Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BV6595

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
22-02-2012
Zaaknummer
92275 / HA ZA 11-2210
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk. Opdrachtgever (hoveniersbedrijf), eiseres, geeft onderaannemer, gedaagde, de opdracht om de bouwkundige werkzaamheden uit te voeren m.b.t. de aanleg van een vijver. Eiseres geeft enkele concrete richtsnoeren (materiaalkeuze en dikte betonvloer); gedaagde geeft eiseres nog enkele specifieke adviezen (dikkere betonvloer en toepassing wapeningsnetten). Vervolgens treden er scheuringen op in de vijverwanden. Gedaagde beroept zich erop dat de door eiseres verstrekte tekening onduidelijk was. Dit verweer gaat niet op, gelet op de precontractuele waarschuwingsplicht van gedaagde. Het was haar vooraf al duidelijk dat de tekening onvoldoende gegevens bevatte om het werk deugdelijk te kunnen uitvoeren. Gedaagde is in beginsel aansprakelijk. Causaal verband tussen tekortkoming en schade onvoldoende gemotiveerd betwist. Schade moet door deskundige worden beoordeeld. Er is ruimte voor eigen schuld, nu eiseres gedaagde enkele richtsnoeren heeft gegeven en gedaagde niet duidelijk heeft gemaakt dat er geen enkel onderzoek naar de keuze van deze gegevens ten grondslag lag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 92275 / HA ZA 11-2210

Vonnis van 15 februari 2012

in de zaak van

[EISER],

wonende te Vlissingen,

eiser,

advocaat mr. B.H. Vader,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B.V. AANNEMINGSBEDRIJF [X],

gevestigd te Oude-Tonge,

gedaagde,

advocaat mr. E.B. van den Ouden.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 april 2011 en de daarin genoemde stukken;

- het proces-verbaal van comparitie van 7 september 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is een hoveniersbedrijf. [eiser] heeft in opdracht en voor rekening van [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) werkzaamheden verricht aan diens tuin op perceel [adres] (hierna: het perceel). [gedaagde] is een aannemings-bedrijf. [gedaagde] heeft in opdracht en voor rekening van [betrokkene 1] verbouwingswerkzaamheden uitgevoerd aan het op het perceel staande woonhuis. [eiser] en [gedaagde] zijn tegelijkertijd werkzaam geweest op het perceel.

2.2. Bij brief van 16 juni 2009 heeft [eiser] aan [betrokkene 1] offerte gedaan voor het uitvoeren van een aantal extra werkzaamheden, waaronder de aanleg van een dubbele vijver (hierna: de vijver). In de offerte is, voor zover van belang, onder meer bepaald:

‘[…]

Te verrichten werkzaamheden:

[…]

- betonvloer storten, vloerdikte 12 cm

- wanden opmetselen in kalkzandsteen bouwblokken

[…]

- buitenzijde afwerken met stucwerk – door aannemer uit te voeren –

[…]’

2.3. [eiser] heeft [gedaagde] verzocht de bouwkundige werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de vijver (in onderaanneming) uit te voeren. [gedaagde] heeft bij – ongedateerde – e-mail een offerte aan [eiser] gedaan. In de e-mail wordt, voor zover van belang, het volgende medegedeeld:

‘Geachte heer [eiser],

Hier de prijs voor het maken van de twee betonplaten 20 cm dik voor zien van dubbele wapening 8 mm en 20 cm beton. De wanden opgemetseld met grindbetonblok 14/24 klinker grijs afm. 325x140x240 deze worden aan de buitenzijde gestreken, te weten: vertinnen met UAP, uitrapen +/- 8 mm met UAP waarna de krabpleister aangebracht kan worden.

[…]

De kosten zoals omschreven zijn € 20.364,30 EX BTW.

[…]’

Met vriendelijke groet,

[-] [gedaagde]

2.4. [eiser] heeft deze offerte op 26 juni 2009 aanvaard. Ten behoeve van de werkzaamheden van [gedaagde] heeft [eiser] [gedaagde] een matenschets verstrekt. Op advies van [gedaagde] is de vijverbodem gerealiseerd met 20 cm dik beton en is deze voorzien van dubbele wapeningsnetten. [gedaagde] heeft de werkzaamheden in augustus 2009 uitgevoerd. Ook heeft zij de buitenrand van de vijver nog gestuct en afdekplaten aangebracht. De door [gedaagde] bij [eiser] in rekening gebrachte bedragen zijn door laatstgenoemde voldaan.

