Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BW9820

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
90282 / HA ZA 10-293 / 92312 / HA ZA 11-2216
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koop paardenobject. Geen non-conformiteit, dwaling of onrechtmatige daad, omdat de werkelijke afmetingen van de binnenrijhal afwijken van de in de verkoopadvertentie vermelde afmetingen. Koper heeft niet aangetoond dat de afmetingen van de binnenrijhal tot de door haar redelijkerwijs te verwachten eigenschappen van het gekochte moet worden gerekend.

Wettelijk vermoeden 7:17 lid 6 BW niet weerlegd en geen dwaling. Verder onvoldoende gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 20 juni 2012

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 90282 / HA ZA 10-2934 van

[eiseres in hoofdzaak]

wonende te Bruinisse,

eiseres,

advocaat mr. S.A. Wensing,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEEUWENEILAND B.V.,

gevestigd te Heinenoord,

gedaagde,

advocaat mr. J.E. van der Werff,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 92312 / HA ZA 11-2216 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEEUWENEILAND B.V.,

gevestigd te Heinenoord,

eiseres,

advocaat mr. J.E. van der Werff,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VMK MAKELAARS- & TAXATIEKANTOOR B.V.,

gevestigd te Klaaswaal,

gedaagde,

advocaat mr. H.W. Gierman.

Partijen zullen hierna [eiseres in hoofdzaak], Leeuweneiland en VMK genoemd worden.

1. De procedure in de hoofdzaak

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 april 2011,

- het proces-verbaal van comparitie van 5 december 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de vrijwaringszaak

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 juli 2011,

- het proces-verbaal van comparitie van 5 december 2011.

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

in de hoofd- en in de vrijwaringszaak

3.1. Leeuweneiland heeft in maart 2009 de eigendom verkregen van:

- het vrijstaande woonhuis,

- een stalgebouw met twaalf paardenboxen en een solarium,

- een binnenrijbak met vijf paardenboxen, één merriebox en een solarium,

- een buitenrijbak en

- een stapmolen,

geleden aan de [adres 1] te [Woonplaats] (hierna: het paardenobject).

3.2. Leeuweneiland heeft VMK vervolgens opdracht gegeven om te bemiddelen bij de verkoop van het paardenobject. Ter uitvoering van deze bemiddelingsopdracht heeft VMK verkoopinformatie opgesteld. Tot die verkoopinformatie behoort een advertentie met, voor zover relevant, de volgende tekst:

“(...) Binnen het vigerende bestemmingsplan heeft dit paardenobject de bestemmingen Recreatie met Manege als subbestemming en Agrarische doeleinden.

(...)

De rijhal (20 m2 x 50 m2) heeft een goed toegankelijke binnenbak, 4 paardenboxen, een merriebox en een solarium”.

3.3. [eiseres in hoofdzaak] heeft het paardenobject op 15 mei 2009 in het bijzijn van VMK bezichtigd. Op 6 januari 2010 hebben de partner en de makelaar van [eiseres in hoofdzaak] het paardenobject bezichtigd, eveneens in het bijzijn van VMK.

3.4. [eiseres in hoofdzaak] heeft VMK bij e-mail van 20 mei 2009, voor zover relevant, het volgende bericht:

“(…) Ik snap dat de eigenaar wil verkopen zoals het nu is en in principe voldoet het grotendeels aan de wensen om een verkoopstal te maken maar heb wel longeerbaan nodig en extra stallen om bij het getal 18 te blijven. De rest valt te realiseren ook zonder de extra verbouwingen. Dus kan evt de buitenbaan een nieuwe bodem en spuitinstallatie geven, nieuwe bodem binnenbaan boven mooier gastenverblijf en kleine lounge en 5 bij 20 in de binnenbaan hooi en stro opslag. (...)”

3.5. Op 26 en 29 januari 2010 hebben Leeuweneiland respectievelijk [eiseres in hoofdzaak] een koopovereenkomst ondertekend, die kort gezegd strekt tot de verkoop van het paardenobject door Leeuweneiland aan [eiseres in hoofdzaak] tegen betaling van de koopprijs van € 1.025.000,-.

In de koopovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 5.

