Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BW1980

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
92374 - HA ZA 11-2228
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk. Onvoldoende onderbouwd dat meerwerk is overeengekomen. Bewijsopdracht ter zake van betaling van €15.000,00

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 92374 / HA ZA 11-2228

Vonnis van 4 april 2012

in de zaak van

[EISER],

wonende te Dordrecht,

eiser,

advocaat: mr. J.R.L. van Gasteren,

tegen

DE GEZAMENLIJKE ERFGENAMEN VAN MARTINUS ROTH,

wonende te Dordrecht,

gedaagden,

advocaat: mr. E.W.F.M. Hoogma.

Partijen zullen hierna [eiser] en [de erfgenamen] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 juli 2011 en de daarin genoemde stukken;

- het proces-verbaal van comparitie van 17 januari 2012.

2. De feiten

2.1. [erflater] (hierna: [erflater]) was eigenaar van een metselbedrijf, genaamd [bedrijfsnaam], dat hij als eenmanszaak dreef.

2.2. [eiser] is met [erflater] in overleg getreden voor het realiseren van een aanbouw aan het woonhuis van [eiser]. Naar aanleiding hiervan heeft [erflater] een offerte opgesteld, d.d. 3 november 2009, waarin onder meer het volgende staat vermeld:

“(…)

Bovengenoemde werkzaamheden kunnen wij u aanbieden voor € 33.800,00 exclusief 19 % b.t.w.

Als onderstaande werkzaamheden door u worden verricht geldt een korting van € 4.000,00

Materialen en manuren € 29.800,00

19% b.t.w. € 5.662,00

---------------

Totaalbedrag € 35.462,00

U zorgt zelf voor de onderstaande werkzaamheden:

Bestrating verwijderen.

Overleg gemeente voor toegang plantsoen i.d.n.

Bouwtekeningen en vergunningen.

De bak wordt gevuld met zand.

De buitenwand wordt gesloopt, het puin afvoeren.

Stalen bint/kolommen bestellen en plaatsen met medewerking van [X] Bouw.

Electra plaatsen.

Stucwerk.

Schilderwerk.

(…)”.

2.3. In een e-mail van 12 november 2009 van [eiser] aan [erflater] staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Het oorspronkelijke budget was (zoals diverse keren aangegeven) EUR 30.000. Dat was inclusief staalwerk en inclusief BTW. Dat betekent dat beide bedragen zoals nu in de offerte genoemd simpelweg niet haalbaar zijn. Met wat toeters en bellen kunnen we ons budget oprekken naar 33.000 (dus het bedrag dat we totaal kunnen uitgeven), maar daar ligt dan ook absoluut de grens. Wellicht is dit haalbaar door wat meer werkzaamheden dan in de offerte genoemd zelf uit te voeren (vb. binnenafwerking plafond, schoonmaken en opruimen etc.) en door goed te kijken naar de BTW zeg maar.

Omvang/verdeling van de werkzaamheden zien we dan als volgt:

* Levering inclusief staalwerk compleet met plaatsen

Inclusief (zoals volgens eerdere afspraak):

* Kunststof deur achtergevel soortgelijk profiel als schuifpui

* Glasblokken nieuwe zijgevel

* 5 st. nieuwe cilinders t.b.v. deursloten

* Keukendeur Northgo N474 (optie draai-kantel)

* Aanpassen / aanhelen vloerverwarming

* Alle deuren en kozijnen dubbelglas, binnenzijde veiligheidsglas

* Bemonsteren van nieuwe stenen en glasblokken

Zelf doen:

* bestrating verwijderen

* bomen omzagen

* puin afvoeren (dat wil zeggen van de buitengevel in de puincontainer, sloopwerk is dan al gedaan)

* grond afvoeren naar de stort (…)

* electra

* isolatie nieuwe gevel (…)

* stucwerk

* schilderwerk

* schoonmaken en opruimen (wel puincontainer regelen)

* andere binnenwerkzaamheden welke zelf kunnen worden uitgevoerd (in overleg).

