Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BV9765

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
23-03-2012
Zaaknummer
95599 / FA RK 11-8995
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Een moeder verzoekt (primair) intrekking van een in het kader van een ondertoezichtstelling door het Bureau Jeugdzorg gegeven schriftelijke aanwijzing waarin het contact tussen de -toen nog met het gezag belaste- moeder en haar uit huis geplaatste minderjarige zoon wordt beperkt. Het Bureau Jeugdzorg is van mening dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek, nu zij inmiddels gedwongen is ontheven van het gezag, hetgeen tot gevolg heeft dat het juridische kader van de ondertoezichtstelling, waarbinnen de schriftelijke aanwijzing is gegeven, niet langer bestaat.

De rechtbank vat het verzoek -bezien in het licht van de omstandigheid dat de moeder inmiddels is ontheven van het gezag- op als een verzoek tot het treffen van een (meer uitgebreide) omgangsregeling. De rechtbank is van oordeel dat de moeder ontvankelijk is in een dergelijk verzoek. Het verzoek wordt verder beoordeeld aan de hand van het bepaalde in artikel 1:377a Burgerlijk Wetboek (BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 95599 / FA RK 11-8995

beschikking van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2012

in de zaak van

[moeder],

wonende te [woon/verblijfplaats moeder],

verzoekster,

advocaat mr. T.M. Briggeman (Dordrecht),

tegen

het Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland,

gevestigd te (3311 KJ) Dordrecht, Johan de Wittstraat 40,

verweerster.

Partijen worden hieronder aangeduid als de moeder respectievelijk het Bureau Jeugdzorg.

1. Het procesverloop

1.1. De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

- het verzoekschrift van de moeder, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 16 november 2011;

- het F-formulier, met bijlagen, van de advocaat van de moeder, ingekomen ter griffie op 28 november 2011;

- de brief van de minderjarige [de minderjarige], ingekomen ter griffie op 29 december 2011;

- het verweerschrift van het Bureau Jeugdzorg, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 07 februari 2012.

1.2. De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzitting met gesloten deuren van 09 februari 2012, gevoegd met de mondelinge behandeling van de zaak met nummer 95545 / FA RK 11-8968 (verzoek van de vader, [naam vader], tot het intrekken van de schriftelijke aanwijzing van het Bureau Jeugdzorg van 03 november 2011, subsidiair tot het vaststellen van een omgangs- en contactregeling).

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de advocaat van de moeder;

- T.M. Verweij en G. Kolkman, namens het Bureau Jeugdzorg;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. C. Reijntjes-Wendenburg (Maastricht),

- mr. G.L.A.M. van Doveren (Waalwijk), namens de minderjarige [de minderjarige].

Hoewel behoorlijk opgeroepen is niet ter terechtzitting verschenen:

- de moeder.

De mondelinge behandeling is kort na aanvang geschorst om partijen en de advocaten in de gelegenheid te stellen met elkaar te overleggen, in het bijzonder over de vraag of het wenselijk is de behandeling aan te houden, in afwachting van de beslissing van het gerechtshof

’s-Gravenhage op het hoger beroep tegen de beschikking van deze rechtbank van 25 januari 2012, waarbij de vader en de moeder zijn ontheven van het gezag over de minderjarige [de minderjarige].

Na terugkeer van partijen en de advocaten in de zitting¬zaal, heeft de advocaat van de vader verzocht de behandeling van de zaak met nummer 95545 / FA RK 11-8968 (het verzoek van de vader) aan te houden; de advocaat van de minderjarige heeft verzocht de behandeling van beide zaken aan te houden.

De rechter heeft daarop het verzoek van de vader -in afwachting van de beslissing van het gerechtshof ’s-Gravenhage in het hoger beroep tegen de ontheffingsbeschikking van deze rechtbank van 25 januari 2012- verwezen naar de schriftelijke rolzitting familiezaken van donderdag 10 mei 2012.

De mondelinge behandeling van de onderhavige zaak (het verzoek van de moeder) is vervolgens buiten aanwezigheid van de vader, zijn advocaat en de advocaat van de minderjarige [de minderjarige] voortgezet.

2. De vaststaande feiten

2.1. De moeder is gehuwd met [naam vader] (hierna: de vader).

2.2. Uit het huwelijk van de moeder en de vader is geboren de thans nog minderjarige:

[de minderjarige] (hierna: [roepnaam mj]), op [geboortedatum mj].

