Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BV7786

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
90011 - HA ZA 10-2897
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis na bewijsopdracht (tussenvonnis LJN BR2517). Gedaagde heeft bewezen dat aan haar toestemming is verleend voor publicatie van krantenartikelen op haar website. Vorderingen van Cozzmoss worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 90011 / HA ZA 10-2897

Vonnis van 7 maart 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

COZZMOSS B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

advocaat mr. V.J. Groot,

tegen

de vereniging

BELANGEN VERENIGING FUNDERINGS PROBLEMATIEK,

gevestigd te Dordrecht,

gedaagde,

advocaat mr. S.E. van den Berg.

Partijen zullen hierna Cozzmoss en BVFP genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 juli 2011

- de akte uitlating na tussenvonnis van Cozzmoss

- de antwoord akte van BVFP

- de akte bewijsstukken en uitlaten getuigen van BVFP

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 10 november 2011

- de conclusie na enquete van Cozzmoss

- de conclusie na enquete van BVFP.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. BVFP is in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat zij in 2002 mondeling toestemming heeft gekregen van de Volkskrant, Trouw, NRC en Sdu om voortaan artikelen betreffende funderings- en grondwater problematiek op haar website www.platformfundering.nl te plaatsen.

2.2. Aan de zijde van BVFP zijn [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen gehoord. BVFP heeft tevens een aantal schriftelijke stukken in het geding gebracht. Cozzmoss heeft geen getuigen naar voren gebracht, maar wel een aantal schriftelijke stukken in het geding gebracht

2.3. [getuige 1] was ten tijde van zijn verhoor voorzitter van het bestuur van BVFP. Hij is gehoord als partijgetuige. Aan de door hem afgelegde getuigenverklaring komt daarom slechts beperkte bewijskracht toe. Zijn verklaring kan omtrent de door BVFP te bewijzen feiten geen bewijs in het voordeel van BVFP opleveren, tenzij zijn verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs ( artikel 164 lid 2 Rv). Van aanvulling van onvolledig bewijs sprake als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zo sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken (HR 31 maart 1995, NJ 1997, 592). Naar het oordeel van de rechtbank is er in dit geval voldoende aanvullend bewijs voorhanden, en heeft BVFP aan haar bewijsopdracht voldaan. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.4. BVFP heeft een schriftelijke verklaring van [getuige 1] in het geding gebracht (prod. 14 BVFP). Daarin staat onder meer dat hij in 2002 alle redacties van dagbladen, weekbladen, vakbladen en dergelijke telefonisch heeft benaderd met de vraag of artikelen gerelateerd aan de funderingsproblematiek op de website platformfundering.nl mochten worden geplaatst, en dat alle redacties, waaronder die van NRC, Volkskrant, Trouw en Cobouw, positief hebben gereageerd onder de voorwaarde van bronvermelding. Tijdens het getuigenverhoor heeft [getuige 1] verklaard dat hij deze schriftelijke verklaring zelf heeft geschreven en dat hij nog volledig achter de inhoud staat. Hij heeft toen tevens een nadere toelichting gegeven. Zo verklaarde hij onder meer wat de aanleiding was om de bladen te gaan bellen, dat in het bestuur is besproken dat hij dit zou gaan doen, dat hij een lijst had met ongeveer 50 à 60 bladen en dat hij de hele lijst zelf heeft afgewerkt, dat hij steeds de hoofdredacteur van de bladen heeft gesproken of iemand die zei de hoofdredacteur hierover te hebben gesproken.

2.5. BVFP heeft voorts een schriftelijke verklaring (prod. 9 BVFP) en een nadere verklaring (prod. 15 BVFP) van [getuige 2] in het geding gebracht. Daarin staat dat zij lid is van BVFP en dat zij op een ochtend in 2002 bij [getuige 1] was, die een lijst voor zich had en redacties aan het bellen was met de vraag of BVFP krantenartikelen op haar website mocht plaatsen. [getuige 1] zei haar dat tot dan toe allen positief reageerden. Tijdens het getuigenverhoor heeft [getuige 2] verklaard dat zij de nadere verklaring zelf en alleen heeft geschreven en dat zij nog volledig achter de inhoud staat. Zij verklaarde toen tevens dat zij de betreffende ochtend in 2002 als namen van bladen heeft gehoord “De Dordtenaar, de Volkskrant, Trouw, Telegraaf, een groen tijdschrift met water en Cobouw” en dat zij zich herinnert dat [getuige 1] haar destijds vertelde akkoord te hebben gekregen van de Volkskrant en Trouw.

2.6. De verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] worden ondersteund door schriftelijke verklaringen van een bestuurslid van BVFP [betrokkene 1] en een ex-bestuurslid [betrokkene 2] (prod. 18 BVFP). In de verklaring van [betrokkene 1] staat dat [getuige 1] in 2002 aan haar heeft verteld dat hij telefonische toestemming had gevraagd aan kranten/bladen om stukken te mogen plaatsen. Zij is vanaf de aanvang bestuurslid, zoals BVFP heeft gesteld en Cozzmoss niet heeft betwist. In de verklaring van [betrokkene 2] staat dat tijdens zijn bestuurslidmaatschap “regelmatig aan de orde is gekomen dat [betrokkene 3] de redacties heeft gebeld voor het verkrijgen van toestemming voor het plaatsen van krantenartikelen op de website www.platformfundering.nl”.

