Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BW2577

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
94963 / FA RK 11-8717
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoek vaststelling kinderalimentatie betreft feitelijk een verzoek wijziging overeengekomen regeling met betrekking tot de betaling van de kosten ten behoeve van het minderjarige kind van partijen.

Het verzoek wordt afgewezen omdat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan geoordeeld moet worden dat de overeenkomst niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Evenmin is de overeenkomst aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven nu gebleken is dat de man, naast het bedrag dat hij aan de vrouw betaalt, een aanzienlijk bedrag gemiddeld per maand aan kosten voldoet. Weliswaar is het deel dat de man rechtstreeks aan de vrouw voldoet lager dan de berekende behoefte van het kind maar vermeerderd met de kosten die de man daarnaast nog voor zijn rekening neemt, voldoet hij ruimschoots aan zijn onderhoudsplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 94963 / FA RK 11-8717

beschikking van de enkelvoudige kamer van 11 april 2012

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [adres]

verzoekster,

advocaat mr. H.J. Naber, kantoorhoudende te Dordrecht,

tegen

[verweerder]

wonende te [adres]

verweerder,

advocaat mr. D. de Heuvel, kantoorhoudende te Dordrecht.

Partijen worden hieronder aangeduid als de vrouw respectievelijk de man.

1. Het procesverloop

1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

- het verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 06 oktober 2011;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op

14 oktober 2011;

- het verweerschrift van de man, met bijlagen, ingekomen ter griffie op

30 november 2011;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op

24 januari 2011;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op

24 januari 2012.

1.2. De rechtbank heeft naar de mening gevraagd van de minderjarige [minderjarige]. De schriftelijke reactie van [de minderjarige] is ingekomen ter griffie op 23 januari 2012.

1.3. De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzitting met gesloten deuren van 3 februari 2012.

1.4. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

2.1. Partijen hebben een relatie gehad en deze relatie is geëindigd eind februari 2011.

2.2. Tijdens die relatie is uit de vrouw geboren de thans nog minderjarige [kind].

Het kind is door de man erkend.

Het kind verblijft thans bij de vrouw.

3. Het verzoek en het verweer

3.1. Het verzoek

3.1.1. De vrouw verzoekt te bepalen dat de man aan haar met ingang van 1 juni 2011 ten behoeve van [de minderjarige] een alimentatie dient te betalen van € 510,-- per maand.

3.1.2. Zij voert daartoe het volgende aan.

De vrouw heeft onvoldoende inkomsten (haar inkomen bedraagt ongeveer € 530,-- per maand) om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien c.q. een bijdrage daarin te leveren.

De man betaalt, vrijwillig, een bedrag van € 360,-- per maand. Echter de behoefte van de [de minderjarige] is hoger. De vrouw schat het netto inkomen van partijen op € 3.500,-- per maand. De behoefte die daaruit volgt volgens de Nibud-tabel is € 510,-- per maand.

Bij brief van 6 mei 2011 is de man op de hoogte gesteld dat de vrouw aanspraak maakt op kinderalimentatie. Vanaf die datum dient de man rekening te houden met de verschuldigdheid van het verzochte bedrag.

3.2. Het verweer

3.2.1. De man heeft verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen, althans voor zover dit verzoek een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van € 360,-- per maand te boven gaat. Indien een hogere bijdrage dan € 360,-- per maand wordt opgelegd, dan verzoekt de man deze bijdrage niet eerder op te leggen dan de te wijzen beschikking.

3.2.2. Hij stelt het volgende.

Partijen hebben getracht, in het kader van het beëindigen van de relatie, door middel van mediation tot afspraken te komen over [de minderjarige]. Er is een ouderschapsplan opgesteld. In het ouderschapsplan wordt een bedrag aan kinderalimentatie vermeld van € 360,-- per maand. Met de hoogte van dit bedrag hebben zowel de vrouw als de man ingestemd. De vrouw is niet akkoord gegaan met het ondertekenen van het ouderschapsplan omdat zij bezwaren had tegen de daarin opgenomen verantwoording van het besteden van de kinderalimentatie en de extra kosten van [de minderjarige] zijnde de kosten voor sporten, zakgeld, schoolgeld, reiskosten en dergelijke. Ondanks dat partijen het ouderschapsplan niet hebben ondertekend is een overeenkomst tot stand gekomen. De man komt sinds mei 2011 de gemaakte afspraak over de kinderalimentatie na.

Op grond van artikel 1:401 BW kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

De vrouw heeft nagelaten te stellen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden en bovendien heeft zij geen feiten en omstandigheden ter onderbouwing daarvan aangevoerd.

Primair verzoekt de man de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek.

Subsidiair betwist de man de door de vrouw gestelde hoogte van de behoefte van de minderjarige. De man stelt dat het netto gezinsinkomen ongeveer € 3.000,-- per maand bedroeg (het inkomen van de man ad € 2.500,-- en daarbij opgeteld het inkomen van de vrouw ad € 500,--). Uitgaande van de tabel bedraagt de behoefte van het kind € 425,-- per maand.

