Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BW4116

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
26-04-2012
Zaaknummer
11-860347-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het medeplegen van een poging tot mensenhandel ten aanzien van zijn achtjarige dochter en wegens het medeplegen van het plegen van ontucht door zijn achtjarige dochter met derden te bevorderen (koppelarij). Deze feiten vonden plaats naar aanleiding van advertenties en contacten op internet, waarbij door verdachte en/of zijn echtgenote afspraken werden gemaakt met volwassen mannen en de mogelijkheid open werd gelaten dat deze mannen sexuele contacten konden hebben met verdachtes dochter. Tevens onderhandelde verdachte en/of zijn echtgenote over de prijs die betaald moest worden voor de seks met hun dochtertje.

Voorts wordt verdachte veroordeeld wegens het medeplegen van het verspreiden, aanbieden, vervaardigen, verwerven en in bezit hebben van kinderporno, waaronder afbeeldingen van zijn achtjarige dochter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/860347-11

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1967] te [geboorteplaats],

wonende te [plaats],

thans gedetineerd in de PI Dordrecht,

Kerkeplaat 25 te Dordrecht,

hierna: verdachte.

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 13 april 2012.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven en zoals deze ter terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2 De voorvragen

2.1 De geldigheid van de gewijzigde dagvaarding

De verdediging heeft betoogd dat de gewijzigde dagvaarding voor wat betreft feit 2. nietig moet worden verklaard omdat deze niet voldoet aan het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Niet duidelijk zou zijn op welke afbeeldingen de in de tenlastelegging opgenomen omschrijvingen betrekking hebben.

De officier van justitie heeft betoogd dat de tenlastelegging, bezien in relatie tot het strafdossier, voldoende duidelijk is. Zij heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer.

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen in de tenlastelegging onder feit 2. is opgenomen, gelezen in samenhang met het strafdossier, voldoende gespecificeerd is omschreven. Dit blijkt tevens uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting, waarin hij ervan heeft blijk gegeven te weten op welke afbeeldingen de tenlastelegging doelt.

Hieruit blijkt dat het verdachte voldoende duidelijk is geweest wat de beschuldiging is en derhalve heeft verdachte zich daartegen kunnen verdedigen. Daarmee voldoet de dagvaarding aan het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Ook overigens is bij het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

2.3 De officier van justitie is ontvankelijk.

2.4 Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - het ten laste gelegde bewezen achtend en ten aanzien van de feiten 1 en 3 stellende dat sprake is van eendaadse samenloop - gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft - kort samengevat - naast het hiervoor genoemde verweer en de hierna te noemen verweren algehele vrijspraak bepleit.

4 De bewijsbeslissing

4.1 Bewijsoverwegingen

4.1.1

De verdediging heeft betoogd - kort samengevat - dat er sprake is van zogenaamde 'burgeropsporing' nu de zaak aan het rollen is gebracht doordat de broer van verdachte zich toegang heeft verschaft tot een aantal e-mails van verdachte. Dit zou op onrechtmatige wijze zijn gebeurd, namelijk door schending van de artikelen 138a, 310 en 321 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 8 van het EVRM.

Het gebruik door de officier van justitie van de e-mails voor de start en het verdere onderzoek in de zaak zou een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde opleveren. Dit zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting van de e-mails en al het andere bewijsmateriaal dat als gevolg daarvan is verkregen.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank vastgesteld dat niet is gebleken dat overheidsdienaren op enigerlei wijze, direct of indirect, betrokken zijn geweest bij het verkrijgen van de e-mails van verdachte of op enige andere wijze onrechtmatig of strafrechtelijk gedrag van de broer van verdachte - mocht daar al sprake van zijn geweest - hebben geïnitieerd of gefaciliteerd. Dit betekent dat dit bewijsmateriaal en al het bewijsmateriaal dat direct daaruit of indirect als gevolg daarvan is verkregen, voor het bewijs kan worden gebruikt.

De rechtbank verwerpt het verweer.

4.1.2

De verdediging heeft betoogd - kort samengevat - dat sprake is van een onrechtmatige (spoed)doorzoeking van de woning van verdachte omdat deze, in strijd met de wet (artikel 97, leden 1 en 2, van het Wetboek van Strafvordering), niet dringend noodzakelijk was en deze niet werd geleid door de rechter-commissaris hoewel zijn komst afgewacht had kunnen worden. Alle goederen die in de woning zijn aangetroffen en al het bewijsmateriaal dat indirect als gevolg van de doorzoeking is verkregen, zou moeten worden uitgesloten van het bewijs.