1. De feitelijke levering (aflevering) van het verkochte aan koper zal geschieden in de staat waarin het zich bij het tot stand komen van deze overeenkomst bevindt.

2. Het registergoed zal bij de feitelijke levering de eigenschappen bezitten die voor het gebruik als in lid 6 van dit artikel omschreven, nodig zijn. Aan koper kenbare gebreken die daaraan in de weg zouden kunnen staan, komen voor diens risico.

(...)

6. Koper is voornemens het registergoed te gebruiken conform het geldende bestemmingsplan, waarvan de koper verklaart een kopie te hebben ontvangen.

(…)

Artikel 8.

Over- of ondermaat van het registergoed zal aan geen van partijen enig recht verlenen”.

3.6. In april 2010 is tussen [eiseres in hoofdzaak] en VMK een discussie ontstaan over de afmetingen van de binnenrijhal van het paardenobject. In een e-mail van VMK aan [eiseres in hoofdzaak] van 26 april 2010 staat voor zover relevant:

“Hedenmorgen heeft er nog een heropmeting plaatsgevonden van de bebouwing van de rijhal.

De bebouwde oppervlakte van de hal is circa 962 m2 met de navolgende buitenwerkse maten: circa 21.20 meter bij circa 45.40 meter.”

3.7. Namens [eiseres in hoofdzaak] is Leeuweneiland bij brief van 29 april 2010 in gebreke gesteld vanwege vermeende non-conformiteit en aansprakelijk gesteld voor de schade.

3.8. Op 13 mei 2010 vond de inspectie plaats van het paardenobject. Naar aanleiding van die inspectie heeft [eiseres in hoofdzaak] een e-mail aan haar advocaat gestuurd die zij ter informatie heeft doorgestuurd naar VMK. De tekst van deze e-mail luidt, voor zover relevant, als volgt:

“(…)

1) De loods die kleiner is als wat ons is verkocht waar in de binnenmanege zich bevind.

2) het dak lekt op twee plaatsen was gemeld aan [VMK] die had beloofd dat het gemaakt zou worden en dit is niet gebeurd.

3) een aantal ramen die dubbelglas waren die doorgeslagen waren en dat [VMK] had beloofd dat ze het via de verzekering zouden regelen. dit is niet gebeurd.

4) tevens hoorden we drie hele zware knallen in het huis alsof de fundering in het huis wegzakte. het was doodeng en we hebben van schie naar binnen geroepen en dit gemeld maar na die derde knal kwam er niet nog 1 dus we hebben dat alleen zelf geconstateerd. Wel 4 mensen die zich echt doodschrokken.

Het leek uit de grond te komen of uit de muren alsof ze gingen klappen. (…)”

3.9. In de akte van levering, verleden op 17 mei 2010, is voor zover relevant het volgende opgenomen:

“2. Tussen partijen bestaat een geschil omtrent de conformiteit van de rijhal, die deel uitmaakt van het verkochte, alsmede omtrent de conformiteit van een drietal zaken (fundering van het woonhuis, lekkage bij het dak van het woonhuis en kapot dubbel glas van het woonhuis), zodat deze door koper zijn geconstateerd ten tijde van de inspectie de dato dertien mei tweeduizend tien (13-05-2010). Koper meent dat er sprake is van non-conformiteit omdat de oppervlakte van de rijhal geringer is dan zou zijn toegezegd en mogelijk ook in verband met de hierboven genoemde drie zaken. De non-conformiteit wordt door verkoper betwist. Partijen willen dit geschil niet in de weg laten staan aan de levering van het verkochte. Partijen behouden zich echter over en weer uitdrukkelijk alle rechten en weren voor”.

in de hoofdzaak

3.10. Artikel 120 van het Wedstrijdreglement Dressuur van de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie (hierna: KNHS) luidt, voor zover relevant, als volgt:

“2. De wedstrijdring van een outdoorwedstrijd moet voor de klassen B, L1, L2, M1 en M2 een breedte van 20 m en een lengte van 40 m hebben. Voor de klassen Z1 en hoger dient de een breedte van 20 m en een lengte van 60 m te hebben”.