(…)

Wil je hier nog even op reageren? Wanneer we het op één of andere manier eens kunnen worden hierover willen we graag van start gaan.

(…)

Met vriendelijke groet,

[x] [eiser] ”.

2.4. In de offerte van 15 november 2009 staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Hierbij reageer ik op een brief van 12 november 2009.

Ik heb[aan] u [een] offerte uitgebracht en hier kan ik niet van afwijken.

(…)”.

Vervolgens volgt een herhaling van de offerte van 3 november 2009.

2.5. Op 19 november 2009 hebben [eiser] en [erflater] bij [eiser] thuis overleg gevoerd, waarna zij een overeenkomst hebben gesloten voor het realiseren van de aanbouw.

2.6. In de opdrachtbevestiging van 23 november 2009 staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Bovengenoemde werkzaamheden kunnen wij u aanbieden voor € 18.240,00 inclusief 19 % b.t.w.

U zorgt zelf voor de onderstaande werkzaamheden:

Bestrating verwijderen.

Overleg gemeente voor toegang plantsoen i.d.n.

Bouwtekeningen en vergunningen.

De bak wordt gevuld met zand.

De buitenwand wordt gesloopt, het puin afvoeren.

Stalen bint/kolommen bestellen en plaatsen met medewerking van [X] Bouw.

Electra plaatsen.

Stucwerk.

Schilderwerk.

(…)”.

2.7. Op 25 november 2009 heeft [eiser] een bedrag van € 15.000,00 contant van zijn bankrekening opgenomen.

2.8. Op een uitdraai van 25 november 2009 van de onder 2.3 genoemde e-mail van 12 november 2009 is met pen geschreven: “€ 15.000 contant ontvangen”. Daaronder staat een handtekening.

2.9. [eiser] heeft voor de aanbouw in elk geval een bedrag van € 8.222,54 en een bedrag van € 4.000,00 betaald.

2.10. In een e-mail van 7 april 2010 van [eiser] aan [erflater] staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)

In vervolg op ons telefonisch overleg heb ik een bedrag van EUR 4000 overgemaakt. Het restant laat ik voorlopig voor wat het is, in principe tot we klaar zijn. In het geheel van onze betalingsafspraken zit ik daarmee ruim boven de 80%.

(…)”.

2.11. Op 13 augustus 2010 is [erflater] overleden. [weduwe erflater] (hierna: [erfgenaam]) was met [erflater] gehuwd en zij is zijn enig erfgenaam.

2.12. De werkzaamheden voor de aanbouw waren ten tijde van het overlijden van [erflater] reeds aangevangen, maar nog niet afgerond. Op 7 september 2010 heeft expertisebureau ZNEB Expertise en Taxatie B.V. op verzoek van [eiser] ter plaatse geïnventariseerd in hoeverre de werkzaamheden voor de aanbouw waren voltooid. [eiser] en [erfgenaam] waren daar beiden bij aanwezig. In het naar aanleiding van de inventarisatie opgemaakte expertiserapport van 13 oktober 2010 staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)

In aanwezigheid van comparanten stelden wij vast dat de navolgende werkzaamheden waren uitgevoerd.

- Buitengevelblad linker woonhuisgevel tot eerste verdiepingsvloer verwijderd.

- Een 4-tal trillingsarme betonpalen waren ingebracht.

- De gewapend betonnen begane grondvloer werd gestort.

- Het gevelmetselwerk in spouw werd uitgevoerd met uitzondering van glazen bouwstenen en kozijnen.

- Voorlopig dakbeschot met balklaag werd aangebracht (…).

Nog uitgevoerd dient te worden:

- De gehele afbouw.

- Doorbreking betonnen (dik 15 cm) linkerzijgevel (binnenblad) over de lengte van de aanbouw evenals levering en plaatsing stalen ondersteuningsportaal.

