Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BW2919

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
12/302
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

2.4.1. Verweerder heeft voor de conclusie dat verzoeker verwijtbaar niet op de eerste trainingsdag is verschenen verwezen naar een telefonisch overleg tussen de klantmanager en de huisarts, waarin de huisarts te kennen heeft gegeven de klachten van verzoeker niet serieus te nemen en dat verzoeker geen behandeling nodig heeft. Verweerder heeft geen verzuimcontroleur ingeschakeld en verzoeker evenmin uitgenodigd voor het spreekuur van de (bedrijfsarts), ook niet nadat verzoeker medische stukken had overgelegd waaruit blijkt dat bij hem op 16 december 2011 suikerziekte is vastgesteld en dat, terugkijkend, zijn klachten (dus ook op 2 december 2011) zeer waarschijnlijk hieraan zijn toe te schrijven. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder niet zonder (nader) onderzoek heeft kunnen concluderen dat verzoeker verwijtbaar geen gebruik heeft gemaakt van een door verweerder aangeboden voorziening.

(...)

verweerder heeft nagelaten deugdelijk te motiveren waarom de verweten gedraging heeft geleid tot een maatregel van 100% gedurende zes maanden. De maatregel is blijkens het bestreden besluit gebaseerd op artikel 10, derde lid, van de Verordening. Anders dan verweerder kennelijk meent, biedt dit artikellid niet de mogelijkheid om bij herhaalde recidive zonder verdere afweging tot vervijfvoudiging van de hoogte en een verzesvoudiging van de duur van de bij de gedraging behorende standaardmaatregel te besluiten. Voor toepassing van artikel 2, tweede lid, en artikel 10, derde lid, van de Verordening is vereist dat verweerder een afweging van de verwijtbaarheid van de gedraging en de belangen van de betrokkene maakt en daarover in het bestreden besluit verantwoording aflegt. Tevens is daarbij vereist dat er evenredigheid blijft bestaan tussen het verwijtbare karakter van de gedraging en de hoogte van de op te leggen maatregel. De enkele vermelding in het bestreden besluit dat verweerder bij het opleggen van de maatregel rekening heeft gehouden met de ernst van de gedraging, de mate waarin verzoeker zelf schuld heeft en zijn persoonlijke situatie, is daartoe onvoldoende. Niet is gebleken dat verweerder onderzoek heeft gedaan naar de persoonlijke omstandigheden van verzoeker. Evenmin is gebleken dat verweerder de relatie tussen het verwijtbare karakter van de gedraging van de opgelegde maatregel afdoende heeft gemotiveerd. Ten slot is ook niet gebleken dat verweerder in ogenschouw heeft genomen dat de opeenstapeling van maatregelen er toe heeft geleid dat verzoekers feitelijk sinds 1 september 2011 in het geheel geen bijstand meer ontvangen. In dit licht is de opgelegde maatregel naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet evenredig.

(...)

Daar komt nog bij dat verweerder niet heeft voldaan aan de (...) de maatregel aan een herbeoordeling te onderwerpen. (..). Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat deze herbeoordeling eerst op 19 maart 2012 heeft plaatsgevonden en beperkt is gebleven tot de vraag of verzoeker heeft gesolliciteerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had verweerder in deze herbeoordeling ook de omstandigheden moeten betrekken waarin verzoeker met zijn gezin verkeert.

Het geheel overziend, is er aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar. Voorts ziet de voorzieningenrechter in het licht van de ernstige twijfel aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit, in samenhang bezien met het feit dat verzoekers reeds sinds september 2011 geen enkele vorm van bijstand hebben ontvangen en worden bedreigd met uithuiszetting, aanleiding om te bepalen dat verweerder de bijstandsuitkering van verzoekers over de maanden december 2011 tot en met maart 2012 ten spoedigste moet nabetalen aan verzoekers, uiterlijk op 20 april 2012.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 12/302

uitspraak van de voorzieningenrechter

in het geding tussen

[naam A], verzoeker, en [naam B], verzoekster, wonende te [woonplaats], hierna samen: verzoekers,

