Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BW8703

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
29-05-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
AWB 12/515 AWB 12/516
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wettelijk kader: 16:1 CAR-UWO

Samenvatting: toegewezen verzoek om vovo bij disciplinair ontslag na strafrechtelijke voorlopige hechtenis; afwijzing verzoek ten aanzien van schorsing, gelet op de betrokken belangen.

Verweerder merkt, gelet op het bestreden besluit en de toelichting ter zitting, als plichtsverzuim aan dat verzoekster de sleutel van haar woning aan haar broer heeft verstrekt. Nu niet is gesteld of anderszins is gebleken dat verzoekster kon weten of redelijkerwijs kon vermoeden dat deze broer haar sleutel zou misbruiken voor criminele handelingen, is deze handelwijze niet als plichtsverzuim in de zin van artikel 16:1:1 van de CAR-UWO aan te merken. In het maatschappelijk verkeer is het niet ongebruikelijk dat aan familieleden een extra sleutel van de eigen woning wordt verstrekt. Verweerder heeft niet onderbouwd dat verzoekster kon weten of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij haar verplichtingen jegens verweerder zou schenden door deze handelwijze.

Niet gebleken is dat de vondst van granaten op het terrein van verweerder en het gooien van een brandbom enige relatie heeft de vondst van wapens en munitie in de woning van verzoekster. Dat verweerder sinds die incidenten verhoogde aandacht heeft voor de veiligheid van de eigen medewerkers en dat in dat licht de vondst van wapens en munitie in de woning van verzoekster als extra ongewenst wordt beschouwd, is niet onbegrijpelijk, maar kan zonder nadere onderbouwing niet als verzwarende omstandigheid ten nadele van verzoekster worden uitgelegd, zonder dat duidelijk is of haar een persoonlijk verwijt van haar aanhouding kan worden gemaakt. Niet gebleken is dat de verklaring van verzoekster, namelijk dat de wapens en munitie bij haar in de kruipruimte waren verstopt en dat haar broer dit buiten haar medeweten heeft gedaan, onjuist is. Voorts is evenmin gebleken dat de onduidelijkheid over het strafrechtelijk traject en het strafrechtelijk verwijt dat verzoekster wordt gemaakt, aan verzoekster zijn toe te rekenen. De bestaande onduidelijkheid is echter geen voldoende draagkrachtige motivering voor een ingrijpend besluit als het onderhavige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummers: AWB 12/515, AWB 12/516

uitspraak van de voorzieningenrechter

in het geding tussen

[naam 1], wonende te [woonplaats], verzoekster,

gemachtigde: mr. J. van der Stel, advocaat te Dordrecht,

en

[naam 2], verweerder,

gemachtigde: mr. [naam 3], werkzaam bij [naam 4],

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 23 december 2011 heeft verweerder verzoekster geschorst in de uitoefening van haar functie van [functie] bij het [naam 5].

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij faxbericht van 2 februari 2012 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Verweerder heeft verzoekster bij besluit van 27 maart 2012 bij wijze van disciplinaire sanctie ontslag verleend.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij faxbericht van 2 mei 2012 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van 2 mei 2012 heeft verzoekster verzoeken om voorlopige voorziening betreffende voormelde besluiten ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht. Deze procedures zijn geregistreerd respectievelijk onder nummer AWB 12/515 en AWB 12/516.

De verzoeken om voorlopige voorziening zijn op 14 mei 2012 ter zitting behandeld.

Verzoekster is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Tevens zijn verschenen [naam 6 ], en [naam 7], ambtenaren werkzaam bij het [naam 5].

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Artikel 8:15:1 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de Uitwerkingsovereenkomst (hierna: CAR-UWO) luidt als volgt:

1.Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar door het college worden geschorst:

a.wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan;

b.wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering een bevel tot inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten uitvoer gelegd;

c.wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf wordt ingesteld;

d.in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het belang van de dienst.

2.Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:

a.een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat;

b.een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid bedoelde omstandigheid of omstandigheden welke tot de schorsing aanleiding heeft of hebben gegeven;

c.een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing.

Artikel 8:13 van de CAR-UWO luidt als volgt:

Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend worden.

Artikel 16:1:1 van de CAR-UWO luidt als volgt:

1.De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de tweede titel van de Ambtenarenwet, kan deswege disciplinair worden gestraft.

1.Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

2.2. De bestreden besluiten

Het besluit tot schorsing (AWB 12/515) is door verweerder gemotiveerd door verwijzing naar de aanhouding van verzoekster in verband met de vondst van wapens in haar woning.