De rechtbank heeft op grond van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vastgesteld.

Op 8 mei 2011 is bij de politie een melding binnengekomen betreffende mogelijk seksueel misbruik van het minderjarige dochtertje van verdachte. Op 9 mei 2011 heeft de Unit Zedenpolitie de meldster verwezen naar het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (hierna: AMK). De meldster heeft bij/tegenover het AMK het mogelijke seksuele misbruik meer gedetailleerd en uitvoerig omschreven. Vervolgens heeft het AMK de Raad voor de Kinderbescherming te Dordrecht in kennis gesteld. Dit was voor de Raad voor de Kinderbescherming aanleiding om de minderjarige op 13 mei 2011 uit huis te plaatsen in verband met haar veiligheid in het algemeen en de dreiging van seksueel misbruik in het bijzonder.

Op 13 mei 2011 heeft de officier van justitie mondeling bij de rechter-commissaris gevorderd machtiging te verlenen tot doorzoeking van de woning van verdachte vanwege de kans op het wegmaken, vernietigen, onklaar maken dan wel onbruikbaar maken van sporen (digitale gegevensdragers en andere gegevensdragers) door verdachte en diens echtgenote. De rechter-commissaris heeft diezelfde dag daartoe mondeling machtiging verleend. Vervolgens is op 13 mei 2011 onder leiding van de officier van justitie de woning van verdachte doorzocht. De rechter-commissaris heeft in een door hem opgemaakt en ondertekend proces-verbaal van bevindingen van 17 mei 2011 gerelateerd dat de officier van justitie op 13 mei 2011 mondeling heeft gevorderd machtiging tot doorzoeking van de woning van verdachte te verlenen en dat hij - de rechter-commissaris - deze machtiging heeft verleend en heeft "doorgemachtigd" aan de officier van justitie 'daar de rechter-commissaris in verband met voorgeleidingen buiten staat was ter plaatse te komen en de ernst van de zaak direct optreden voorschreef'.

De rechtbank is van oordeel dat er gezien de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden sprake was een acute situatie, die een spoedig en direct ingrijpen op korte termijn rechtvaardigde. Gezien de motivering van de rechter-commissaris hoefde de officier van justitie bovendien de komst van de rechter-commissaris niet af te wachten.

De rechtbank verwerpt het verweer.

4.1.3

De verdediging heeft betoogd - kort samengevat - dat de politieverklaringen van medeverdachte [medeverdachte] niet voor het bewijs mogen worden gebruikt nu zij noch voorafgaand aan deze verhoren noch tijdens deze verhoren een raadsman heeft kunnen raadplegen. De schending van deze zogenaamde 'Salduz-bescherming' zou, aldus de verdediging, op grond van diverse uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ook doorwerken in de onderhavige zaak en er zou - ook in de onderhavige zaak - sprake zijn van strijd met artikel 6 van het EVRM.

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 13 april 2012 de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van medeverdachte [medeverdachte]

omdat - kort samengevat - politieambtenaren, onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie, een zodanig ernstige inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde dat daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van deze medeverdachte, aan haar recht op een eerlijke behandeling van haar zaak tekort is gedaan. Hoewel voorafgaand aan het verhoor duidelijk was dat [medeverdachte] als medeverdachte moest worden aangemerkt, heeft de politie haar als getuige gehoord, waarbij haar (uiteraard) de cautie niet is gegeven en waarbij de politie haar na enkele uren ondervragen - terwijl zij ondertussen een goeddeels bekennende verklaring had afgelegd -

geen raadsman heeft laten raadplegen.

In het onderhavige geval is het echter niet verdachte die door niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer: HR 30 maart 2004, LJN AM2533, HR 30 juni 2009, LJN BH3079en HR 7 juni 2011, LJN BP2740) blijkt dat in een dergelijke situatie geen rechtsgevolg jegens verdachte behoeft te worden verbonden aan het verzuim.

De rechtbank verwerpt het verweer.

4.1.4

Met betrekking tot feit 1. heeft de verdediging betoogd - kort samengevat - dat de ten laste gelegde poging niet bewezen kan worden omdat verdachte vrijwillig is teruggetreden.

In artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat sprake is van vrijwillig terugtreden indien het misdrijf niet is voltooid tengevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk. Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen is de rechtbank gebleken dat het ten laste gelegde niet is voltooid, niet doordat verdachte en zijn echtgenote zijn teruggetreden maar doordat de mannen die via internet hadden gereageerd, op een bepaald moment zijn afgehaakt en niets meer van zich hebben laten horen. Dit zijn omstandigheden onafhankelijk van de wil van verdachte en zijn echtgenote.

De rechtbank verwerpt het verweer.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

en/of zijn mededader in de periode van 01 december 2010

tot en met 13 mei 2011 te Hardinxveld-Giessendam,

tezamen en in vereniging met anderen,

meermalen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen

misdrijf om

opzettelijk voordeel te trekken uit één of meer seksuele handeling(en) van

zijn dochter [slachtoffer] (geboren [2003]), met of voor een

derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van zestien

jaren nog niet had bereikt,

- op internet advertenties hebben geplaatst en vervolgens

via internet contacten hebben gelegd waarbij seksuele handelingen

tegen betaling werden aangeboden en waarbij werd vermeld dat de mededader

moeder is van een achtjarige dochter en

- (via internet) hebben gecommuniceerd met volwassen mannen die

interesse hadden getoond in seksueel contact met mededader en/of haar

dochter en

- naaktfotos van hun achtjarige dochter aan deze volwassen

mannen hebben verstuurd en

- met deze volwassen mannen hebben gesproken over de prijs die

betaald zou moeten worden om seks te mogen hebben met hun achtjarige

dochter,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

in de periode van 01 december 2010 tot en met 13 mei 2011

te Hardinxveld-Giessendam,

tezamen en in vereniging met één ander,

meermalen telkens (een) afbeelding(en), te weten

foto's

heeft verspreid en aangeboden en vervaardigd en verworven en in

bezit gehad ,

terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn,

waarbij telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog

niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken,

welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:

het vaginaal penetreren met een vinger/hand van het lichaam van een persoon

die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt

en/of

het vaginaal penetreren met een vinger/hand van het lichaam van een (ander)

persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft

bereikt

en/of

het betasten en/of aanraken (met (een) vinger(s)/hand) van de geslachtsdelen

van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt

en/of

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen van een (ander) persoon

(met (een) vinger(s)/hand) door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18

jaar nog niet heeft bereikt

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) persoon(te

weten zijn/hun dochter [slachtoffer]) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog

niet heeft bereikt, waarbij door het camerastandpunt en/of de pose

nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld gebracht worden (en)

waarbij de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of

strekt tot seksuele prikkeling

en/of

het houden van een (stijve) penis bij/naast het lichaam van (een)

perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben

bereikt terwijl op dat lichaam een op sperma gelijkende substantie zichtbaar

is;

3.

in de periode van

01 december 2010 tot en met 13 mei 2011 te Hardinxveld-Giessendam,

tezamen en in vereniging met anderen,

meermalen,

het plegen van ontucht, te weten het laten wassen van de rug van een volwassen man en/of het hebben van geslachtsgemeenschap met een

of meerdere volwassen man(nen) door zijn minderjarig kind ([slachtoffer],

geboren [2003]) met (een) derde(n) opzettelijk heeft

bevorderd,

- door op internet advertenties te plaatsen en/of (vervolgens)

contacten te leggen waarbij verdachte en/of zijn mededader betaalde seks

aanbieden en waarbij zij vermelden een achtjarige dochter te

hebben en

- door met volwassen man(nen) af te spreken en/of daarbij de

mogelijkheid open te laten dat die mannen (ook) seks zouden kunnen hebben

met hun achtjarige dochter en

- door met die volwassen man(nen) te spreken over de prijs die door die

man(nen) betaald zou moeten worden om seks te mogen hebben met hun achtjarige

dochter.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid en sub 5°, van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

1. en 3.,

EENDAADSE SAMENLOOP VAN:

POGING TOT MENSENHANDEL, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN EN TERWIJL DE PERSOON TEN AANZIEN VAN WIE HET FEIT WORDT GEPLEEGD, DE LEEFTIJD VAN ZESTIEN JAREN NOG NIET HEEFT BEREIKT, MEERMALEN GEPLEEGD

en

MEDEPLEGEN VAN HET PLEGEN VAN ONTUCHT DOOR ZIJN MINDERJARIG KIND MET EEN DERDE OPZETTELIJK BEVORDEREN, MEERMALEN GEPLEEGD

2.