2.5. De vijver is eind oktober 2009 met water gevuld. Vanaf april 2010 zijn de vijverwanden gaan scheuren. Op 8 mei 2010 heeft [betrokkene 1] [eiser] verzocht tot herstel over te gaan. [eiser] is door [betrokkene 1] ook aansprakelijk gesteld. Zij heeft aansprakelijkheid erkend. Bij brief van 10 juni 2010 heeft [eiser] [gedaagde] gesommeerd tot herstel van de vijver over te gaan.

2.6. Partijen hebben ing. S. Jobse (hierna: Jobse) van Grontmij B.V. te Middelburg verzocht als deskundige over de vijver te rapporteren. Uit het rapport van Jobse, gedateerd 28 september 2010, volgt onder meer, voor zover van belang:

‘[…]

Gezien de bouwwijze van metselwerk met een dikte van 14 cm in beton- of kalkzandsteenblokken ([gedaagde] meldt grindbetonblokken en [eiser] kalkzandsteen) wat los op de betonnen funderingsplaat is opgemetseld (zie foto’s uit het uitvoeringsstadium) is deze deformatie van de hoge wanden verklaarbaar door de hoge optredende passieve krachten vanuit de waterbelasting welke niet of nauwelijks gecompenseerd worden door gronddruk of andere constructies. De grindkoffer rondom het metselwerk zorgt dat regenwater kan worden afgevoerd en opspattend regenwater minder vervuiling geeft, mogelijke grondtegendruk wordt door het grind verminderd.

[…]

[…] Daar de geconstateerde verplaatsingen horizontaal zijn en de kopse wanden geen deformatie vertonen kan er van worden uitgegaan dat de betreffende betonplaat geen schade heeft door verzakkingen.

De hoofdeigenschap van metselwerk is dat deze verticale druk kan opvangen. Indien er horizontale krachten gaan optreden die meer bedragen als uit berekeningen blijkt, dan zullen ondersteunende maatregelen getroffen moeten worden zoals bijvoorbeeld steunberen, haakse muren, gewapend metselwerk, steunprofielen, enz. Van boven vermelde maatregelen is hier geen sprake.

[…]’

2.7. Tot zekerheid van verhaal van haar vordering op [gedaagde] heeft [eiser] – met toestemming van de voorzieningenrechter – conservatoir beslag gelegd onder [betrokkene 1].

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert, na vermindering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] betreffende het realiseren van de bouwkundige constructie voor de vijver zal ontbinden en

- [gedaagde] zal veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis een bedrag van € 112.461, subsidiair een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, aan [eiser] te voldoen,

met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

[eiser] stelt daartoe het volgende.

3.2. Nu de vijverwanden scheuren vertonen, is [gedaagde] tekortgeschoten in de met [eiser] gesloten overeenkomst van aanneming van werk. [gedaagde] heeft voorafgaand aan de werkzaamheden alleen om een matenschets gevraagd en niet om sterkte- of constructieberekeningen. [gedaagde] had zich van de informatie moeten voorzien die zij nodig had om het werk naar behoren uit te voeren. [eiser] mocht ervan uitgaan dat zij dit zou doen, nu [gedaagde] ook specifieke adviezen ten aanzien van de aanleg van de vijver heeft gegeven (het aanbrengen van een 20 cm dikke bodem in plaats van een 12 cm dikke bodem en het aanbrengen van wapeningsnetten). Nu [gedaagde] heeft nagelaten zich van de juiste informatie te voorzien, heeft zij een gebrekkige prestatie geleverd. Om die reden dient de overeenkomst ontbonden te worden verklaard.

3.3. Daarnaast is [gedaagde] aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade. Zij is met de vergoeding daarvan in verzuim. De schade bestaat uit de volgende posten:

a. de door [gedaagde] aan [eiser] in rekening gebrachte bedragen van in totaal € 30.546;

b. de door [eiser] in het kader van her herstel te maken kosten terzake eigen werkzaamheden van € 38.826;

c. de door [eiser] te maken kosten tot herstel van de bouwkundige werkzaamheden en de natuurstenen afwerking, door [gedaagde] zelf begroot op € 32.089;

d. advocaatkosten van [eiser] van € 5.000;

e. advocaatkosten van [betrokkene 1] van € 6.000.