In het besluit tot disciplinair ontslag (AWB 12/516) heeft verweerder als volgt overwogen. De broer van verzoekster heeft wapens en munitie in haar woning verborgen en heeft zich met behulp van de door verzoekster verstrekte reservesleutel de toegang tot haar woning verschaft om dit te doen. Verzoekster heeft met het verstrekken van de sleutel het risico genomen dat haar broer haar zou kunnen betrekken bij strafbare feiten. Zij is niet voldoende zorgvuldig geweest door geen afstand te houden tussen haar en haar broer, die zich bezig houdt met criminele activiteiten. Verzoeksters stelling dat ze niet hoefde te verwachten dat haar broer haar vertrouwen zou beschamen, is onjuist gebleken. Dat verzoekster niet strafrechtelijk is veroordeeld en dat van de onschuldpresumptie dient te worden uitgegaan, laat onverlet dat verweerder een eigen verantwoordelijkheid heeft om een eigen oordeel te vormen over de vraag of verzoekster schuldig is aan plichtsverzuim en op grond daarvan een sanctie dient te krijgen. Dat de overheid in het algemeen en [naam 5] (hierna: [afkorting naam 5]) in het bijzonder, niet in verband zijn gebracht met criminele activiteiten en dat de reputatie van de [afkorting naam 5] niet is geschaad, wordt door verweerder niet gevolgd. Op het moment dat de zaak aan de rechter wordt voorgelegd kan het dienstverband van verzoekster bij de [afkorting naam 5] alsnog openbaar worden. Dat verzoekster in haar functie van [functie] geen publieke taak vervult en dat de aanhouding niet heeft plaatsgevonden op publiek terrein, is voor verweerder niet relevant, nu verzoekster een ambtenaar is van het [afkorting naam 5] en door haar uniform als zodanig herkenbaar is.

Bij de opgelegde sanctie speelt een rol dat op [datum 1] en [datum 2] een granaat is gevonden op het parkeerterrein van het [afkorting naam 5] naar aanleiding van een bommelding. Voorts weegt verweerder mee dat op [datum 3] een brandbom door een raam van het [afkorting naam 5] naar binnen is gegooid. Deze omstandigheden hebben ertoe geleid dat verweerder zich maximaal heeft ingezet om de veiligheid van de ambtenaren zo veel als mogelijk is, te waarborgen. Het feit dat juist bij een ambtenaar van de [afkorting naam 5] wapens en munitie zijn gevonden, weegt daardoor extra zwaar. Het vertrouwen in verzoekster is daardoor onherstelbaar beschadigd. De opgelegde sanctie is geen onevenredig zware straf, nu de reputatie en de veiligheid van de overheid in het algemeen en die van de [afkorting naam 5] in het bijzonder, hoog in het vaandel staan. Ambtenaren dienen van onbesproken gedrag te zijn en verweerder tolereert niet dat hij in verband met strafbare feiten wordt gebracht. Bij overplaatsing of voorwaardelijk ontslag zou de aanstelling van verzoekster worden gecontinueerd, dit acht verweerder onjuist. Dat verzoekster zwaarwegende belangen heeft bij voortduren van de aanstelling als alleenstaande moeder met twee kinderen, haar functie naar tevredenheid heeft vervuld, dat ze hulp gezocht heeft bij maatschappelijk werk om het gebeurde te verwerken en dat zij alle banden met haar broer verbroken heeft, acht verweerder geen omstandigheden op grond waarvan het belang van verzoekster zwaarder zou moeten wegen dan het belang van verweerder.

Ter zitting heeft verweerder gesteld dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen, nu niet waarschijnlijk is dat zij inkomsten zal derven als gevolg van het ontslag, gelet op de schuldsaneringsregeling die op haar van toepassing is. Daarnaast heeft verweerder verklaard dat door buurtbewoners van verzoekster naar verweerder is gebeld met de vraag of verzoekster wel in dienst kon blijven bij verweerder, nu zij was aangehouden voor wapenbezit.

2.3. De gronden van het verzoek

Verzoekster kan zich met de bestreden besluiten niet verenigen. Tegen het besluit tot schorsing heeft verzoekster het volgende naar voren gebracht. Het besluit voldoet niet aan het bepaalde in artikel 8;15:1, tweede lid, aanhef en onder c, van de CAR-UWO nu de duur van de schorsing onvoldoende nauwkeurig is en naar willekeur kan worden verlengd. Het onderzoek is voortijdig geëindigd en ten onrechte is verzoekster niet gehoord voordat het besluit genomen is. Bij het gehoor op 17 januari 2012 is bij aanvang direct gezegd dat schorsing gehandhaafd blijft. De aanzegging vond plaats voordat verzoekster over de feiten is gehoord. Dat getuigt van vooringenomenheid. Voorts was de in het besluit genoemde schorsingsgrond niet meer aanwezig, nu de voorlopige hechtenis van verzoekster met ingang van 12 januari 2012 is geschorst. Het bestreden besluit is in strijd met de proportionaliteit, nu verzoekster een alleenstaande moeder is, haar functie steeds naar tevredenheid heeft vervuld, zij zich altijd volledig heeft ingezet en de omstandigheden grote impact op verzoekster hebben gehad. Zij heeft alle banden met haar broer verbroken zodat er ook geen reële vrees voor herhaling is.