EEN AFBEELDING VAN EEN SEKSUELE GEDRAGING, WAARBIJ IEMAND DIE KENNELIJK DE LEEFTIJD VAN ACHTTIEN JAAR NOG NIET HEEFT BEREIKT, IS BETROKKEN OF SCHIJNBAAR IS BETROKKEN, VERSPREIDEN, AANBIEDEN, VERVAARDIGEN, VERWERVEN EN IN BEZIT HEBBEN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN EN TERWIJL DE SCHULDIGE HET FEIT BEGAAT TEGEN ZIJN KIND, MEERMALEN GEPLEEGD.

6 De strafbaarheid van de verdachte

6.1 Het rapport van de deskundige

Uit het door M.J. van Haren, psychiater in opleiding, onder supervisie van R.J.P. Rijnders, psychiater, en H.A. van Kempen, klinisch psycholoog, allen verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum (hierna: PBC), Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht, over verdachte uitgebrachte rapport van 15 maart 2012 komt onder meer het volgende naar voren:

Er is bij betrokkene sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een intellectuele beperking; betrokkene functioneert op intellectueel zwakbegaafd niveau. Voorts is er in het verleden (meer dan tien jaar geleden) sprake geweest van alcoholafhankelijkheid. Er zijn geen aanwijzingen voor hernieuwd alcoholgebruik noch zijn er aanwijzingen voor hersenorganische schade ten gevolge van het overmatige alcoholgebruik in het verleden (in casu ziekte van Korsakov).

Er zijn geen aanwijzingen voor een psychotische, depressieve of bipolaire stoornis. Op basis van zowel neuropsychologisch onderzoek, gespreksindrukken, diverse testresultaten als observatiegegevens worden er geen aanwijzingen gevonden voor een ontwikkelingsstoornis zoals ADHD of een autismespectrumstoornis.

Voorts zijn er geen aanwijzingen voor een verstoorde seksuele ontwikkeling of een seksuele stoornis zoals een parafilie. Het huidig onderzoek levert geen aanwijzingen op voor negatieve seksuele ervaringen in het verleden noch voor afwijkende seksuele interesses.

Hoewel betrokkene enkele beperkingen kent in zijn persoonlijkheid kan er niet gesproken worden van een persoonlijkheidsstoornis. De impulscontrole en frustratietolerantie van betrokkene zijn beperkt. Hierdoor kan betrokkene snel gekrenkt reageren. Echter, hij is in staat het contact nadien te herstellen. Ook leidt een interpersoonlijke frictie niet tot fysiek agressief gedrag. Voorts is betrokkenes gewetensfunctie redelijk intact. De beperkte frustratietolerantie en bovengenoemde verbaal impulsieve reacties lijken derhalve een uiting van beperkte draagkracht voortkomend uit zijn beperkte intelligentie en een klein copingrepertoire.

Wat betreft de interactie met zijn echtgenote lijkt deze in balans, waarbij er een complementaire rolverdeling bestaat. Hoewel zij samen een beperkt niveau van functioneren hebben, hebben zij niet evident gestoord gefunctioneerd binnen de kleine overzichtelijke wereld waarin zij leefden. Wel is duidelijk dat hun leefwereld een zeer beperkt sociaal netwerk omvatte.

Hoewel er bij betrokkene sprake is van een gebrekkige ontwikkeling in de zin van een beperkte intelligentie op zwakbegaafd niveau, menen ondergetekenden dat er bij betrokkene niet gesproken kan worden van een pathologische doorwerking van deze beperkte intelligentie in de ten laste gelegde feiten.

Het is weliswaar denkbaar dat betrokkene ten gevolge van zijn zwakbegaafde intelligentieniveau niet geheel de consequenties van een ingezette handeling (het aangaan van onderhandelingsgesprekken over seksueel contact met [slachtoffer]) heeft kunnen overzien, maar zijn begripsvermogen is niet zodanig aangetast dat hij de ongeoorloofdheid van handelingen als de ten laste gelegde feiten niet of onvoldoende kan begrijpen. Betrokkene en zijn echtgenote lijken op basis van de huidige beschikbare informatie ten tijde van het ten laste gelegde (indien bewezen) min of meer planmatig te hebben gehandeld in het bereiken van hun (onder andere financiële) doelen. Er zijn op basis van dit onderzoek geen aanwijzingen dat in de relatie tussen betrokkene en zijn echtgenote sprake is van een disbalans (bijvoorbeeld in de vorm van een pathologische machtsongelijkheid) die van invloed is geweest op de totstandkoming van het hem ten laste gelegde handelen. Ondergetekenden adviseren Uw College dan ook betrokkene voor de ten laste gelegde feiten volledig toerekeningsvatbaar te achten.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt de conclusie van voormeld rapport op grond van de onderbouwing ervan en legt dit ten grondslag aan haar beslissing. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier en het rapport van voormelde deskundigen, voldoende vast is komen te staan dat de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten volledig aan verdachte kunnen worden toegerekend en dat verdachte strafbaar is voor de door hem gepleegde strafbare feiten.

Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor de door hem gepleegde strafbare feiten.

7 De redenen die de straf hebben bepaald

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader meermalen schuldig gemaakt aan een poging tot mensenhandel. Verdachte en zijn echtgenote hebben diverse malen hun destijds zeven/achtjarige dochtertje via internet aangeboden voor seksuele contacten om daaruit (financieel) voordeel te trekken. Zij hebben daartoe advertenties geplaatst op internet, contacten onderhouden met geïnteresseerden, naaktfoto's van hun dochtertje verzonden aan geïnteresseerden en met hen gesproken/onderhandeld over de prijs van de seksuele contacten.

Het is boven iedere twijfel verheven dat verdachte hiermee bijzonder ernstige, buitengewoon schokkende en zeer verwerpelijke misdrijven heeft gepleegd. De ophef en de verontwaardiging die in de samenleving zijn ontstaan naar aanleiding van deze zaak, zijn daarvan een duidelijke illustratie en spreken wat dat betreft voor zich. De rechtbank weegt daarbij in strafverzwarende zin mee dat verdachte en zijn echtgenote contact hadden met meerdere potentiële klanten.

Daarnaast hebben verdachte en zijn echtgenote een aantal kinderpornografische foto's verspreid, aangeboden, vervaardigd, verworven en in bezit gehad. Eén van de foto's betrof het minderjarige dochtertje van verdachte en zijn echtgenote en was door laatstgenoemde gemaakt.

Kinderporno is bijzonder schadelijk voor de betrokken kinderen, omdat zij voor de vervaardiging ervan seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. Verdachte moet mede verantwoordelijk worden gehouden voor dit seksueel misbruik, zij het indirect, doordat hij, door kinderporno te verzamelen, heeft bijgedragen aan de instandhouding van de vraag hiernaar. Voor een effectieve bestrijding van kinderporno is het noodzakelijk om niet alleen degenen aan te pakken die kinderporno vervaardigen, maar zeker ook degenen die kinderporno (verder) verspreiden. De rechtbank acht deze feiten zeer verwerpelijk en rekent deze verdachte zwaar aan.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de strafbare feiten niet anders kan worden gereageerd dan door het opleggen van een aanzienlijke vrijheidsbenemende straf.

Voor wat betreft de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 14 maart 2012, waaruit blijkt dat verdachte nog niet eerder met de strafrechter in aanraking is gekomen ter zake dit soort strafbare feiten, alsmede op het rapport van Reclassering Nederland te Rotterdam van 22 september 2011, het rapport van het Leger des Heils te Dordrecht van 19 mei 2011, het rapport van de forensisch psychiater M.D. van Ekeren van 7 juli 2011 en het rapport van voornoemde psychiaters en voornoemde psycholoog van het PBC. De rechtbank neemt tevens in aanmerking dat verdachte volledig toerekeningsvatbaarheid is.

Op pogingen tot mensenhandel wordt gebruikelijk met een forse vrijheidsbenemende straf gereageerd. De rechtbank acht in dit geval achttien maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf geheel op zijn plaats. Aan iemand die zich schuldig heeft gemaakt aan met name het verspreiden en vervaardigen van kinderporno wordt volgens de afspraken van het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren (LOVS) als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden gehanteerd.

Alles afwegend acht de rechtbank de eis van de officier van justitie onvoldoende recht doen aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd. De rechtbank acht het opleggen van een gevangenisstraf van dertig maanden passend en geboden.