Het verweer

3.4. De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure, inclusief een bedrag terzake salaris advocaat.

3.5. [eiser] had, als hoofdaannemer, voor een deugdelijke werkomschrijving moeten zorgdragen, waarin de technische omschrijvingen, tekeningen en berekeningen voor de uit te voeren werkzaamheden zijn opgenomen. Dit geldt te meer nu [eiser] een professioneel hoveniersbedrijf is, dat specifiek deskundig is op het gebied van het aanleggen van vijvers. [gedaagde] is nooit op de hoogte gebracht van de besprekingen met [betrokkene 1], de wijze van uitvoering van de vijver en van de details. Aan haar is slechts verzocht de ondervloer te storten en daarop een kalkzandstenen muur te metselen, hetgeen zij heeft gedaan. Voorafgaand heeft zij aan [eiser] kenbaar gemaakt dat zij geen enkele ervaring had met de aanleg van vijvers. Indien [gedaagde] zou hebben geweten dat [eiser] ook geen kennis terzake had, zou zij constructieve berekeningen hebben laten maken en haar offerte heel anders hebben ingericht (een hogere prijs hebben bedongen). [gedaagde] is niet aansprakelijk.

3.6. De schade zou ook kunnen zijn ontstaan doordat [eiser] in een later stadium heeft besloten een grindkoffer toe te passen, of door vorstperikelen. [gedaagde] betwist de schadeopstelling van [eiser]. Bij de beoordeling van de schade moet in ieder geval in aanmerking worden genomen dat [eiser] op zijn minst medeschuld draagt.

4. De beoordeling

4.1. De overeenkomst die tussen [eiser] en [gedaagde] is gesloten, is aan te merken als een overeenkomst van aanneming van werk, zoals bedoeld in artikel 7:750 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De aannemer, hier [gedaagde], was gehouden het werk deugdelijk uit te voeren. Nu de wanden van de vijver, waaraan [gedaagde] bouwkundige werkzaamheden heeft verricht, zijn gescheurd en de vijver als gevolg daarvan niet meer te gebruiken is, staat vast dat het werk ondeugdelijk is uitgevoerd.

4.2. Uit artikel 7:760, tweede lid in combinatie met het derde lid, BW volgt dat de gevolgen van een ondeugdelijke uitvoering van het werk voor rekening komen van de opdrachtgever, hier [eiser], indien de ondeugdelijke uitvoering is te wijten aan fouten of gebreken in de door de opdrachtgever verstrekte plannen, tekeningen, berekeningen, bestekken of uitvoeringsvoorschriften. [gedaagde] heeft in dit verband aangevoerd dat de door [eiser] verstrekte tekening onduidelijk was, dat er nauwelijks maten in stonden, en dat [eiser] niet voor een deugdelijke werkomschrijving, met daarin onder meer technische omschrijvingen, heeft gezorgd. Hiertoe was [eiser] volgens [gedaagde] te meer gehouden, nu zij zelf een professioneel hoveniersbedrijf is, en [gedaagde] geen enkele ervaring had op dit terrein. Om die reden stelt [gedaagde] niet aansprakelijk te kunnen zijn voor de ontstane schade.

4.3. [gedaagde] kan in dit betoog niet worden gevolgd. Gelet op de stellingen van partijen en het oordeel van Jobse (zie 2.6), moet worden aangenomen dat de door [eiser] aan [gedaagde] verstrekte matenschets onvoldoende technische of rekenkundige gegevens bevatte om het werk deugdelijk te kunnen uitvoeren. Ingevolge artikel 7:760, tweede lid, BW komen de gevolgen daarvan voor rekening van [eiser], tenzij [gedaagde] haar in artikel 7:754 BW bedoelde waarschuwingsplicht heeft geschonden. Een dergelijke waarschuwingsplicht rustte in dit geval op [gedaagde]. Zij heeft immers zelf geconstateerd dat de tekening onvoldoende technische informatie bevatte om het werk deugdelijk te kunnen uitvoeren. [gedaagde] had, gelet daarop, [eiser] moeten waarschuwen dat zij nadere gegevens nodig had of dat er extra onderzoek (constructieve berekeningen) verricht diende te worden. [gedaagde] heeft dit echter nagelaten. Daarmee heeft zij haar waarschuwingsplicht geschonden. Daaraan doet niet af dat [eiser] – in ieder geval in de visie van [gedaagde] – deskundiger was op het gebied van het aanleggen van vijvers. De enkele omstandigheid dat de opdrachtgever voldoende deskundig is om de gevolgen van eventuele fouten in het ontwerp te kunnen overzien, ontslaat de opdrachtnemer immers niet van zijn verplichting de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in dat ontwerp, die de opdrachtnemer zelf had moeten opmerken. Bovendien is [gedaagde] op het terrein van het uitvoeren van bouwkundige werkzaamheden als deskundiger te beschouwen dan [eiser]. Het was [gedaagde] die, rekening houdend met de krachten van het water, adviseerde de vloer van de vijver dikker te maken en dubbele wapeningsnetten toe te passen. [eiser] mocht er dan ook vanuit gaan dat [gedaagde] haar zou waarschuwen indien zij nadere gegevens nodig had om het werk deugdelijk te kunnen uitvoeren.