- Levering en plaatsing glazen bouwstenen, een houten kozijn en een kunststof kozijn met dito achterdeur, allen bezet met beglazing.

- Enige gevelcorrectie in verband met niet waterpas gelegde raamlateien (…).

- Het verzwaren van de bestaande zijgevelfundering ter plaatse van de grote doorbraak als bij de doorbraak van de nog te plaatsen keukendeur met kozijn.

- Nog te leveren en plaatsen van een keukenkozijn met deur inclusief glas conform opgaven en specificatie.

- Het aanbrengen van de complete dakbedekking, loodafwerking en hemelwaterafvoer.

- Puinafvoer en opschonen bouwterrein.

(…)

AFREKENING

In overleg met partijen stelden wij vast met betrekking tot de vigerende aannemingsovereenkomst ad € 18.240,-- circa 2/3 was gepresteerd. Zonder dit in detail te hebben begroot, stelden wij vast dat gepresteerd was voor een bedrag ad € 12.222,-- zijnde exact het bedrag dat reeds door partij I [[eiser] - toevoeging rechtbank] was voldaan.

(…)

Anders ligt dit echter bij de betaling van € 15.000,-- zijnde meerwerk (…).

Naar schatting tussen partijen werd van dit meerwerk maximaal 10% uitgevoerd, zijnde € 1.500,-- inclusief BTW.

Het betreft hier meerwerk omschreven in een e-mailbericht van partij I [[eiser] - toevoeging rechtbank] d.d. 12 november 2009.

(…)”.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat [de erfgenamen] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van:

- € 13.500,00, te vermeerderen met wettelijke rente;

- € 829,00 aan expertisekosten;

- buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten en nakosten.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij met [erflater] een aanneem-overeenkomst heeft gesloten. Die overeenkomst is ontbonden en thans moet de uit de ontbinding voortvloeiende ongedaanmakingsverbintenis worden nagekomen. Gelet op de stand van het werk en het bedrag van de aanneemsom dat reeds is voldaan, moet een bedrag van € 13.500,00 aan [eiser] worden terugbetaald. Nu [erflater] is overleden, dienen zijn erfgenamen dit bedrag te betalen, alsmede de kosten van de expert voor het vaststellen van de stand van het werk.

3.3. [eiser] stelt dat de aanneemsom € 33.240,00 bedraagt. Die som bestaat volgens hem uit een bedrag van € 18.240,00 voor de hoofdopdracht (hierna: de hoofdopdracht) en een bedrag van € 15.000,00 voor werkzaamheden die hij en [erflater] “meerwerk” hebben genoemd (hierna: het meerwerk). Ter zake van de hoofdopdracht komt de stand van het werk overeen met hetgeen [eiser] daarvoor heeft betaald. Ter zake van het meerwerk heeft [eiser] het bedrag van € 15.000,00 contant vooruitbetaald, terwijl de betreffende werkzaamheden slechts voor 10% zijn voltooid. Hij heeft daarom recht op 90% van het bedrag van € 15.000,00, wat neerkomt op het gevorderde bedrag van € 13.500,00.

3.4. [erfgenaam] voert in haar hoedanigheid van enig erfgenaam verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering. Zij voert aan dat het werk voor een bedrag van € 18.240,00 zou worden gerealiseerd en niet voor nog eens een extra bedrag van € 15.000,00. Zij betwist dat er meerwerk zou worden verricht, alsook dat [eiser] het bedrag van € 15.000,00 heeft betaald. Het geld dat wel is betaald, is gelijk aan de stand van het werk zodat [eiser] te dien aangaande niets meer heeft te vorderen.