Evenals de officier van justitie acht ook de rechtbank het ter voorkoming van recidive van belang dat verdachte in de toekomst zal worden begeleid en ondersteund door de reclassering. Om deze hulpverlening mogelijk te maken zal de rechtbank zes maanden van voornoemde straf voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaar en daaraan de bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens Reclassering Nederland.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 47, 55, 57, 240b, 248, 250 en 273f van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen op de wijze als hierboven onder 4.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden,

waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de

rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar

feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking

verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of niet een identiteitsbewijs als

bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte geen medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in

artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan

huisbezoeken daaronder begrepen;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en

aanwijzingen die hem worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

- draagt deze reclasseringsinstelling op toezicht te houden op de naleving van de

voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak

in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht bij

de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Hello, voorzitter, mr. P. Joele en mr. A.A.J. de Nijs, rechters, in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 april 2012.

BIJLAGE: De tenlastelegging

1.

hij en/of zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 01 december 2010

tot en met 13 mei 2011 te Hardinxveld-Giessendam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans éénmaal,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen

misdrijf om

opzettelijk voordeel te trekken uit één of meer seksuele handeling(en) van

zijn dochter [slachtoffer] (geboren [2003]), met of voor een

derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van zestien

jaren nog niet had bereikt,

- op internet (een) advertentie(s) heeft/hebben geplaatst en/of (vervolgens)

via internet contacten heeft/hebben gelegd waarbij seksuele handelingen

tegen betaling werden aangeboden en waarbij werd vermeld dat de mededader

moeder is van een achtjarige dochter en/of

- (via internet) heeft/hebben gecommuniceerd met (een) volwassen man(nen) die

interesse had(den) getoond in seksueel contact met mededader en/of haar

dochter en/of

- (een) naaktfoto(s) van zijn/hun achterjarige dochter aan deze (volwassen)

man(nen) heeft/hebben verstuurd en/of

- met deze (volwassen) man(nen) heeft/hebben gesproken over de prijs die

betaald zou moeten worden om seks te mogen hebben met zijn/hun achtjarige

dochter,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 273f lid 3 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

art 45 Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 1 ahf/sub 8º Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 1 ahf/sub 1º Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2010 tot en met 13 mei 2011

te Hardinxveld-Giessendam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

één of meermalen (telkens) (een) afbeelding(en), te weten 12 (twaalf)

althans één of meer foto's en/of (een) gegevensdrager(s)te weten één of meer

computers bevattende afbeeldingen

heeft verspreid en/of aangeboden en/of vervaardigd en/of verworven en/of in

bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of

met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft,

terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn,

waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog

niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken,

welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:

het vaginaal penetreren met een vinger/hand van het lichaam van een persoon

die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt

en/of

het vaginaal penetreren met een vinger/hand van het lichaam van een (ander)

persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft

bereikt

en/of

het betasten en/of aanraken (met (een) vinger(s)/hand) van de geslachtsdelen

van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt

en/of

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen van een (ander) persoon

(met (een) vinger(s)/hand) door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18

jaar nog niet heeft bereikt

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en)(te

weten zijn/hun dochter [slachtoffer]) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog

niet heeft/hebben bereikt, waarbij door het camerastandpunt en/of de pose

nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld gebracht worden (en)

waarbij de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of

strekt tot seksuele prikkeling

en/of

het houden van een (stijve) penis bij/naast het lichaam van (een)

perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben

bereikt terwijl op dat lichaam een op sperma gelijkende substantie zichtbaar

is;

art 240b lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

01 december 2010 tot en met 13 mei 2011 te Hardinxveld-Giessendam, in elk

geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met en ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans éénmaal,

het plegen van ontucht, te weten het laten wassen van de rug van een of

meerdere volwassen man(nen) en/of het hebben van geslachtsgemeenschap met een

of meerdere volwassen man(nen) door zijn minderjarig kind ([slachtoffer],

geboren [2003]) met (een) derde(n) opzettelijk heeft teweeggebracht

en/of bevorderd,

- door op internet (een) advertentie(s) te plaatsen en/of (vervolgens)

contacten te leggen waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) betaalde seks

aanbiedt/aanbieden en waarbij hij/zij vermeld(en) een achtjarige dochter te

hebben en/of (vervolgens)

- door met (een) volwassen man(nen) af te spreken en/of daarbij de

mogelijkheid open te laten dat die mannen (ook) seks zouden kunnen hebben

met zijn/hun achtjarige dochter en/of

- door met die volwassen man(nen) te spreken over de prijs die door die

man(nen) betaald zou moeten om seks te mogen hebben met zijn/hun achtjarige

dochter.

art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 250 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Parketnummer: 11/860347-11

Vonnis d.d. 26 april 2012