te worden dat de vrouw nog steeds (aanvullende) behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud.

5.9.8. De financiële omstandigheden van de man

De man (geboren op [geboortedatum vd man]) is werkzaam bij [naam werkgever] te Ameide als [functie] (datum indiensttreding 2 juli 2007).

Volgens de jaaropgaaf 2011 is het loon € 40.171,-- op jaarbasis, de ingehouden bijdrage ZVW is € 2.590,--.

De man woont samen met mevrouw [naam nieuwe partner vd man] (geboren op [geboortedatum vd partner vd man]).

De partner van de man was werkzaam bij Metro Cash & Carry Nederland B.V., Makro Vianen te Vianen (datum indiensttreding 29 november 2010, op basis van deeltijd 50%).

De partner van de man heeft thans geen inkomen. Er was sprake van een arbeidscontract voor bepaalde tijd bij haar werkgever Makro. Het arbeidscontract is in januari 2011 niet verlengd. De partner van de man is werkzoekende. Zij zoekt een parttime baan. De huidige partner van de man is in verwachting. De geboorte van het kind wordt in november 2012 verwacht.

De vrouw stelt dat de huidige gezinssituatie geen aanleiding geeft om af te wijken van de richtlijnen zoals deze zijn vermeld in het Rapport Werkgroep Alimentatienormen. Gelet op de voorrang van kinderalimentatie boven alle andere onderhoudsverplichtingen dient bij de draagkrachtberekening ten behoeve van de kinderalimentatie geen rekening te worden gehouden met de nieuwe partner van de man. Althans de norm voor een alleenstaande dient te worden gehanteerd en bij de noodzakelijke lasten dient rekening te worden gehouden met de helft van de totale woonlasten.

De rechtbank zal de richtlijnen van het Rapport Werkgroep Alimentatienormen volgen gelet op de prioriteit van de kinderalimentatie. De partner van de man wordt in staat geacht in haar

eigen levensonderhoud te voorzien. Er is niet aangetoond dat van deze veronderstelling dient te worden afgeweken. Dat de partner van de man thans werkzoekende en zwanger is, maakt dit niet anders.

Het belastbare inkomen uit eigen woning van de man, waarbij de rechtbank uitgaat van WOZ-waarde van € 214.000,--, bedraagt € 4.392,-- per jaar negatief, zijnde het eigenwoningforfait van € 1.284,-- verminderd met de jaarlijkse hypothecaire rentelast van

€ 5.676,--.

De vrouw stelt dat bij het besteedbaar inkomen van de man de zwarte inkomsten door de verkoop van zes pups (à € 550,-- per pup) dient te worden opgeteld. De vrouw stelt dat het gaat om een inkomen van € 3.300,--.

De man betwist de hoogte van de inkomsten omdat niet alle pups werden verkocht. Bovendien dienen de kosten van inentingen en dergelijke op de verkoopprijs van een pup in mindering te worden gebracht. Tenslotte stelt de man dat deze inkomsten geen structureel karakter hebben. De rechtbank acht voldoende aannemelijk geworden dat geen sprake is van een bron van inkomen met een structureel karakter en laat daarom de inkomsten buiten beschouwing.

De rechtbank houdt tevens rekening met de navolgende fiscale aspecten:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting.

Op het netto besteedbaar inkomen wordt de ingehouden bijdrage ZVW van € 2.590,-- in mindering gebracht.

De rechtbank brengt ter vaststelling van de draagkrachtruimte van de man de navolgende maandelijkse lasten op zijn besteedbaar inkomen in mindering:

- het op de Wet Werk en Bijstand gebaseerde normbedrag, inclusief vakantiegeld, voor een alleenstaande van € 935,--;

- de hypotheekrente van € 473,--, hiervan zal de helft worden meegenomen in de berekening;

- het spaarinlegbedrag op de Rabo OpbouwSpaarrekening van € 185,-- per maand wordt door de vrouw betwist. De vrouw stelt dat dit geen verplichting is van de man die ten laste van de draagkracht kan worden gebracht; het is geen premie voor de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering. Het spaarinlegbedrag op de Rabo OpbouwSpaarrekening zal worden meegenomen omdat de inleg is verbonden aan de hypotheek en is bedoeld ter aflossing van een deel van de geldlening inzake de hypotheek. De man is verplicht deze inleg te voldoen. Met de helft van deze last zal rekening worden gehouden;

- het eigenaarslastenforfait van € 95,--, hiervan zal de helft worden meegenomen;

- de totale premie Zorgkostenverzekeringswet (inclusief aanvullende verzekeringen) van

€ 113,--, betreffende de premie zorgverzekering wet van in totaal € 162,-- verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel ZVW van € 49,--;

- de kosten omgangsregeling van € 99,--, er vanuit gaande dat [roepnaam kind1] en [roepnaam kind2] ongeveer 119 dagen op jaarbasis (woensdagen, weekenden, feest- en vakantiedagen, vaderdag en verjaardag van de man) bij de man verblijven;

- de premie begrafenisverzekering van € 8,-- wordt buiten beschouwing gelaten. Deze last heeft geen prioriteit boven alimentatie.

5.9.9. De financiële omstandigheden van de vrouw

De vrouw stelt dat haar overzicht van kosten als uitgangspunt dient te worden gehanteerd. In dit kosten overzicht zijn de huur, de premie zorgverzekering, Eneco, Oasen, wegenbelasting, autoverzekering, Interpolis, inboedelverzekering, WA-verzekering, rechtsbijstandverzekering en uitvaartverzekering vermeld.