Tegen het besluit tot disciplinair ontslag heeft verzoekster in bezwaar het volgende naar voren gebracht. Ten onrechte heeft verweerder geen gedegen onderzoek gedaan naar de verweten gedragingen. Dit was noodzakelijk geweest, nu verzoekster de feiten waarvoor zij is aangehouden, nadrukkelijk ontkent. Verzoekster verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 augustus 2011, LJN BR5553. Verzoekster heeft zich niet schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Zij heeft zich wel degelijk gedragen zoals van een goed ambtenaar mag worden verwacht. Verzoekster heeft in goed vertrouwen haar broer toegang tot de woning verschaft door hem een reservesleutel van de woning te geven. Het betrof een sleutel voor met name noodgevallen. Het is niet ongebruikelijk om voor noodgevallen een sleutel aan familieleden af te geven. De broer kwam niet dagelijks bij verzoekster over de vloer. Hij heeft eenmalig misbruik van de situatie gemaakt door zonder medeweten van verzoekster voor korte duur wapens en munitie in de kruipruimte van haar woning op te slaan. De wapens en munitie waren niet zichtbaar opgeslagen in een ruimte in een woning waar een gemiddeld mens nauwelijks komt. Verzoekster hoefde niet te verwachten daar haar vertrouwen door familie op zodanige wijze zou worden beschaamd. Ze heeft direct alle banden met haar broer verbroken. Verzoekster heeft niet strafrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Zij is ook niet strafrechtelijk veroordeeld, zodat van de onschuldpresumptie dient te worden uitgegaan. De voorlopige hechtenis van verzoekster is op 12 januari 2012 geschorst. Verzoekster heeft haar volledige medewerking verleend aan het onderzoek door het [afkorting naam 5]. Zij heeft het [afkorting naam 5] op 6 februari 2012 toestemming verleend om bij het Openbaar Ministerie navraag te doen. Verzoekster heeft door haar handelswijze de overheid en het [afkorting naam 5] niet in verband gebracht met criminele activiteiten en de reputatie van de overheid en het [afkorting naam 5] zijn niet geschaad. Daarnaast hebben de feiten zich volledig in de privésfeer afgespeeld en hebben zij geen enkele betrekking of invloed op de aanstelling van verzoekster gehad. Een beweerdelijk kans op reputatieschade is niet reëel en biedt geen deugdelijke grond voor disciplinair ontslag. De kring van mensen die weet dat verzoekster werkzaam is voor het [afkorting naam 5] is zeer beperkt. Daarnaast gelooft deze beperkte kring in de onschuld van verzoekster en is er geen enkel verband met het [afkorting naam 5] gelegd. Verzoekster is al jarenlang werkzaam voor het [afkorting naam 5] en kan onvoorwaardelijk worden vertrouwd. Verweerder heeft gesteld dat de incidenten met de granaat in [verwijzing naar datum 1 & datum 2] en de brandbom in [verwijzing naar datum 3] een rol hebben gespeeld. Verzoekster ontkent echter dat zij betrokkenheid heeft gehad bij die gebeurtenissen, zodat deze gebeurtenissen niet relevant behoren te zijn in het kader van het onderhavige besluit.

Het ontslag is niet in overeenstemming met het beweerdelijk gepleegde plichtsverzuim en gelet op de omstandigheden is er sprake van een onevenredige bestraffing. Verweerder had ervoor kunnen kiezen verzoekster een minder verstrekkende straf op te leggen.

Verzoekster heeft zwaarwegende belangen bij voortduring van haar aanstelling en de mogelijkheid haar werkzaamheden te verrichten. Zij is een alleenstaande moeder met twee kinderen, die haar functie altijd naar tevredenheid van het [afkorting naam 5] heeft vervuld en bovengemiddeld hard heeft gewerkt. De feiten hebben een grote impact op verzoekster gehad. Verzoekster heeft direct alle banden met haar broer verbroken, zodat er ook geen reële vrees voor herhaling bestaat.

2.4. De beoordeling door de voorzieningenrechter

2.4.1. Ten aanzien van het besluit van 27 maart 2012 tot disciplinair ontslag van verzoekster, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Nu verzoekster bij wijze van disciplinaire straf is ontslagen met ingang van [datum ontslag] volgt reeds uit de aard van het besluit dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening.