4.4. Ter comparitie heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat [eiser] haar niet duidelijk heeft gemaakt dat de vijver aan de randen niet zou worden versterkt (aangevuld). [gedaagde] stelt te hebben aangenomen dat de randen zouden worden aangevuld, en dat er in dat geval geen enkel probleem zou zijn opgetreden. Nu uit de matenschets blijkt dat de vijver deels boven de grond zou komen te liggen en uit de matenschets niet blijkt dat de randen zouden worden aangevuld, lag het op de weg van [gedaagde] haar vooronderstellingen expliciet bij [eiser] te toetsen. Nu zij dit heeft nagelaten, kan niet worden aangenomen dat het verzuim van [gedaagde] haar niet kan worden toegerekend.

4.5. Het voorgaande brengt mee dat [gedaagde] in beginsel aansprakelijk is voor de aan de vijver ontstane schade vanwege een schending van haar in artikel 7:754 BW vervatte waarschuwingsplicht. De vordering tot ontbinding van de overeenkomst is dan ook voor toewijzing vatbaar.

4.6. [gedaagde] heeft het causaal verband tussen haar vermeende tekortkoming en de gestelde schade betwist. Jobse heeft in zijn rapportage weliswaar opgemerkt dat mogelijke grondtegendruk door de aanleg van de grindkoffer is verminderd, maar hij heeft de aanleg van de grindkoffer niet als oorzaak van de schade aangewezen. Eén en ander zal in 4.9 (in het kader van eigen schuld) aan de orde komen. Voorts is Jobse ingegaan op de suggestie van [gedaagde] dat de schade zou zijn ontstaan door vorst. Deze mogelijkheid heeft Jobse echter gemotiveerd van de hand gewezen. Bij gebreke aan een nadere onderbouwing van deze stellingen van [gedaagde] zal daaraan verder voorbij worden gegaan. Nu het rapport van Jobse ook verder inhoudelijk niet door [gedaagde] is weersproken, wordt aangenomen dat de schade als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] is ontstaan.

4.7. Ten aanzien van de opgevoerde schadeposten wordt als volgt overwogen. Partijen hebben al uitvoerig met elkaar over de schadeposten gecorrespondeerd. Nu zij, ook na de comparitie van partijen, op dit punt niet nader tot elkaar zijn gekomen, zodat de standpunten uiteen blijven lopen, heeft de rechtbank behoefte aan voorlichting door een deskundige. Deze deskundige zal in de visie van de rechtbank in ieder geval moeten ingaan op onderstaande, onder a tot en met c geformuleerde, vraagpunten.

a. De door [gedaagde] aan [eiser] in rekening gebrachte bedragen van in totaal € 30.546

[eiser] heeft hierbij ten onrechte niet in aanmerking genomen dat door de ontbinding voor beide partijen verbintenissen tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties ontstaan. Nu het door [gedaagde] verrichte werk naar haar aard niet ongedaan kan worden gemaakt, zal daaraan een waardevergoeding moeten worden toegekend (artikel 6: 272 BW). De deskundige zal zich gemotiveerd moeten uitlaten over de vraag, wat het door [gedaagde] verrichte werk waard is, waarbij onder meer zal moeten worden bezien of er – zoals [gedaagde] stelt – aan de bodem van de vijver geen schade is ontstaan.

b. De door [eiser] in het kader van het herstel te maken kosten terzake eigen werkzaamheden van € 38.826

[eiser] heeft hierbij verwezen naar het overzicht dat als productie 12 aan de dagvaarding is gehecht. Het totaalbedrag van € 38.826 is echter niet uit dit overzicht af te leiden, maar wel uit de schadeopstelling die deel uitmaakt van productie 11 bij dagvaarding. [gedaagde] heeft deze schadepost gemotiveerd betwist. De deskundige zal met name moeten beoordelen in hoeverre de door [eiser] geraamde hoeveelheden arbeidsuren (met betrekking tot elke genoemde post) redelijk zijn. Voorts zal de deskundige moeten ingaan op de door [gedaagde] opgeworpen vraag waarom er nieuw materiaal (natuursteen) nodig is, en of hergebruik van materialen (folie) niet mogelijk is.