gemachtigde: mr. H. Folkers, advocaat te Gorinchem,

en

het Dagelijks Bestuur van de Regionale Sociale Dienst en Kredietbank Alblasserwaard/Vijfheerenlanden, verweerder,

gemachtigde: J.D. Edel, werkzaam bij de Regionale Sociale Dienst en Kredietbank Alblasserwaard/Vijfheerenlanden.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 12 december 2011 de uitkering, die verzoekers op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) ontvangen, verlaagd met 100% van 1 december 2011 tot en met 31 mei 2012.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij faxbericht van 17 januari 2012 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van 8 maart 2012 hebben zij een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 26 maart 2012 ter zitting behandeld.

Verzoekers zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB is de belanghebbende van 27 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht:

a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen en deze te aanvaarden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WWB stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel verlaagt het college de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet dan wel artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Ingevolge het derde lid van dit artikel heroverweegt het college een besluit als bedoeld in het tweede lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.

De hiervoor bedoelde verordening is in dit geval de Verordening maatregelen en handhaving 2009 (hierna: Verordening).

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening wordt, voor zover hier van belang, als de belanghebbende naar het oordeel van het Dagelijks Bestuur de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt een maatregel afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende en kan deze daarom afwijken van de in deze verordening genormeerde bedragen.

Ingevolge artikel 4 van de Verordening worden in het besluit tot het opleggen van een maatregel in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het bedrag en het percentage waarmee de bijstandsnorm wordt verlaagd en indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening ziet het Dagelijks Bestuur af van het opleggen van een maatregel indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het Dagelijks Bestuur afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

Ingevolge artikel 7, derde lid, van de Verordening wordt een maatregel voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die voor een periode van langer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk na drie maanden nadat deze te uitvoer is gelegd heroverwogen.

Ingevolge artikel 9 van de Verordening worden gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van artikel 9 van de WWB niet of onvoldoende is nagekomen, onderscheiden in vier categorieën.

Onder een gedraging van de tweede categorie wordt onder meer begrepen: het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening wordt de maatregel op grond van artikel 9 vastgesteld op twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de hoogte of duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kan het Dagelijks Bestuur, indien de belanghebbende na recidive als bedoeld in artikel 10, tweede lid, volhardt in de gedraging(en), een maatregel voor bepaalde tijd treffen. Er zal dan telkens binnen drie maanden een heroverweging van deze maatregel dienen plaats te vinden.

2.2.1. Eerdere maatregelbesluiten

Bij besluit van maart 2011 heeft verweerder de bijstand van verzoekers met ingang van

1 maart 2011 verlaagd met 20% gedurende een maand. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verzoeker niet of in onvoldoende mate gebruik maakt van een door verweerder aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

Bij besluit van 16 mei 2011 heeft verweerder de bijstand van verzoekers met ingang van

1 maart 2011 verlaagd met 50% gedurende twee maanden. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verzoeker niet of in onvoldoende mate gebruik maakt van een door verweerder aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Verweerder heeft daarbij overwogen dat sprake is van recidive in de zin van artikel 10, tweede lid, van de Verordening en dat daarom de maatregel met toepassing van die bepaling in duur is verdubbeld.

Bij besluit van 19 september 2011 heeft verweerder de bijstand van verzoekers met ingang van l september 2011 verlaagd met 100% gedurende drie maanden. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verzoeker door eigen toedoen algemeen passende arbeid niet heeft behouden. Verweerder heeft daarbij overwogen dat sprake is van recidive in de zin van artikel 10, tweede lid, van de Verordening en dat daarom de maatregel met toepassing van die bepaling in duur is verdrievoudigd.

2.2.2. Het bestreden maatregelbesluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het recht op bijstand van verzoekers met ingang van 1 december 2011 verlaagd met 100% gedurende zes maanden. Daaraan heeft verweerder, zoals ter zitting nader toegelicht, ten grondslag gelegd dat verzoeker niet of in onvoldoende mate gebruik maakt van een door verweerder aangeboden voorziening, genaamd de re-integratietraining mens ontwikkelprogramma (MOP), gericht op arbeidsinschakeling. Verweerder heeft daarbij overwogen dat hij, nu verzoeker na recidive volhardt in zijn gedraging(en), met toepassing van artikel 10, derde lid, van de Verordening een maatregel van 100% gedurende zes maanden op zijn plaats is.