Ingevolge vaste jurisprudentie omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Verweerder merkt, gelet op het bestreden besluit en de toelichting ter zitting, als plichtsverzuim aan dat verzoekster de sleutel van haar woning aan haar broer heeft verstrekt. Nu niet is gesteld of anderszins is gebleken dat verzoekster kon weten of redelijkerwijs kon vermoeden dat deze broer haar sleutel zou misbruiken voor criminele handelingen, is deze handelwijze niet als plichtsverzuim in de zin van artikel 16:1:1 van de CAR-UWO aan te merken. In het maatschappelijk verkeer is het niet ongebruikelijk dat aan familieleden een extra sleutel van de eigen woning wordt verstrekt. Verweerder heeft niet onderbouwd dat verzoekster kon weten of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij haar verplichtingen jegens verweerder zou schenden door deze handelwijze.

Niet gebleken is dat de vondst van granaten op het terrein van verweerder en het gooien van een brandbom enige relatie heeft de vondst van wapens en munitie in de woning van verzoekster. Dat verweerder sinds die incidenten verhoogde aandacht heeft voor de veiligheid van de eigen medewerkers en dat in dat licht de vondst van wapens en munitie in de woning van verzoekster als extra ongewenst wordt beschouwd, is niet onbegrijpelijk, maar kan zonder nadere onderbouwing niet als verzwarende omstandigheid ten nadele van verzoekster worden uitgelegd, zonder dat duidelijk is of haar een persoonlijk verwijt van haar aanhouding kan worden gemaakt. Niet gebleken is dat de verklaring van verzoekster, namelijk dat de wapens en munitie bij haar in de kruipruimte waren verstopt en dat haar broer dit buiten haar medeweten heeft gedaan, onjuist is. Voorts is evenmin gebleken dat de onduidelijkheid over het strafrechtelijk traject en het strafrechtelijk verwijt dat verzoekster wordt gemaakt, aan verzoekster zijn toe te rekenen. De bestaande onduidelijkheid is echter geen voldoende draagkrachtige motivering voor een ingrijpend besluit als het onderhavige.

Er is derhalve op dit moment niet gebleken dat verzoekster plichtsverzuim heeft gepleegd, zodat verweerder niet bevoegd was het bestreden besluit te nemen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding voor het schorsen van het bestreden besluit. Volledigheidshalve zij er op gewezen dat deze schorsing inhoudt dat verweerder gehouden is aan verzoekster uitbetalingen te doen ter hoogte van haar salaris.

2.4.2. Ten aanzien van het besluit van 23 december 2011 overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Nu er aanleiding is het besluit van 27 maart 2012 te schorsen, heeft verzoekster een spoedeisend belang bij beoordeling van het verzoek gericht tegen het besluit van 23 december 2011.

Niet in geschil is dat verzoekster in voorlopige hechtenis is gehouden ter zake van de verdenking van een strafbaar feit, zodat verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:15:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de CAR-UWO bevoegd was verzoekster te schorsen. Niet is gebleken dat verweerder daarbij een onevenredige belangenafweging heeft gemaakt. Nu de voorlopige hechtenis van verzoekster is opgeheven, is in het kader van het bezwaar, de vraag of verweerder de schorsing, gelet op de in aanmerking te nemen belangen, op dit moment kan handhaven.

Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij in [maand en jaartal] moet verschijnen voor de strafrechter. Reeds hierom heeft verweerder de mogelijkheid de schorsing van verzoekster te handhaven. Ook gelet op de onduidelijkheid ten aanzien van het strafrechtelijk verwijt dat verzoekster wordt gemaakt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van verweerder bij het niet toelaten van verzoekster tot haar werk zwaarder dienen te wegen dan de belangen van verzoekster bij het kunnen hervatten van haar werkzaamheden.

Het verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van dit besluit wordt derhalve afgewezen.

2.4.3. Nu het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen, dient verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 8:82, vierde lid, van de Awb, het door verzoekster betaalde griffierecht te vergoeden.

2.4.4. De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:84, vierde lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,-- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,-- en wegingsfactor 1). De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoekster nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat verzoekster procedeert op basis van een toevoeging, dient voormeld bedrag aan proceskosten aan de griffier van de rechtbank te worden betaald.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening met procedurenummer AWB 12/516 toe;

- schorst het bestreden besluit van 27 maart 2012 tot zes weken na verzending van het besluit op bezwaar;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 156 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 874 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan de griffier van de rechtbank;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening met procedurenummer AWB 12/515 af.

Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzieningenrechter, en door deze en mr. M.L. Bosman-Schouten, griffier, ondertekend.