2.3. Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 06 augustus 2008 is [roepnaam mj] onder toezicht gesteld, met benoeming van het Bureau Jeugdzorg om de ondertoezichtstelling uit te voeren. De ondertoezichtstelling is telkens verlengd, voor het laatst met ingang van 08 augustus 2011 voor de duur van een jaar.

2.4. In het kader van de ondertoezichtstelling is [roepnaam mj] uit huis geplaatst. Hij verblijft in het Medisch Kindertehuis (MKT) te Oostvoorne.

2.5. Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 17 februari 2011 is de moeder voor poging tot doodslag van [roepnaam mj] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaar. Als bijzondere voorwaarde heeft de rechtbank -onder meer- bepaald dat de moeder zich zal laten opnemen en behandelen in APZ Yulius of een soortgelijke instelling, gedurende een termijn van vijf jaar of zoveel korter als de leiding van de inrichting wenselijk acht.

2.6. Op 03 november 2011 heeft het Bureau Jeugdzorg een schriftelijke aanwijzing gegeven, waarbij -voor zover in deze zaak van de belang- de volgende contactregeling is vastgesteld:

- eens in de maand op de even weken op woensdag een begeleid contact met vader en moeder van een uur, begeleid door de gezinsvoogd of de ouderbegeleider van Horizon.

2.7. Bij beschikking van deze rechtbank van 25 januari 2012 zijn de vader en de moeder ontheven van het gezag over [roepnaam mj] en is het Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland Zuid belast met de voogdij over [roepnaam mj]. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3. Het verzoek

3.1. De moeder verzoekt primair de door het Bureau Jeugdzorg op 03 november 2011 gegeven schriftelijke aanwijzing in te trekken. Subsidiair verzoekt de moeder de vóór 03 november 2011 geldende contactregeling integraal te herstellen, althans bepaling van een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen contact- en omgangsregeling.

Ten slotte verzoekt de moeder het Bureau Jeugdzorg te veroordelen in de proceskosten, in het bijzonder wegens onnodig procederen.

3.2. Ter onderbouwing van haar verzoek stelt de moeder dat het argument van het Bureau Jeugdzorg om het contact tussen haar en [roepnaam mj] te beperken tot één keer per maand omdat zij nu in Eindhoven verblijft geen hout snijdt. Het belang van [roepnaam mj] dient het uitgangspunt te zijn en met een contact van slechts één uur per maand is er een grote kans op onthechting tussen de moeder en [roepnaam mj].

De moeder heeft daarnaast de indruk dat het feit dat het contact tussen haar en [roepnaam mj] nu door het Bureau Jeugdzorg is beperkt van éénmaal per veertien dagen tot éénmaal per maand mede is ingegeven door de uitbreiding van het contact tussen de vader en [roepnaam mj]. Zij stelt dat het Bureau Jeugdzorg ten onrechte de beide regelingen ziet als ‘communicerende vaten’.

De beperking van het contact is voor de moeder bijzonder moeilijk te verwerken en zij heeft het gevoel dat een en ander haar herstel belemmert.

Ten slotte stelt de moeder dat de schriftelijke aanwijzing van het Bureau Jeugdzorg onnodig het in het artikel 8 EVRM vastgelegde recht op gezinsleven beperkt.

Met betrekking tot haar verzoek om het Bureau Jeugdzorg in de proceskosten te veroordelen stelt de moeder dat het Bureau Jeugdzorg onnodig heeft geprocedeerd.

4. Het verweer

4.1. Het Bureau Jeugdzorg voert verweer tegen het verzoek van de moeder.

4.2. Primair is het Bureau Jeugdzorg van mening dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek. Het Bureau Jeugdzorg wijst er op dat beide ouders gedwongen zijn ontheven van het gezag over [roepnaam mj], hetgeen tot gevolg heeft dat het juridische kader van de ondertoezichtstelling, waarbinnen de schriftelijke aanwijzing is gegeven, niet langer bestaat. Dit brengt met zich dat de moeder niet kan worden ontvangen in haar verzoek.

4.3. Subsidiair, voor het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat de moeder wel kan worden ontvangen in haar verzoek, stelt het Bureau Jeugdzorg zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen.