2.3. De gronden van het verzoek

Verzoekers kunnen zich met het bestreden besluit niet verenigen en hebben daartegen het volgende naar voren gebracht. Verzoeker kan niet worden verweten dat hij van de hem door verweerder aangeboden voorziening geen gebruik heeft gemaakt. Verzoeker lijdt al langere tijd aan hoofdpijnklachten en vergeetachtigheid, welke klachten zijn verergerd door de klappen die hij medio juli 2011 op zijn ogen heeft gekregen. De huisarts heeft de klachten van verzoeker nooit serieus genomen, totdat op 16 december 2011 de diagnose suikerziekte is vastgesteld. Verzoeker verwijst naar de overgelegde brief van zijn huisarts van 13 maart 2011 (lees: 2012), waarin is aangegeven dat, terugkijkend, verzoeker zich zeer waarschijnlijk al geruime tijd ziek heeft gevoeld door de diabetes. Verzoekers hebben er op gewezen dat verweerder na afweging van de belangen niet tot de onderhavige maatregel had mogen komen, nu deze vergaande en ingrijpende consequenties heeft voor het gezin. Verzoekers hebben sinds september 2011 in het geheel geen uitkering meer en kunnen niet in hun levensonderhoud voorzien. Door de opeenvolgende maatregelbesluiten hebben verzoekers zeer veel schulden en dreigen ze op korte termijn uit hun huis te worden gezet.

2.4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.4.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker op 2 december 2011 had moeten starten bij de MOP training. Verder staat vast dat verzoeker vanwege hoofdpijnklachten niet op de eerste trainingsdag is verschenen. Hij heeft derhalve geen gebruik gemaakt van een door verweerder aangeboden arbeidsvoorziening. Op grond van het bepaalde in artikel 18, tweede lid, van de WWB en artikel 2, tweede lid, van de Verordening dient verweerder te onderzoeken of genoemde gedraging verwijtbaar is, in het onderhavige geval of verzoeker zich ten onrechte heeft ziek gemeld. Verweerder heeft voor de conclusie dat verzoeker verwijtbaar niet op de eerste trainingsdag is verschenen verwezen naar een op 24 november 2011 gevoerd telefonisch overleg tussen de klantmanager en de huisarts, waarin de huisarts te kennen heeft gegeven de klachten van verzoeker niet serieus te nemen en dat verzoeker geen behandeling nodig heeft. Verweerder heeft geen verzuimcontroleur ingeschakeld en verzoeker evenmin uitgenodigd voor het spreekuur van de (bedrijfsarts), ook niet nadat verzoeker medische stukken had overgelegd waaruit blijkt dat bij hem op 16 december 2011 suikerziekte is vastgesteld en dat, terugkijkend, zijn klachten (dus ook op 2 december 2011) zeer waarschijnlijk hieraan zijn toe te schrijven. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder niet zonder (nader) onderzoek heeft kunnen concluderen dat verzoeker verwijtbaar geen gebruik heeft gemaakt van een door verweerder aangeboden voorziening. In zoverre kleeft er aan het bestreden besluit een gebrek.

Indien en voor zover in bezwaar alsnog komt vast te staan dat de hiervoor genoemde gedraging verzoeker kan worden verweten, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