De door de vrouw vermelde kosten Eneco, Oasen, wegenbelasting, autoverzekering, Interpolis, inboedelverzekering, WA-verzekering, rechtsbijstandverzekering en uitvaartverzekering zijn posten die in de bijstandsnorm zijn verdisconteerd, uit de vrije ruimte dienen te worden voldaan of niet prevelaren boven kinderalimentatie. Deze kosten worden in de draagkrachtberekening dan ook buiten beschouwing gelaten.

Als uitgangspunt voor de draagkrachtberekening van de vrouw zullen de volgende financiële gegevens worden gehanteerd.

De vrouw (geboren op 13 augustus 1977) is werkzaam bij [werkgever vrouw]

(datum indiensttreding 1 oktober 1996, parttime factor 75,00).

Volgens de jaaropgaaf 2011 is het loon € 28.980,-- op jaarbasis, de ingehouden bijdrage ZVW is € 2.084,--.

De rechtbank houdt tevens rekening met de navolgende fiscale aspecten:

- algemene heffingskorting;

- arbeidskorting;

- de alleenstaande ouderkorting;

- de combinatiekorting.

Op het netto besteedbaar inkomen wordt de ingehouden bijdrage ZVW van € 2.084,-- in mindering gebracht.

De rechtbank brengt ter vaststelling van de draagkrachtruimte van de vrouw de navolgende maandelijkse lasten op haar besteedbaar inkomen in mindering:

- het op de Wet Werk en Bijstand gebaseerde normbedrag, inclusief vakantiegeld, voor een alleenstaande van € 935,--;

- de huur van € 606,-- per maand. Gelet op de hoogte van het toetsingsinkomen (het hiervoor vermelde inkomen van de vrouw en daarbij opgeteld de ontvangen partneralimentatie) komt de vrouw niet in aanmerking voor de huurtoeslag;

- de ziektekosten van € 85,--, bestaande uit de nominale premie basisverzekering ZVW van

€ 108,--, de premie aanvullende ziektekostenverzekering van € 45,-- en verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel ZVW van € 49,-- en de zorgtoeslag van € 19,-- (de zorgtoeslag is berekend volgens de proefberekening toeslagen op basis van het hiervoor vermelde inkomen van de vrouw en daarbij opgeteld de ontvangen partneralimentatie).

5.10. Conclusie over de draagkracht van de man en de draagkracht van de vrouw

5.10.1. Gelet op de financiële gegevens zoals deze hiervoor onder punt 5.9.8. zijn vermeld blijkt volgens de draagkrachtberekening van de man een bedrag van € 709,-- beschikbaar voor kinderalimentatie. De rechtbank gaat er vanuit dat dit bedrag beschikbaar is voor twee kinderen. Er wordt geen rekening gehouden met het kind dat de man en zijn huidige vriendin verwachten omdat dit een toekomstige omstandigheid is.

5.10.2. Gelet op de financiële gegevens zoals deze hiervoor onder punt 5.9.9. zijn vermeld blijkt volgens de draagkrachtberekening van de vrouw een bedrag van € 425,-- beschikbaar voor kinderalimentatie .

5.10.3. De verdeling van de kosten over beide ouders zal worden berekend volgens de bekende formule “ieders draagkracht (respectievelijk 709 en 425) gedeeld door de totale draagkracht (1.134) vermenigvuldigd met de behoefte van het kind (445)”.

Het deel van de man bedraagt 709/1.134 x 445 = € 278,--

Het deel van de vrouw bedraagt 425/1.134 x 445 = € 167,--

€ 445,--

5.11. Conclusie over de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [roepnaam kind1] en [roepnaam kind2]

5.11.1. De man dient gelet op zijn aandeel in de kosten van de kinderen en zijn toereikende draagkracht een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [roepnaam kind1] en [roepnaam kind2] te voldoen van € 278,-- per kind per maand.

5.12. Conclusie over de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw

5.12.1. De draagkracht van de man is toereikend om de eerder overeengekomen partneralimentatie te blijven voldoen. Het verzoek van de man de partneralimentatie op nihil te stellen zal worden afgewezen.

5.13. De ingangsdatum

5.13.1. De rechtbank ziet geen aanleiding om de kinderalimentatie met terugwerkende kracht per 1 januari 2011 te wijzigen. De rechtbank acht het in onderhavige zaak redelijk om de verplichting te wijzigen met ingang van 1 januari 2012, zijnde de eerste dag van de maand volgend op de maand van indiening van het verzoekschrift. Partijen hebben met ingang van die datum rekening kunnen houden met een eventuele wijziging in de door de man te betalen alimentatie.

6. De beslissing

De rechtbank:

6.1. wijzigt de bij partijen in het echtscheidingsconvenant van 9 februari 2011 ten behoeve van de minderjarigen [kind1], geboren op [geboortedatum+plaats kind1] en

[kind2], geboren op [geboortedatum+plaats kind2], overeengekomen alimentatieverplichting;

6.2. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man aan de vrouw met ingang van

1 januari 2012 ten behoeve van [roepnaam kind1] en [roepnaam kind2] een alimentatie dient te betalen van € 278,-- (tweehonderdachtenzeventig euro) per kind per maand;

6.3. wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. K. Bakker, rechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 20 juni 2012.