4. De beoordeling

4.1. Ter onderbouwing van de stelling dat naast de hoofdopdracht, ook meerwerk zou worden verricht, verwijst [eiser] naar zijn e-mail aan [erflater] van 12 november 2009 (hier geciteerd onder 2.3). In die e-mail schrijft hij dat de in de offerte genoemde aanneemsom voor hem “niet haalbaar” is en dat hij in dat verband maximaal € 33.000,00 kan betalen. Hij doet daarom het voorstel de aanneemsom te verlagen door “wat meer werkzaamheden dan in de offerte genoemd zelf uit te voeren” en door “goed te kijken naar de BTW”. Hieruit blijkt niet dat [erflater] meerwerk zou gaan verrichten. [eiser] stelt juist voor meer werkzaamheden zelf uit te voeren en hij wil kennelijk de aanneemsom geheel of gedeeltelijk “zwart” betalen. In het expertiserapport wordt ter zake van het meerwerk verwezen naar wat blijkbaar dezelfde e-mail van [eiser] is (“Het betreft hier meerwerk omschreven in een e-mailbericht van partij I d.d. 12 november 2009” - zie 2.12). Aldus blijkt ook daaruit niet dat [erflater] meerwerk zou verrichten. Er zijn verder geen stukken overgelegd die onderbouwen dat er meerwerk zou worden verricht. Gelet hierop heeft [eiser] zijn stelling tegenover de betwisting van [erfgenaam] onvoldoende onderbouwd, zodat die stelling niet komt vast te staan.

4.2. Uit het bovenstaande vloeit voort dat het overeengekomen werk enkel kan bestaan uit het werk dat in de opdrachtbevestiging is genoemd. [eiser] heeft nakoming gevorderd van de ongedaanmakingsverbintenis die voortvloeit uit de ontbinding van de aanneemovereenkomst. Voor zover de aard van de prestatie uitsluit dat zij ongedaan wordt gemaakt, treedt daar ingevolge artikel 6:272 van het Burgerlijk Wetboek waardevergoeding voor in de plaats. Dat betekent dat voor zover het werk is verricht, de waarde daarvan moet worden vergoed, waarbij die waarde gelijk is gesteld aan de aanneemsom. Voor zover het werk nog niet is verricht maar al wel is betaald, vindt de ongedaanmaking plaats door terugbetaling. Tussen partijen is niet in geschil dat tweederde deel van het werk dat in de opdrachtbevestiging is genoemd, is verricht. Derhalve treedt voor tweederde deel waardevergoeding in de plaats. Tussen partijen staat vast dat met de reeds betaalde bedragen van € 8.222,54 en € 4.000,00 de waarde van het verrichte werk is vergoed, uitgaande van een aanneemsom van € 18.240,00. Indien komt vast te staan dat [eiser] tevens een bedrag van € 15.000,00 heeft betaald en de aanneemsom € 15.000,00 meer bedraagt, komt hem uit hoofde van de ongedaanmakingsverbintenis nog één derde deel van € 15.000,00 toe. Tweederde deel van de aanneemovereenkomst is dan immers ongedaan gemaakt door waardevergoeding (€ 15.000,00 x 2/3 deel = € 10.000,00) en één derde deel moet dan nog ongedaan worden gemaakt door terugbetaling. Dit zou neerkomen op een toewijsbaar bedrag van € 5.000,00 (€ 15.000,00 x 1/3 deel).

4.3. In het geval dat [eiser] tevens het bedrag van € 15.000,00 heeft betaald, komt het totaal aan [erflater] betaalde bedrag neer op € 27.222,54 (€ 15.000,00 + € 8.222,54 + € 4.000,00). Dat bedrag zou een aanneemsom van € 18.240,00 aanzienlijk overtreffen. Indien de aanneemsom daarentegen € 33.240,00 (€ 18.240,00 + € 15.000,00) bedraagt, is een (aan)betaling van € 27.222,54 geenszins ondenkbaar. Een aanneemsom van € 33.240,00 en een betaling van een bedrag van € 27.222,54 zou ook stroken met de e-mail die [eiser] op 7 april 2010 aan [erflater] heeft gestuurd, waarin [eiser] schrijft dat hij ruim 80% van de aanneemsom heeft betaald. Uitgaande van een aanneemsom van € 33.240,00 maakt een betaling van € 27.222,54 namelijk dat 82% is betaald (€ 27.222,54 / € 33.240,00 x 100% = 82%). Gelet hierop wordt reeds nu geoordeeld dat indien komt vast te staan dat [eiser] het voornoemde bedrag van € 15.000,00 aan [erflater] heeft betaald, daarmee eveneens komt vast te staan dat de overeengekomen aanneemsom € 33.240,00 bedraagt.