3. Bij indoorwedstrijden mogen evenwel proeven in de klassen Z1 en hoger, indien er géén ring van 20 m x 60 m kan worden uitgezet als gevolg van de afmetingen van de rijbaan in de desbetreffende accommodatie, ook in een ring van 20 m x 40 m worden verreden.

(...)

6. Voor wedstrijden voor de klassen Z1 en hoger is een ononderbroken afzetting van elke ring (…) verplicht

7. (…) Voor de klassen B t/m M2 is een afzetting toegestaan, maar niet verplicht. (...)”

3.11. Bij e-mail van 28 februari 2011 heeft een medewerkster van de afdeling Wedstrijdzaken van de KNHS het volgende aan (de advocaat van) Leeuweneiland geschreven:

“Onder de klasse Z1 en hoger vallen de klassen: Z1, Z2, ZZ-Licht, ZZ-Zwaar, Lichte Tour, Midden Tour en Zware Tour. In deze klassen wordt altijd gereden in een wedstrijdring van 20x60m. Het uitleggen van een dergelijke ring in een indooraccommodatie van 21x45m sowieso onmogelijk. De klassen Z1, Z2, ZZ-Licht mogen wel in een wedstrijdring van 20x40m georganiseerd worden, maar omdat deze rubrieken in dat geval niet voor winst en/of verliespuntenregistratie in aanmerking kunnen komen, wordt dit in de praktijk bijna nooit gedaan.

Onder de klassen B t/m M2 vallen de klassen B, L1, L2, M1 en M2.

Een ondoorbroken afzetting van een ring is een afzetting met een laag hek van ongeveer 30cm hoog, de zogenaamde ‘dressuurhekjes’. (...)

Bij de klassen B t/m M2 is een onderbroken afzetting toegestaan. Dit kan zijn door middel van dezelfde dressuurhekjes, maar dan geplaatst met tussenruimten. Of door middel van het alleen plaatsen van een prikbordje (wordt in de bodem geprikt) met de letter op de juiste plek in de ring.”

4. Het geschil

in de hoofdzaak

4.1. [eiseres in hoofdzaak] vordert samengevat - veroordeling van Leeuweneiland tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met rente vanaf 17 mei 2010 en buitengerechtelijke kosten en met veroordeling van Leeuweneiland in de proceskosten.

4.2. Ter onderbouwing van haar vordering stelt [eiseres in hoofdzaak] het volgende:

- De in de advertentie toegezegde afmetingen van de binnenrijhal zijn onjuist. De werkelijke afmetingen wijken af van de voor de uitoefening van een manegebedrijf en dressuurstal vereiste afmetingen van 20m x 40m. De binnenrijhal is te breed en te kort.

- [eiseres in hoofdzaak] hoefde niet te twijfelen aan de juistheid van de in de advertentie vermelde afmetingen en zij heeft bij de aankoop kenbaar gemaakt dat de binnenrijhal gebruikt zou worden voor dressuurwedstrijden en voor het gedeelte van 5m x 20m voor opslag van hooi en stro.

- Bij het woonhuis is sprake van een lekkend dak en van lekkende ramen en de door VMK toegezegde reparatie van die gebreken heeft niet plaatsgevonden. Na de levering van het paardenobject zijn in de stal scheuren ontdekt, die het gevolg blijken te zijn van een constructiefout.

- Het paardenobject beantwoordt niet aan de koopovereenkomst in de zin van artikel 7:17 BW, althans Leeuweneiland heeft onrechtmatig jegens [eiseres in hoofdzaak] gehandeld, althans [eiseres in hoofdzaak] heeft gedwaald.

- Leeuweneiland is gehouden de schade die [eiseres in hoofdzaak] dientengevolge lijdt te vergoeden. De schade bestaat in ieder geval uit de kosten voor het vervangen van de ruiten ad € 6.640,09, het verhelpen van de daklekkage ad € 795,-, het repareren van de scheuren ad € 21.953,48 en het verlengen en versmallen van de rijbaan ad € 73.972,40. De kosten met betrekking tot het aanvragen van de benodigde bouwvergunningen en het verlies aan omzet kan pas na de verbouwing worden vastgesteld.

- Leeuweneiland is vanaf 17 mei 2010 in verzuim en vanaf die datum wettelijke rente verschuldigd. Ook is Leeuweneiland de redelijke kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid verschuldigd.

