Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BW4478

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
85664 / HA ZA 10-2178
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gemeente heeft tegen een eigenaar van een schip met plannen om tot exploitatie daarvan te komen (woonvormen) gedurende een aantal jaren steeds nieuwe bezwaren opgeworpen, maar uiteindelijk geen besluiten in stand gelaten..

De intrekking van besluiten door de gemeente berust niet op gewijzigde inzichten binnen een aan de gemeente toekomende beleidsvrijheid, maar uit een erkenning dat de eerdere besluiten juridisch niet houdbaar waren. Dit is onrechtmatig op gelijke wijze als wanneer een rechter de besluiten om die reden zou vernietigen.

Schadevergoeding: benoeming deskundige. Het komt op de voet van art. 6:97 BW geraden voor om tot een abstracte en niet tot een concrete schadeberekening te komen, zij het met uitzondering van de maandelijkse exploitatiekosten, die eenvoudig zijn vast te stellen en die de deskundige ook nader dient te bezien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 85664 / HA ZA 10-2178

Vonnis van 25 april 2012

in de zaak van

1. [eiser 1]

wonende te Amsterdam,

2. [eiser 2]

wonende te Rossum,

eisers,

advocaat mr. M.J. van Dam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DORDRECHT,

zetelend te Dordrecht,

gedaagde,

advocaat mr. V.J. Groot.

Vanwege de leesbaarheid, zal hierna de naam “de gemeente Dordrecht” ook worden gebezigd als het om een bestuursorgaan of een medewerker van de gemeente Dordrecht gaat. Eisers zullen wederom [eisers] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 september 2011.

- de akte van [eisers]

- de antwoordakte van de Gemeente Dordrecht.

2. De verdere beoordeling

2.1. Na tussenvonnis hebben partijen hun standpunten bij akten nader toegelicht, waarbij door [eisers] een groot aantal verklaringen en andere producties is ingebracht.

In samenhang met de bestaande feiten, de nadere stellingen van [eisers] en de betwistingen daarvan zijdens de gemeente Dordrecht wordt het volgende overwogen.

2.2. De gemeente Dordrecht heeft bij brief van 1 september 2003 aan [eisers] medegedeeld dat [het schip] niet gebruikt mocht worden voor "woondoeleinden of (de zeer ruime) functie ‘maatschappelijke doeleinden’” omdat dat strijdig zou zijn met het bestemmingsplan.

2.3. De brief van de advocaat van [eisers] van 3 november 2003 bevat een zeer gemotiveerde betwisting van het standpunt van de gemeente Dordrecht dat het bestemmingsplan zou verbieden dat [het schip] een woonfunctie zou krijgen. Voorts wordt daarin aan de gemeente Dordrecht verzocht om aan te geven welk concreet wertsartikel in de weg zou staan aan het voorgenomen gebruik als woonruimte.

2.4. Bij brief van 13 november 2003 heeft de gemeente Dordrecht mede gedeeld dat zij “op korte termijn naast de Ruimtelijke Ordening ook nadere beleidsvelden, zoals de Woningwet, Bouwbesluit, Havenverordening, eigendomsverhouding, nader (zullen) beschouwen.” Waarom dat niet al eerder had kunnen worden gedaan maakt de gemeente Dordrecht niet duidelijk. Zij wist immers al enige tijd dat [eisers] duidelijkheid over die punten van haar verlangden.

2.5. De gemeente Dordrecht heeft bij brief van 1 december 2003 haar standpunt, dat een woonbestemming ongeoorloofd was, laten varen. Evenwel meldt de gemeente Dordrecht als novum in die brief dat [het schip] geen ligplaatsvergunning heeft. Voorts deelt de gemeente Dordrecht dan mede dat er een uitsterfbeleid zou gelden voor woonschepen in de Vlijhaven, dat zou zijn vastgelegd in de zogenoemde “Arkenverordening” en dat deze verordening mogelijk zou worden uitgebreid naar de gehele gemeente, hetgeen ook van invloed zou kunnen zijn op de positie van [het schip].

2.6. De gemeente Dordrecht heeft daarna in haar brief van 10 juni 2004 (die volgens [eisers] overigens niet toen, maar pas veel later is ontvangen) het standpunt ingenomen dat de steigers waaraan [het schip] liggen illegaal zijn, dat zij verwijderd moeten worden en dat [het schip] aldaar zal moeten vertrekken.

2.7. De gemeente Dordrecht heeft bij twee brieven (besluiten) van 2 maart 2005 [eisers] aangezegd om [het schip] binnen twee maanden te verwijderen, evenwel onder verlening van een tijdelijke ontheffing tot januari 2007 voor dezelfde ligplaats.

2.8. Echter heeft de gemeente Dordrecht bij brief van 25 mei 2005 haar besluiten van 2 maart 2005 ingetrokken. De gemeente Dordrecht moest alsnog erkennen dat er al in 1975 een ligplaatsvergunning voor [het schip] was afgegeven.

2.9. Vervolgens heeft de gemeente Dordrecht bij brief van 5 juli 2005 haar eerder ingenomen standpunt, dat voor verbouwing van [het schip] een bouwverguning nodig was, ook herroepen.

2.10. De hier aan te verbinden conclusie is dat de gemeente Dordrecht langdurig tegenstrijdige en onjuiste mededelingen heeft gedaan over de publiekrechtelijke beperkingen die -in de visie van de gemeente Dordrecht- in de weg zouden hebben gestaan aan de gebruiksmogelijkheden van het schip [het schip].

