Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BW0462

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
30-03-2012
Zaaknummer
91640 / HA ZA 11-2129
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over erfdienstbaarheid (recht van overpad over een tuinpad naast en achter rijtjeswoningen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 91640 / HA ZA 11-2129

vonnis van 28 maart 2011

in de zaak van

[Eiser]

wonende te Nieuw-Beijerland, gemeente Korendijk,

eiser,

advocaat mr. M.J. Goedhart,

tegen

1. [Gedaagde 1]

2. [Gedaagde 2]

beiden wonende te Nieuw-Beijerland, gemeente Korendijk,

gedaagden,

advocaat mr. M.J.M.T. van Maarle.

1. Het procesverloop

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

tussenvonnis van 8 juni 2011 en de daarin genoemde processtukken,

brieven met bijlagen van mr. Goedhart van 1 augustus 2011 en 14 oktober 2011,

brief met bijlagen van mr. Van Maarle,

proces-verbaal van comparitie en plaatsopneming van 31 oktober 2011,

brieven van beide advocaten met commentaar op het proces-verbaal.

2. De vaststaande feiten

2.1 Eiser woont sinds 1964 op het adres [adres 1] te Nieuw-Beijerland. Naast hem wonen sinds 18 januari 2010 gedaagden op [adres 2]. Beide woningen maken deel uit van een rij van drie huizen ( [nrs. 3,4 en 5]). Eiser woont in het middelste huis.

2.2 In 1966 hebben de eigenaren van [adres] [nrs. 3,4 en 5] (verder percelen 2,4 en 6) een stuk grond (perceel 2449) achter hun achtertuin gekocht van de gemeente. Perceel 6 behoorde toen toe aan [betrokkene 1]. Bij de overdracht van het perceel aan de eigenaren van percelen [percelen 2,4 en 6] is, voor zover thans van belang, ten laste van perceel 6 en ten behoeve van perceel 4 een erfdienstbaarheid gevestigd. De akte van vestiging luidt, voor zover thans van belang,

(…) dat het bij deze verkochte als heersend erf wordt bevoorrecht ten laste van het gedeelte van het perceel nummer 2449 dat bij koopakte van heden (…) wordt verkocht aan de heer [betrokkene 1] als lijdend erf met de erfdienstbaarheid van weg ter breedte van twee meter vijftig centimeter van en naar de [adres](…)

3. De vordering

3.1 Eiser vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden worden veroordeeld om

I op hun perceel een overpad te realiseren en in stand te houden met een breedte van 2,5 meter bestaande uit verharde materialen;

II het recht van overpad volledig te respecteren en op het overpad geen zaken, daaronder onder meer bloembakken en motorvoertuigen, te plaatsen;

III vrije doorgang te verlenen aan een ieder die van het perceel van eiser gaat of naar de [adres] gaat, danwel van de [adres] komt naar het perceel van eiser;

IV primair: de door hen op het overpad gerealiseerde poorten te verwijderen;

Subsidiair: de bestaande poorten te vervangen door twee poorten van deugdelijk materiaal, bestaande uit twee gelijke delen met een minimale breedte van 1,25 meter, waarvan in ieder geval een gedeelte met een enkele handeling kan worden geopend en met een enkele handeling kan worden gesloten, zonder beperking in de hoogte;

alles met dwangsommen als omschreven in de dagvaarding en met veroordeling van gedaagden in de proceskosten met rente.

3.2 Aan zijn vordering legt eiser het volgende ten grondslag.

De bedoeling van de gevestigde erfdienstbaarheid is dat Snel de mogelijkheid heeft om met de auto achter zijn perceel kon komen. Dit is te zien aan de in de akte van vestiging voorgeschreven breedte van de erfdienstbaarheid. Er is steeds een pad met tegels en grind geweest. In strijd met deze erfdienstbaarheid hebben gedaagden:

- één tegelrij weggehaald en de rest van het pad ingezaaid met gras;

- met twee gammele, (door de bovenlat) in hoogte beperkte en lastig te openen poorten de doorgang belemmerd. Met name wordt de echtgenote van eiser door deze poorten ernstig gehinderd als zij met de fiets boodschappen heeft gedaan. Ook komt er een paar maal per jaar een auto naar de achterzijde van perceel 4. De poorten zijn dan een obstakel;

- het pad voorzien van hindernissen zoals plantenbakken en een geparkeerde auto;

- bezoekers aan perceel 4 weggestuurd (zoals de door eiser ingeschakelde huisschilder).

3.3 De conclusie van gedaagden strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van eiser in de kosten van het geding. Per onderdeel van de vordering zal op hun standpunten worden ingegaan.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 In geschil is de omvang van de erfdienstbaarheid.

