Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BW4296

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
29-03-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
97308 / KG ZA 12-53
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De twaalfjarige minderjarige verblijft in een Medisch Kinderhuis. De ouders zijn gedwongen ontheven van het ouderlijk gezag.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de minderjarige ten aanzien van één van de lopende (appel)procedures een eigen rechtsingang heeft maar dat dit niet meebrengt dat de minderjarige hierdoor zelfstandig bevoegd is tot het inhuren van rechtsbijstand. Minderjarigen worden in rechte vertegenwoordigd door de wettelijk vertegenwoordiger waarbij artikel 1:250 BW de mogelijkheid van benoeming van een bijzonder curator biedt in het geval sprake is van strijdigheid van de belangen van de minderjarige en diens wettelijk vertegenwoordiger.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 250
Burgerlijk Wetboek Boek 1 263a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/97 met annotatie van J.H. de Graaf

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 97308 / KG ZA 12-53

Vonnis in kort geding van 29 maart 2012

in de zaak van

[Raadsman]

in hoedanigheid van raadsman van de minderjarige [X]

woonplaats kiezende te Dordrecht en te Waalwijk

eiser,

advocaat mr. T.W. van der Leij te Waalwijk,

tegen

de stichting

STICHTING BUREAU JEUGDZORG ZUID-HOLLAND,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

vertegenwoordigd door Th. Verwey

advocaat mr. M.E. Tuinman te ‘s- Gravenhage.

Partijen zullen hierna [[raadsman]] en BJZ genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 29 maart 2012.

- de mondelinge behandeling,

- de pleitnota van BJZ.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[[raadsman]] treedt sinds 2011 op namens de minderjarige [X] hierna te noemen [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te Dordrecht, thans verblijvende te [woonplaats] in [Kinderhuis], hierna te noemen [Kinderhuis].

Bij beschikking van deze rechtbank van 6 augustus 2008 is de minderjarige voor de duur van een jaar onder toezichtgesteld. Hierbij werd BJZ benoemd om de ondertoezichtstelling uit te voeren. De ondertoezichtstelling werd jaarlijks verlengd met een jaar, voor het laatst op 8 augustus 2011.

Bij beschikking van deze rechtbank van 15 oktober 2008 is een machtiging tot spoed uithuisplaatsing verleend voor de duur van drie maanden. Op 14 januari 2009 is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling. De machtiging werd jaarlijks verlengd, het laatst op 8 augustus 2011.

Bij beschikking van deze rechtbank van 30 november 2011 heeft de rechtbank de aanwijzingen van BJZ ten aanzien van het contact tussen de minderjarige en zijn vader in stand gelaten. Tegen deze beschikking is [minderjarige] in hoger beroep gegaan.

Bij beschikking van deze rechtbank van 25 januari 2012 zijn beide ouders ontheven van het ouderlijk gezag over [minderjarige] en werd BJZ belast met de voogdij over [minderjarige].

3. Het geschil

[[raadsman]] vordert samengevat –

- BJZ te veroordelen haar volledige medewerking te verlenen aan de vrije toegang van [[raadsman]] tot zijn cliënt, [minderjarige], zonder dienaangaande enige belemmering of blokkade op te werpen, dan wel die toegang afhankelijk te stellen van enige voorwaarde, in welk kader met name verstaan dient te worden dat het BJZ niet vrijstaat om te verlangen dat de bezoeken en overige contacten tussen [[raadsman]] en [minderjarige] dienen plaats te vinden in aanwezigheid van een derde of derden;

- BJZ te veroordelen per direct aan [Kinderhuis] instructie c.q. aanwijzing te geven dat de feitelijke tenuitvoerlegging van een en ander steeds dient plaats te vinden conform al hetgeen vorenstaand in het petitum is omschreven, respectievelijk is gevorderd op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag ten gunste van [[raadsman]] voor elke dag dat BJZ in gebreke is c.q. blijft met de nakoming van het vorenstaande dan wel met bepaalde onderdelen daarvan, waarbij een gedeelte van een dag beschouwd moet worden als zijnde een volledige dag;

- BJZ te veroordelen in de kosten van het geding zulks met inbegrip van de forfaitaire nakosten met het verzoek daarvoor een bevelschrift af te geven als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv.

Ter onderbouwing stelt [[raadsman]] dat hij thans met [minderjarige] de mogelijkheden van hoger beroep tegen de beschikking van deze rechtbank d.d. 25 januari 2012 dient te kunnen bespreken. Daarnaast acht [[raadsman]] het noodzakelijk om met [minderjarige] te spreken over de reeds aanhangige beroepsprocedure ten aanzien van de beschikking van deze rechtbank van 30 november 2011.

Voor het maken van een bezoekafspraak heeft [[raadsman]] telefonisch contact opgenomen met [Kinderhuis]. Door deze instantie werd van Doveren meegedeeld dat een bezoek aan [minderjarige] alleen kan plaatsvinden na toestemming van de voogd, in casu BJZ.

Vervolgens heeft [[raadsman]] zich per faxbericht tot BJZ gewend teneinde de verlangde toestemming te verkrijgen.

BJZ stelt zich evenwel op het standpunt dat [[raadsman]] zich door de rechtbank tot bijzondere curator dient te laten benoemen om namens [minderjarige] hoger beroep in te kunnen stellen tegen de beslissing ter zake van de ontheffing van zijn ouders van het gezag.

