Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BW2953

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
12/298
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

geen redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. Dat verzoekster heeft gemeld dat zij een vriend heeft, wijst op zichzelf niet op het bestaan van een gezamenlijke huishouding en vormt derhalve als zodanig geen redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek.

Verder blijkt uit de rapportage niet dat aan verzoekster is duidelijk gemaakt dat het weigeren van toestemming voor het huisbezoek geen (directe) gevolgen voor de bijstandsverlening heeft. De mededeling in de rapportage van verweerder dat ‘de informed consent wordt aangegeven’ en ‘zij (= verzoekster) begrijpt het en geeft ons toestemming om de woning te betreden’, is daartoe onvoldoende, gelet op de betwisting van verzoekster dat zij begreep dat zij niet verplicht was om mee te werken aan het huisbezoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 12/298

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[naam], wonende te [woonplaats], verzoekster,

gemachtigde: mr. drs. A. de Raad, advocaat te Dordrecht,

tegen

Het Drechtstedenbestuur, verweerder,

gemachtigde: C.A.M. Nusteling, werkzaam bij de Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: SDD).

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 2 maart 2012 het recht op bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: Wwb) beëindigd met ingang van 16 februari 2012.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij faxbericht van 7 maart 2012 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van 7 maart 2012 heeft zij een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 26 maart 2012 ter zitting behandeld.

Verzoekster is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Tevens is verschenen [naam x], medewerker van de SDD.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wwb heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wwb, voor zover hier van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wwb, is de belanghebbende verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Wwb, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de Wwb, doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.

Ingevolge artikel 54, derde lid, van de Wwb, kan het college, onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, een dergelijk besluit herzien of intrekken:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;

b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Ingevolge artikel 54, vierde lid, van de Wwb, kan het college, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

2.2. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit strekt tot beëindiging van het recht op bijstand van verzoekster met ingang van 16 februari 2012, omdat zij geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek om aanvullende informatie te verstrekken die van belang is voor beoordeling of er recht is op een uitkering. Verweerder kan derhalve niet beoordelen of verzoekster nog langer recht heeft op een uitkering. Op grond van artikel 54, vierde lid, van de Wwb vindt beëindiging plaats met ingang van de datum dat de bijstand is opgeschort.

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de resultaten van het uitgevoerde huisbezoek van 8 februari 2012 ten grondslag liggen aan de beëindiging. Verweerder heeft een huisbezoek afgelegd, omdat verzoekster eerder heeft verklaard een vriend te hebben, die een ander is dan de vader van haar kind. Tijdens het huisbezoek is de vriend van verzoeker aangetroffen, maar hij is weggelopen en vervolgens niet meer teruggekomen. Verweerder heeft verzoekster gevraagd naar de gegevens van haar vriend, zoals naam, BSN-nummer en kenteken van zijn auto. Ondanks een hersteltermijn heeft verzoekster alleen de naam van haar vriend aan verweerder gegeven. Aan de hand hiervan kan verweerder niet nagaan wie de vriend van verzoekster is.

2.3. Gronden van het verzoek

Verzoekster kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft daartegen het volgende naar voren gebracht. Er was geen redelijke grond voor het afgelegde huisbezoek. Er zijn onvoldoende concrete objectieve feiten en omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs kon worden getwijfeld aan de juistheid van de woon- en leefsituatie van verzoekster. Het enkele feit dat in de rapportage is opgenomen dat er in het verleden (4 september 2010) een erkend kind is geboren is onvoldoende aanleiding voor een huisbezoek, zeker nu verweerder gelet op de uitkering op de hoogte was van de situatie van verzoekster. De vader van het kind woont al jaren in [land]. Verweerder betwist dit ook niet. Verzoekster betwist dat er sprake is van informed consent. De bewijslast dat aan deze eis is voldaan, berust bij verweerder. De enkele mededeling 'tevens geef ik de informed consent aan', is daartoe onvoldoende, nu niet blijkt wat daadwerkelijk zou zijn voorgehouden door de rapporteurs.

Verzoekster stelt dat zij niet is gewezen op de mogelijkheid het huisbezoek te weigeren en evenmin is voorgelicht over het ontbreken van mogelijke consequenties bij weigering van het huisbezoek.

De resultaten van het huisbezoek moeten derhalve worden uitgesloten van het dossier en kunnen geen grond vormen voor de opschorting en beëindiging van het recht op uitkering.