c. De door [eiser] te maken kosten tot herstel van de bouwkundige werkzaamheden en de natuurstenen afwerking, door [gedaagde] zelf begroot op € 32.089

Ter comparitie is gebleken dat de offerte van [gedaagde] is gebaseerd op een uitvoering in beton. Dit zou een kwalitatief hoogwaardiger uitvoering opleveren dan tussen partijen was overeengekomen. De deskundige zal zich moeten uitlaten over de vraag wat de kosten zijn van herstel van de bouwkundige werkzaamheden, bij gebruik van dezelfde (tussen partijen overeengekomen) materialen.

d. Advocaatkosten van [eiser] van € 5.000

Deze kosten zijn aan te merken als buitengerechtelijke kosten. [gedaagde] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat door [eiser] buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Er zal daarom, overeenkomstig Rapport Voorwerk II, een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten worden toegewezen tot een bedrag gelijk aan twee punten van het toepasselijke liquidatietarief.

e. Advocaatkosten van [betrokkene 1] van € 6.000

Het is niet duidelijk op grond waarvan [gedaagde] deze kosten zou dienen te voldoen, nu [eiser] haar aansprakelijkheid jegens [betrokkene 1] heeft erkend. Bovendien heeft [eiser] niet aangetoond dat zij deze kosten daadwerkelijk heeft voldaan. Deze vordering ligt daarom voor afwijzing gereed.

4.8. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het specialisme van de te benoemen deskundige en over de aan de deskundige voor te leggen vragen (waaronder de in 4.7, onder a tot en met c, door de rechtbank geformuleerde vraagpunten). Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige, dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De zaak zal hiertoe naar de rol worden verwezen. [eiser] zal, als eisende partij, het voorschot – waarover partijen zich nog uit zullen kunnen laten – op de kosten van het deskundigenbericht moeten voldoen.

4.9. Hoewel de schade is ontstaan doordat [gedaagde] haar waarschuwingsplicht heeft geschonden, is de rechtbank van oordeel dat de schade wellicht mede een gevolg is van omstandigheden die aan [eiser] zijn toe te rekenen, nu Jobse in zijn rapportage heeft vermeld dat de grindkoffer mogelijke grondtegendruk heeft verminderd. [eiser] heeft, in een later stadium, voor de aanleg van de grindkoffer gekozen. Om te beoordelen of er in dat verband sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiser], is de rechtbank voornemens de in 4.8 bedoelde deskundige, dan wel een andere deskundige ook op dit punt om een oordeel te vragen. Ook over dit voornemen zullen partijen zich kunnen uitlaten. Verwezen zij verder naar hetgeen in 4.8 is overwogen.

4.10. Bij het bepalen van de schadevergoedingsplicht van [gedaagde], zal de rechtbank voorts rekening houden met het volgende. Door aan [gedaagde] een aantal parameters (de dikte van de aan te brengen betonvloer alsmede de materiaalkeuze) voor te schrijven, heeft [eiser] de suggestie gewekt dat zij ofwel zelf enig onderzoek naar de constructie van de vijver had gedaan, ofwel dat deze parameters berustten op eerdere ervaringen van [eiser]. Het lag in die omstandigheden op de weg van [eiser] om aan [gedaagde] duidelijk te maken dat er geen enkel onderzoek ten grondslag lag aan de keuze van deze parameters, en dat het dus noodzakelijk was dat [gedaagde] dit onderzoek zelf zou verrichten. Dit hoefde [gedaagde] niet zelf te begrijpen. Als gevolg daarvan is de schade, hoewel deze primair als gevolg van het niet nakomen van de waarschuwingsplicht door [gedaagde] is ontstaan, toch voor een zeker deel veroorzaakt door aan [eiser] toe te rekenen omstandigheden. Dit zal eveneens, in het kader van eigen schuld, worden meegewogen.

4.11. De zaak wordt voor het nemen van aktes verwezen naar de rol. Iedere beslissing zal, hangende het nemen van aktes, worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank:

- verwijst de zaak naar de rol van woensdag 14 maart 2012 voor het nemen van aktes zoals bedoeld in r.o. 4.7 (onder a tot en met c), 4.8 en 4.9, eerst aan de zijde van [eiser];

- houdt iedere nadere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Spengen en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2012.