4.4. Het feit dat [eiser] op 25 november 2009 een contant bedrag van € 15.000,00 van zijn bankrekening heeft opgenomen, is, gelet op de betwisting van [erfgenaam], onvoldoende om aan te nemen dat [eiser] daadwerkelijk € 15.000,00 aan [erflater] heeft betaald. Opname is immers nog geen betaling. De e-mail van 12 november 2009 waarop “€ 15.000 contant ontvangen” staat geschreven en door [erflater] zou zijn ondertekend, levert ingevolge artikel 157 lid 2 jo. artikel 159, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) geen bewijs van betaling op, zolang niet is bewezen van wie de ondertekening afkomstig is nu [erfgenaam] de echtheid van de ondertekening niet erkent. Aangezien [eiser] zich op het stuk beroept, draagt hij de bewijslast van de echtheid van de handtekening. Hij zal overeenkomstig zijn bewijsaanbod tot dit bewijs worden toegelaten.

4.5. Ter zitting heeft [eiser] verklaard een handschriftdeskundige te willen raadplegen. Omwille van proceseconomie doet de rechtbank het voorstel mevrouw M.M.E. Kolhorn Visser te benoemen tot handschriftdeskundige. Partijen dienen zich bij akte uit te laten of zij hiermee instemmen, waartoe de zaak naar de rol zal worden verwezen. Indien zij niet met het voorstel instemmen, dienen zij zich uit te laten over de deskundige die zij in de plaats daarvan wensen. Gelet op de bewijslastverdeling zal [eiser] worden opgedragen het voorschot op de kosten van de deskundige ter griffie te deponeren. Indien partijen instemmen met de benoeming van mevrouw M.M.E. Kolhorn Visser, zal het voorschot worden vastgesteld op het bedrag van € 2.150,00, gelijk aan de kosten die de deskundige heeft begroot. Zij schat aan het onderzoek en de rapportage 17,5 uren te besteden, hanteert een tarief van € 110,00 per uur, brengt € 225,00 in rekening voor bureau- en administratiekosten en rekent geen BTW.

4.6. Indien komt vast te staan dat de handtekening inderdaad van [erflater] afkomstig is, levert de e-mail op grond van artikel 151 Rv dwingend bewijs op, als gevolg waarvan de inhoud van de e-mail als waar moet worden aangenomen. [erfgenaam] zal in dat geval in de gelegenheid worden gesteld tegenbewijs te leveren van de aanname dat [eiser] € 15.000,00 aan [erflater] heeft betaald. Indien niet komt vast te staan dat de handtekening van [erflater] afkomstig is, komt eveneens niet vast te staan dat [eiser] € 15.000,00 aan [erflater] heeft betaald. De vordering zal dan om die reden worden afgewezen.

4.7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in het licht van de kosten van de deskundige in relatie met de ten hoogste toe te wijzen som van € 5.000,00 (zie r.o. 4.2), wordt partijen in overweging gegeven in overleg te treden en een schikking te treffen.

4.8. In afwachting van de te nemen akten wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. draagt [eiser] op te bewijzen dat de handtekening op de e-mail van 12 november 2009 onder de tekst “€ 15.000 contant ontvangen” afkomstig is van [erflater];

5.2. verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 11 april 2012 voor het nemen van akten ter zake van de te benoemen deskundige, eerst aan de zijde van [eiser];

5.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M.M. Smilde-Schölvinck en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2012.