4.3. Leeuweneiland voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak

4.4. Leeuweneiland vordert - samengevat - dat VMK wordt veroordeeld om aan haar te betalen al hetgeen waartoe zij in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van VMK in de kosten van de vrijwaring, te vermeerderen met wettelijke rente.

4.5. Ter onderbouwing van haar vordering stelt Leeuweneiland het volgende:

- Indien en voor zover de afmetingen van de binnenrijhal en/of de staat van het paardenobject afwijken van hetgeen [eiseres in hoofdzaak] mocht verwachten, is VMK jegens Leeuweneiland tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de bemiddelingsovereenkomst.

- VMK heeft niet de vereiste mate van zorgvuldigheid betracht. Het behoort tot de gebruikelijke werkzaamheden van een makelaar om de afmetingen van een te verkopen onroerende zaak op te meten. Bovendien heeft VMK de eventuele gebreken en/of de toezeggingen tot herstel daarvan niet aan Leeuweneiland doorgeleid. VMK is gehouden de schade die Leeuweneiland dientengevolge lijdt, te vergoeden.

4.6. VMK voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

in de hoofdzaak

Non-conformiteit

5.1. Het paardenobject moet op moment van levering de eigenschappen bezitten die [eiseres in hoofdzaak] op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Wat [eiseres in hoofdzaak] mocht verwachten is afhankelijk van de aard van de zaak en de mededelingen die Leeuweneiland (via VMK) over de zaak heeft gedaan. [eiseres in hoofdzaak] stelt dat het paardenobject niet de eigenschappen bezit die zij mocht verwachten, omdat de werkelijke afmetingen van de binnenrijhal afwijken van de in de advertentie vermelde afmetingen, in het woonhuis het dak en een aantal ramen lekken en er is sprake van een constructiefout in de fundering van de stal. Leeuweneiland betwist een en ander.

De binnenrijhal

5.2. De in de advertentie (zie 3.2.) vermelde afmetingen van de binnenrijhal zijn onjuist. [eiseres in hoofdzaak] mocht uitgaan van de juistheid van die mededeling. In de tekst van de advertentie is immers geen sprake van een indicatie van de afmetingen. Dat bij de onderhandelingen mogelijk is aangegeven dat de koop plaatsvond op basis van “what you see is what you get” doet bovendien geen afbreuk aan een verwachting die door een eerder gedane mededeling is gewekt.

5.3. Leeuweneiland doet een beroep op artikel 7:17 lid 6 BW. Ingevolge dat artikel wordt bij de koop van onroerend goed vermelding van oppervlakte vermoed slechts als aanduiding bedoeld te zijn (en dus niet als “conformiteitseis”). De wetsgeschiedenis (Parlementaire Geschiedenis Boek 7, titels 1, 7, 9 en 14, 1991, p. 119 e.v.) biedt geen aanknoping om de vermelding van de afmetingen van een onderdeel van een onroerende zaak, zoals thans het geval is met de binnenrijhal, van genoemd artikel uit te sluiten. Ook het vonnis van de rechtbank Arnhem van 15 oktober 2008 (LJN: BH1455) waarnaar [eiseres in hoofdzaak] verwijst, geeft daartoe geen aanleiding. Dit brengt mee dat het op de weg van [eiseres in hoofdzaak] ligt om het wettelijk vermoeden van artikel 7:17 lid 6 BW te weerleggen en aan te tonen dat de vermelde afmetingen van de binnenrijhal wél tot de door haar redelijkerwijs te verwachten eigenschappen van het gekochte moeten worden gerekend. Daarvan is sprake indien [eiseres in hoofdzaak] in voldoende mate (via VMK) aan Leeuweneiland heeft laten blijken dat de afmetingen van de binnenrijhal voor haar van essentieel belang waren.