Meer subsidiair stelt de man dat de kosten van de minderjarige dochter van partijen naar rato van de draagkracht van de ouders dient te worden verdeeld.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man het meer subsidiair gestelde ingetrokken. Dit komt derhalve hieronder niet meer aan de orde.

De door de vrouw verzochte ingangsdatum wordt eveneens betwist door de man. De man heeft met ingang van 1 mei 2011 iedere maand een bedrag van € 360,-- betaald. Daarnaast heeft hij extra kosten van [de minderjarige], zijnde reiskosten, schoolgeld, schoolspullen, telefoonkosten, abonnement van de fitness, zakgeld en dergelijke van gemiddeld

€ 493,-- per maand voldaan. De man heeft door deze extra betalingen niet kunnen reserveren.

4. De beoordeling

4.1. Wijziging van omstandigheden

4.1.1. Anders dan de vrouw stelt, is de rechtbank van oordeel dat partijen -stilzwijgend- voor [de minderjarige] een onderhoudsbijdrage zijn overeengekomen waarbij de man zelf nog rechtstreeks de betaling van bepaalde kosten voor zijn rekening zou nemen. De man heeft immers de afspraken zoals in het (concept)ouderschapsplan opgenomen nageleefd en uit niets is gebleken dat de vrouw dit, tot het moment van indiening van het onderhavig verzoek, onacceptabel heeft gevonden.

4.1.2. Een overeenkomst kan bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijziging waardoor het aanvankelijk overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een wijziging van omstandigheden.

4.1.3. Een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan ook worden gewijzigd, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (artikel 1:401 lid 5 Burgerlijk Wetboek). Hiermee wordt bedoeld dat, uitgaande van dezelfde gegevens, er geen duidelijke wanverhouding mag bestaan tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het kan gaan om een situatie waarin partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken.

4.1.4. Uit het overgelegde ouderschapsplan blijkt dat de kinderalimentatie van € 360,-- per maand is herleid uit een globale berekening van het gezinsinkomen van in totaal € 2.500,-- (het inkomen van de man van € 2.100,-- en daarbij opgeteld het inkomen van de vrouw van

€ 400,--).

4.1.5. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is te herleiden dat het netto gezinsinkomen tijdens de relatie een bedrag van € 3.297,-- per maand bedroeg.

Het inkomen van de man ten tijde van de relatie bedroeg omgerekend € 2.797,-- netto per maand, uitgaande van het basissalaris, de vakantietoeslag en de dertiende maand, blijkens de overgelegde salarisspecificaties van de man over de maanden augustus, september, oktober, november 2011 en januari 2012. Daarbij dient te worden opgeteld het inkomen van de vrouw. De man stelt dat het netto inkomen van de vrouw € 500,-- per maand bedroeg. De vrouw heeft de stelling van de man niet weersproken.

4.1.6. De rechtbank sluit voor de vaststelling van de hoogte van de behoefte van [de minderjarige] aan bij het rapport Kosten van Kinderen. Uit de daarin opgenomen tabel blijkt dat bij een netto gezinsinkomen van € 3.297,-- (zie de overweging onder punt 4.1.5.) de totale kosten van [de minderjarige] € 481,-- per maand bedragen (rekening houdende met de indexering in het jaar 2012).

4.1.7. De man voldoet sinds mei 2011 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] van € 360,-- per maand. Daarnaast blijkt uit het overgelegde overzicht van de man over de extra kosten van [de minderjarige], bij brief ingekomen ter griffie op

30 november 2011, dat de man gemiddeld per maand een bedrag van € 493,-- voldeed, zijnde de kosten van de telefoon, fitness, openbaar vervoer, schoolgeld, schoolspullen, zakgeld, meubels, fiets en uitgaansactiviteiten. Dit is door de vrouw niet weersproken. Het ging in totaal om een bedrag van € 863,-- per maand (de kinderalimentatie en de gemiddelde extra kosten ten behoeve van [de minderjarige] bij elkaar opgeteld).

De man oversteeg met deze betalingen -uitgaande van de behoefte van [de minderjarige] van € 481,-- per maand- ruimschoots de omvang van zijn onderhoudsverplichting en de behoefte van [de minderjarige].

4.1.8. Het voorgaande brengt mee dat de alimentatieovereenkomst niet is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven indien en voor zover het totaalbedrag van de kosten uit de behoefte van [de minderjarige] die de man gemiddeld maandelijks voldoet, vermeerderd met de bijdrage die hij aan de vrouw voldoet, tenminste gelijk is aan de hiervoor onder 4.1.6. berekende behoefte van € 481,-- per maand. Zoals hiervoor is vastgesteld is dit laatste steeds het geval geweest zodat er geen grond bestaat de overeenkomst te wijzigen. Het verzoek tot wijziging van de overeenkomst wordt afgewezen.

5. De beoordeling

De rechtbank:

5.1. wijst het verzoek van de vrouw af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.M.J. Janssen, rechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 11 april 2012.