Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BW0473

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
30-03-2012
Zaaknummer
92540 - HA RK 11-2026
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing beroep getuige tevens zijnde partij in voorlopig getuigenverhoor op familiaal verschoningsrecht ex artikel 165 tweede lid aanhef en onder a Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 92540 / HA RK 11-2026

Beschikking van 14 maart 2012 naar aanleiding van beroep op verschoningsrecht

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ACCON AVM GROEP B.V.,

gevestigd te Arnhem,

verzoekster in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. P.W.H.M. Dijkmans,

tegen

[getuige in hoofdzaak/eiser in incident]

wonende te Sliedrecht,

getuige in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. B.D. Bos.

Partijen zullen hierna Accon en [getuige in hoofdzaak/eiser in incident] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van 23 november 2011 waarin het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is toegewezen en de daarin genoemde stukken;

- het proces-verbaal van voorlopig getuigenverhoor van 9 februari 2011;

- de akte in het incident ex artikel 165 lid 2 sub a Rv zijdens [getuige in hoofdzaak/eiser in incident];

- de akte uitlating verschoningsrecht zijdens Accon.

2. De feiten

2.1. Accon heeft bij koopovereenkomst d.d. 14 maart 2007 de activa van het accountants- en advieskantoor “[X] & Partners” van [getuige in hoofdzaak/eiser in incident] en zijn voormalige partners gekocht. Accon en [getuige in hoofdzaak/eiser in incident] zijn vervolgens een managementovereenkomst overeengekomen met daarin een relatiebeding.

2.2. [betrokkene 1] (hierna: “[betrokkene 1]”), de dochter van [getuige in hoofdzaak/eiser in incident], was eveneens werkzaam bij [X] & Partners en kwam ten gevolge van de overname in dienst van Accon. [betrokkene 1] en Accon zijn in hun arbeidsovereenkomst eveneens een relatiebeding overeen gekomen.

2.3. Accon heeft, naast het onderhavige voorlopige getuigenverhoor, een voorlopig getuigenverhoor tegen [betrokkene 1] aanhangig gemaakt bij de kantonrechter te Gorinchem.

3. De beoordeling in het incident

3.1. [getuige in hoofdzaak/eiser in incident] heeft zich tijdens zijn verhoor op het familiale verschoningsrecht ex artikel 165 tweede lid aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: “Rv”) beroepen.

[getuige in hoofdzaak/eiser in incident] stelt in dit verband dat hij in zijn eigen zaak niet alleen partijgetuige is, maar tevens een getuige wiens verklaring tegen zijn dochter ([betrokkene 1]) kan worden gebruikt. De verwevenheid van de beide zaken en de betrokkenheid van [getuige in hoofdzaak/eiser in incident] en [betrokkene 1] onderling brengt mee dat er geen heldere scheiding is tussen enerzijds de positie van [getuige in hoofdzaak/eiser in incident] als derde-getuige en anderzijds de positie van [getuige in hoofdzaak/eiser in incident] als partijgetuige, zodat het een beroep op het familiale verschoningrecht toekomt.

3.2. Accon verzoekt het beroep van [getuige in hoofdzaak/eiser in incident] af te wijzen.

Daartoe voert zij aan dat het getuigenverhoor is geëntameerd om zowel tegen [getuige in hoofdzaak/eiser in incident] als tegen [betrokkene 1] een procedure aanhangig te maken. [getuige in hoofdzaak/eiser in incident] en [betrokkene 1] dienen beiden, zowel “de iure” als “de facto”, als partij in deze procedure aangemerkt te worden. Omdat aan een partijgetuige geen verschoningsrecht toekomt, komt aan hen niet het recht toe – over en weer – een beroep te doen op het verschoningsrecht. Door dit wel te doen maken zij misbruik van hun bevoegdheid, omdat zij hierdoor slechts hun eigen belangen pogen veilig te stellen.

3.3. Vast staat dat [getuige in hoofdzaak/eiser in incident] (vader) een bloedverwant is van [betrokkene 1], (dochter) in de zin van artikel 165 lid 2 sub a Rv. Dit betekent dat [getuige in hoofdzaak/eiser in incident] in beginsel een beroep op het familiaal verschoningsrecht toekomt. De wet erkent dit verschoningsrecht immers ongeclausuleerd. Een getuige die een beroep doet op het familiaal verschoningsrecht kan ermee volstaan zich op de bestaande familierelatie te beroepen en behoeft niet nader te motiveren waarom hij van zijn verschoningsrecht gebruik wenst te maken (zie HR 8 mei 1998, NJ 1998, 606). Het voorgaande is een direct gevolg van het uitgangspunt dat getuigen bij het afleggen van een verklaring in relatie tot familieleden in een gewetensconflict kunnen komen te verkeren, waartegen artikel 165 lid 2 sub a Rv hen juist beoogt te beschermen.

3.4. Accon heeft aangevoerd dat uit het bepaalde in artikel 193 Rv dient te worden afgeleid dat - indien de verzoeker in een voorlopig getuigenverhoor beoogt inlichtingen van een partij te verkrijgen ten behoeve van een tegen hem in te stellen vordering - sprake is van een getuige die als partij moet worden aangemerkt. In het onderhavige geval is het voorlopige getuigenverhoor ingesteld teneinde vast te stellen of [verwerende partijen] het relatiebeding dat hij met Accon is overeengekomen, heeft overtreden. Onder die omstandigheden dient [getuige in hoofdzaak/eiser in incident] als partij te worden aangemerkt. Uit het arrest Goosen/Goosen van de Hoge Raad d.d. 19 februari 1993, NJ 1994, 344, blijkt dat een partijgetuige geen beroep op het verschoningsrecht toekomt, aldus Accon.

3.5. De verwevenheid van de zaak van Accon tegen [betrokkene 1] en die van Accon tegen [getuige in hoofdzaak/eiser in incident] maakt dat in het onderhavige voorlopige getuigenverhoor geen heldere scheiding is tussen de positie van [getuige in hoofdzaak/eiser in incident] als getuige enerzijds en als partij anderzijds. Gelet op die verwevenheid en de door de wetgever geboden bescherming in het geval er sprake is van een verklaring over een familielid (wanneer die partij is), wordt geoordeeld dat het beroep van [getuige in hoofdzaak/eiser in incident] op het verschoningsrecht moet worden toegewezen. Voorts kan, onder voornoemde omstandigheden en gelet op de aard van de door de wetgever geboden bescherming, niet worden geoordeeld dat [getuige in hoofdzaak/eiser in incident] misbruik maakt van zijn bevoegdheid door zich op het familiale verschoningsrecht te beroepen.

4. De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1. wijst toe het beroep op van [getuige in hoofdzaak/eiser in incident] op het familiale verschoningsrecht ex artikel 165 tweede lid, aanhef en onder a Rv;

4.2. bepaalt dat het voorlopige getuigenverhoor zal worden voortgezet op 15 maart 2012.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.E Dijkers en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2012.?