Verzoekster betwist dat zij haar inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat zij gegevens zou hebben verzwegen die van belang zijn voor vaststelling van het recht op bijstand. Er is geen sprake van een duurzame relatie met vriend [naam y], er is geen gezamenlijke huishouding. De heer [naam y] komt slechts af en toe voor kortere periodes langs bij verzoekster. Verzoekster heeft bij brief van 14 februari 2012 de haar bekende gegevens inzake de heer [naam y] doorgegeven aan verweerder. Verzoekster heeft een verklaring gegeven voor de onwil van de heer [naam y] om zijn gegevens te verstrekken, namelijk dat hij een eigen gezin heeft.

Het enkele schenden van de inlichtingenplicht is onvoldoende voor intrekking van de uitkering, nu er geen objectieve gegevens zijn aangevoerd, waaruit zou blijken dat de

woon- en leefsituatie onduidelijk is. Verzoekster verwijst ook naar het maatregelbesluit van 2 maart 2012 waaruit zou blijken dat verweerder verschoonbaar acht dat verzoekster de gevraagde gegevens niet heeft verstrekt.

2.4. De overwegingen van de voorzieningenrechter

2.4.1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt verweerder niet bij het nemen van een beslissing op het bezwaar.

2.4.2. Artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie onder meer de uitspraak van

24 november 2009, LJN BK4064) is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van 'informed consent'. Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de (verdere) verlening van bijstand heeft. Welke gevolgen voor de bijstandsverlening zijn verbonden aan het weigeren van toestemming voor het binnentreden in de woning hangt af van de vraag of een redelijke grond voor het huisbezoek bestaat. Van een dergelijke grond is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek dan dient de belanghebbende erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand. Ontbreekt een redelijke grond dan moet de belanghebbende erop worden geattendeerd dat het weigeren van toestemming geen (directe) gevolgen heeft voor de bijstandsverlening. De bewijslast ten aanzien van het 'informed consent' bij het binnentreden in de woning berust op het bestuursorgaan.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestond in dit geval geen redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek op 8 februari 2012. Dat verzoekster heeft gemeld dat zij een vriend heeft, wijst op zichzelf niet op het bestaan van een gezamenlijke huishouding en vormt derhalve als zodanig geen redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. Verweerder had over de woon- en leefsituatie van verzoekster duidelijkheid kunnen verkrijgen op een andere effectieve en voor verzoekster minder belastende wijze dan door middel van een huisbezoek, bijvoorbeeld door verzoekster te horen. Verder blijkt uit de rapportage van 2 maart 2012 niet dat aan verzoekster is duidelijk gemaakt dat het weigeren van toestemming voor het huisbezoek geen (directe) gevolgen voor de bijstandsverlening heeft. De mededeling in de rapportage van verweerder dat 'de informed consent wordt aangegeven' en 'zij (= verzoekster) begrijpt het en geeft ons toestemming om de woning te betreden', is daartoe onvoldoende, gelet op de betwisting van verzoekster dat zij begreep dat zij niet verplicht was om mee te werken aan het huisbezoek.

Derhalve is met het huisbezoek van 8 februari 2012 een inbreuk op het huisrecht van verzoekster gemaakt, zodat het huisbezoek als onrechtmatig moet worden aangemerkt.

De omstandigheid dat een huisbezoek een onrechtmatig karakter draagt brengt in gevallen als de onderhavige, waarin een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek ontbreekt, mee dat de bevindingen van dat huisbezoek in beginsel niet mogen worden gebruikt bij de beoordeling van het recht op uitkering van degene jegens wie dat huisbezoek onrechtmatig is. De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten om in het geval van verzoekster van dit uitgangspunt af te wijken.

Dit betekent dat hetgeen tijdens het huisbezoek van 8 februari 2012 is verklaard en waargenomen buiten beschouwing dient te blijven bij de beantwoording van de vraag of verzoekster recht heeft op bijstand. In dit licht was er geen grond voor verweerder om bij verzoekster het kenteken van de auto van de tijdens het huisbezoek in de woning aangetroffen vriend van verzoekster op te vragen.

Nu het bestreden besluit tot beëindiging van het recht op bijstand uitsluitend is gebaseerd op de grond dat verzoekster niet heeft voldaan aan het verzoek genoemd kenteken door te geven aan verweerder, kan dat besluit in rechte geen stand houden.

Er is derhalve aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De bestreden beslissing zal worden geschorst tot zes weken na verzending van de beslissing op het bezwaar van verzoekster.

2.4.3. De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:84, vierde lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,-- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,-- en wegingsfactor 1). De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoekster nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Nu het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen, dient verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 8:82, vierde lid, van de Awb, het door verzoekster betaalde griffierecht te vergoeden.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht,

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit tot zes weken na de datum van verzending van de beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 42,-- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die verzoekster in verband met het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 874,-- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan verzoekster.

Aldus gegeven door mr. M.C. Woudstra, voorzieningenrechter, en door deze en mr. M.L. Bosman-Schouten, griffier, ondertekend.