BJZ heeft [[raadsman]] bericht desalniettemin bereid te zijn hem toegang te verlenen tot [minderjarige], doch uitsluitend in het bijzijn van de gezinsvoogd of een andere vertrouwenspersoon.

Nadien heeft BJZ nader gespecificeerd en aangegeven dat een gesprek tussen [[raadsman]] en [minderjarige] alleen kan plaatsvinden in aanwezigheid van een gedragsdeskundige van de groep waarin [minderjarige] verblijft.

[[raadsman]] stelt zich op het standpunt dat de voogdijinstelling niet bevoegd is een minderjarige over wie zij de voogdij hebben te beletten vrij contact te hebben met een door de minderjarige gekozen raadsman. Voorts is de voogdijinstelling niet bevoegd inbreuk te maken op de vertrouwelijkheid van de gesprekken tussen de minderjarige cliënt en diens gekozen raadsman door te verlangen dat hierbij een derde aanwezig is.

BJZ voert verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Vaststaat dat de ouders van [minderjarige] bij beschikking van deze rechtbank 25 januari 2012 zijn ontheven van het gezag over [minderjarige] en dat BJZ bij dezelfde beschikking, per datum beschikking, belast werd met de voogdij over [minderjarige]. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

BJZ is als voogd van [minderjarige] thans aan te merken als diens wettelijk vertegenwoordiger in burgerlijke handelingen waaronder de procesvertegenwoordiging van de minderjarige.

De minderjarige is in beginsel onbekwaam om in rechte op te treden. Hij wordt in rechte vertegenwoordigd door de degene onder wiens gezag/ voogdij hij staat. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat er onvoldoende gronden aanwezig werden geacht om buiten de uitdrukkelijk in de wet vermelde uitzonderingen, waarbij de minderjarige een eigen rechtsingang heeft, een formele rechtsingang voor minderjarige in het burgerlijk recht te introduceren.

In het onderhavige geval dient er van te worden uitgegaan dat de minderjarige géén eigen rechtsingang toekomt ten aanzien van het instellen van beroep tegen de gezagsontnemende beslissing van 25 januari 2012, maar wel ten aanzien van de afwijzing op het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzingen als bedoeld in artikel 1:263a BW.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter brengt echter het feit dat de minderjarige op grond van het bepaalde in artikel 1:263a BW jo artikel 807 Rv een eigen rechtsingang heeft, niet mee dat hij zelfstandig bevoegd is tot het inhuren van rechtsbijstand. De inschakeling van een advocaat betreft immers een rechtshandeling waartoe de minderjarige in beginsel slechts bekwaam is met toestemming van zijn wettelijk vertegenwoordiger.

Het behoort derhalve tot de bevoegdheden van de wettelijk vertegenwoordiger, in casu thans BJZ als voogd, om te beslissen of de minderjarige in voorkomende gevallen in rechte bijstand behoeft van een advocaat of andere deskundige.

Door van Doveren is ter zitting ook bevestigd dat hij in de achterliggende periode door de vader van [minderjarige] in zijn hoedanigheid van gezagdragend ouder, althans op verzoek van de advocaat van vader, is ingehuurd (en betaald) om [minderjarige] in rechte bij te staan.

In die gevallen waarin er sprake is van strijdigheid van de belangen van de minderjarige en diens wettelijk vertegenwoordiger biedt artikel 1:250 BW de mogelijkheid een verzoek te doen om een bijzondere curator te benoemen om de minderjarige zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen.

De bijzondere curator wordt door de rechtbank ambtshalve benoemd of op verzoek van een belanghebbende.

In het onderhavige geval lijkt er sprake te zijn van een conflicterende situatie als boven bedoeld.

Gelet op het boven overwogene kan [[raadsman]] zonder mandaat van BJZ echter niet in enige procedure optreden als raadsman voor [minderjarige] en zal door de rechter beslist dienen te worden over de benoeming van een bijzondere curator om [minderjarige] te vertegenwoordigen in de hoger beroep procedure met betrekking tot de schriftelijke aanwijzingen.

Nu [[raadsman]] zoals boven overwogen (vooralsnog) niet namens [minderjarige] kan optreden heeft hij thans geen belang bij contact met de minderjarige. BJZ heeft als wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige], de bevoegdheid [[raadsman]] de toegang tot [minderjarige] te ontzeggen, dan wel hieraan beperkende voorwaarden te verbinden.

Het beroep van [[raadsman]] op artikel 18 lid 1 Grondwet maakt dit niet anders nu dit artikel ziet op de mogelijkheid zich in rechte te doen bijstaan en niet op de vrije en onbelemmerde toegang tot een advocaat naar keuze.

Evenmin slaagt een beroep op artikel 6 lid 3 EVRM of artikel 14 IVBPR nu deze verdragsbepalingen betrekking hebben op de situatie waarin een strafrechtelijke vervolging is ingesteld.

De vorderingen van [[raadsman]] zullen derhalve worden afgewezen.

De proceskosten

[[raadsman]] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van BJZ worden begroot op:

- dagvaarding € 90,64

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1481,64

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen van [[raadsman]] af;

veroordeelt [[raadsman]] in de proceskosten, aan de zijde van BJZ tot op heden begroot op € 1481, 64.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M.J. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2012.?