5.4. Uit de e-mail van 20 mei 2009 (zie 3.4.) blijkt dat [eiseres in hoofdzaak] aan VMK heeft gemeld dat zij het paardenobject wilde gaan gebruiken als verkoopstal en dat zij in de binnenrijhal een ruimte van 5m bij 20m voor de opslag van hooi en stro wilde realiseren. Uit die e-mail volgt niet dat de afmetingen van de binnenrijhal overigens voor haar van essentieel belang waren. [eiseres in hoofdzaak] heeft ter comparitie verklaard dat zij bij haar bezichtiging de afmetingen en/of het gebruik van de binnenrijhal niet aan de orde heeft gesteld en dat zij niet weet of dat bij de andere namens haar gedane bezichtiging(en) wel is gebeurd. Volgens [eiseres in hoofdzaak] was dat ook niet nodig, omdat zij vóór de eerste bezichtiging telefonisch aan VMK heeft meegedeeld dat zij het paardenobject onder meer wilde gebruiken voor (de training voor) dressuurwedstrijden en omdat zij per e-mail de gewenste opslagruimte aan VMK kenbaar had gemaakt. Leeuweneiland voert aan dat [eiseres in hoofdzaak] niet expliciet aan VMK kenbaar heeft gemaakt dat zij het paardenobject mede voor dressuurwedstrijden wilde gebruiken en dat het mogelijk is om in de binnenrijhal zowel de gewenste opslagruimte als de gewenste dressuurfaciliteiten te realiseren.

5.5. Het Wedstrijdreglement Dressuur van de KNHS (zie 3.10. en 3.11.) bevat voorschriften voor de afmetingen van een terrein waar dressuurwedstrijden worden gehouden. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres in hoofdzaak] niet mocht verwachten dat in de binnenrijhal wedstrijden voor de hogere en internationale klassen konden worden gehouden. De officiële afmetingen voor een terrein waar dergelijke wedstrijden worden gehouden zijn 20m bij 60m en daarmee groter dan de in de advertentie vermelde afmetingen. Voor de dressuurwedstrijden in de lagere klassen volgt uit het genoemde wedstrijdreglement dat de officiële afmetingen van een terrein 20m bij 40m zijn en dat afzetting van een groter terrein met een dressuurring is toegestaan. De werkelijke afmetingen van de binnenrijhal zijn 21,2m bij 45,5m. Dit betekent dat het mogelijk is om in de binnenrijhal, via een dressuurring van 20m bij 40m, een wedstrijdterrein voor dressuur te realiseren en dat daarnaast voldoende ruimte resteert voor een opslagruimte van 20m bij 5m.

5.6. Ter comparitie heeft [eiseres in hoofdzaak] verklaard dat afzetting van de binnenrijhal met een dressuurring onhandig en optisch onaantrekkelijk is. [eiseres in hoofdzaak] heeft evenwel niet gesteld dat zij aan VMK kenbaar heeft gemaakt dat het voor haar van essentieel belang was dat de binnenrijhal precies 20 meter breed was om afzetting daarvan voor dressuurwedstrijden te voorkomen. Gelet op het vorenstaande heeft [eiseres in hoofdzaak] niet het wettelijk vermoeden van artikel 7:17 lid 6 BW weerlegd. De omstandigheid dat de in de advertentie vermelde afmetingen onjuist zijn, maakt dus niet dat er sprake is van non-conformiteit.

De scheurvorming

5.7. [eiseres in hoofdzaak] stelt dat er in de stal sprake is van scheurvorming die het gevolg blijkt te zijn van een constructiefout, zodat de stal dientengevolge niet de eigenschappen bezit die zij daarvan mocht verwachten.

5.8. [eiseres in hoofdzaak] mag verwachten dat de stal de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan zij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. Dat de scheurvorming van dien aard is dat de stal die eigenschappen niet bezit, staat niet vast. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst [eiseres in hoofdzaak] naar de als productie 10 bij de dagvaarding overgelegde offerte. Uit die, niet gedateerde, offerte blijkt evenwel niet dat de scheurvorming het gevolg is van een constructiefout die ten tijde van de levering al aanwezig was. Nu [eiseres in hoofdzaak] niet aan haar stelplicht heeft voldaan, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

Het lekkend dak en de lekkende ramen

5.9. Ter comparitie heeft [eiseres in hoofdzaak] verklaard dat zij bij de bezichtiging heeft gezien dat er sprake was van een lekkend dak en van lekkende dubbele ramen en dat zij toen met VMK heeft afgesproken dat die gebreken bij de levering zouden zijn verholpen. Indien de gestelde herstelafspraak inderdaad gemaakt is, beantwoordt de woning niet aan de overeenkomst.