4.2 Om te kunnen bepalen wat de verplichtingen van gedaagden als eigenaren van het dienende erf (vroeger werd dit het lijdende erf genoemd) zijn, moet in de eerste plaats naar de akte van vestiging worden gekeken. In de akte staat slechts dat de doorgang 2,5 meter breed moet zijn. Bij de plaatsopneming is geconstateerd dat de doorgang deze breedte heeft. Bij de gevorderde realisering van de erfdienstbaarheid heeft eiser dus geen belang, zodat dit onderdeel van de vordering zal worden afgewezen.

4.3 Uit het feit dat doorgang verleend moet worden, volgt tevens, dat deze doorgang in beginsel over deze breedte vrij moet zijn of gemakkelijk vrij gemaakt moet kunnen worden. Vaste bloembakken mogen niet op de doorgang worden geplaatst, maar ter plaatse is niet geconstateerd dat dergelijke obstakels zijn aangebracht. Bij een verbod op het plaatsen van bloembakken (onder II) heeft eiser daarom geen belang, zodat ook dit onderdeel van de vordering zal worden afgewezen. Het spreekt vanzelf, dat gedaagden na dit vonnis de situatie, zoals aangetroffen en gefotografeerd door de rechtbank, in stand dienen te laten.

4.4 De akte van vestiging bevat verder geen informatie over de omvang van de erfdienstbaarheid. Art. 5:73 lid 1 BW bepaalt dat de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening door plaatselijke gewoonten wordt bepaald als daarover in de akte van erfdienstbaarheid regels ontbreken. Het zelfde artikellid bepaalt dat bij twijfel de wijze waarop de erfdienstbaarheid geruime tijd te goeder trouw zonder tegenspraak is uitgeoefend van belang is.

4.5 Vast staat dat eiser en zijn echtgenote nooit een auto hebben gehad. Eiser stelt dat zijn zoon wel eens met de auto achterom kwam. Dat was echter een incident en eiser heeft niet weersproken dat dit steeds in overleg met de eigenaar van het dienende erf (destijds Zeeman) is gegaan. Uit de inhoud van de akte van vestiging en de wijze waarop de erfdienstbaarheid is uitgeoefend moet worden afgeleid dat er wel een auto achterom moet kunnen komen. Dit gaat echter niet om dagelijks gebruik maar om incidentele gevallen, waarin overleg met gedaagden aangewezen is. Zij hebben zich ter zitting bereid getoond om een auto door te laten, eventueel zelfs met een caravan. Gedacht moet worden aan bijzondere werkzaamheden die een dergelijke doorgang naar de tuin van perceel 4 noodzakelijk maken, zoals bijvoorbeeld het (incidenteel) schoonmaken van of sleutelen aan een auto of caravan.

Eiser heeft in dit verband nog aangevoerd dat ook de eigenaar van perceel 2 met de auto over perceel 6 en perceel 4 van de [adres] naar zijn perceel moet kunnen rijden. Bij vaststelling van de rechten van de eigenaar van perceel 2 heeft eiser echter geen belang. Daar komt nog bij dat eiser hierbij geen belang lijkt te hebben aangezien dit zal betekenen dat hij moet dulden dat er auto’s door zijn achtertuin mogen rijden.

4.6 De echtgenote van eiser gebruikt het pad door de tuin van gedaagden vooral om met de fiets boodschappen te doen. Dit betreft vrijwel dagelijks gebruik. Gedaagden dienen steeds te zorgen dat een vrije doorgang met de fiets mogelijk is. Dat het pad verhard moet zijn staat niet in de akte van vestiging en eiser heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat verharding noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn rechten. Hij stelt slechts dat er vroeger twee rijen tegels lagen en dat gedaagden één rij tegels heeft weggehaald. Ter plaatse is geconstateerd dat het met de bestaande verharding van het pad goed mogelijk is om met de fiets aan de hand door de tuin van gedaagden in de tuin van eiser te komen. Ook kan er incidenteel een auto passeren. Meer kan eiser niet verlangen. Ten aanzien van de bestrating voldoet de erfdienstbaarheid aan de daaraan te stellen eisen. De onder I gevorderde verharding van het pad zal worden afgewezen.

4.7 In beginsel dienen gedaagden het pad vrij te houden. Gedaagden erkennen dat zij één maal de auto op het pad hebben geparkeerd. Dat het vaker is gebeurd dan één keer stelt eiser niet. Op grond van één overtreding in het verleden, zal geen verbod met een dwangsom worden opgelegd. Hier wordt volstaan met uitgangspunten waar beide partijen zich aan dienen te houden.