2.11. De gemeente Dordrecht heeft aldus over een lange periode steeds standpunten ingenomen (besluiten genomen) waarvan zij zelf, pas na verloop van geruime tijd, moest erkennen dat die standpunten onjuist waren. De intrekking van besluiten door de gemeente Dordrecht berust hier niet op gewijzigde inzichten binnen een aan de gemeente Dordrecht toekomende beleidsvrijheid, maar uit een erkenning dat de eerdere besluiten juridisch niet houdbaar waren. Dit is onrechtmatig op gelijke wijze als wanneer een rechter de besluiten om die reden zou vernietigen.

2.12. Hierbij speelt een niet onbelangrijke rol dat de gemeente Dordrecht onevenredig veel tijd heeft genomen om tot haar standpuntbepaling(en) te komen, waarbij zij steeds weer -en dan ook nog gefaseerd- nieuwe voetangels en klemmen heeft uitgezet. In de gegeven omstandigheden is dit strijdig met de zorgvuldigheid die tegenover [eisers] zou hebben betaamd. [eisers] werden speelbal van grillige en later onjuist gebleken mededelingen en/of beslissingen. Of de gemeente Dordrecht opzettelijk [eisers] uit onvrede de voet heeft dwars gezet, (zoals [eisers] stellen) omdat het haar zelf niet was gelukt om [het schip] te verwerven, kan hier verder in het midden blijven. Ook zonder een zodanige opzettelijkheid is de onrechtmatigheid gegeven.

2.13. Nu de gemeente Dordrecht onrechtmatig heeft gehandeld, is zij verplicht de schade van [eisers] te vergoeden. [eisers] stellen dat zij [het schip] ofwel zelf wilden gaan exploiteren, ofwel met winst hadden kunnen doorverkopen. De schade kan echter maar één van deze twee activiteiten betreffen. Uit de schadeopstelling van [eisers] leidt de rechtbank af dat [eisers] zijn schade baseert op misgelopen winst op vertraging bij verkoop en de daardoor langdurig gedragen exploitatiekosten. De rechtbank zal daar dan ook verder van uitgaan.

2.14. Vastgesteld moet mitsdien worden of potentiële kopers hebben afgehaakt wegens de handelwijze van de gemeente Dordrecht. Volgens [eisers] zou uit een brief van makelaar Waltmann & Co Bedrijfshuisvesting volgen dat er meerdere potentiële kopers hebben afgehaakt. Deze stelling vindt echter geen steun in het -door [eisers] zelf overgelegde- onderzoeksrapport van 5 september 2006 van Interseco. Blijkens dit rapport is onderzoek gedaan naar de identiteit van de potentiële kopers maar kon, na overleg met voormeld makelaarskantoor, alleen de persoon [betrokkene 1] als potentiële koper worden achterhaald. Voorts maakt [eisers] er zelf al gewag van dat [betrokkene 1] afhaakte mede vanwege een bij [betrokkene 1] gecontateerde ziekte (akte na tussenvonnis, blz. 7). Het causaal verband valt op dergelijke wijze niet eenvoudig vast te stellen. Weliswaar noemen [eisers] in hun akte na tussenvonnis ook diverse andere namen van gegadigden, maar hoe die zich dan verhouden tot die ene naam [betrokkene 1] in het rapport van Interseco, is niet voldoende duidelijk geworden.

2.15. Het komt op de voet van art. 6:97 BW daarom geraden voor om tot een abstracte en niet tot een concrete schadeberekening te komen, zij het met uitzondering van de maandelijkse exploitatiekosten, die eenvoudig zijn vast te stellen en die de deskundige ook nader dient te bezien. De rechtbank wil zich laten voorlichten door een daartoe te benoemen deskundig scheepsmakelaar, teneinde te onderzoeken hoe snel een schip als [het schip] in de periode 25 mei 2004 tot en met 13 december 2006 (vide rov. 6.4 en 6.5 in het tussenvonnis d.d. 21 september 2011) verkocht had kunnen worden, en zo ja, tegen welke prijs, uitgaand van een redelijk handelend koper en een redelijk handelend verkoper, dit uitdrukkelijk onder weglating van alle beperkingen die de gemeente Dordrecht heeft opgeworpen en later weer heeft prijs gegeven. [eisers] zullen het aan die deskundige toekomende voorschot dienen te betalen.

2.16. Er zal worden bepaald, dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 juni 2012 voor het nemen van een akte, eerst door [eisers], waarin zij zich kunnen uitlaten over deskundigenrapportage, de naam van een deskundige kunnen noemen en de eventueel verder aan die deskundige voor te leggen vragen kunnen formuleren. De gemeente Dordrecht zal daarop dan mogen reageren.

2.17. Het zou echter de voorkeur verdienen indien partijen zich hierover met hun raadslieden onderling verstaan, opdat wellicht tot een snelle benoeming van de deskundige en de aan hem eventueel nader te stellen vragen kan worden besloten.

De rechtbank zou er geen bezwaar tegen hebben, indien partijen gezamenlijk in het kader van de regie een comparitie zouden wensen, teneinde al deze zaken te bespreken, of zelfs om een minnelijke regeling ten overstaan van de rechtbank te beproeven. In dat geval treedt de comparitie in de plaats van de te nemen akten.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1. verwijst de zaak naar de rolzitting van 6 juni 2012 voor uitlating door partij [eisers] over het in de rechtsoverwegingen 2.15 t/m 2.16 gestelde, of voor uitlating door beide partijen zoals overwogen in 2.17 van dit vonnis.

3.2. houdt iedere nadere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.D. Rentema en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2012.?