5.10. VMK heeft het bestaan van de herstelafspraak ter comparitie betwist en zij heeft verwezen naar artikel 5.1. van de koopovereenkomst waarin (onvoorwaardelijk) bepaald is dat de feitelijke levering van het paardenobject zal geschieden in de staat waarin het zich bij de totstandkoming van die overeenkomst bevond. In het licht van die gemotiveerde betwisting heeft [eiseres in hoofdzaak] onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die het bestaan van de van de koopovereenkomst afwijkende afspraak onderbouwen. In de dagvaarding heeft [eiseres in hoofdzaak] niet gesteld op welke wijze en wanneer de herstelafspraak zou zijn gemaakt en dit volgt evenmin uit de e-mail die [eiseres in hoofdzaak] na de inspectie heeft opgesteld (zie 3.8.). Ter comparitie heeft [eiseres in hoofdzaak] gesteld dat VMK bij de bezichtiging gezegd zou hebben dat het herstel verzekeringswerk was, maar die opmerking, zo die reeds is gedaan, is op zichzelf onvoldoende om een toezegging tot herstel van de gebreken aan te nemen. Nu [eiseres in hoofdzaak] niet aan haar stelplicht heeft voldaan, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

Dwaling en onrechtmatige daad

5.11. [eiseres in hoofdzaak] heeft ten aanzien van de lekkages aan de woonhuis en de scheurvorming in de stal het beroep op dwaling en/of onrechtmatige daad niet onderbouwd, zodat aan een inhoudelijke beoordeling niet wordt toegekomen.

5.12. Voor dwaling ten aanzien van binnenrijhal is vereist dat Leeuweneiland moest begrijpen dat de omstandigheid waaromtrent werd gedwaald (in dit geval de afmetingen van de binnenrijhal) voor [eiseres in hoofdzaak] essentieel was om over te gaan tot contractssluiting. Zoals hiervoor in 5.4. t/m 5.6. is overwogen, heeft [eiseres in hoofdzaak] daartoe onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd. Het beroep op dwaling faalt derhalve.

5.13. De enkele omstandigheid dat de advertentie een onjuiste mededeling bevat over de afmetingen van de binnenrijhal is onvoldoende om onrechtmatig handelen aan te nemen. Daartoe zijn aanvullende feiten en omstandigheden vereist. [eiseres in hoofdzaak] heeft daartoe niets gesteld en uit het vorenstaande volgen dergelijke feiten en omstandigheden niet.

Slotsom

5.14. De slotsom is dat de vordering van [eiseres in hoofdzaak] zal worden afgewezen. [eiseres in hoofdzaak] zal als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Leeuweneiland worden begroot op:

- griffierecht € 560,-

- salaris advocaat (2,0 punten tarief à € 894,-) € 1.788,- +

Totaal € 2.348,-.

Volgens vaste jurisprudentie blijven de kosten van de vrijwaringsprocedure voor rekening van Leeuweneiland.

in de vrijwaringszaak

5.15. Nu de vordering in de hoofdzaak niet toewijsbaar is, moet de vordering in de zaak in vrijwaring worden afgewezen.

5.16. Leeuweneiland zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van VMK worden begroot op:

- griffierecht € 568,-

- salaris advocaat (2,0 punten tarief à € 894,-) € 1.788,- +

Totaal € 2.356,-.

5.17. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook op de navolgende wijze worden toegewezen.

6. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

6.1. wijst de vordering af,

6.2. veroordeelt [eiseres in hoofdzaak] in de proceskosten, aan de zijde van Leeuweneiland tot op heden begroot op € 2.348,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis,

in de vrijwaringszaak

6.3. wijst de vordering af,

6.4. veroordeelt Leeuweneiland in de proceskosten, aan de zijde van VMK tot op heden begroot op € 2.356,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis,

6.5. veroordeelt Leeuweneiland in de kosten die na dit vonnis zullen ontstaan, begroot op € 131,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis,

6.6. verklaart de in 6.4. en 6.5. bedoelde kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2012.?