Het is belangrijk dat [roepnaam mj] contact houdt met zijn moeder (en zijn vader), maar dit contact moet het belang van [roepnaam mj] dienen en zijn welzijn en gevoel van emotionele veiligheid moeten voorop staan.

[roepnaam mj] is nog volop bezig met de verwerking van het trauma dat zijn moeder hem in het verleden ernstig ziek heeft gemaakt. Het Bureau Jeugdzorg ziet echter dat de moeder onvoldoende kan inzien wat zij bij [roepnaam mj] heeft gedaan en welk effect dit heeft op [roepnaam mj] en op zijn ontwikkeling of gedrag; zij ziet eerder zichzelf dan [roepnaam mj] als slachtoffer.

De bezoeken zullen daarom vooralsnog begeleid dienen te blijven plaatsvinden en dat betekent dat de bezoeken niet in een weekend kunnen worden afgesproken. Nu de moeder in Eindhoven verblijft, brengt dit voor [roepnaam mj] mee dat hij -door de lange reistijd- als hij naar de middelbare school zal gaan lesuren moet missen. Dat kan wettelijk gezien niet om de week.

Met name gelet op de hierboven genoemde omstandigheden heeft het Bureau Jeugdzorg besloten de bezoekfrequentie terug te brengen. Dit besluit staat los van de regeling die is vastgesteld met betrekking tot het contact tussen de vader en [roepnaam mj]. Ook betekent het terugbrengen van de bezoekfrequentie niet dat de relatie tussen de moeder en [roepnaam mj] niet behouden kan blijven. Voor relatiebehoud is niet zozeer de frequentie van het contact doorslaggevend; veel meer gaat het om de band die een kind voelt met de ouder en [roepnaam mj] weet dat hij altijd bij zijn moeder terecht kan.

Gevaar van onthechting is daarbij, gelet op de leeftijd van [roepnaam mj], niet aan de orde.

Ten aanzien van de stelling van de moeder dat de schriftelijke aanwijzing van het Bureau Jeugdzorg onnodig het in het artikel 8 EVRM vastgelegde recht op gezinsleven beperkt voert het Bureau Jeugdzorg aan dat art. 8 lid 2 EVRM inmenging van het openbaar gezag in het recht op eerbiediging van het gezinsleven toestaat als dit bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De in de schriftelijke aanwijzing van 03 november 2011 vervatte beperking van het contact is in de wet voorzien (art. 1:263a van het Burgerlijk Wetboek) en is noodzakelijk ter bescherming van het recht van [roepnaam mj] om zich goed en veilig verder te ontwikkelen.

5. De mening van [roepnaam mj]

5.1. [roepnaam mj] heeft bij de kinderrechter verklaard dat hij graag meer bij zijn moeder op bezoek wil en dat hij het heel erg vond toen het bezoek werd verminderd.

6. De beoordeling

6.1. Ontvankelijkheid

6.1.1. De rechtbank is van oordeel dat de moeder kan worden ontvangen in haar verzoek, nu dit verzoek -bezien in het licht van de omstandigheid dat de moeder inmiddels is ontheven van het gezag over [roepnaam mj]- opgevat dient te worden als een verzoek tot het treffen van een (meer uitgebreide) omgangsregeling tussen de moeder en [roepnaam mj]. Het verzoek van de moeder zal beoordeeld worden aan de hand van het bepaalde in artikel 1:377a Burgerlijk Wetboek (BW).

6.2. De omgang tussen de moeder en [roepnaam mj]

6.2.1. Op grond van artikel 1:377a BW hebben een kind en de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar, tenzij er sprake is van een of meer van de in het derde lid van dat artikel genoemde ontzeggingsgronden.

6.2.2. Gebleken is dat het Bureau Jeugdzorg een beperkte omgang niet in de weg staat. Aan de beperking van de omgang liggen niet alleen, zoals de moeder veronderstelt, praktische redenen ten grondslag. Weliswaar is door het Bureau Jeugdzorg gewezen op de praktische omstandigheid van de aanzienlijke reisafstand tussen Oostvoorne, waar [roepnaam mj] verblijft, en Eindhoven, waar de moeder nu verblijft, en op het feit dat [roepnaam mj] niet te veel schooluren kan en mag missen door de bezoeken aan zijn moeder, maar de voornaamste redenen voor het Bureau Jeugdzorg om de bezoeken te beperken tot slechts één uur per vier weken liggen in de persoonlijkheid van de moeder en de voorgeschiedenis van deze zaak. Er was sprake van een symbiotische relatie tussen de moeder en [roepnaam mj], en de moeder heeft de gezondheid van [roepnaam mj] ernstig in gevaar gebracht.