2.4.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder nagelaten deugdelijk

te motiveren waarom de verweten gedraging heeft geleid tot een maatregel van 100% gedurende zes maanden. De maatregel is blijkens het bestreden besluit gebaseerd op artikel 10, derde lid, van de Verordening. Anders dan verweerder kennelijk meent, biedt dit artikellid niet de mogelijkheid om bij herhaalde recidive zonder verdere afweging tot vervijfvoudiging van de hoogte en een verzesvoudiging van de duur van de bij de gedraging behorende standaardmaatregel te besluiten. Voor toepassing van artikel 2, tweede lid, en artikel 10, derde lid, van de Verordening is vereist dat verweerder een afweging van de verwijtbaarheid van de gedraging en de belangen van de betrokkene maakt en daarover in het bestreden besluit verantwoording aflegt. Tevens is daarbij vereist dat er evenredigheid blijft bestaan tussen het verwijtbare karakter van de gedraging en de hoogte van de op te leggen maatregel. De enkele vermelding in het bestreden besluit dat verweerder bij het opleggen van de maatregel rekening heeft gehouden met de ernst van de gedraging, de mate waarin verzoeker zelf schuld heeft en zijn persoonlijke situatie, is daartoe onvoldoende. Niet is gebleken dat verweerder onderzoek heeft gedaan naar de persoonlijke omstandigheden van verzoeker. Evenmin is gebleken dat verweerder de relatie tussen het verwijtbare karakter van de gedraging van de opgelegde maatregel afdoende heeft gemotiveerd. Ten slot is ook niet gebleken dat verweerder in ogenschouw heeft genomen dat de opeenstapeling van maatregelen er toe heeft geleid dat verzoekers feitelijk sinds 1 september 2011 in het geheel geen bijstand meer ontvangen. In dit licht is de opgelegde maatregel naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet evenredig.

2.4.3. Daar komt nog bij dat verweerder niet heeft voldaan aan de in 18, derde lid, van de WWB en artikel 7, derde lid, en artikel 10, derde lid, van de Verordening neergelegde verplichting om binnen drie maanden nadat het bestreden besluit is genomen, de maatregel aan een herbeoordeling te onderwerpen. Volgens de toelichting op voormelde artikelen in de Verordening hoeft bij een dergelijke herbeoordeling niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden, maar moet worden beoordeeld of het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt gecontinueerd, waarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat deze herbeoordeling eerst op

19 maart 2012 heeft plaatsgevonden en beperkt is gebleven tot de vraag of verzoeker heeft gesolliciteerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had verweerder in deze herbeoordeling ook de omstandigheden moeten betrekken waarin verzoeker met zijn gezin verkeert.

2.4.4. Het geheel overziend, is er aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar. Voorts ziet de voorzieningenrechter in het licht van de ernstige twijfel aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit, in samenhang bezien met het feit dat verzoekers reeds sinds september 2011 geen enkele vorm van bijstand hebben ontvangen en worden bedreigd met uithuiszetting, aanleiding om te bepalen dat verweerder de bijstandsuitkering van verzoekers over de maanden december 2011 tot en met maart 2012 ten spoedigste moet nabetalen aan verzoekers, uiterlijk op 20 april 2012.

2.4.5. De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:84, vierde lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs hebben moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) vastgesteld op € 874,-- (1 punt voor het verzoekschrift en

1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,-- en wegingsfactor 1). Omdat aan verzoekers ter zake van dit geschil een toevoeging is verleend, dient voormeld bedrag aan proceskosten aan de griffier van de rechtbank te worden betaald.

De reiskosten welke verzoekers in verband met de zitting hebben moeten maken zijn met toepassing van artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit begroot op € 17,60, op basis van openbaar vervoer tweede klas.

Nu het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen, dient verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 8:82, vierde lid, van de Awb, het door verzoekers betaalde griffierecht te vergoeden.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht,

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit tot zes weken na de datum van verzending van de beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat verweerder niet-uitbetaalde bijstandsuitkering van verzoekers over de maanden december 2011 tot en met maart 2012 uiterlijk op 20 april 2012 aan hen moet nabetalen;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 42,-- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die verzoekers in verband met het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs hebben moeten maken, welke kosten worden begroot op € 874,-- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan de griffier van de rechtbank, alsmede € 17,60 ter zake van door verzoekers gemaakte reiskosten.

Aldus gegeven door mr. M.C. Woudstra, voorzieningenrechter, en door deze en mr. M.L. Bosman-Schouten, griffier, ondertekend.