Parkeren (de auto stilzetten en weggaan) op de doorgang is dus niet toegestaan. In- en uitladen is niet aan te merken als parkeren, zodat dit wel is toegestaan. Daarbij moet dan wel doorgang voor een persoon met de fiets aan de hand worden vrijgehouden. Gelet op de situatie ter plaatse is dit mogelijk.

Indien eiser precies tijdens het in- of uitladen door gedaagden met een auto over het perceel van gedaagden in zijn tuin wil komen, zal hij even overleg moeten voeren met gedaagden.

4.8 De vordering onder III is te ruim geformuleerd, want eiser dient op de minst bezwarende manier van de erfdienstbaarheid gebruik te maken. Eisers gasten mogen alleen door de tuin van gedaagden lopen als zij slechts op die manier in de achtertuin van eiser kunnen komen. De meeste gasten kunnen gewoon via de voordeur van eiser in de achtertuin van eiser komen. Is het noodzakelijk dat een bezoeker van eiser achterom komt, zoals bijvoorbeeld een schilder met steigermateriaal of een glazenwasser met een ladder, dan ligt het voor de hand dat eiser dit van tevoren aan gedaagden kenbaar maakt. Van gedaagden kan niet worden verlangd dat zij onaangekondigd aan Jan en Alleman toegang moeten verlenen in hun tuin. Bovendien zullen normaal oplettende buren behoren te vragen wat vreemden in de tuin van de buren te zoeken hebben; er kunnen zich immers ook ongenode gasten melden met minder goede bedoelingen. Eiser dient dus bij gedaagden aan te kondigen wie er wanneer gebruik zullen maken van de doorgang door de tuin van gedaagden.

4.9 Gedaagden zijn gerechtigd hun erf af te sluiten (art 5:48 BW). Dat eerdere eigenaren van perceel 6 geen schuttingen hadden geplaatst maakt dit niet anders. Gedaagden waren dan ook bevoegd op de erfafscheiding tussen hun tuin en die van eisers een schutting te plaatsen. Ook waren gedaagden gerechtigd op hun oprit een schutting te plaatsen, aangezien zij als eigenaars vrij zijn hun perceel in te richten. In beide schuttingen is een doorgang gemaakt, zodat eiser zich steeds toegang tot zijn tuin kan verschaffen. De primaire vordering onder IV zal dan ook worden afgewezen.

4.10 Eiser stelt dat de poorten slecht zijn van kwaliteit, moeilijk opengaan (vooral de deur van de schutting op de erfafscheiding) en dat deze te laag zijn. Gedaagden voeren aan dat de schuttingen met poorten tijdelijke maatregelen zijn en zij verzetten zich niet tegen plaatsing van poorten van een betere kwaliteit. Zij willen echter zelf bepalen wat voor poorten er op hun terrein geplaatst worden en er is discussie over wie de kosten dient te dragen. Gedaagden zijn eigenaar van perceel 6, dus zij bepalen de inrichting van hun tuin. Art. 5:75 BW geeft echter eiser de bevoegdheid om op zijn kosten werken aan te brengen, die voor de uitoefening van zijn erfdienstbaarheid noodzakelijk zijn.

Van dit laatste is geen sprake, nu ter plaatse is geconstateerd, dat de poorten open kunnen en doorgang bieden aan een persoon met de fiets aan de hand. Dat de fiets even weggezet moet worden om de poort weer te sluiten, zal ook bij een nieuwe poort het geval zijn. Voor dagelijks gebruik is de huidige poort toereikend. Eveneens is het, zij het met enige moeite, mogelijk om een auto toegang te verschaffen. Omdat het om zeer incidentele gevallen gaat is dit geen bezwaar.

De subsidiaire vordering onder IV zal dus eveneens worden afgewezen. Het ligt voor de hand dat partijen overleg hebben over nieuwe schuttingen, waarbij ook aan de wensen van eiser tegemoet gekomen wordt. Gedaagden zijn immers zelf van mening dat het thans tijdelijke maatregelen betreft. Als eiser wil dat aan zijn wensen tegemoet wordt gekomen, ligt het in de rede, dat hij bijdraagt in de kosten van vervanging van beide poorten.

4.11 Eiser wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

De kosten aan de zijde van gedaagden wordt tot op heden begroot als volgt:

Griffierechten € 258,--

Advocaatkosten € 768,-- + (2 punten tarief I à € 384,--)

Totaal: € 1.026,--

Hoewel gedaagden hiertoe niet verplicht zijn, zou het een mooi gebaar zijn als dit bedrag wordt aangewend om in overleg met eiser nieuwe poorten te laten plaatsen.

5. De beslissing

De rechtbank:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt eiser in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van gedaagden bepaald op € 1.026,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Halk en bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 28 maart 2012.