Het beschadigende effect hiervan op de ontwikkeling van [roepnaam mj] moet niet worden onderschat.

[roepnaam mj] ontvangt nog behandeling voor de trauma’s die hij in de thuissituatie heeft opgelopen en voor de emotionele en psychische gevolgen daarvan. Ook heeft hij hulp en begeleiding nodig in verband met zijn autisme en ADHD.

Een en ander maakt [roepnaam mj] tot een kwetsbare jongen. Daarbij komt dat hij bijzonder loyaal is ten opzichte van zijn ouders. Om in zijn contacten met zijn moeder -van wie de psychische toestand overigens zeer labiel kan zijn- de emotionele veiligheid van [roepnaam mj] te waarborgen, dienen de bezoeken van [roepnaam mj] aan de moeder ook de komende tijd begeleid te blijven plaats vinden. De rechtbank heeft begrepen dat de (gezins)voogd of een begeleider vanuit Horizon voor deze begeleiding zorgdragen.

Tijdens de mondelinge behandeling is namens de moeder nog voorgesteld om de vader de begeleiding van de contacten op zich te laten nemen; daarmee zouden ook bezoeken in de weekends mogelijk worden. Het Bureau Jeugdzorg heeft echter voldoende aannemelijk gemaakt dat de aanwezigheid van de vader niet voldoende is, omdat gebleken is dat de vader de gebeurtenissen uit het verleden bagatelliseert en dat hij onvoldoende kan aansluiten bij wat [roepnaam mj] nodig heeft.

6.2.3. Het bovenstaande rechtvaardigt een beperking op het in art. 8 EVRM vastgelegde recht op gezinsleven, maar de rechtbank is van oordeel dat het terugbrengen van het contact tussen de moeder en [roepnaam mj] tot één uur per vier weken (in plaats van, zoals voorheen het geval was, één uur per veertien dagen) gezien moet worden als een te ver gaande beperking van het genoemde recht. Ook omdat [roepnaam mj] er duidelijk blijk van heeft gegeven behoefte te hebben aan meer contact met zijn moeder, en onvoldoende aannemelijk is geworden dat een contact van één uur per twee weken voor [roepnaam mj] te belastend of te onrustig zou zijn, acht de rechtbank een regeling die inhoudt dat de moeder en [roepnaam mj] éénmaal per twee weken gedurende een uur contact met elkaar hebben meer in het belang van [roepnaam mj].

6.2.4. Uit het voorgaande volgt dat de schriftelijke aanwijzing van het Bureau Jeugdzorg van 03 november 2011 waar het de omgang tussen de moeder en [roepnaam mj] betreft vervallen verklaard moet worden.

Daarvoor in de plaats zal een omgangsregeling worden vastgesteld van één uur per twee weken. Daarbij zal worden bepaald dat de omgang -zoals nu kennelijk het geval is- vooralsnog op woensdagmiddag, met begeleiding en in aanwezigheid van de vader zal plaats vinden. Als [roepnaam mj] naar de middelbare school zal gaan, kan -afhankelijk van zijn lesrooster- wellicht een andere dag meer geschikt zijn voor de bezoeken aan de moeder.

6.3. De proceskosten

6.3.1. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door de moeder is verzocht, het Bureau Jeugdzorg in de kosten van deze procedure te veroordelen. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.

7. De beslissing

De rechtbank:

7.1. verklaart de schriftelijke aanwijzing van het Bureau Jeugdzorg van 03 november 2011 waar het de omgang tussen de moeder en de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum mj], betreft vervallen;

7.2. bepaalt dat de moeder gerechtigd is éénmaal per twee weken, vooralsnog op woensdag, samen met de vader en met begeleiding door de voogd of de ouderbegeleider van Horizon gedurende een uur omgang te hebben met bovengenoemde minderjarige;

7.3. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.4. wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, rechter tevens kinderrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 14 maart 2012.