2.7. Een en ander wordt voorts ondersteund door een aantal emails, in het bijzonder:

- email van de heer [betrokkene 4] van 23 augustus 2011 (prod. 16 BVFP) waarin staat dat hij zich goed kan herinneren dat hij als chef stadsredactie van de Dordtenaar toestemming heeft gegeven voor het gebruik van publicaties op de website. De Dordtenaar is niet betrokken in deze procedure, maar de verklaring biedt wel steun aan de stelling van BVFP dat zij aan kranten toestemming heeft gevraagd ;

- email van [betrokkene 5] van 24 augustus 2011 (prod. 17 BVFP). [betrokkene 5] beantwoordt daarin een door [getuige 1] gestelde vraag “Kunnen jullie je nog herinneren dat ik alle redacties heb gebeld met de vraag of we de artikelen mochten publiceren?” met “Ja dat kan ik mij herinneren. Al jaren geleden, in de besprekingen tijdens het opzetten van de website vertelde je regelmatig dat je hiermee bezig was “. [betrokkene 5] heeft de website van BVFP bijgehouden, zoals BVFP aanvoert en Cozzmoss niet heeft weersproken.

2.8. BVFP kan zich weliswaar niet baseren op verklaringen van de betreffende redacteuren van destijds, maar het voorgaande levert voldoende bewijs op. Bovendien blijkt uit de – op dit punt door Cozzmoss niet weersproken – stellingen van BVFP dat zij tevergeefs uitgebreid heeft geprobeerd om met de redacteuren van destijds in contact te komen.

2.9. Cozzmoss heeft hier schriftelijke verklaringen uit 2011 van Trouw, NRC, Volkskrant en Cobouw tegenover gesteld. In die (korte en in identieke bewoordingen opgestelde) verklaringen staat dat de betreffende krant “nimmer (mondeling) toestemming heeft verleend” aan BVFP voor het plaatsen van artikelen op haar website. Deze verklaringen zijn echter onvoldoende om het door BVFP geleverde bewijs te ontkrachten, gezien het navolgende.

2.10. Er kan niet van worden uit gegaan dat degenen die deze verklaringen hebben ondertekend de redacteuren waren die in 2002 de toestemming gegeven of geweigerd zouden kunnen hebben. BVFP heeft immers onweersproken aangevoerd dat zij allen een heel andere functie hadden. De ondertekenaar van Trouw (nu: adjunct-hoofdredacteur) was in 2002 correspondent in Duitsland. De ondertekenaar van de NRC (nu: adjunct-hoofdredacteur) is pas sinds 2007 werkzaam bij de NRC. De ondertekenaar van de Volkskrant (nu: managing editor) was in 2002 correspondent in Moskou. De ondertekenaar van Cobouw (nu: uitgever/hoofdredacteur) was in 2002 werkzaam bij het Veluws Dagblad.

2.11. Uit de verklaringen blijkt niet hoe de ondertekenaars – die zelf dus niet bij de gestelde toestemmingsverlening betrokken waren - aan de in de verklaringen opgenomen wetenschap zijn gekomen, en of zij dit hebben getoetst bij de redacteuren van destijds. Nu de ondertekenaars niet als getuigen naar voren zijn gebracht heeft de rechtbank hen daar ook niet naar kunnen vragen. Deze verklaringen wegen daarom onvoldoende op tegen het door BVFP aangedragen bewijs. Zulks temeer nu BVFP heeft aangevoerd dat het beleid van de kranten is veranderd. Zij heeft er verschillende keren op gewezen dat het destijds vanzelfsprekend was dat herpublicatie mocht, maar dat kranten inmiddels strenger zijn geworden. Dit is aangevoerd tijdens de comparitie na antwoord, in de nadere verklaring van [getuige 2] en is tevens aan de orde gekomen tijdens het verhoor van [betrokkene 3] en bij conclusie na enquete van BVFP (alinea 18). Cozzmoss heeft dat niet betwist. Daarom staat tussen partijen vast dat de kranten sinds 2002 strenger zijn geworden als het gaat om het verlenen van toestemming voor herpublicatie van artikelen. Dit brengt met zich dat toestemming in 2002 wellicht gemakkelijker werd verleend dan heden ten dage.

2.12. Nu BVFP in het bewijs is geslaagd worden de vorderingen van Cozzmoss afgewezen.

2.13. Cozzmoss zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Toepassing van artikel 1019h Rv is uitdrukkelijk door BVFP gevorderd. Haar uiteindelijke opgave (conclusie na enquete) bedraagt € 18.238, 98 aan volledige proceskosten. Blijkens de overgelegde specificatie is de component honorarium €13.521,67.

2.14. Cozzmoss heeft aanvankelijk (comparitie na antwoord) verweer gevoerd tegen de opgave van BVFP. Cozzmoss voerde onder andere aan dat de kosten zouden moeten worden gematigd tot het door haar zelf gevorderde bedrag, althans tot het indicatietarief van € 8.000,=. Beide partijen hebben hun opgave naderhand verhoogd.

2.15. Het door BVFP gevorderde bedrag wordt toegewezen. Weliswaar kan deze zaak inhoudelijk gezien niet als een ingewikkelde worden aangemerkt, maar de extra proceshandelingen (extra schriftelijke ronde en getuigenverhoor) rechtvaardigen een afwijking van het indicatietarief van € 8.000,=, zoals Cozzmoss zelf ook naar voren heeft gebracht. Cozzmoss heeft ook geen verweer gevoerd tegen de verhoogde opgave van BVFP.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. veroordeelt Cozzmoss in de proceskosten, aan de zijde van BVFP tot op heden begroot op € 18.238, 98 en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.M. Diekman en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2012.?